Johannes Verkerk.
Even een
kleine inleiding over de achtergronden van onze familie, dat kan het
één en ander verduidelijken. Mijn vader was Johannes Verkerk. Hij
werd geboren in Leiden op 21 februari 1912 en hij overleed op 10
juni 2004.
Hij had een
m.i. fotografisch geheugen. De verhalen die hij vertelde heb ik in
de computer vastgelegd en regelmatig als hij weer op z’n praatstoel
zat hoorde ik feiten die ik meende nog niet te hebben genoteerd. Bij
controle kwamen die steevast overeen met wat hij al eerder verteld
had. Veel verhalen heb ik kunnen verifiëren aan de hand van
aantekeningen uit zijn agenda’s die hij allemaal bewaard heeft vanaf
1947. Waar ik via internet aan nadere gegevens kwam over voorvallen
die hij beschreef bleek ook steeds weer dat, wat hij vertelde ook
daadwerkelijk klopte.
Mijn vader
kwam in 1929 bij Zuiderzeewerken. Via studie in de avonduren wist
hij zich op te werken. Begin 1936 kwam hij in Lemmer wonen in een
kosthuis op de schoolstraat Hij trouwde in mei 1937 en kwam toen in
Lemmer te wonen op een woonark van de Zuiderzeewerken, de “BEVER VI”.
Deze ark lag in de dijksloot te Lemmer. Hier werd mijn broer Hans
geboren
Ze kregen eind
1939, begin 1940 een woning aangeboden van Zuiderzeewerken omdat men
de Bever elders wilden gebruiken. De ark ging eerst op de helling en
bij controle bleek dat men met de bikhamer door de bodem heen tikte.
De woning in
Lemmer lag op het sluisterrein en werd maar kort door hen bewoont,
maar ze beleefden hier een hachelijk avontuur. Enkele weken voordat
het 2e kind geboren werd, eind juli 1940 was m'n vader
in de keuken de kinderstoel aan het opknappen. Hij kijkt toevallig
naar buiten en ziet in een blauwe plek tussen de wolken een eenzaam
vliegtuig. Even later hoort hij het gefluit van een bom. Hij kende
dat geluid van een eerder "bombardement" dat hij meemaakte in
Voorschoten, ten tijde van de Duitse inval en de slag om het
vliegveld Valkenburg. Hij roept tegen m'n moeder, elders in huis,
"LIGGEN", ze lacht naar hem omdat ze de ernst van de situatie niet
in de gaten heeft maar hij roept: "ga nou maar liggen" en ze drukken
zich beiden tegen de grond. Een bom scheert fluitend vlak over hun
huis. Het kan zijn op een halve meter, maar hooguit op enkele meters
hoogte over het huis en komt terecht op slechts 4 à 5 meter voor het
huis in een eterniet waterleidingbuis, wat een fontein tot gevolg
heeft. Pas veel later blijkt dat een tweede bom zo'n 20 meter verder
in het water van de haven is gevallen en explodeerde. Het huis
mankeert niets, geen ruit kapot. Men vindt de scherven van de bom
die op het water is gevallen en neemt aan dat die van de de bom op
de waterleiding zijn. Mijn vader gaat kijken maar vertrouwt het
niet, hij vindt het gat van de inslag raar klein,)
geen echte krater. Samen met m'n moeder, broer Hans en een oom die
inwoonde, maar de bommen niet gehoord heeft omdat hij met z'n hoofd
onder de kraan zat, vertrekt hij uit het huis. De buurman Ir. v.d.
Bout, met vrouw en pasgeboren kind is het met hem eens en vertrekt
ook. Omdat de Bouten geen reiswieg hebben voor hun pasgeborene
krijgen ze zo lang de (Beatrix) reiswieg van m'n ouders te leen. Ze
passeren verderop een bakkersvrouw die voor de winkel staat te
kijken, heel gemoedelijk iets achterover leunend, de armen over
elkaar. Ze zegt: "leven jullie nog,? ik dacht dat jullie er geweest
waren".
Nog iets
verderop spreken zij de toekomstige chefmachinist van het in
aanbouwzijnde gemaal, die ook in hun rijtje huizen woont. Deze komt
net terug van een dienstreis (voor Zuiderzeewerken). Eerder heeft
hij daarvoor Rotterdam en Amsterdam (Werkspoor) bezocht. Deze zegt:
"nou dat is toch ook pech hebben, kom ik in Rotterdam, was er
gebombardeerd, ik kom bij Werkspoor en er was gebombardeerd en nu
kom ik thuis en dan is het weer raak". M'n vader zegt hem dat hij
dan juist over geluk niet te klagen heeft als hij dat allemaal
overleeft heeft. De machinist spoed zich naar huis, zet z'n koffer
binnen en gaat nog even naar het gat bij de waterleiding kijken.
Eén van de
arbeiders van de waterleiding steekt, zegt men, z'n schop in het gat
om te kijken hoe diep het is en raakt kennelijk de ontsteking, want
de bom explodeert. Acht mensen worden gedood, behoudens de arbeiders
van de waterleiding, zijn dit o.a. een politieagent die
nieuwsgierigen steeds wegzond maar nu zelf bij het gat staat, het
hoofd luchtbescherming, de bakker van de winkel waar m'n ouders net
langs gelopen waren, hij fietste net langs en de machinist die net
terugkwam en de bombardementen overleefde op Rotterdam en Werkspoor.
Eén man was door de luchtdruk over het huis van mijn ouders heen
geslingerd en werd in de achtertuin teruggevonden, een ander was
eerst onvindbaar, maar werd later op het dak van een keet, 30 à 40
meter verderop teruggevonden, beiden waren natuurlijk dood.
Overigens zijn later problemen ontstaan over de verzekering van de
bij de ontploffing omgekomen chefmachinist omdat men wil weten of
z'n koffer binnen stond of buiten. Als deze binnen stond, was hij
thuis en zou zijn vrouw geen uitkering krijgen. Als deze buiten
stond werd hij nog niet thuis te zijn geacht van de dienstreis en zou er
worden uitbetaald. Een goed gereformeerde ingenieur heeft toen
meineed gepleegd, zodat de weduwe toch kreeg uitbetaald.
M'n vader
heeft, na de 2e ontploffing, zoveel mogelijk spullen uit het huis
weggehaald, omdat hij verwachte dat hij het huis niet meer in zou
mogen. Het huis is overigens nog steeds onbeschadigd, waarschijnlijk
doordat de bom in de grond ontploft is en de schokgolf over het huis
heen geslagen is (dit bevestigd ook waarom één lichaam in de
achtertuin werd teruggevonden) Hij kreeg als nieuwe vestigingsplaats Urk in een woning aan de Sluisput. Hier werd
op 23 augustus1940 m’n
broer Jaap geboren. Hij kreeg gelijk dat het huis tijdelijk niet
gebruik mocht worden. Het hele havengebied werd tijdelijk
afgesloten. Wel moesten er nog enige boten t.b.v. Zuiderzeewerken
uit de haven weggehaald worden. De burgemeester van Lemsterland gaf
op 1 augustus een schriftelijke vergunning af aan mijn vader “om
zich op het werkhaventerrein te begeven o.m. met een drietal
vletschippers, teneinde deze schepen van hier weg te brengen.”
Mijn vader
moet ongetwijfeld de namen van vier van de slachtoffers gekend
hebben (agent, bakker, machinist en het hoofd Luchtbescherming),
maar voor zover ik me kan herinneren heeft hij ze nooit genoemd en
vreemd genoeg heb ik hem daar ook nooit naar gevraagd.
)
Tijdens het vertellen van het verhaal duidt hij met z'n
handen een diameter van 30 à 35 cm aan.
Martien Verkerk.
Home