Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Jacob Kleis Visser - "Japie van Kleis"

 

Door Jaap van der Zwaag. j.s.vanderzwaag@planet.nl

 

 
 

 

Jacob Kleis Visser - "Japie van Kleis"

 

 

Japie van Kleis.

 

Ik ben een kleinzoon van Jacob Kleis Visser, die in De Lemmer bekend stond als "Japie van Kleis". Zijn voorouders (dus ook die van mij) komen uit de dorpen bij het Tjeukemeer, zoals Oosterzee, Delfstrahuizen, Echten en pas nadat Lammert Kleizes Visser (zie mijn vorige verhaal) in 1852 in De Lemmer trouwde met Albertje Nolkes Hoekstra werd deze Visserfamilie een Lemster familie.

Eén van de kinderen van Lammert Kleis, was Kleis Lammert Visser (mijn overgrootvader), die in 1852 in De Lemmer werd geboren. In tegenstelling tot zijn vader, die zeeman en later schipper was geweest, koos Kleis niet het ruime sop maar werd schoenmaker.

Even leek het of Kleis Visser De Lemmer zou verlaten, want in 1874 trouwde hij met een meisje uit Sloten, Aaltje de Jager. Na even in De Lemmer gewoond te hebben, vertrok het echtpaar (met één kind: Lammert) weer naar Sloten, waar mijn opa Jacob Kleis Visser en een zusje, Wypkje, werden geboren. Op 19 april 1878 vestigden ze zich definitief in De Lemmer, waar Lammert met zijn schoenmakersvak doorging.

In totaal kreeg het echtpaar Visser/de Jager elf kinderen. Na het overlijden van Aaltje in 1903 hertrouwde Kleis in 1904 met Jantje Osinga, de weduwe van de in 1896 (in De Lemmer) overleden Eeltje (Uiltje) Hoekstra. Het echtpaar Hoekstra/Osinga had acht kinderen gekregen (waarvan één doodgeboren in 1892) zodat mijn opa Jacob Visser naast elf broers en zusters, nog eens zeven halfbroers en -zusters had. Ik kom daar in een volgend verhaal op terug.

Omstreeks 1900 moeten mijn overgrootvader Kleis Lammert Visser en mijn pake Jacob het plan hebben opgevat op de Zuiderzee te gaan vissen, ongetwijfeld aangetrokken door de mogelijkheden die deze vorm van bedrijvigheid boden. 1890 was een fenomenaal ansjovisjaar geweest, dat andere recordjaren verre overtrof. In totaal werden er dat jaar 190.000 ankers ansjovis ingezouten, bijna het dubbele van de andere topjaren. Iedereen die maar een boot kon bemachtigen en wat geld bezat (of kon lenen) om de viswant aan te schaffen werd ansjovisser in De Lemmer: predikanten, hoteleigenaars, kroeghouders, turfschippers, boerenarbeiders, veenarbeiders (en -bazen!), deskundig of niet, werd visser in die jaren.

Er waren nog andere redenen dat veel mensen uit De Lemmer en omgeving zich op de Zuiderzeevisserij wierpen. De vraag naar turf en het werk in de veenderijen (w.o. die in de omgeving van het Tjeukemeer) was een aflopende zaak. De zonder werk geraakte turfmakers vertrokken voor een groot deel naar elders, zoals De Lemmer, om daar een nieuw bestaan te vinden.

In de melkveehouderij was in die jaren ook geen brood meer te verdienen. En er was omstreeks 1880 sprake van een ernstige landbouwcrisis, onder meer door de concurrentie van graan uit Noord-Amerika, maar vooral ook de concurrentie van margarinefabrieken en buitenlandse boterproducenten. Veel Friese boeren waren al failliet gegaan en de overgeblevenen beperkten hun activiteiten.

In De Lemmer zocht men naar andere bestaansmogelijkheden en vond die in de visserij. En zo werd De Lemmer plotseling getransformeerd tot een vissersplaats. En natuurlijk heeft Kleis Lammert met zijn ruim twintig jaar oude zoon aan tafel gezeten in zijn kleine huisje aan de Schans om de grote stap naar de Zuiderzeevisserij te overwegen. Aan geld was wel te komen. De eigenaren van de rokerijen waren graag bereid de (potentiële) vissers geld te lenen. Ik weet niet of Kleis en zijn zoon Jacob geld hebben moeten lenen om te starten. In ieder geval begonnen vader en zoon Visser op een rustige manier. Ze kochten geen aak maar begonnen de visserij met een zogenaamde open boot. Pas jaren later kocht Jacob een tweede-handsaak, de LE 48, welke hij naar mijn moeder noemde: "Aaltje".

"Japie van Kleis" wist al gauw zijn eigen plaats binnen de Lemster visserij te veroveren. Hij werd een bekende figuur in De Lemmer, niet alleen omdat hij zijn schip roze had geschilderd (de enige bus verf die hij thuis had kunnen vinden), maar ook vanwege zijn opstandige natuur. Hij was een driftkop en hij hield van een borreltje. Zo gaat het verhaal, dat hij, toen hij op een dag van de visvangst (lichtelijk beneveld) naar huis kwam, zijn vrouw (mijn grootmoeder Klaaske Tuinman) niet thuis trof en toen maar pardoes door het glas van een raam naar binnen stapte. Wat mijn - strenge - grootmoeder bij haar thuiskomst tegen mijn pake heeft gezegd, vertelt het verhaal niet.

In het boek van Peter Dorleijn over de visserij van De Lemmer en het boek van Durk Hak (Lemmer "Forneamde haven oan é Sudersé") staat een verhaal over mijn grootvader dat hier herhaling verlangt.

In 1915 was er in Nederland een wet van kracht geworden waardoor er belasting naar inkomen moest worden betaald. De vissers in De Lemmer hadden maar wat raak aangerommeld als het om de jaarlijkse opgave van hun inkomsten ging. Nu was het afgelopen. De vissers werden, althans dat vonden ze zelf, door de belastingdienst te hoog aangeslagen en de meeste waren niet in staat te betalen.

De directeur van de afslag, Jelle Kalsbeek, kreeg de opdracht de opbrengst van de vangsten niet uit te betalen, maar (gedeeltelijk) in te houden ten behoeve van de belastingdienst. Het kwam in De Lemmer tot relletjes en in 1917 moest de gemeenteraad bijeen te komen om zich te beraden over de ontstane situatie. De politie werd versterkt met een aantal marechaussees uit Sloten, wat anders alleen gebeurde tijdens de jaarlijkse kermis en de eerste week van september.

De directeur van de afslag werd door een aantal vissers, waaronder mijn grootvader, als de verpersoonlijking van het kwaad, dat hen overkwam, gezien. Mijn grootvader (toen 40 jaar oud), een heel klein mannetje maar wel bijzonder moedig, haalde een grote ijsbijl van huis, ging het kantoortje van de afslag binnen, bedreigde de directeur en sloeg met de bijl in het hout van het loket. Mijn grootmoeder bracht buiten inmiddels luidkeels verslag van wat er binnen gebeurde en spoorde tevens mijn opa aan "om hem de kop in te slaan".

Zover kwam het gelukkig niet. De visser Willem Toering, zou zich later nog dit voorval herinneren:"Ik was er zelf niet bij, ik heb 't verhaal gehoord. In 't lokt in de afslag, dat was zo'n dikke plank, daar zat 'n hele dikke kerf in, die was er met de ijsbijl ingeslagen. De kerf heb ik wel gekend. 't Was Japie van Kleis, 'n heel klein mannetje. Hij wou hebben dat die directeur 'm z'n geld gaf!".

Hoe het afgelopen is weet ik niet, maar mijn opa schijnt gearresteerd te zijn en enkele dagen in een cel te hebben gezeten. Maar de kou was nog niet uit de lucht. Vissersschepen werden aan de ketting gelegd en er werd beslag op de boedel van enkele vissers. Het kwam tot openbare verkopingen, maar de Lemster vissers kochten de spullen van hun gedupeerde collega's tegen hele lage prijzen op terwijl aan buitenstaanders op niet mis verstane wijze duidelijk werd gemaakt niet mee te bieden, op straffe van in de haven terecht te komen.

Ook de politie stond hetzelfde lot te wachten bij ingrijpen. Het bleef nog lang onrustig in De Lemmer. In april 1920 staken drie - jonge - vissers het badhuis in de brand. Vier weken na hun veroordeling, in juni 1921, pleegde één van die jongens in gevangenis zelfmoord. De beroemde ijsbijl is overigens nog steeds in de familie!

1920

1921

 

Jaap Visser schaatst de Elfstedentocht van 1947.

 

Dit is een foto van Jaap Visser, die in 1947 aan de Elfstedentocht meedeed. Kort daarna werd hij door de marine (als dienstplichtige) naar Indonesië gestuurd. Hij was toen 20 jaar oud.

In de winter van 1946/46 werd een Elfstedentocht georganiseerd, de eerste na de Tweede Wereldoorlog. Het zou een van meest interessante Elfstedentochten in de geschiedenis worden, niet alleen vanwege de zwaarte, maar ook omdat er onregelmatigheden zouden worden vastgesteld, welke tot uitsluiting van de eerste vijf rijders (van de wedstrijd) zouden leiden. Een van de deelnemers aan de toertocht was Jaap Visser, de jongste zoon van Jacob Kleis Visser.

Friezen zijn altijd bekend geweest als goede hardrijders op de schaats. Ook in De Lemmer was het schaatsen een geliefde bezigheid in de winter en is het dan ook niet verwonderlijk dat hier ooit een wereldkampioen zou worden geboren. Ook Jaap Visser was een fanatiek schaatser en het is dan ook niet verwonderlijk, dat hij mee wilden doen aan de "tocht der tochten". Wat hem boven het hoofd hing, had hij echter geen idee. Nadat de tocht in de winter van 1946/47 al tien keer (!) was uitgesteld, werd besloten de tocht op 8 februari 1947 te houden.

De omstandigheden waren echter bijzonder slecht. Een felle, vooral oostelijke wind en een temperatuur van circa 13 graden onder nul, beloofden weinig goeds. Maar bovendien was het ijs zeer slecht en de route was, doordat de wind sneeuw, zand, takken en andere obstakels op het ijs had achtergelaten, onmenselijk zwaar. Jaap Visser heeft over die tocht een brief geschreven aan zijn broer Kleis in Amsterdam. Deze brief diende mij als basis voor het volgende verslag.

Jaap Visser was op die bewuste dag al om twee uur in de ochtend opgestaan om zich te kleden. De kleding bestond uit 1 onderhemd, 2 overhemden, 2 vesten, 1 trui, een jack, 3 onderbroeken, 2 bovenbroeken, 2 paar wanten en 2 mutsen (waaronder een bivakmuts). Op zijn lichaam en om zijn benen had hij kranten gedaan. Toen hij aangekleed was zag je alleen nog zijn neus en ogen. Met twee paar (houten) schaatsen om zijn nek vertrok hij om half vier met negentien andere Lemsters met de bus naar Leeuwarden waar ze om half vijf arriveerden.

Om half zeven startte de toertocht met 1700 deelnemers. Het eerste deel ging voor de wind en Jaap kon om 7.42 uur zijn controlekaart in Sneek laten afstempelen. Ook naar IJlst en Sloten ging het goed en er leek niets aan de hand te zijn. Op het Slotermeer raakte Jaap de andere Lemsters kwijt. Zijn schaatsen werden stomp en hij moest zijn reserveschaatsen onderbinden. 't Was ondertussen negen uur geworden en Jaap zette probeerde de Lemstergroep in te halen.

Dat lukte nog vóór Stavoren en de groep arriveerde hier om 10.19 uur. Hier vielen de eerste Lemsters uit. Het ijs werd steeds slechter en de wind kwam uit een steeds ongunstiger hoek. Na Hindeloopen gingen de schaatsers over zee naar Workum. Het ijs tussen deze plaats en Bolsward was afschuwelijk slecht. Bovendien was de wind gaan aanwakkeren en blies de rijders recht in het gezicht. In Bolsward zouden ze een chocoladereep (!) krijgen, maar dat was door de leiding verboden. Wel kon men warme chocolademelk krijgen en Jaap dronk daarvan 10 (!) bekers op.

Elfstedentocht van 1947.

Om 14.38 uur werd Harlingen bereikt waar voor het eerst (snert) werd gegeten. Luute de Wreede uit De Lemmer bleek een bevroren oog te hebben (skibrillen werden toen nog niet gebruikt) en bij veel andere rijders werden ook bevriezingsverschijnselen geconstateerd.

Recht in de wind ging het op Franeker af, nog steeds over slecht ijs waar veel zand op lag. Omdat je hier bijna niet meer vooruit kwam reden de Lemsters achter elkaar, waarbij om de beurt de kop werd overgenomen. Om kwart over vier werd Franeker bereikt; het volgende doel was Dokkum. Het ijs was zó slecht dat het feitelijk onberijdbaar was. Dit deel van de route zou later als "de hel van het noorden" worden omschreven. Door het slechte ijs waren er veel valpartijen en honderden rijders gaven de strijd op. Het was zes uur en het werd al behoorlijk donker.

De wind bleef krachtig en ook Jaap stond op het punt op te geven. Eén van zijn schaatsen was los gaan zitten, maar als hij die opnieuw zou gaan opbinden raakte hij zijn schaatsmakkers kwijt en was hij verloren. Hij ploeterde daarom verder en om half acht (het was inmiddels stikkedonker) arriveerden ze in Bartheliem.

Daar stond een tent op het ijs, waar een aantal (Friese, zoals Jaap schrijft) meisjes de schaatsers met vet insmeerden tegen bevriezing. Sporadisch kwamen er wat rijders aan, waaronder de bekende kortebaan-schaatster Metje Nienhuys. Hoewel ze nog maar 18 km van Dokkum af waren wilde niemand meer verder. Het was aardedonker, de wind was aangewakkerd tot een vliegende storm (met 14 graden vorst!). Er werd gewaarschuwd dat het levensgevaarlijk zou zijn verder te rijden.

Veertig schaatsers verlieten hier het ijs, bonden de schaatsen af en gingen met een auto naar Leeuwarden, waaronder 16 van de twintig Lemsters. Eén Lemster was doorgereden en lag een uur voor. Jaap, de twee overgebleven Lemsters, Metje Nienhuys en nog zes andere rijders besloten verder te gaan met de "dodenrit". Het ijs was zó slecht dat de tien rijders tegelijk languit op het ijs lagen. Overal lagen schotsen en het leek of de groep niet vooruit kwam. Bij de bruggen stonden nog steeds mensen die applaudisseerden als de rijders passeerden.

 Er lag zoveel zand op het ijs dat de rijders soms door het publiek hele stukken over het ijs moesten worden gedragen. Zes km van Dokkum brak het hakleer van één van de schaatsen van Jaap. Hij kon de anderen niet waarschuwen door de harde wind en hij moest afhaken. Over de volgende drie km deed hij een uur. Toch kon hij met een passerende groep meerijden en daardoor kwam hij weer bij zijn oude makkers terecht.

Eén van die ploeg was blind geworden en Metje Nienhuys heeft daarover later een stuk geschreven in de krant. Toch werd Dokkum bereikt en hier rustten de rijders ongeveer 35 minuten. Het ergste was voorbij en voor de wind ging het nu naar Leeuwarden met een snelheid van 24 km per uur. Om vijf voor elf arriveerde Jaap Visser in de Friese hoofdstad en vijf minuten de twee andere Lemsters. En met de eerder gearriveerde Lemster bereikten dus vier Lemsters de eindstreep. Jaap was zó kapot dat hij niet meer in staat was zijn schaatsen zelf af te binden.

Over de tocht had Jaap 16 uur en 35 minuten gedaan (inclusief 1 uur en 35 minuten rust) en hij behoorde tot de twaalf procent die de monsterrit had volbracht. Van de 1700 rijders hadden slechts 160 het gehaald en Jaap kwam op de 60ste plaats binnen, een niet geringe prestatie.

De Lemster Courant zou het volgende schrijven: "Vier Lemsters volbrachten de Elfstedentocht. Het waren H. Bijlhout, M. Groen, Jurjen Verbeek en Jac. Visser."

Hoe het met de blindheid van Luute de Wreede is afgelopen, vertelt het verhaal niet.
 

1921: Japie van Kleis gaat failliet.

 

Vissers maken slechte en goede tijden door. In De Lemmer is dat nooit anders geweest. Elk jaar moest worden afgewacht hoe groot de haring- en de ansjovisvangsten zouden zijn. Vooral de ansjovisvisserij was zeer wisselvallig.

Soms waren de vangsten jarenlang minimaal, maar plotseling kwam er dan weer een reeks topjaren. Zo was 1890 met een aanvoer van 190.000 ankers een topjaar, dat later nooit meer zou worden overtroffen. Mislukte in een jaar de ansjovisvisserij, dan sloeg de armoede toe en nam het aantal mensen die van de bedeling moesten leven sterk toe. In de moeilijke jaren werd er veel geld (voornamelijk van de "hangbazen") geleend; in de "goede" jaren werd de schuld dan weer vereffend.

Tussen 1902 en 1912 (de periode waarin Jacob Kleis Visser met zijn vader Kleis Lammert Visser, waren begonnen met het vissen op de Zuiderzee) was er sprake van een neergang in de visserij en de financiële situatie van veel Lemster vissers was somber. Om uit de netelige situatie te komen werden allerlei verbeteringen voorgesteld, zoals bijvoorbeeld betere samenwerking tussen de vissers door het oprichten van coöperaties en het oprichten van een vissersschool.

Volgens verschillende vissers was ook het gebruik van bepaalde soorten netten de oorzaak van de teruggang. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bracht redding. De prijzen voor vis stegen en de vissers maakten in die jaren vaak fantastische besommingen. Het jaar 1918 was zelfs een recordjaar. Daarna was het weer afgelopen en volgde een diepe depressie.

Ook voor Jacob Visser was 1918 een schitterend jaar. Hij had in zijn (vissers) leven nog nooit zoveel geld verdiend. Zovéél geld, dat hij er geen raad mee wist. Tot hij op het idee kwam het geld dat hij niet nodig had te gaan beleggen. En zo maakte Jacob in oktober 1919 een afspraak met de in De Lemmer woonachtige aannemer Petrus Beljon om van hem een huis te kopen. Niet om in te wonen, want Jacob was met zijn huisje in De Achterom, waar hij met zijn vrouw Klaske en vijf kinderen woonde, gelukkig. Bovendien had hij ooit gezworen niet verder dan "tweehonderd stappen" van de visafslag te willen wonen.

Op 21 oktober 1919 werd de koop van "een huis met erf in de Tuinstraat te Lemmer, kadastraal bekend Gemeente Lemmer, Sectie A, nummer 2674, groot veertig centiare" bij notaris Gabe Elzer vastgelegd. Getuigen bij deze koop waren de notarisklerken Frans Gunnink en Gerrit Holverda. De prijs van het huis was 1400 gulden, een zeer behoorlijk bedrag in die jaren. Na de koop werd het huis verhuurd aan Gouke P. Bootsma voor een huur van 65 (!) gulden per jaar.

Tuinstraat, te Lemmer.

 

Na het recordjaar 1918 sloeg de depressie toe in de visserij en mijn grootvader Jacob Visser kwam al snel in financiële moeilijkheden. In mei 1920, een half jaar nadat hij het huisje in de Tuinstraat had gekocht, moest hij 600 gulden lenen van bakker Rintje Pieters Koopmans, tegen een rente van vijf procent.

Het huisje diende als zekerheid, want daar werd hypotheek op verleend. Maar het kon nog erger, want omdat Jacob niet meer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen ging hij een jaar later failliet. Op 28 april 1921 werd bij vonnis van de Arrondissement Rechtbank te Heerenveen met benoeming van mr J.P.D. Baron van Harinxma thoe Slooten, lid van die rechtbank tot rechter-commissaris, het faillissement uitgesproken. Curator werd mr Jacob van de Geer uit Heerenveen, die bepaalde dat op 17 september 1921 het huisje in de Tuinstraat in Hotel De Wildeman moest worden geveild.

In de voorwaarden bij deze verkoop komt het volgende grappige zinnetje voor:"Het plankje voor het gasstel in de keuken behoort den huurder, met recht op wegneming". Geboden werd 900 gulden voor het huis.

In eerste instantie werd het huis toegewezen aan brugwachter Nanine(?) Pieters Koopmans, ongetwijfeld een broer van bakker Rintje Koopmans. Bij het opmaken van het proces-verbaal waren als getuigen aanwezig Atte Jentjes Knol, oproeper en Luitzen Visser, bakkersknecht.

Op 8 oktober 1921 vond de finale toewijzing plaats en werd het huis toegewezen aan Auke Jans de Vries, reservemachinist. Hij betaalde 1450 gulden, zodat Jacob Visser er toch nog 50 gulden aan overhield. Als getuigen waren nu aanwezig de eerder genoemde Luitzen Visser en de notarisklerk Gerrit Holverda. En dit alles gebeurde weer bij notaris Gabe Elzer.

Ook Auke de Vries kwam al snel in financiële problemen, want in juni 1922 moest hij bij bakker Rintje Pieters Koopmans (die kennelijk het uitlenen van geld als nevenberoep had) 800 gulden lenen, waarbij weer het huisje in de Tuinstraat als onderpand diende.

Met het faillissement in 1921 kwam een eind aan het "kapitalistische" onroerendgoed avontuur van Jacob Kleis Visser. Weer arm ging hij naar zee en nooit heeft iemand iets over zijn op- en neergang in de jaren 1918-1921 meer gehoord; hij zweeg daarover als het graf.


Iets over de familie van Jacob Kleis Visser (1)

 

Dit is een foto uit 1951. Jacob zit tweede van rechts, weet iemand wie de andere mannen zijn?

In de reeks artikelen die Jan Wouda in de Lemster Courant heeft geschreven over de Lemster-families Visser, komt het volgende stukje voor over mijn grootvader: "Dan was er nog een Jaap Visser, Japie van Kleis. Zijn vrouw heette Klaske en kwam uit Balk. Hij had de houten aak, de LE 48 en was een kordaat mannetje, niet groot van stuk, maar een taaie. Hij is meen ik 95 jaar geworden.

Toen hij 84 was waren wij in Lemmer en ik kwam naast Jaap op een bank zitten op de vroegere Bakkershoek. Ik ging naast hem zitten en vroeg: "Zie je wel wie ik ben?". Hij ziet me aan met zijn scherpe ogen en zegt:"De oudste van Manus". Dus hij was nog goed bij, want hij had me zeker in geen vijftig jaar gezien. Ze kwamen vroeger wel bij mijn ouders op bezoek. Zijn knecht was meestal Wiebren, die getrouwd was met Elske Zandstra, een dochter van Siebe Zandstra van de LE 24. Jaap en Klaske hadden als oudste een dochter Aaltje, een zoon Kleis en een zoon in Lemmer, de andere in Amsterdam. Jaap had nog een broer Pieter, diens vrouw was Antje (?) Vlig en ze woonden in het Achterom naast Hanneman. Ook nog een broer Jan, die op de helling werkte en daar ook woonde.

Dan waren er nog twee halfbroers, die Hoekstra heetten. De oudste was getrouwd met de oudste dochter van Gerben Bootsma (Gerben van Oeke). Ik meende dat ze Oedske heette. Hoekstra is z'n hele loopbaan een bekende sleepbootkapitein geweest in Rotterdam, waar hij nog woont en al aardig over de negentig is. Zijn broer Johannes is in Lemmer gebleven en getrouwd met een zuster van Harm Urk.
Dat was dan de familie van Japie van Kleis."

Dit zijn vier kinderen van Jacob Kleis Visser uit 1916. Van links naar rechts Kleis Visser (4 jaar), Pietje (1 jaar), Trijntje (5 jaar) en Aaltje (mijn moeder, ondergetekende ) (8 jaar).

Voor mij was dit verhaal aanleiding om eens te kijken wat er van klopte. Jacob Visser was in 1877 in Sloten geboren, maar verhuisde in 1878 met zijn ouders naar De Lemmer, waar hij in 1907 met Klaaske ("Klaske") Tuinman, geboren in 1886, trouwde. Ze overleed in 1949, 62 jaar oud. Mijn grootvader was inderdaad 95 jaar oud toen hij overleed.

Hij was in 1977 in zijn huisje, waar hij alleen woonde, gevallen en zodanig gewond, dat hij in Emmeloord in het ziekenhuis moest worden opgenomen waar hij is overleden. Zijn "knecht" Wiebren was zijn jongste, in 1890 geboren, broer, die inderdaad met Elske Zandstra was getrouwd (in 1927). Zover ik kan nagaan hadden ze drie kinderen: 1. Aaltje Visser, geboren in 1928 en in 1947 getrouwd met Dingeman Blokland; 2. Anna Visser, geboren in 1930 en in 1952 getrouwd met J.C. Blokland en 3. Siebe Visser, geboren in 1932.

Aaltje Visser, de in 1908 geboren oudste dochter van Jacob Kleis Visser.

 

 

Pieter Kleis Visser, was een broer van mijn opa: Jacob Kleis Visser en dus ook de zoon van Kleis Lammert Visser. Pieter trouwde op 20 juni 1912 met Romkje Vlig (geb. Lemmer 22 sept. 1889). Romkje was een dochter van Hendrik Vlig en Zwaantje Rottiné. Pieter was in De Lemmer geboren op 4 januari 1887.

 

 

De kwaliteit van deze foto is niet al te best, maar het is zo'n aardige foto. Wat het voorstelt weet ik niet. Een verkleedpartij? Een feestje? Ik schat dat de foto omstreeks 1925 moet zijn gemaakt ( waarschijnlijk in de tuin van hotel Boersma). Mijn moeder (Aaltje) staat vijfde van links. Op de achterkant staan verder nog vijf namen (niet door mijn moeder geschreven: Nellie Visser (geen familie), Truus Visser (zou Trijntje Visser kunnen zijn), Mollie Visser (ken ik niet), Klaas (Kleis?) Visser en Jacob Visser. Maar ik vraag mij af of dit personen op de foto zijn! (weet iemand het mail a.u.b. naar ondergetekende) j.s.vanderzwaag@planet.nl


De door Wouda genoemde oudste dochter van Jacob, Aaltje, was mijn moeder. Ze was in 1908 geboren en verhuisde in 1930 naar Amsterdam, waar zij een jaar later met mijn vader trouwde.
Jacob's zoon Kleis, was geboren in 1912 en trouwde in 1936 met een Lemster meisje, Lammigje Brandenburg, geboren in 1918 als dochter van Pieter Brandenburg en Jacobje Holtkamp.

Volgens Wouda was er een zoon van Jacob in De Lemmer gebleven. Dat was Jacob ("Jaap") Visser, een nakomertje, geboren in 1927 in De Lemmer waar hij in 1952 trouwde met een meisje uit Drenthe: Lammechien Rass. Zij had een winkeltje op de Korte Streek 17 (Mirlon-Mirlana").

Wouda heeft in zijn artikel niet de andere kinderen (dochters) van Jacob genoemd. Dat waren Trijntje, geboren in 1911, Pietje, geboren in 1915 en Albertje ("Oppie"), geboren in 1918. Trijntje ging in 1927 naar Amsterdam, waar ze in 1931 trouwde en Albertje verhuisde in 1933 naar de hoofdstad, waar ze in 1940 trouwde.

Alleen Pietje bleef in De Lemmer wonen, waar ze in 1935 trouwde met Jentje Bijlsma, geboren in 1911 als zoon van Dirk Bijlsma en Trijntje Elsinga. Pietje en Jentje waren bijzonder verhuislustig en hebben op allerlei plaatsen in De Lemmer gewoond: Tuinstraat, Pottebakkersteeg (nr. 5), Langestreek (51), 2de Parkstraat (19) en Lijnbaan (65). Ze kregen zes kinderen: 1. Trijntje, geboren in 1935 en in 1954 getrouwd met J. Lageveen; 2. Jacob, geboren in 1937 en in 1959 getrouwd met J. Busscher; 3. Dirk ("Durk"), geboren in 1939 en in 1962 getrouwd met S. Adema; Klaaske, geboren in 1945 en getrouwd met B. Winkelaar; 5. Jentje, geboren in 1946 en in 1972 getrouwd met C. Bangma en 6. Aaltje, geboren in 1949 en in 1969 getrouwd met H.J.A. Deijmann.

Van links naar rechts Aaltje (6 jaar), Kleis (2 jaar) en Trijntje (3 jaar).

Pieter, een broer van Jacob Visser, was niet met Antje, maar met Romkje Vlig getrouwd. Zij was de dochter van Hendrik Vlig en Zwaantje Rottiné. Ze trouwden in 1912.

Het klopt, Jacob had twee halfbroers. Zijn vader, Kleis Lammerts Visser, was namelijk na het overlijden in 1903 van zijn vrouw Aaltje de Jager een jaar later (dus in 1904) getrouwd met Jantje Osinga, de weduwe van Eeltje (Uiltje) Hoekstra. Het echtpaar Osinga/Hoekstra heeft acht kinderen gehad, waaronder de door Wouda genoemde zonen, Johannes en Eeltje Hoekstra. Maar niet de oudste (Johannes, geboren in 1888), was getrouwd met een dochter van Gerben Bootsma, maar de jongste (Eeltje, geboren in 1890), namelijk in 1914 met Tetje (en niet Oedske) Bootsma. Johannes was in 1917 getrouwd met Grietje Urk, dochter van Wiebe Urk en Hendrik Mast.


Iets over de familie van Jacob Kleis Visser (2)

Dit wordt een verhaal met veel namen, achternamen wel te verstaan. Dat we allemaal familie van elkaar zijn, leek mij vroeger een idiote gedachte. Maar in de loop der jaren kwam ik er achter dat daar wel wat in zit.

Door huwelijken zijn veel families als een spinnenweb aan elkaar verbonden. Hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe groter dat web wordt. Toen ik jaren geleden de stamboom van de familie van mijn moeder, dus Visser, begon samen te stellen, kwam ik er achter dat er in De Lemmer veel families verbonden zijn met "mijn" Visser-familie.

Door huwelijken kreeg deze Lemster Visser-familie relatie met andere Lemster families met achternamen als Helfferich (sinds 1827); Keizer (sinds 1830); Hoekstra (sinds 1852); Bergsma (1852); Visser (een andere familie)(1881); Witteveen (1881); De Jong (1901); Van der Zwaag (géén familie van mij)(1901); Vlig (1912); Rottiné (1912); Zandstra (1927); Hoekstra (een andere familie dan die hierboven)(1904); Stuurman (1904); Samplonius (1904); Van der Zee (1904); Bruning (1904); De Jong (een andere familie dan hierboven((1904); Urk (1917); Mast (1917); Bootsma (1914); Brandenburg (1936); Bijlsma (1935).

Het gaat te ver om op deze plaats precies aan te geven op welke manier deze relaties tot stand zijn gekomen, maar uiteraard kan ik dat op verzoek altijd uitleggen.

Achternamen zijn er niet altijd geweest. Vroeger, in ieder geval vóór 1811, duidde men elkaar meestal aan door middel van vadersnamen (patroniemen). Jan, zoon van Piet, werd Jan Pieterszoon (of zn), of nog eenvoudiger, hij ging als Jan Pieters door het leven.

Tientallen families Pieters, Pieterse, Pietersen, Jans, Jansen, zijn aan hun naam gekomen door het langzamerhand verstarren van een patroniem tot geslachtsnaam. Het vreemde was dat vrouwen ook altijd zo'n vadersnaam aan hun voornaam geplakt kregen toen er nog geen achternamen bestonden, dus bijvoorbeeld Truus Klazes, Marie Pieters.

In Nederland, dus ook in Friesland en in De Lemmer, zijn familienamen vastgelegd bij de invoering van de burgerlijke stand in 1811. Hier en daar bestonden al wel achternamen, maar in Friesland was dat nauwelijks het geval. Achternamen werden op den duur nodig omdat het in de steeds groter wordende steden en dorpen moeilijk werd mensen te benoemen. Napoleon zou daar wat aan doen.

Bij decreet van de Franse keizer Napoleon van 18 augustus 1811 (Nederland was in die tijd ingelijfd bij Frankrijk) werd bepaald, dat wie in Nederland nog geen vaste achternaam had, er binnen een jaar één moest aannemen. Door deze eis ontstonden de zogenaamde registers van naamsaanneming. Dat Napoleon dit bepaalde, had niets te maken met zijn zorgen over de chaos in de tot dusver bestaande naamgeving, maar eenvoudig vanwege het feit, dat hij precies wilde weten wie er belasting moesten betalen en hij wilde een nauwkeurige registratie van de mannen, die in aanmerking kwamen voor de dienstplicht. Dat laatste van belang voor het versterken van zijn uitgedunde leger.

Het kiezen van een achternaam was nog een hele klus. Grapjassen vonden dat ze wel "Naaktgeboren" wilden heten, en ook andere idiote achternamen werden gekozen. Pas in 1989 konden mensen bespottelijke achternamen laten veranderen.

Een achternaam is altijd door veel mensen als belangrijk ervaren, waarbij ijdelheid een grote rol speelt. Iemand die De Ruyter heet, zal graag uitzoeken of hij van de beroemde admiraal afstamt. Het wordt dan ook als een voorrecht beschouwd tot een geslacht te behoren waarvan leden zich in het verleden verdienstelijk hebben gemaakt. De Nederlandse taal kent dan ook uitdrukkingen die daarmee te maken hebben:"een goede naam is teer" of "denk toch om je goede naam", zijn enkele voorbeelden.

Bij het kiezen van een achternaam gebruikte men soms de naam van de streek, stad of dorp waar men woonde, bijvoorbeeld Van Doorn, Van der Zwaag (uit Beetsterzwaag) of de naam van het beroep, dat men had: Bakker, Smid, Schipper of Visser. En met de achternaam "Visser", zijn we weer terug bij het onderwerp van al mijn verhalen: de Visser-familie.

Als je verhalen in de Lemster Courant leest over de Lemster Visser-families, lijkt het of De Lemmer altijd veel inwoners heeft gehad die "Visser" heetten. Dat is niet zo. Toen in 1811 ook in De Lemmer alle inwoners een achternaam moesten aannemen, woonden er in het dorp ongeveer 4000 mensen, d.w.z. rekening houdend met de kinderrijke gezinnen, ongeveer 1000 gezinnen.

Van deze 1000 gezinnen togen in 1811 slechts zeven gezinshoofden naar het stadhuis van De Lemmer (de "Mairie") om daar aan de in Franse dienst zittende ambtenaar van de burgerlijke stand op te geven, dat hij (of zij) de achternaam "Visser" wilde aannemen.

Deze zeven Visser-families, waarvan hieronder de namen, vormden in feite de basis van de Lemster Visser-families waarover Jan Wouda in de zeventiger jaren van de vorige eeuw zou schrijven.

Wie waren die zeven gezinshoofden, die in 1811 de achternaam "Visser" wilden?

1. Atte Sybes Visser (Mairie Lemmer, fol 19)
Kinderen: 1. Harmen Attes Visser (30 jaar oud); 2. Marijke Attes Visser (19); 3. Sjoerdtje (17).

2. Folkert Ruurts (Ruurds) Visser (Mairie Lemmer, fol. 22)
Kinderen: Jetske Folkerts Visser (9 jaar)

3. Frans Jacobs Visser
(zie Genealogie op www.spanvis.nl)

4. Leentje Wybes Visser (Mairie Lemmer, fol. 42v)
Kinderen: 1. Wybe Klazes Visser (37); 2. Sipke Klazes Visser (27). Kleinkind: (van Wybe): Klaas Wybes Visser (2 weken).

5. Michiel Sybes Visser (Mairie Lemmer, fol. 19v)
Kinderen: 1. Sybe Michiels Visser (23) en 2. Jan Michiels Visser (19). Michiel Visser is waarschijnlijk een broer van 1.

6. Sjoukjen Ennes (of Innes) Visser (Mairie Lemmer, fol.42v)
Kinderen: 1. Aaltie Jans Visser (22); 2. Enne (of Inne) Jans Visser (20); 3. Jacob Jans Visser (18) en 4. Jantie Jans Visser (16). Zie genealogie op members.home.nl

7. Trientje Hielkes Visser (Mairie Lemmer, fol. 42)
Kinderen: 1. Roelof Harmens Visser (40); Teetze Harmens Visser (33). Kleinkinderen: (van Roelof): 1. Joukien Roelofs Visser (4); 2. Trijntje Roelofs Visser (3); Cornelia Roelofs Visser (1); (Van Teetze): Harmen Teetzes Visser (7).
Zie genealogie op members.home.nl

Of ze ook visser van beroep waren, weet ik niet. In ieder geval was dat (nog) niet het geval in mijn familie. De Lemmer was overigens omstreeks 1811 nog geen vissersdorp.

De naam van "mijn" Visser-familie ontbreekt in bovenstaande lijst. Hoe zit dat? Mijn voorvader, Jan Kleizes, die de achternaam "Visser" aannam, woonde toen nog niet De Lemmer, maar in Delfstrahuizen. En ook zijn zoon Kleis Jans woonde in dat dorp.

Beiden hebben in de Mairie St. Johannesga de achternaam "Visser" laten registreren. Veertig jaar later zou een nazaat zich voorgoed in De Lemmer vestigen en ontstond een nieuwe Lemster Visser-familie. In een volgend verhaal zal ik nader ingaan op wat met bovengenoemde families is gebeurd in de loop der jaren.


Japie van Kleis is zoek op zee.

Een van de kenmerken van de Lemster vissers was dat ze bij zwaar weer op de Zuiderzee (en later op het IJsselmeer) nooit echt in problemen kwamen. Hoe dat kwam is nooit onderzocht, maar er zijn wel wat feiten te melden.

Lemsters namen weinig risico, gebruikten goede schepen (de aken!) en waren goede zeilers. Dat laatste was het gevolg van de ongunstige ligging van De Lemmer, waardoor met de heersende westenwinden de vissers veel meer moeite met het uitvaren hadden dan vissers uit andere plaatsen. En na de dichting van de dijk van de NO-polder was de situatie nog ongunstiger, waardoor de Lemster vissers al hun deskundigheid moesten aanwenden om zonder brokken op het IJsselmeer te komen.

Voor zover bekend is nooit een Lemster verdronken bij het vissen. Lemster vissers kwamen dus zelden in moeilijkheden, maar dat wil niet zeggen dat, wanneer de vissers op zee waren, de achtergebleven familieleden niet ongerust waren bij stormweer. En het kon soms behoorlijk spoken op de Zuiderzee.

Tijdens een zware storm kwam mijn grootvader (en andere vissers) op een dag niet terug in de haven. De storm hield aan en ook de volgende dagen kwam Jacob Visser niet terug. Niemand wist waar hij was. Mobiele telefoons bestonden toen nog niet en niemand had een of ander communicatiemiddel, zoals bijvoorbeeld de scheepsradio, aan boord. Communicatie naar de vaste wal was dus niet mogelijk.

Nadat de wind sterk was afgenomen, druppelden de vissers een voor een binnen en tot ieders geruststelling ook Jacob. Tijdens de storm had hij, net als vele andere vissers, beschutting gezocht achter het eiland Schokland. Bij storm lag de haven van Schokland bijna altijd vol en waarschuwde een rode lantaarn dat er niemand meer in kon. Zij, die tevergeefs de haven probeerden in te komen, zochten dan op de rede een veilige ligplaats
Het gebrek aan communicatie kon wel eens bijna fataal worden getuige het volgende verhaal. Maar eerst even een korte inleiding.

De Zuiderzee was een van de meest visrijke wateren ter wereld. Dit kwam omdat zij door haar geringe, gelijkmatige diepte, haar licht brakke water, de rustige beweging van eb en vloed en haar bodemgesteldheid, als het ware voorbestemd was om de kraamkamer te zijn van de Noordzee. De vis die de Zuiderzee bevolkte, was dan ook trekvis, die op gezette tijden de zeegaten kwam binnen gezwommen om in de Zuiderzee te paaien.

Zo had men winter- en voorjaarsharing, de zomerse ansjovis, de bot, garnalen en spiering. Naast ansjovis en haring hielden de Lemster vissers zich ook bezig met het vissen naar bot, paling en spiering. Jacob Visser was voornamelijk botvisser. Hij bezat een ijsbijl en daarom zal hij in de winter ongetwijfeld op het ijs spiering hebben gevangen. De Lemster vissers bleven, wat het visgebied betreft, altijd dicht bij huis en waren zelden in het noorden van de Zuiderzee te vinden. Je kon ze dan ook voornamelijk vinden in het gebied binnen de begrenzing Gaasterland-Urk-Enkhuizen. Botvissers lagen veel voor de kust van Gaasterland.

 

Klaske Visser. - en de LE 48

Op een nacht lag Jacob Visser met zijn LE 48 voor de kust van Gaasterland, om precies te zijn bij het Mirdummer Klif. Omdat zijn vrouw Klaske, mijn grootmoeder, plotseling ziek was geworden, vond de huisarts het noodzakelijk, Jacob te waarschuwen. Maar hoe doe je dat? Waar was Jacob?

Dat wist niemand in De Lemmer precies. Telefoneren kon niet, zie boven. De plaatselijke commissie van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij, was toen bereid om de reddingboot uit te laten varen en naar de LE 48 te zoeken. Na drie uur zoeken en vragen (op zee!) werd Jacob Visser uit meer dan honderd lichten uiteindelijk gevonden. Om vijf uur in de ochtend was Japie van Kleis terug in de haven van De Lemmer. Voor de Lemster Courant was dit voorval opvallend genoeg om er een klein berichtje aan te wijden.


Jacob Visser stopt met vissen.

 

Visvergunning van Jacob.

Toen besloten was de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk in te polderen zat de overheid met de vissers in de maag. Die zouden immers door de Zuiderzeewerken een groot deel van hun werkterrein en dus hun brood verliezen. Niet dat de inpolderaars veel sympathie voor de vissers hadden. Integendeel, ze zagen de vissers als een armoedig stelletje, dat maar snel moest verdwijnen en vervangen moest door de veel winstgevender boeren.

In de Zuiderzeewet van 1918 was bepaald, dat de wetgever maatregelen moest nemen ter tegemoetkoming aan de Zuiderzeevissersbevolking en andere personen vanwege de schade die de afsluiting hun mocht berokkenen.

Zo ontstond in 1925 de Zuiderzeesteunwet. Schadeloosstelling is door de Nederlandse regering nooit gewild en er werd evenmin een "recht op vergoeding" erkend. De strekking van de Zuiderzeesteunwet was niet meer dan de belanghebbenden de helpende hand toe te steken bij het zich aanpassen aan de nieuwe situatie na de afsluiting. Deze hulp bestond in verschillende vormen, zoals tegemoetkoming in de kosten van nijverheidsonderwijs, vergoeding van kosten om een ander vak of ambacht te leren, hulp bij het krijgen van een baan. Financiële steun kregen zij, die geen middelen tot levensonderhoud meer hadden en ook niet meer in staat waren (bijvoorbeeld door ouderdom) die in de toekomst te krijgen.

Mijn grootvader, Jacob Kleis Visser, die in het jaar van de afsluiting (1932) 55 jaar oud was, stond voor de keus: nog wat doorvissen op het IJsselmeer of op staande voet stoppen en dan steun ontvangen. Hij koos voor doorvissen totdat hij 60 jaar oud zou zijn.

Vóór de afsluiting was men erg optimistisch over de mogelijkheden die de visserij op de afgesloten Zuiderzee, het IJsselmeer, zou bieden voor hen die dat wilden. Zo had bijvoorbeeld de Nederlandsche Heidemaatschappij geconcludeerd, dat het IJsselmeer bijzonder geschikt zou voor de vermeerdering van verschillende soorten zoetwatervissen en men meende zelfs dat een bloeiend visserijbedrijf zou kunnen ontstaan. Vooral de zeeforel en de Oostezeehouting zouden bijzonder floreren en zouden van grote economische betekenis kunnen worden.

In De Lemmer was men niet zo optimistisch en een aantal Lemster vissersfamilies, zoals de Poepjes, Bootsma's en Koornstra's, waren al voor de afsluiting naar het noorden vertrokken, om na het gereedkomen van de Afsluitdijk aan de binnen- en buitenkant te blijven vissen. Aan de binnenkant op paling, aan de buitenkant op haring en ansjovis. De meeste families vertrokken naar Makkum.

Al vrij snel na de afsluiting trok de bot weg uit de omgeving van De Lemmer en moesten de botvissers met het vissen van andere vissoorten, zoals bijvoorbeeld paling, het hoofd boven water proberen te houden. Van een andere vissoort had men grote verwachtingen. De Heidemaatschappij had namelijk snoekbaars in het IJsselmeer uitgezet, maar het duurde ongeveer zes jaar voordat deze vissoort kon worden gevangen. Aanvankelijk was de snoekbaar- en palingvisserij van betekenis voor de IJsselmeervisserij, maar op den duur bleek alleen de palingvangst nog lonend. En van de andere zoetwatervissen werd nooit meer iets vernomen.

De steun aan de vissers verliep stroef. De vissers moesten eerst maar eens bewijzen, dat ze schade hadden ondervonden van de afsluiting, waarna de regering "zo nodig" bereid was op een of andere manier te helpen, wat dat dan ook mocht betekenen.

Van algemene schadevergoeding was geen sprake en zo kon het gebeuren dat ruim dertig jaar na het in werking stellen van de steunwet in de Tweede Kamer werd gevraagd wat nu feitelijk de plannen waren van de regering "ten aanzien van hen, die door de inpoldering van de Zuiderzee en van het IJsselmeer werden en worden verdreven".

En, zo werd gesteld, dat "soms de indruk wordt gewekt dat op hen een uitstervingssysteem zal worden toegepast". Een feit was, dat in enkele jaren het grootste deel van de Zuiderzeevisserij ten onder was gegaan.

Jacob Visser had besloten in 1937 te stoppen met vissen en in dat jaar leverde hij zijn vergunning in en kreeg recht op steun van de regering. Uit de besommingkaarten 1937-1938 met de vloot- en aanvoergegevens in 1937 blijkt dat de LE 48 van Jacob ontbreekt.

Hij heeft zijn aak nog enige jaren gehouden en op 13 december 1940 mocht ik met hem mee om naar de sluiting van de dijk van de Noordoostpolder te kijken. Daarna hield mijn grootvader het voor gezien en verkocht zijn schip voor tweehonderd gulden. Later zou hij zeggen, dat het spijtig was dat hij geen vergunning meer had en dat hij zijn schip had verkocht, want tijdens de oorlogsjaren (1940-1945) was er vanwege de toenemende voedselschaarste grote behoefte aan IJsselmeervis en hij had daar nog graag een graantje willen meepikken.

Maar gedane zaken nemen geen keer, het was afgelopen met Jacob Kleis Visser als visser.


Het huisje van Jacob Kleis Visser: Achterom 6 Lemmer.

 


Ooit heb ik een aquarel gemaakt van het huisje van mijn grootvader, Achterom 6. Ik denk dat dit een zeldzame afbeelding is, want ik heb nooit een foto gezien van dit huisje, althans in volle omvang.

Op de achtergrond zie je de muur van het voormalige volkslogement. Rechts van het huisje liep een steegje, waar de "wc", een poepemmer in een houten huisje, stond, waar verschillende families gebruik moesten maken. Ik herinner me, dat het daar verschrikkelijk stonk, de emmer was naar mening altijd vol en vond het geen pretje om er heen te gaan. Vooral ook omdat op de deur van het huisje altijd grote spinnen liepen (ik was nog maar een klein kind!).

Links van het huisje liep een vrij brede steeg (ontbreekt op de plattegrond van het Achterom op de site!). Als je daar doorheen liep kwam je op de Benedenschans uit; op de hoek daarvan stond een smederij, waar ik als jongen altijd ging kijken: reuze spannend!

Links liep een schutting. Op de voorgrond zie je het grasveld van de "zondagsschool". Ik zat vaak op het stoepje voor het huis door het hek naar het Achterom te kijken in de hoop dat er vriendjes (of vriendinnetjes) voorbij zouden komen, die met mij wilden spelen. Een "vriendinnetje" herinner ik mij nog. Ze heette "Oppie", was ongeveer net zo oud als ik en woonde in het huis waar ook Roelie heeft gewoond. Ik denk niet, dat ze mij nog zal herinneren.

Achter het rechterraam stond een regenput, welke zich in de keuken bevond. Door de deur kwam je in een klein halletje en daarna in de keuken, waar het altijd vrij donker was, omdat het enige licht door het rechterraam moest komen. In de keuken was links een deur, waardoor je in de woonkamer kwam. Achter deze kamer was de slaapkamer. In die ruimte waren vroeger (omstreeks 1908) nog bedsteden, maar die sloopte Jacob onmiddellijk toen hij er kwam wonen. Achter in de keuken links ging een trap naar de zolder, waar alle kinderen en later de kleinkinderen hebben geslapen. Heel gezellig!

In mijn vakanties was ik altijd in De Lemmer en vanuit dit huisje organiseerde ik mijn tochten door het dorp: eerst naar de smid, daarna naar mijn overgrootvader, Kleis Lammert Visser, die aan het begin van de Schans (op de hoek van een steegje) in een donker huisje woonde. Hij zat daar volgens mij altijd de krant met een vergrootglas te lezen en gaf mij een halve cent, wanneer ik bij hem op bezoek kwam. Ik mocht hem graag.

Hierna ging het door de Emmastraat naar de Emmakade, waar ik naar de Lemmerboot ging kijken, wanneer die geladen of gelost werd: veel fietsen en zeilboten. En weer daarna naar de dijk, naar de vluchthaven, waar de vissersschepen langs een smalle steiger lagen. Daar vond ik meestal mijn opa, die me soms meenam naar de visafslag. Omdat ik niet over sluis durfde, althans toen niet, liep ik om de hele haven heen om naar de vuurtoren of de tramhaven te gaan, waar ook genoeg te doen was.

Op de dam keek ik of er schepen kwamen op weg naar De Lemmer. Via de Nieuwedijk ging ik naar de Pottebakkerssteeg, waar een tante (zuster van mijn moeder) woonde, Pietje Visser. Omdat ze veel kinderen had was het daar berengezellig.

Via de Lange Streek ging ik dan weer terug naar het Achterom, waar op de hoek (de Bakkershoek) mijn grootmoeder vaak met een aantal andere vrouwen gezellig stond te praten.
Als de vakantie om was ging ik (tot mijn grote spijt) weer terug naar Amsterdam. Gelukkig gebeurde dat met de Lemmerboot, een goede afsluiting van een leuke tijd.

 

 

 

  

Jacob Kleis Visser & Klaske Visser-Tuinman.

 

 

Jacob Visser redt met anderen in 1906 schipbreukelingen.

 

 

LE 74.

 

Omdat er nog geen reddingsboot in De Lemmer was was het vroeger de gewoonte de hulp van vissers te vragen, wanneer een schip op de Zuiderzee in nood zat. Een beschrijving van één van die reddingen volgt hieronder, omdat mijn grootvader, Jacob Visser, daaraan heeft meegedaan.

In de nacht van 15 op 16 maart 1906 kwam het stoomschip "Leeuwarden II", die een vrachtdienst onderhield tussen Leeuwarden en Amsterdam in vliegende storm onderweg van Amsterdam en De Lemmer in grote problemen. De plotseling opgestoken storm had de bemanning verrast en zij hadden dan ook geen voorzieningen kunnen treffen. De sluismeesters op de haven van de De Lemmer hadden 's nacht wel de lichten van het schip gezien, maar 's morgens bleek dat de Leeuwarden II niet in de haven was gearriveerd.

Een aantal vissers in de haven werd gealarmeerd en verteld dat het stoomschip wel was gesignaleerd, maar niet in De Lemmer was aangekomen. Waarschijnlijk was het schip vergaan, maar wat was er met de bemanning gebeurd?

In De Lemmer aarzelde men niet lang. Steven Stevens Visser, gooide de trossen los van zijn vrij nieuwe ijzeren Lemster aak, de LE 74, en voer met een aantal vissers, waaronder mijn grootvader ("Japie van Kleis") en Renze Hoekstra, Harm en Teade Wouda en Andries Scheffer de haven uit.

Stampend op de wilde Zuiderzee zocht de LE 74, gebouwd op de Lemster scheepswerf van De Boer, naar het ongelukkige stoomschip. Het duurde uren voordat de opvarenden van de LE 74 tussen Schokland en De Lemmer iets zagen. In de verte stak tegen de inktzwarte lucht een mast met gaffel (om het slingeren tegen te gaan hadden stoomschepen in die tijd ook een zeiltje op, vandaar een gaffel) boven het water uit, waaruit door mensen werd gezwaaid. Het bleek de vierkoppige bemanning te zijn van de Leeuwarden II.

Tijdens de storm waren de luiken van het schip weggeslagen, waarna het met water was volgelopen en gezonken. De bemanning, bestaande uit kapitein, stuurman, machinist en matroos, waren in de mast op de gaffel geklommen en waren daar totaal verkleumd op redding gaan wachten. Maar veel langer had het niet moeten duren!

De LE 74 ging voor anker en met een vlet, die door middel van een touw met de aak bleef verbonden, werd de bemanning van de Leeuwarden II (die geen reddingsboot aan boord had!) uit de mast gehaald en naar de aak gebracht. Een moedige, maar ook levensgevaarlijke daad! Bij de lekker snorrende kachel in het vooronder, werden de schipbreukelingen opgelapt en konden ze op verhaal komen. En daarna ging weer over de woeste zee terug naar De Lemmer.

Voor deze redding kreeg Steven Stevens Visser een beloning van 50 gulden (het was per slot van rekening zijn schip) en de andere vissers 25 gulden, alsmede een bronzen medaille en oorkonde van de Koninklijke Zuid-Hollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen. Ook Jacob Kleis Visser kreeg deze medaille en oorkonde voor zijn "stoutmoedig en menslievend gedrag bij het redden van de bemanning der grote stoomboot Leeuwarden II".

Zie ook: Scheepvaartpenningen.nl


Historisch overzicht (voor zover bekend):

De 1e opdracht aan de scheepswerf de Boer in Lemmer voor het bouwen van een aak, werd gegeven door Greate Steven. Maar het ijzer was weerbarstig. De zwaardklampen lagen in het water, er zat een knik in het berghout en hij was te smal in zijn kont, dus Great Steven keurde hem af. Deze eersteling heeft gevist als LE28 (Willem van der Bijl) en is later in bezit geweest van Yge Blom.

Daarna is de LE74 gebouwd. Ze viel helaas bij de tewaterlating in 1900 van het wagentje, de vingerlingen spatten er af. Waarschijnlijk is hij daardoor pas in 1901 in de vaart gekomen. Met de aak is tot 1958 door Frans en Steven Visser gevist.

Frans en Steven ware de zoons van Greate Steven. Die kon als enige in de Zuiderzee beide zwaarden tegelijk ophalen. Bovendien heeft hij in 1906 tijdens een zware storm 5 of 6 mensen uit de mast van de Lemsterboot gehaald tijdens een spectaculaire reddingsactie.

Een motor kwam er pas in toen zijn zoons het schip overnamen, een T-Ford; in '47 een 2 cil. Skoda en in '84 een 18 jaar oude Bolinder.

Werf Gebr. De Boer - Lemmer
Bouwjaar: 1900
Materiaal: puddelijzer, geklonken
Afmetingen: 11,4 x 4,2 m

 

Naam:

 

Eigenaar/schipper:

 

van:

 

tot:

 

gebruik:

 

LE74 Greate Steven Visser - Lemmer 1901 1947 visserij
LE74 Frans en Steven Visser - Lemmer 1947 1958 visserij
         
LE74 "t Kan Verkeren" Frans Schreuder III - Eelderwolde 1958   recreatie
LE74 "t Kan Verkeren" Frans Schreuder IV- Eelderwolde   heden  

 

Dit is nog niet zo'n oude foto, maar de kluiver en de bezaan die er op staan waren in '58 toen we het schip kochten al aanwezig en oud. De kluiver is inmiddels gaar, de bezaan is recent nog gebruikt bij omzeilen van de afsluitdijk die 75 jaar bestond. Frans Schreuder.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.