|
Deze keer zullen we het hebben over
de vroeger bekende vissersfamilie
Jilling Kingma en zijn gezin.
Jilling is voor zover ik weet in
Echten geboren in 1856. Zijn vrouw
Grietje Hoekstra is in Lemmer
geboren op 28 augustus 1859. Grietje
had nog vier broers en twee zusters,
twee broers heb ik niet gekend. Ook
weet ik nog dat Jilling een broer
had die een bodedienst onderhield
met paard en wagen en dagelijks
Echten - Lemmer reed met zijn zoon
Hamet. Of er meer Kingma' s waren
weet ik niet Grietjes vader, dus de
schoonvader van Jilling kwam van Urk
en viste in Lemmer met een botter,
de LE 19, waarschijnlijk dezelfde
botter die later van Lieuwe Visser
was. De oude Renze is van ca. 1830.
Het lijkt u misschien
onwaarschijnlijk toe, maar die heb
ik nog gekend Waar ik dat nog van
weet zal ik U vertellen.
Het huis dat Jilling heeft laten
bouwen in de Schans naast Pieter
Rippen moet zijn geweest van 1905 of
1906. Er was voordien een groot
grasveld met daarachter een woning
van de oude Renze. Als het mooi weer
was zat hij daar vaak in een
gemakkelijke stoel een pijp te
roken. Voor de bleek aan de
straatkant was een hek, roodbruin in
de verf. Met verticale spijlen die
aan de bovenkant op een punt
uitliepen.
Ik was niet ouder dan drie jaar maar
-zie het nog zo voor me. Ik liep er
op een keer langs en op het hek hing
een boodschappenkorfje, zoals ze
toen hadden met twee kleppen.
Het hing waarschijnlijk te drogen en
het zal wel "himmeltiid" geweest
zijn. Als driejarig jongetje dacht
ik, dat is van niemand dat kan ik
wel meenemen. Het hek was manshoog,
ik kon er niet bij, maar ik vroeg
een voorbijganger om me het mandje
te geven en ik er triomfantelijk mee
naar huis. Het mandje was van Griet
Rippen en dat was Pieter Rippen zijn
moeder, die het later terughaalde.
Zodoende zie ik de oude Renze nog
voor mij in zijn stoel. Ongeveer
drie jaar geleden heb ik daarover al
eens in de krant geschreven dat de
oude Renze de overgrootvader was
geweest van typograaf Renze Fleer,
die toen nog bij de "Zuid
-Friesland" werkte want zijn moeder
Griet was een dochter van Renze
Hoekstra van de LE 18 en die zijn
vader was dan weer de oude Renze uit
de Schans.

Deze foto is van Margreet van
der Molen, uit Ljouwert, een
achterkleinkind van Jilling
Kingma (geboren in 1856),
namelijk een dochter van Boukje
Meijer, die weer een dochter is
van Ieuwkjen Kingma, die weer
een dochter is van Jilling
Kingma. Van sommige weet
Margreet de naam, over andere
twijfelt ze.
Staand van links naar
rechts:
Inte, Renze, Elisabeth,
dan mijn vader Harrit,
Roelof en Wouter.
Zittend van links naar
rechts: Trijntje, Ieuwkjen
(mijn beppe Oeke) en de
jongste zoon Tjalling.
Of ze het toen wat onwaarschijnlijk
hebben gevonden weet ik niet, maar
de redactie heeft toen dat gedeelte
niet geplaatst.
Ik heb alles nog eens nagetrokken,
maar het is de "wiere warheid".
Pieter Rippen die een jaar of vijf,
zes ouder is dan ik, heeft mij
verteld dat zijn vader Jurjen Rippen
over het te bouwen huis nog
ongenoegen heeft gehad met Kingma
omdat het huis het uitzicht van
Rippen gedeeltelijk ontnam.
Nu gaan we weer terug naar Jilling,
die moet toch wel een man geweest
zijn met veel durf. Want om van
Echten afkomstig in Lemmer te gaan
vissen met een Friese boot op de
Zuiderzee, daar is wel moed voor
nodig. Ik weet niet hoelang hij met
de Friese boot heeft gevist en of
hij de aak LE 9 nieuw heeft laten
bouwen. Maar waarschijnlijk wel.
Gezien het nieuwe huis is het hem
goed gegaan.
Zelf heb ik Jilling nooit zien
vissen. Toen ik een jongen was,
hadden de zoons het bedrijf al in
handen, maar vermoedelijk wel voor
rekening van de oude. In die tijd
hielden de ouden zolang mogelijk de
financiële touwtjes in handen. De
zoons kregen dan zakgeld en wat er
verder bij hoorde.
Dat was toen zo'n beetje de regel.
Jilling en Griet hadden negen
kinderen, zes zoons en drie
dochters. Wat in die tijd meer
regel, dan uitzondering was. Omdat
de bemanning voor één aak te groot
werd en de zoons van Jilling
uitstekende visserslui waren, liet
hij bij de Gebr. De Boer een ijzeren
aak erbij bouwen. Het werd de LE 88,
12.40 meter lang, een mooi schip en
een goede zeiler met de naam "Spes
Salutis". Het kwam in 1913 in de
vaart.

De
"Spes Salutis" LE 88 van Jilling
Kingma.
De Koninklijke Zeilvereniging Buiten
IJ hield elk jaar zeilwedstrijden op
zee bij Amsterdam, waaraan ook
altijd Lemsters meededen, zo ook de
LE 88. Op 7 september 1915 wonnen ze
de eerste prijs en op 9 september
1916 een tweede prijs.
Maar ook de LE 9 "Margaretha" was
een goede zeiler gezien de
resultaten in de wedstrijden bij
Amsterdam.
Ze wonnen 29 augustus 1908, 29
augustus 1910 en 30 augustus 1912
een eerste prijs, een tweede prijs
werd gewonnen op 28 augustus 1909 en
2 september 1911. Dus geen slecht
resultaat Ook werden er altijd
wedstrijden gezeild in Harlingen en
Lemmer in de kermisweek, maar daar
weet ik geen uitslagen van. "De
Zevenwolden" misschien wel. Maar het
vissersleven bestond niet enkel uit
wedstrijden zeilen bij
zeilverenigingen. Alle dagen op weg
naar de visgronden was het vaak een
wedstrijd.
Ik weet nog wel dat de LE 88 altijd
het scherpst op de wind lag en het
beste loef kon houden, zoals dat
genoemd werd.
Renze, de oudste zoon, werd schipper
op de LE 88. Dat was een
ongeschreven wet bij de vloot En
Harrit werd de schipper op de LE 9,
voor zover nodig aangevuld met
knechts. Zoon Ynte trouwde zowat in
die tijd met Boukje Propsma, het kan
ook wel wat later geweest zijn.
Die begon voor eigen rekening te
vissen met de botter LE 14. Ik weet
me nog een voorval te herinneren met
de LE 9 dat minder prettig was. Het
was denk ik in 1917 dat op een
morgen alle aken en botters met de
kop aan de wal lagen, dat gebeurde
altijd als de wind noordelijk was
met het aanleggen, dan lagen de
vletten op zij want het was in het
haringvissen. Wij moesten die dag
netten tanen en dan was het een
drukke dag. Daarom gingen we al met
donker varen. De wind was weer west
geworden en dat was weer laveren.
Met het door de wind gaan raakten we
met de voorkant van het zwaard even
een helmstok aan de achterkant Het
was maar zachtjes, want er was maar
weinig wind en we zagen in het
donker niet welke aak het was. We
kwamen 's middags terug in de haven
en hoorden dat de LE 9 een scheur
had opgelopen in de achtersteven.
Het kon haast niet door ons zijn
gekomen en we dachten dat een ander
ons voor was geweest De helmstokken
stonden normaal altijd omhoog, kreeg
het roer dan een duwtje, dan ging
het wel op zij, maar nu moet het
plat hebben gelegen en dan geeft het
niks mee. Afijn, de havenmeester
Rein Kool, moest een onderzoek
instellen.
Hij bekeek de kop van de aak, maar
daar zat geen schrammetje op en voor
het zwaard evenmin. Waar hij
trouwens niet eens naar keek. Maar
de ouwe moest bij burgemeester
Pollema komen, het moet eerder dan
1917 zijn geweest, want in 1916 was
Kallenbach al burgemeester, want die
heeft in 1916 de visafslag geopend.
Daar heeft de ouwe alles uitgelegd
en het is tot een minnelijke
schikking gekomen.
Van de hele vloot had in die tijd
niemand een verzekering. Er bestond
het "Oude Gild", dat gaf een kleine
uitkering bij overlijden en ziekte.
De contributie werd altijd op
gehaald door Evert de Vries. De
jongens van Jilling zoals ze altijd
werden genoemd waren uitstekende
vissers en allen harde werkers en ze
kregen hun deel wel van de buit.
Ze hebben als eersten de vrije
zaterdagmiddag uitgevonden. In het
hoekwanten was het altijd zo
georganiseerd dat 's middags om twee
uur alles aan de kant was. Zondags
werd er door hen nooit gevist en dat
was niet op religieuze gronden. Maar
het was in de visserij net als bij
andere bedrijven zoals de Lemsters
toen zeiden: "Als je een keer de
poten onder de kont hebt, loopt
alles mee".
In het voorjaar als de haringen
mager waren, vingen de oude netten
het beste, maar vier weken later de
nieuwe netten de helft meer, want
dan waren de haringen al "groter
gegroeid" en werden dan pas lekker
en stukken goedkoper. De eersten, de
,primeurs, brachten meestal f 10,-
per tal op, maar dat was na een week
al f 5,- en later nog veel lager,
een tal was 200 stuks.
Als het tegen Pasen liep en het werd
wat warmer, dan waren de haringen
zo'n 50 cent per tal; Was
daarentegen de wind om die tijd
Noordelijk en koel dan brachten ze
nog wel een gulden op en werd er nog
behoorlijk wat verdiend. Maar de
minder gegoede visserlui moesten om
nieuwe netten in te simmen,de oude
simmen, kurken en lood weer
gebruiken. Zodoende waren de
gegoeden altijd een slag voor op de
minder draagkrachtige.
Met de ansjovisnetten was het
precies zo. Het ene jaar was de vis
klein van stuk en het andere jaar
soms groot. Dan ving je in oude
beugnetten niet de helft van, een
beug met wijdere mazen. Als je je
nou kon veroorloven om er een beug
op na te houden met wijde en nauwe
mazen, had je soms al een hoop
verdiend, vóór de vissers met minder
armslag er aan toe kwamen.
Want dan was het een run naar Jan
Pen, de netten handelaar en Minze
Zeilstra met de zijnen in de baan
waren om het hardst aan het insimmen
en soms lange wachttijden was het
gevolg. Anne Visser, de Brêgewipper,
kon je dan tussen de bedrijven ook
zien insimmen langs de muur van
slager Koning. Zo ging dat toen Na
het ansjoopvissen kwam de
botvisserij.
Maar de welvaart moest van de
ansjoopvis komen, die konden in de
pekel en dus stabielere prijzen.

LE 9
"De Margaretha" van Harrit
Kingma. Een snelle zeiler, die
rond 1910 onverslaanbaar was in
wedstrijden op de Zuiderzee
De LE 9 was meestal aan het
botslepen en de LE 88 altijd aan het
hoekwanten. Want dat was erg
arbeidsintensief,daar kon je met
twee man zowat niet aan beginnen.
Dat waren dan ook meestal botslepers
of zijennetters. Zoals ik al zei
waren de Kingma' s nogal haastig van
natuur, wat je met het aanazen wel
moest. Je moest pootaan, om een
spleet hoekwant, 225 haken in een
half uur, aan te azen, verslapte je
even dan was het zo drie kwartier.
Voor de lezers die niet weten wat
aanazen is, nu dat was aan elke haak
een gekookte garnaal steken, die de
bot dan behoorde op te vreten en dan
zaten ze aan de haak en waren ze
gevangen, zo ging dat. Maar de
zeehonden die nu vertroeteld worden,
vraten ze ook nog gedeeltelijk op,
evenals de haring. Nee, onze
vrienden waren het niet in die tijd.
Met het hoekwant werden er meestal
drie schoten in een week gedaan
maandag aanazen en het want
uitzeilen, dinsdag vroeg halen en
weer opspeten en garnalen vangen
voor het volgende schot. De garnalen
werden dan eerst gekookt. Zo ging
dat dan ook weer op woensdag en
vrijdag. Ook werden er wel
dagschoten gedaan met kleinere
beugen. Vijf pond bot aan een spleet
was een best schot, maar meestal was
het vier of drie pond De gemiddelde
prijs was toen zo'n 20 cent per
pond. Het was wel eens hoger, maar
meestal lager. Die het best bemand
waren visten of schoten een zestig
speet hoekwant En verder afhankelijk
van je bemanning.
Nu zal ik u vertellen hoe de
samenstelling van het gezin was van
Jilling en Griet. Renze was de
oudste en is altijd ongehuwd
gebleven. Dan kwam Betje, getrouwd
met Lubbert Coehoom. Ze woonden aan
de Weverswal, waar voordien Blok had
gewoond, een veehandelaar. Lubbert
zijn aak was de "Presto" LE 3. Hun
kinderen waren Pietje, Margaretha,
Settie, Jilliegien en Jilling. Ik
heb gehoord dat Pietje is overleden
(plus minus 1980). De oudsten heb
ik wel gekend, de jongsten niet. We
zijn al bijna 53 jaar uit Lemmer
weg. Dan is het de beurt aan Harrit,
hij was al niet zo jong meer toen
hij trouwde met Geertje Poepjes. Die
hadden drie kinderen, Jilling.
Koosje en Liekele. De laatste was
vernoemd naar de vroegere hardrijder
op de schaats ouwe Liekele van de LE
69. Dan kwam Roelof, getrouwd met
Fine van der Veen. Ze hebben vier
kinderen gekregen. Henny, de oudste
is pas weer in Lemmer komen wonen,
ook een Jilling. Bertus en Gretha
zijn jong overleden. Dan kwam denk
ik Ynte, getrouwd met Boukje
Propsma. Ze hadden zeven kinderen
Jilling, Wiebren, Renze, Harriet,
Jurjen, Roelof en Fimmy, allemaal
familienamen.

Nu kwam Oeke die getrouwd was met
Lieuwe Meijer, die was boekhouder
bij de gasfabriek. Ze hadden een
zestal kinderen, Clara, Gretha,
Boukje, Joop, Trijn en Liesje. Nu is
het de beurt aan Wouter die getrouwd
was met Martha van Brug. ze hadden
drie dochters, Gretha, Jansje en
Betty Kingma. De jongste zoon was
Tjalling en zijn vrouw was Pietje
Spaans. Deze hadden ook twee
kinderen een Jilling en Magda.
De jongste dochter was Trijn, een
mooi en levenslustig meisje, dat
helaas jong is overleden in 1922. Zo
u ziet het waren allemaal
familienamen. Waar ze naar vernoemd
zijn heb ik allemaal gekend.
Dat waren met de oude Renze erbij
vier generaties. Nu kunnen het er
misschien wel al zes zijn. Toen in
1932 de Afsluitdijk de Zuiderzee had
afgesloten kreeg natuurlijk Lemmer
als vissersplaats de nekslag.
Een groot gedeelte van de vloot
vertrok naar Makkum en een enkele
naar Harlingen. Grote families als
de Bootsma's, de Koornstra's,
Mulder, Van der Bijl, Visser's en
Wouda en ook knechten gingen mee.
Maar de Kingma's waren te oud om
opnieuw te beginnen.
Renze, Harrit en Roelof gingen voor
zo ver ik weet rentenieren. Wouter
werd brugwachter en later nog
havenmeester.
Hij is later naar Drachten verhuisd
Tjalling ging varen op een
lijndienst Groningen - Amsterdam.
Ynte bleef in Lemmer vissen met een
schouw. Dat was dan het einde van
een Lemster vissers familie. Van de
eerste twee generaties Kingma is er
niet één meer in leven, naar ik heb
gehoord. De oude Jilling is nog voor
de tweede keer getrouwd en woonde
toen aan de Kortestreek. Harrit is
in het ouderlijk huis blijven wonen.
Allemaal verleden tijd. Maar zo is
het nu eenmaal in het leven.

Le
9 "De Margaretha" van Harrit
Kingma.

Foto van Jilling Kingma.

Foto van Jilling Kingma.
|
Waar zijn
onze aken
gebleven?
Van de
plezieraken
gebouwd bij
Gebr. De
Boer in
Lemmer,
heeft voor
zover bekend
de
"Roggebot"
nog dezelfde
eigenaar,
alsook de
"Salamander"
en de "Grote
Pier". De "Onrust" van
Spits uit
Haren is
naar ik heb
gehoord van
een
schoonzoon
van J.
(Jurjen ?)
de Rook.
"Lemsterlicht"
is nog van
Croon uit
Heemstede.
De "Marcab"
heeft nog
dezelfde
eigenaar,
alsook de
"Saeftinge".
Zou de
onbekende
aak met
bouwnummer
177 uit 1920
de "Almere"
kunnen zijn?
Nu gaan we
ons eens
bezig houden
met de
vissers
aken. Als
hier in Medemblik
een aak in
de haven
komt en ik
kan er bij
komen - want
ik spring
ook niet
meeteen in
7 sloten
tegelijk -
maak ik een
praatje en
vraag waar
de aak
gebouwd is.
Als het een
Lemsteraak
is, zie ik
dat wel met
de ogen
dicht en
moet dan
bijzonderheden
vertellen
over de
vroegere
eigenaar en
dat vinden
ze dan
prachtig en
vaak
schrijven ze
alles op.
Ook kunnen
ze vaak niet
begrijpen
dat die oude
aken nog zo'
n goede
conditie
hebben. Dan
vertel ik ze
dat het
vroeger
meest eigen
bezit was en
ze ondanks
het zoute
water er als
de kippen
bijwaren als
er ergens
een
roestplekje
ontstond.
De aken
zaten onder
de plecht en
achter de
betimmering
altijd in de
dikke
cilinderolie
en waar olie
zit, roest
het nooit
Dan kwamen
de aken drie
keer in het
jaar op de
helling en
werden, na
te zijn
schoongemaakt,
twee keer in
de teer
gezet en om
geen plekje
over te
slaan werden
ze na' de
eerste
teerbeurt
met handen
vol cement
bestoven.
Het was
altijd
zeilen en
als de
scheepshuid
aangroeisels
kreeg waren
ze niet meer
vooruit te
branden. Als
ik dat
vertel
begrijpen ze
wel, dat -al
zijn de aken
oud, ze er
nog zo goed
uit zien. Zo
lag er
verleden
jaar een
mooie aak in
de haven van
zo'n 50 voet
Als je dan
zegt dat het
een mooi
schip is
vanwege de
mooie
lijnen, dan
zijn ze zo
trots als
een pauw. De
naam van de
aak was
"Alcedo" en
de eigenaar
was de heer
Gheider. De
aak was
gebouwd door
de heer
Engelaar in
Beneden
Leeuwen.
De
Lemsteraken
kwamen ter
sprake en ik
zei dat de
LE 28 de
eerste aak
was die in
Lemmer door
de gebr: De
Boer was
gebouwd. En
laat die
mijnheer nu
de LE 28
hebben
gehad! Hij
liet mij een
grote
tekening
zien, maar
ik zeg: "Dat
zijn de
lijnen niet
van de LE
28". "Dat
hebt u dan
goed gezien,
want zoals
de tekening
is, wou ik
hem hebben".
Het was
zeker te
moeilijk om
het uit te
voeren, want
hij had maar
een nieuwe
laten bouwen
en de 28
verkocht aan
een
Amerikaan,
die de
zwaarden eraf had laten
halen en met
een
midzwaard in
had laten
bouwen. De
aak is nog
in Nederland
en ligt in Rodevaart
bij de
Moerdijk. Ik
heb hier al
eens eerder
een aak
zonder
zwaarden
gezien, daar
zat over de
hele lengte
een kiel of
grote scheg
onder
gebouwd,
maar de
eigenaar was
niet aan
boord, zodat
ik geen
bijzonderheden
te horen kon
krijgen. Het
was wel een
vreemd
gezicht Het
is net als
een schouw
zonder mast,
alhoewel ik
een mooi
getuigde
schouw wel
mooi vind.
|
Nu
beginnen
we
met
Andries
Fleer.
Die
had
in
1916
een
mooie
schouw
laten
bouwen
bij
Gerrit
Wierda,
de
LE
21.
Hij
heeft
de
schouw
in
1923
verkocht
aan
Klaas
Bijlsma
en
het
werd
toen
naar
ik
meen
de,
LE
29.
Die
schouw
staat
nu
in
de
hal
van
het
gemeentekantoor,
gebouwd
door
een
neef
van
Klaas
Schelte
Bijlsma,
van
de
Lijnbaan,
wat
ik
een
knap
stukje
werk
vind.
In
1923
kocht
Andries
een
botter
die
in
1919
gebouwd
was
bij
De
Haas
in
Monnikendam
en
hij
hield
het
nummer
LE
21.
Het
was
nog
een
goede
zeiler
ook
en
werd
voorbeeldig
onderhouden.
Ik
heb
de
botter
jaren
geleden
nog
in
de
Rai
op
de
HISWA
zien
staan
met
de
Blauwe
wimpel
in
de
mast
In
1946
heeft
Andries
de
botter
verkocht
aan
J.
A.
M.
Kramer,
een
scheepsarchitect
en
heet
nu
"Vrouwe
Pieternella".
De
heer
Kramer
onderhoudt
de
botter
in
perfecte
staat
en
heeft
ook
verschillende
boeken
geschreven
over
IJsselmeer
en
Waddenzee..In
1946
kocht
Andries
een
aak
van
een
Vollenhover
visserman,
die
in
1901
was
gebouwd
bij
Bos
in
Echtenerbrug
en
hield
no.
LE 21.
Deze
aak
is
nu
eigendom
van
de
heer J.
L.
M.
de
Zeeuw
uit
Eemnes
en
hij
is
eigenaar
van
het
bekende
motel
"De
Witte
Bergen"
aldaar.
De
aak
heet
nu
"V
rouwe
Elizabeth".
Maar
er
is
nog
geen
eind
aan
de
LE.
21.
Mijn
neef
Sake
Bootsma
had
na
de
afsluiting
een
mooie
IJsselmeerkotter
laten
bouwen,
ik
meen
de
LE.
44.
Sake
ging
met
een
kotter
de
Noordzee
op
en
Andries
(of
was
het
zijn
zoon
Jan
al)
kocht
de
IJsselmeerkotter.
Jan
Fleer
is
nu
reddingbootschipper
en
zijn
zoons
vissen
met
de
kotter.
Een
bijzonderheid
nog.
Jan
Fleer
zijn
grootvader,
ook
een
Jan,
was
mijn
vrouw's
stiefvader
en
Jan
zijn
overgrootvader
en
moeder
heb
ik
ook
nog
goed
gekend.
Dat
was
ook
een
Andries
en
zijn
vrouw
was
een
Grietje
Stuurman.
Die
moeten
wel
van
omstreeks
1820
zijn
geweest
|
Nu gaan we weer over van de oude Lemsters naar de oude aken. De LE 74 was de tweede aak gebouwd door de Gebr. De Boer. Dat was in 1901 en voor rekening van Steven Visser. De aak heet nu "'t Kan verkeren" en is nu van Chirurg F. Schreuder uit Bloemendaal en was toen ik hem voor het laatst zag, nog in oude staat met vooronder: De LE is waarschijnlijk in 1902 gebouwd voor Auke Bakker. Ik denk dat die aak ca. 1908 is verkocht aan Jelle Zwaan in Stavoren. Later is hij van Jorritsma geweest en is nu van Douwe Schirm, uit Emmeloord en is bijna weer op zijn oude nest terug gekomen. Dan komen we bij de LE 12, die in 1903 bij De Boer gebouwd is voor Johannes Visser. Het was een forse aak van 45 voet en heet nu "Rosshouck", eigenaar is Ir. W. Croon uit Rotterdam.
In 1907 is de LE 10 gebouwd voor Marten Raadsveld, het was een mooi scheepje van 8.60 meter lengte..Ik denk dat het de kleinste is ooit door De Boer gebouwd. Toen "Lytse Marten" ophield met vissen hebben Jacob en Jan Wouda, twee neefs van mij, het aakje overgenomen. Later is het een pleziervaartuig geworden van Henny Kingma, die verleden jaar weer in Lemmer is komen wonen. Het schip is nu eigendom van J. J. de Korte en heet nu "Antje", thuishaven is Aerdenhout. De grote aak in 1908 gebouwd van 50 x 16 voet, is in 1913 verkocht aan Lub. Bakker te Urk. Waar die later gebleven is weet ik niet. Ik weet ook niet waar de tweede aak van Jan de Blauw is terecht gekomen. Die was 45 voet, was ook een LE 8 en is in 1913 gebouwd.
De LE 67 is gebouwd voor Gerrit de Blaauw, ook in 1912 en was ook 45 voet, het was een mooi schip. Het is nu eigendom van de heer Stofberg uit Leimuiden, die ook een werf heeft en plezieraken bouwt De aak heet nu "Noordster".
Nu is de LE 88 aan beurt, gebouwd voor Jilling Kingma. Dat was in 1913 en het schip kreeg de naam "Spes Salutis". Ik denk dat het de laatste aak is geweest die bij gebr. De Boer voor de visserij is gebouwd. Toen de Gebr. Kingma ophielden met vissen is zij verkocht aan Egbert Visser en werd toen LE 1. Nu is het in eigendom van L. Sliggers uit Santpoort. Hij zag de aak een paar jaar geleden hier in de haven, en er zaten uitgebikte roestpikjes achter in het berghout. Ik zeg tegen Sliggers: "De vorige eigenaar heeft niet zo goed op de aak gepast als de gebr. Kingma dat deden, want daar zijn de putjes er zeer zeker niet ingekomen". De aak had zowat zes jaar onbeheerd in IJmuiden gelegen in zout water.
Dit waren dan allemaal Lemster aken, gebouwd bij de Gebr. De Boer. Er waren ook twee aken gebouwd door
Croles in IJlst De LE 37 van Siebe Kooistra moet nu in Haarlem thuishoren. Het fijne weet ik er niet van. De andere aak was de LE 75 en deze was van mijn vader. Ze waren 42 voet, in 1899 gebouwd De LE 75 is door Stofberg verbouwd en heet nu "Breehorn", eigenaar is de Mr. J. R Carp uit Aerdenhout
|
Dan varen er nog twee houten aken gebouwd door A van der Zee te Joure. De jongste is in 1907 gebouwd en heet" St Michel", ze is 13.75 meter lang en de eigenaar is J. C. H. van Yperen uit Rotterdam.
De oudste houten aak is in 1898 gebouwd voor Pieter Poepjes van de Nieuwedijk toen en was de LE 39. Die aak is op schitterende manier tot jacht verbouwd door Adrianus Kok te Huizen. Hij heeft dat alleen gedaan, maar had er dan ook zevenjaar voor nodig. De aak was 11.40 meter lang en heet nu "Zevija", voorheen "Maartje". Eigenaar is G. Verwelius; een aannemer uit Huizen.
Ruim twee jaar geleden is de oude LE 39 met nog acht andere platbodems naar New York geweest ter gelegenheid van de feesten aldaar bij het 200-jarigbestaan van Amerika.
Dit zijn dan de Lemster aken; waarvan ik weet waar ze zijn, maar ik heb ze nog niet allemaal kunnen opsporen.
Jan Wouda.
● Genealogische benadering van Peter Grootemaat, uit Eibergen.
|
MICHIEL JANS.
Van Michiel is alleen bekend dat hij tot de hervormde kerk
behoorde.
Bijzonder is dat zijn laatste twee kinderen gedoopt zijn in
de Rooms-katholieke kerk. De bij die doop genoemde meters
Jetske en Vrouck zijn zeer waarschijnlijk zusters van
Michiel.
Kinderen:
|
1. Catharina |
gedoopt 30-08-1691 in Warga. |
|
2. Catharijna |
gedoopt 30-07-1693 in Warga. |
|
3. Wopkje |
gedoopt 01-01-1695 in Warga. |
|
4. Catharina |
gedoopt 28-02-1697 in Warga. |
|
5. Jan |
gedoopt 30-04-1699 in Warga. |
|
6. Catharina |
gedoopt 23-06-1700 in Warga. |
|
7. Jan |
geboren 24-06-1704 in Warga. |
| |
Getrouwd ??-03-1740 met Zetske Jans. |
Getrouwd (2) 30-01-1707 in Grouw met Ydtje Yedes.
In de quotisatiekohieren van 1749
staat de weduwe van Michiel Jans genoteerd als arm.
Quotisatiekohieren zijn aantekeningen ten behoeve van een
nieuw belastingstelsel.
|
Kind: |
|
| |
|
|
8. Zibrig |
gedoopt 29-09-1709 in Warga. |
|
9. Sijcke |
(Rk) gedoopt 24-12-1714 in Irnsum, geboren in
Grouw, (meter Jetske Jans) |
|
10. Ytje |
(Rk) gedoopt 22-02-1722 in Irnsum, geboren in
Grouw. (meter Vrouck Jans) |
| |
|
●●●
JAN MICHIELS.
|
Geboren |
24-06-1704 in Warga, overleden voor 1772. |
|
Getrouwd |
??-03-1740 in Grouw met Zetske Jans, geboren
21-08-1718 in Gorredijk, overleden 23-12-1796 in
Gorredijk. |
Jan woonde in Gorredijk en was Hervormd.
Zetske deed 02-02-1745 belijdenis in Gorredijk.
|
Kinderen: |
|
| |
|
|
1. Ytje |
geboren 23-09-1743 in Gorredijk. Getrouwd
30-11-1766 in Gorredijk met Pyter Adolphs. |
|
2. Jan |
geboren 03-04-1746 in Gorredijk. Getrouwd met
Jeltje Taekes. |
|
3. Baukje |
gedoopt 04-05-1749 in Gorredijk. Getrouwd (1)
21-04-1776 in Gorredijk met Douwe Freerks,
gedoopt 28-09-1749 in Lippenhuizen, begraven
06-08-1779 in Gorredijk.
Getrouwd (2) 19-05-1782 in Gorredijk met Daniel
Alberts. |
|
4. Michiel |
gedoopt 04-06-1752 in Gorredijk, overleden
16-04-1808 in Gorredijk. Getrouwd 24-05-1778 met
Ytje Jans Dijkstra. |
●●●
MICHIEL JANS.
|
Gedoopt |
04-06-1752 in Gorredijk, overleden 16- 04-1808
in Gorredijk. |
|
Getrouwd |
24-05-1778 in Gorredijk met Ytje Jans
Dijkstra, geboren 16-07-1758 in Gorredijk. |
Michiel en Ytje deden 07-02-1794 belijdenis in de Hervormde
kerk van hun woonplaats Gorredijk.
|
Kinderen: |
|
| |
|
|
1. Setske |
geboren 02-07-1779 in Gorredijk, overleden
22-01-1833 in Opsterland. Getrouwd met
Martinus Kornelis de Jong; overleden na 1833. |
|
2. Jan |
geboren 16-02-1781 in Gorredijk, overleden
14-01-1851in Gorredijk. Beroep: arbeider,
brandersknecht. Getrouwd met Sytske Andries. |
|
3. Aaltje |
geboren 29-12-1782 in Gorredijk, overleden
12-08-1826 in Gorredijk. Beroep: naaister. |
|
4. Ynte |
geboren 25-01-1786 in Gorredijk, overleden
13-01-1849 in Lemmer. Beroep: bakkersknecht.
Getrouwd 06-06-1811met Trijntje Harrits Zwart,
geboren 15-09-1786 in Strobos, overleden
13-01-1854 in Lemmer. Beroep: dienstmeid. |
|
5. Bottje |
geboren 23-11-1787 in Gorredijk. Beroep:
arbeidster.Getrouwd 07-12-1820 in Opsterland met
Wieger Jans Bijlsma, geboren ± 1783 in De Knijpe,
overleden 27-08-1847 in Aengwirden. |
|
6. Oeble (Obbe) |
geboren 01-01-1790 in Gorredijk, overleden
24-10-1816 in Gorredijk. Beroep: schipper.
Getrouwd 02-07-1816 in Gorredijk met Johanna
Rintzes van der Vecht, geboren ± 1785 in
Olterterp. |
|
7. Baukjen |
geboren 28-10-1792 in Gorredijk, overleden
08-08-1849 in Opsterland. Beroep: arbeidster.
Getrouwd 03-05-1815 in Gorredijk met Klaas Jans
Fokkema, geboren ± 1795 in Gorredijk, overleden
16-01-1847 in Opsterland. |
|
8. Marten |
geboren 13-10-1794 in Gorredijk, overleden
21-05-1839 in Opsterland. Beroep: brandersknecht.
|
●●●
YNTE MICHIELS (KINGMA)
|
Geboren |
25-01-1786 in Gorredijk, overleden 13-01-1849 in
Lemmer. |
|
Getrouwd |
06-06-1811 in Lemmer met Trijntje Harrits Zwart,
geboren 15-09-1786 in Strobos, overleden
13-01-1854 in Lemmer. |
Beroep: bakkersknecht, lantaarnopsteker. Woonde in Gorredijk
en Lemmer.
|
Kinderen: |
|
|
|
|
|
1. Michiel |
geboren 28-04-1812 in Gorredijk, overleden
19-08-1849 in Gaasterland, schoenmaker. Getrouwd
26-05-1839 in Lemmer met Jeltje Harmens Prins,
geboren ± 1815 aan boord van een schip onderweg
naar Zweden, overleden 03-03-1845 in Lemmer.
|
|
2. Harrit
|
geboren 05-01-1814 in Gorredijk, overleden
06-06-1876 in Lemmer. Getrouwd (1) 18-09-1846
met Jantjen Willems Muurling. Getrouwd (2)
26-09-1847 met Elisabeth Symens van Randen.
|
|
3. Marten |
geboren 24-02-1816 in Lemmer, overleden
31-07-1849 in Lemmer. Arbeider. |
|
4. Pieter |
geboren 21-11-1818 in Lemmer, overleden
01-01-1825 in Lemmer. |
|
5. Yttje |
geboren 17-12-1820 in Lemmer, overleden
28-11-1840 in Lemmer. |
|
6. Jilling |
geboren 11-8-1823 in Lemmer, overleden
25-09-1856 in Lemmer. |
●●●
HARRIT YNTES KINGMA
|
Geboren |
05-01-1814 in Gorredijk, overleden 06-06-1876 in
Lemmer. |
|
Getrouwd (1) |
18-09-1846 in Lemmer met Jantjen Willems
Muurling, geboren 19-09-1808 in Oosterzee,
overleden 25-01-1847 in Lemmer, dochter van
Willem Jochums Muurling en Aukje Frankes. Zij
was weduwe van Jan Hendriks Bouma bij wie zij
twee zonen had. |
Beroep: bakker, arbeider. Woonplaats: Echten.
|
Kinderen: |
|
|
|
|
|
1. Ynte |
geboren 11-01-1847 Echten, overleden 19-03-1847
Lemmer. |
|
|
|
|
Getrouwd (2) |
26-09-1847 in Lemmer met Elisabeth Symens
van Randen, geboren 03-02-1827 in Echten,
overleden 07-10-1894 in Lemmer, dochter van
Symen Syztes Van Randen en Elizabeth Ages de
Jong. |
|
|
|
|
Kinderen: |
|
|
|
|
|
2.Elisabeth
|
geboren 12-03-1848 in Echten, overleden
18-05-1902 in Lemmer. Beroep: dienstmeid.
Getrouwd 18-05-1873 in Lemmer met Marten
Wiegers Doeven, geboren 08-09-1846 in Lemmer,
overleden 23-02-1922 in Lemmer. |
|
3. Ynte
|
geboren 25-10-1850 in Delfstrahuizen, overleden
10-12-1920 in Lemmer. Beroep: sluiswachter,
stoker, werkman.
Ynte is: Getrouwd 14-05-1875 in Lemmer met
Klaaske Baukes de Vries, geboren 18-02-1849 in
Joure. |
|
4. Siemen |
geboren 04-06-1853 in Echten, overleden
25-04-1856 in Lemmer. |
|
5. Jilling
|
geboren 14-01-1856 in Echten, overleden
07-08-1941 in Lemmer. Beroep: visser. Getrouwd
25-11-1880 in Lemmer met Margaretha Hoekstra,
geboren 28-08-1859 in Lemmer, overleden
03-07-1919 in Lemmer. |
|
6. Symen |
geboren 27-02-1859 in Echten, overleden
12-10-1904 in Kalenberg. Beroep: bakkersknecht.
Getrouwd 09-05-1891 in Oldemarkt met Hendrikje
Koning, geboren ± 1865 in Steenwijkerwold,
overleden 30-08-1937 in Meppel. Beroep:
dienstmeid. |
|
7. Trijntje |
geboren 22-06-1862 in Echten, overleden
16-01-1942 in Lemmer. Beroep: dienstmeid.
Getrouwd 04-05-1889 in Oldemarkt met Hendrik
ten Berge, geboren ± 1859 in Oldemarkt,
Overijssel. Gescheiden 22-04-1909. |
|
8. Ieuwkjen |
geboren 31-07-1865 in Echten, overleden
01-10-1922 in Lemmer. Beroep: dienstmeid.
Getrouwd 13-05-1898 met Geert van der Bijl. |
|
9. Marten
|
geboren 15-05-1867 in Echten, overleden
06-05-1943 in Sneek. Beroep: bakkersknecht,
vrachtrijder. Getrouwd (1) 10-05-1894 in
Hemelumer Oldeferd met Aukje Dijkstra, geboren
24-04-1873 in Hemulumer Oldeferd, overleden
20-11-1910 in Lemmer.
Getrouwd (2) 26-09-1912 in Lemmer met Jantje
Wiarda, geboren 28-03-1855 in Kuinre, overleden
30-07-1938 in Oosterzee. |
|

●●●


Zie ook Lemstervloot.
Home |
|
|
|
|
|
|