Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Landschappen rond de Zuiderzee.

 

 

| 1 | 2 |

 

 

 
Door Piet Kelder.

 

De Eilanden.

Geen van de hier besproken Zuiderzee-eilanden zijn nog echte eilanden, dat wil zeggen dat zij nu ook over land zijn te bereiken. In het begin van deze eeuw lagen alle eilanden nog in de open en zoute Zuiderzee. Nu grenst van de vroegere eilanden alleen de noordkant van Wieringen aan het zoute water; de rest ligt aan het zoete water van Amstelmeer en IJsselmeer. De zuidkant is door een kanaal van de Wieringermeerpolder gescheiden. Marken ligt rondom in het IJsselmeer, maar is door een dam met het vasteland van Noord-Holland verbonden. Urk is in het dijkenstelsel van de Noordoostpolder opgenomen; alleen de westzijde ligt aan het water van het IJsselmeer. Schokland tenslotte wordt geheel door de Noordoostpolder omsloten.

Wieringen.

Wieringen is een land van tegenstellingen: de Waddenzee met zout water, eb en vloed tegenover het zoete water van het Amstelmeer, IJsselmeer en randkanaal; de dicht bebouwde en beplante hoge zandgronden naast de lage, open klei- en veenpolders. Deze grote variatie op een betrekkelijk klein grondgebied bepaalt nog immer het landschap van het voormalige eiland.

HET HOGE LAND.

Als we het gebied vanuit het westen of over het water naderen, is de voor Nederlandse begrippen hoge kust goed te zien. Dit deel is het oudst en bestaat uit keileemheuvels die in de IJstijd zijn gevormd. Daarna zijn zij afgedekt met door de wind aangevoerd zand, het zogenaamde dekzand. Sinds lange tijd zijn deze hoge gebieden bewoond, bebouwd, beplant en door wegen ontsloten. De vrij steile randen zijn ontstaan doordat de zee het keileem gedurig afsloeg.

 

Hoogteligging Wieringen.

Al voor de afsluiting van de Zuiderzee werden deze steile kusten met paalschermen of stenenbeschoeiingen tegen de zee beschermd. In de daaropvolgende zoetwater periode raakten zij meestal begroeid met gras en struiken. Aan de westzijde van Wieringen ligt aan de hoge kust, juist voor het dorp Westerland het Lutjestrand (Lutje betekent klein).

Het bestaat uit keileem en dekzand, dat elders door de zee werd weggeslagen en hier werd neergelegd. Dergelijke stranden komen elders in ons land niet voor. Voor geologen is dit een unieke bijzonderheid.

De helling van de kust is hier begroeid met sleedoorn, een prunussoort, die het goed doet op deze keileemhelling. Aan de noordzijde van Westerland loopt vanaf de kerk een weggetje naar het hoogste punt van het eiland, ruim 12 Ĺ meter boven Normaal Amsterdams Peil (NAP is de eenheid die wordt gehanteerd om hoogtematen in ons land te bepalen). Hier heeft men een goed uitzicht over het eiland.

Naar het noorden kijkend, ziet men de Waddenzee en het noordelijk deel van Wieringen, naar het zuiden ziet men uit over het dorp en het Amstelmeer. Dorpen, gehuchten en boerenerven liggen meestal op dit hoogste deel van het vroegere eiland. De reden daarvan is duidelijk: men vestigde zich op een plek, die hoog genoeg lag om beveiligd te zijn tegen de hoogste waterstanden van de zee.

In het algemeen kan men zeggen dat werd gekozen voor de zone tussen 1 tot 7 Ĺ  meter boven NAP. Daarbij gaf men de voorkeur aan vlakke, plateauachtige delen. Een goed voorbeeld is Westerland, dat als een langgerekt dorp op een circa 7 Ĺ meter hoge, oost-west lopende richel ligt, terwijl de erachter gelegen heuvel ongeveer 5 meter hoger ligt. Daardoor had het dorp enerzijds beschutting tegen de wind en anderzijds lag het hoog genoeg om geen gevaar van de zee te duchten.

 

Westerland-Dwarsdoorsnede.

 

Westerland ligt achter de hoogste heuvels van Wieringen. Op de achtergrond een doorzicht naar de lage polder: en het Amstelmeer.

 

Oosterland ligt boven op een hoge rand. Het kerkje ligt hoger dan de bebouwing. Op de voorgrond een walsloot op de scheiding tussen hoog en laag gebied.

 

Oosterland ligt op een plateau circa 5 meter boven NAP, dat in noord-zuid richting loopt. Het dorp wordt niet beschermd tegen de wind. Waarschijnlijk is bescherming tegen het water belangrijker geweest dan de voordelen van de luwte. Bovendien loopt de heuvel, waarop het dorp ligt, vrij steil naar beide zijden af en daar kon niet worden gebouwd.

Anders dan Westerland was Oosterland oorspronkelijk een kerndorp of kerkringdorp, gebouwd rond een kerk, op een punt waar wegen samenkomen. Later werd de bebouwing doorgetrokken naar het zuiden, waardoor het een langgerekte vorm kreeg.

Het kerk erf, omgeven door een houten hek en een heg, ligt ten opzichte van de straten op een verhoging. Deze verhoogde kerk erven boden een extra beveiliging tegen het water. Hyppolytushoef en omgeving liggen op een plateau dat circa 1 tot 2 Ĺ meter boven NAP uitsteekt. Hippolytushoef ligt op een kruispunt van wegen, hetgeen in de oude kern nog goed is te zien.

Ook hier staat de kerk op een verhoogd erf, dat omgeven is door een bakstenen keermuur. Op de begraafplaats zijn de resten van de vroegere boombeplanting en van een haag te vinden. Den Oever en De Haukes waren vissersplaatsen die tegen de dijk waren aangebouwd.

Aanvankelijk waren er geen havens; die werden in beide plaatsen pas omstreeks 1900 aangelegd. Op Wieringen is de visserij lange tijd naast het boerenbedrijf als nevenberoep uitgeoefend. De haven van De Haukes is nu jachthaven.

Den Oever, dat aan de Waddenzee ligt, is nog steeds vissershaven. Zowel de haven als het dorp zijn na de Tweede Wereldoorlog sterk uitgebreid. Het gehucht Stroe is een van de oudste plaatsen op Wieringen. Oude kaarten geven aan dat het vroeger veel groter was dan nu. Het kerkhof van Stroe ligt tegenwoordig buiten de bebouwing en is omgeven door bomen. Achter de begraafplaats liggen in het land enkele hooggelegen boerderijen, die een lange oprit vanaf de weg hebben.

 

Kerndorp.

 

Karakteristieke Wieringer boerderij met forse erfbeplanting.


Er is op Wieringen een eigen boerderijtype ontstaan, dat is afgestemd op de weide- en akkerbouw en schapen teelt. Daarom was er naast woonruimte ook een hooi- en wagenberging, een stal voor enkele koeien, een schapenstal en een dorsruimte.

Het gebouw was opgetrokken uit houten geteerde schotten en muren van gele baksteen. Als dakbedekking werd aanvankelijk zeegras en later riet gebruikt. Bij de bouw hield men rekening met de weersgesteldheid: de hoge muurdelen waren vrijwel altijd van de westzijde afgewend, waardoor de wind er minder vat op had.

Overal in het gebied komen deze boerderijen nog voor. Beplanting kwam hoofdzakelijk voor bij de dorpen, gehuchten en verspreide boerenerven. Daardoor had met name het hoge gebied een sterk beplant aanzien. De invloed van de zeewind bepaalde de soorten die men gebruikte: aan de windzijde hadden de erven de breedste bomenschermen.

Er stonden veldiepen rond de gebouwen en op meer beschutte plekken ook essen en eiken. Aan de windkant vooral waren onder de bomen struiken als meidoorn, vlier en els geplant. Linde stond daar waar de zon buiten gehouden moest worden: langs het woonhuis en de stallen. Zij waren dikwijls tot knot- of leiboom gesnoeid.

In de brede beplantingen werden vaak sneeuwklokjes voor de handel gekweekt, terwijl in de tuinen boerenbloemen stonden als primula's, arabis, goudsbloemen, lelies, floxen, muurbloemen, viooltjes en op de daken huislook. In de eendenkooien op Wieringen werden meestal veldiepen als opgaande bomen gebruikt.

Verder stonden er soms grauwe populieren, essen en esdoorns. Daarnaast kwamen ook vlier, meidoorn, lijsterbesstruiken en elzen voor, evenals mispels, appel- en perenbomen, die hier verwilderden. Aan de noordzijde van het eiland willen bomen en struiken slecht groeien als gevolg van de zoute zeewind.

De eerste rijen bomen en struiken blijven klein, de achterliggende worden steeds iets hoger, waardoor het lijkt of de beplanting van west naar oost 'geschoren' is. Het direct aan zee gelegen gehucht Noordburen is vrijwel boomloos.

Langs de wegen stond vroeger geen beplanting. Pas na een ruilverkaveling in de jaren veertig veranderde dat. Voor die tijd waren wegen door aarden wallen van de akkers gescheiden. Op het hoge deel ontbreken sloten. Als afscheiding zijn hier vroeger tuinwallen aangelegd, ongeveer een meter hoge wallen, die men opzette van graszoden en grond uit de omgeving.

Zij dienden als perceelscheiding en als veekering. Bovendien boden zij in dit winderige klimaat een effectieve beschutting. De meeste zijn door prikkeldraad vervangen, dat goedkoper en gemakkelijker te onderhouden is.

 

Aanleg van een tuinwal rond een stuk land bij Noordburen (foto 1939)

 

Tuinwallen omstreeks 1930 op Wieringen.

Terwijl er op Texel nog veel tuinwallen voorkomen, zijn er op Wieringen slechts enkele overgebleven bij het gehucht Noorderbuurt.

 

HET LAGE GEBIED.

Waar dekzand door de wind weggeblazen en keileem door de zee werd afgeslagen, zette de zee later vaak opnieuw zand- en kleigronden af. In perioden dat de zee niet in het gebied kon doordringen, ontstond in het zoete en brakke water veen. Op die manier zijn de lage polders van Wieringen ontstaan.

Zij waren vrijwel onbeplant en onbebouwd en voor de ruilverkaveling nauwelijks door wegen ontsloten. De eendenkooien vormden de enige beplanting in het open landschap. Lage gebieden werden al vrij snel omdijkt, maar de zwakke dijken braken vaak door. Nog in 1825 werd het eiland gedeeltelijk overstroomd, waarbij de hoge delen droog bleven.

Wanneer de bedijkte gebieden de meeste tijd boven de hoogwatergrens van de zee lagen voordat zij werden bedijkt, spreekt men van kogen en kagen; lagen zij onder water, voordat zij werden bedijkt dan noemt men ze polder. Dus bijvoorbeeld Westerlanderkoog, maar Normerpolder.

De zuidelijke dijk van Wieringen is aangelegd met wier, dat in grote hoeveelheden in de omgeving van het eiland voorkwam. In lagen op elkaar gestapeld, werd het wier een zeer vaste substantie en bood een goede bescherming.

Meestal werd het wier vastgezet met palen en met klei afgedekt, vooral aan de achterzijde. Terwijl op Wieringen de meeste tuinwallen geslecht zijn, bleven op de Hoge Berg van Texel veel tuinwallen bewaard.

 

De Wierdijk bij den Hoelm aan de zuidzijde van Wieringen (Buurtschap in de gemeente Wieringen in de provincie Noord-Holland). De witte lagen zeegras zijn goed herkenbaar. (Zeegras is een zaadplant die in zee leeft).

 

Dijkdoorsnede uit de achttiende eeuw die overeenkomt met de wierdijken op Wieringen. Op Wielingen is het palenscherm verdwenen waardoor het wier (zeegras) op een aantal plaatsen zichtbaar wordt.

 

Ook de Westfriese omringdijk is met dit materiaal aangelegd. Vooral tussen De Haukes en De Hoelm zijn de dikke lagen wier goed te zien. Voor de aanleg van wierdijken is enorm veel werk verzet: om een dijk van circa 5 meter hoogte te krijgen moest per strekkende meter in totaal ongeveer 3 5 m3 vers wier worden verwerkt.

Het maaien van wier was zwaar werk. Sinds de achttiende eeuw kon zeegras niet meer voor dijkbouw worden gebruikt, omdat paalworm de houten palen vernielde. Toen werden andere materialen gebruikt. Bij de meeste wierdijken verdwenen de wierlagen onder deze nieuwe materialen. Aan de noordzijde van Wieringen liggen moderne, hoge zeedijken.

Na de achttiende eeuw werd nog zeewier gewonnen als vulmateriaal voor matrassen en kussens, tot het zeegras in het begin van de twinstigste eeuw door een schimmel werd aangetast. Nu is er maar weinig zeegras over en wordt het hier niet meer geoogst.

Op de eilanden van de Waddenzee staan nog enkele wierschuren, die aan de wierwinning herinneren. In tegenstelling tot de hoge delen liggen in de lage delen van het eiland veel sloten. Zij dienen als perceelscheiding en waterafvoer. Sloten op de grens van het lage en het hoge gebied moeten het afstromend water van de hoge delen opvangen. Deze zogenaamde walsloten worden gekenmerkt door een hoge en een lage kant, in Noord-Holland ook wel de hoge en de lage schouder genoemd.

Vrijwel alle hoge en lage gebieden worden door deze sloten gescheiden, waardoor de overgangen goed herkenbaar zijn. Soms wordt de scheiding gemarkeerd door een weg zoals de Holle Balg tussen de Hoelmerkoog en de Klieverhoogte (Klieverweg). Op lage stukken in de polder, die minder geschikt waren voor beweiding, werden eendenkooien aangelegd, die een specifieke inrichting hebben.

Men groef eerst een vijver, het kooiwed. De uitkomende grond werd rondom verwerkt en op de oevers werd een dichte beplanting aangebracht om de nodige rust in het kooiwed te verschaffen. Deze werd zodanig aangebracht dat ze het laagst was aan de zijde waarvan men verwachtte dat de eenden zouden neerstrijken,meestal de zijde van de zee of nabije meren. De tegenovergestelde zijde kreeg een hoge beplanting, waardoor het opvliegen werd bemoeilijkt.

De eenden werden gevangen met behulp van lokeenden in zogenaamde vangpijpen, smalle sloten die vanuit het kooiwed dood lopen in het omringende bos. Elders in Noord-Holland, op de Waddeneilanden, in noordwest Overijssel en in Friesland zijn nog enkele eendenkooien aanwezig. Door de rust en beslotenheid zijn het plaatsen, waar veel wilde planten en dieren voorkomen.

Er zijn op Wieringen nog twee eendenkooien over, een in de Hoelmerkoog ten zuidoosten van Westerland en een oostelijk van Hippolytushoef in de StroeŽrkoog. Voorheen liepen de verbindingen van Wieringen met het vaste land over zee. Er voer een schuiteveer van Nieuwesluis aan de dijk van de Wieringerwaard en in de negentiende eeuw ook een postveer vanuit Ewijcksluis aan de dijk van de Anna Paulownapolder naar De Haukes.

Op het eiland waren alleen de dorpen en gehuchten op het hoge gedeelte onderling verbonden door wegen. Bij de aanleg van de Afsluitdijk werd het eiland met Noord-Holland en Friesland verbonden. De weg over de Afsluitdijk deelde het eiland in tweeŽn. Tijdens de ruilverkaveling in de jaren veertig werden ook de lage polders door landbouwwegen ontsloten.

DE POLDER WAARD-NIEUWLAND.

De Waard-Nieuwland is een in 1846 ingedijkt stuk van de Wadden, dat tegen de oude wierdijk aan ligt. Het gebied ligt vrij diep, een a twee meter beneden NAP, dat is lager dan de polders en kogen op Wieringen. Het boezemwater binnen de zuidelijke dijk is een belangrijk broedgebied voor water- en moerasvogels. Langs de Middenweg en op een hooggelegen zandplaat in het oostelijk deel van de polder staan boerderijen. Blijkbaar vond men het zelfs in de negentiende eeuw nog belangrijk om boerderijen op een hoge plaats te bouwen.

 

PLATEN EN GEULEN, BUITENDIJKSE GEBIEDEN.

Aan de noordkant van het eiland is de zee alom tegenwoordig. Dat blijkt niet alleen uit de hoge zeedijken, maar ook uit de platen, die hier bij eb meestal droog liggen: de Breehorn en het Balgzand. Daartussen ligt het water van het Amsteldiep.

Bij vloed is het een grote watervlakte. Binnendijks liggen hier kleiputten, waaraan in het verleden klei voor de dijkophoging werd ontgraven. Nu zijn het rietmoerassen. De Waddenzee en de open weidegebieden hebben ervoor gezorgd, dat Wieringen een rijk vogelleven heeft. Broedende weidevogels en voedsel zoekende wadvogels zijn overal in het gebied te zien.

De hoofdkenmerken van het Wierings landschap: hoog en laag land, zout en zoet water en de overgangen daartussen zijn elementen die vrijwel niet te veranderen zijn. Andere omstandigheden als waterpeil en kavelvormen zijn gemakkelijk te wijzigen. Het is te hopen dat de ruilverkaveling die hier op handen is de belangrijkste kenmerken in het landschap zal gebruiken als uitgangspunt voor de herinrichting van het gebied.

URK.

Toen Urk in het dijkenstelsel van de drooggelegde Noordoostpolder werd opgenomen, veranderde de omgeving drastisch. In 1930 was het nog een eiland met een vrij kleine haven en een vissersvloot, die overwegend op de Zuiderzee viste. Het eiland bestond uit keileem, afgedekt met dekzand. Het oude dorp lag op het hoogste gedeelte. De rest van het eiland was een open weidegebied, omgeven door een zandige oever.

Aan de noordoost kant lag een zandbank, de zogenaamde staart van Urk die vaak droogviel en waar vroeger nog honderden zeehonden voorkwamen. Na de inpoldering is Urk alleen aan de westkant aan het water van het IJsselmeer gelegen. Aan de noord- en zuidzijde overheersen de dijken van de Noordoostpolder en aan de noordzijde ligt het Urkerbos in de polder. De rest van het voormalige eiland is geheel volgebouwd.

Wanneer Urk bij helder weer over water wordt benaderd, is het vroegere silhouet van dit vissersdorp nog enigszins te herkennen. Daar ligt de vergrote haven, die nu vol Noordzee kotters ligt, als men tenminste tegen het weekeinde komt. Een duidelijk baken is de vuurtoren, die op het hoogste punt van het eiland staat. Deze hoogte, de vissershuizen, de werven en de visafslag zijn vanaf zee het beste waar te nemen.

De grootste hoogte hier is ongeveer 7 Ĺ meter boven NAP. Het noordoostelijk deel van het eiland ligt lager, circa 2 Ĺ meter boven NAP. De huizen zijn dicht opeen gebouwd, de tuintjes zijn klein, wat een typerend dorpsbeeld oplevert.

Gezicht op Urk vanuit zee (foto 1931).

 

Straatbeeld van Urk omstreeks iglo. Riolering en bestrating kwamen hier nog niet voor. De goot op de voorgrond is een 'grafie', bestemd voor de afvoer van regen- en spoelwater.

 

De grond is kostbaar en wordt intensief gebruikt. Het kan voorkomen dat bij een huis de voordeur aan de ene straat ligt en de achterdeur aan de volgende. Aan het begin van deze eeuw stonden in het dorp veel bomen.

Op allerlei onbebouwde plaatsen, rond het kerkhof en zelfs in de kleine voor- en achtertuinen waren bomen geplant. Soms waren het sterk geknotte wilgen, populieren en linden, soms vruchtbomen. Aan de buitenkant van het bebouwde gedeelte, waar meer ruimte was, stonden iepen.

De bomen hadden een nuttig doel: brandhout en gebruikshout ten behoeve van de visserij, voor het maken van stokken en hoepels voor de fuiken. Bij de drooglegging van de Noordoostpolder kwam de staart van Urk in die polder te liggen. Daarbij bleek dat zich rondom Urk veengebieden en afgeslagen keileemgronden bevonden.

Op dit stuk land werd een bos aangelegd en een deel van de keileemgronden werd als Geologisch Reservaat ingericht. Daar komen kenmerkende steensoorten uit Scandinavische landen voor, die tijdens de IJstijd zijn aangevoerd. Er werden hier zelfs fossielen gevonden. Uit oude slotenpatronen bleek bij de drooglegging dat het veengebied rond Urk vroeger ontgonnen is geweest. Van dit slotenpatroon is nu niets meer terug te vinden.

 

Het eiland Urk behoort binnen afzienbare tijd tot het vastenland, want de eerste werkzaamheden voor de drooglegging van den N.O.-polder zijn aangevangen.

 

Marken.

Terwijl op Urk vrij veel bomen stonden, is Marken altijd tamelijk boomloos geweest. Ook nu nog valt bij de nadering van dit eiland op dat het arm aan beplanting is. Vrijwel alles wat er nu aan bomen en struiken staat, is afkomstig uit de periode van na 1932, toen het IJsselmeer een zoetwaterbekken werd.

De reden voor de schaarse boomgroei eertijds was het zoute water. Marken bestaat geheel uit een ondergrond van klei op veen. Het eiland werd in de dertiende eeuw door Friese monniken van dijken voorzien. Deze waren laag en verzakten bovendien door de slappe ondergrond, zodat het eiland vaak door zout water werd overstroomd. Daardoor konden er geen bomen en struiken groeien.

Omdat het zout door het veen werd vastgehouden, was het ook op de hoogste plaatsen moeilijk beplanting aan de groei te krijgen. Bovendien werden de woningen zoveel mogelijk op deze hoogten gebouwd, zodat weinig ruimte overbleef voor bomen en struiken. We denken altijd aan Marken als een vissersplaats.

Toch is lange tijd de landbouw een belangrijke bron van inkomsten geweest. Kort na de bedijking lag de grond nog zo hoog, dat ook akkerbouw beoefend werd, maar toen de grond inklonk en het eiland vaker overstroomde, kon alleen veeteelt worden beoefend. Toen kwam ook de visserij op.

 

Het open weidegebied ten oosten van de bebouwing is nog steeds een kenmerk van het eiland. In de negentiende eeuw heeft men getracht een kanaal van Amsterdam door Waterland en Marken te leggen naar het diepere deel van de Zuiderzee, maar door de slappe bodem is dit mislukt. De kanaalresten zijn nog steeds op het eiland te zien.

Op de oostpunt van het eiland staat de vuurtoren het Witte Paard, een goed oriŽntatiepunt voor de scheepvaart. Hoewel we steeds gesproken hebben van een eiland is Marken geen echt eiland meer, omdat het sinds 1957 door een dam met het vasteland van Noord-Holland is verbonden. Toch is aan alle zijden het contact met het buitenwater aanwezig.

De oude bebouwing op Marken bestaat uit een dicht bebouwd deel rond de haven en de kerk en verspreid over het eiland enkele hoger gelegen -woonbuurten. In het oostelijk deel liggen de Moeniswerf en de Rozenwerf vrij in het landschap. Deze werven zijn goede voorbeelden van de manier, waarop de Markers zich tegen het water beschermden: zij wierpen woonhoogten op, hier werven genaamd.

Op de werven "BUURTEN OP HET EILAND MARKEN" staat een reconstructie op het Buitenmuseum. staan de vissershuizen dicht opeen met smalle stegen ertussen. Omdat deze werven vrij in het landschap liggen, zijn zij goed te zien. Aan de zuidzijde van het eiland staat in zee een ijzeren railwerk, dat de dijk tegen kruiend ijs moet beschermen. Aan de -westzijde van het eiland ligt de bebouwing dicht opeen. Hier liggen de woonhoogten de Grotewerf en de Wittewerf en het buurtschap De Kets. In deze buurten is te zien hoe de Markers zich ook tegen het water beschermden door huizen op palen te bouwen. De ruimte onder de huizen bleef aanvankelijk open.

 

Hooioogst op Marken. Van het huis op de achtergrond (SiberiŽ)

 

Schokland.

Evenals Marken bestaat het voormalig eiland Schokland uit een laag klei op een ondergrond van veen. Door inklinking was het eiland laaggelegen en overstroomde regelmatig. Een gebied aan de noordwestkant was in de negentiende eeuw moerassig.

In die tijd waren er eigenlijk geen dijken meer. Wel stortte men aan de westkant puin om afslag tegen te gaan. Bewoning van het eiland werd toen zeer moeilijk; door overstromingen gingen huizen en mensenlevens verloren.

In tijden dat de visserij weinig opbracht, trachtten de Schokkers met het weven van katoen wat te verdienen, maar dat leverde weinig op. Velen waren van liefdadigheid afhankelijk.

 

Plattegrond Grotewerf.

 

Uiteindelijk werd de strijd tegen de zee verloren en in 1859 werd het eiland op last van de regering ontruimd. De huizen werden afgebroken en de bewoners verhuisden naar andere plaatsen aan de Zuiderzee: Vollenhove, Urk, Volendam, Marken en Kampen. In 1942 kwam Schokland in de Noordoostpolder te liggen. Toen bleek dat het eiland oorspronkelijk veel groter was geweest, zoals gevonden bewoning, terp- en dijkresten aangaven.

 

De Rozenwerf op Marken. De verhoogde ligging ten opzichte van het maaiveld van de polder is duidelijk te zien. In het IJsselmeer een ijzeren remmingswerk, dat de dijk tegen kruiend ijs moet beschermen.

 

Naarmate de dijken verbeterd werden en het overstromingsgevaar verminderde, begon men de open onderruimte dicht te maken. Soms gebruikte men hout, ook werd goedkope baksteen verwerkt, waardoor veel van de onderruimten een lelijke kleur hebben.

In de Havenbuurt staan de huizen hoog op palen tegen de dijk langs de haven gebouwd. Rond de kerk ligt de eveneens verhoogde Kerkbuurt. Vroeger hebben er op het eiland meer buurten gelegen. Na de Tweede Wereldoorlog is een nieuwe uitbreiding buiten het oude dorp gebouwd.

 

Voormalig eiland Schokland in de Noordoostpolder.


Er waren in de negentiende eeuw nog drie woonkernen: bij de zuidpunt, de Zuidert, in het midden de Middelbuurt en bij de noordpunt het dorp Emmeloord. Wat nu nog is te zien, zijn de werven waarop de huizen waren gebouwd: gebouwen aan de Noordpunt, de Hervormde kerk te Middelbuurt en de ruÔne van de kerk en de vuurbaak op de zuidpunt.

Uit tekeningen is een idee te vormen van de huizen die hier gestaan hebben. Zij lijken op die van Marken en Urk, maar waren veel primitiever dan de huidige woningen daar. De slappe bodem noopte, net als op Marken, tot de bouw van houten huizen.

Tussen de terpen waren plankieren gemaakt voor de onderlinge verbinding; paalbeschoeiingen en spatschermen (houten schuttingen) beschermden de huizen tegen het hoge water.

 

De haven van Emmeloord aan de noordpunt van Schokland voor de aanleg van de Noordoostpolder (foto 1924). De haven wordt thans gereconstrueerd.

 

KerkruÔne op de zuidpunt van Schokland. Opvallend is de beplanting langs de rand van het vroegere eiland.

 

Tussen de fundamenten van de oude woningen werden na de ontruiming iepenbomen geplant. Deze staan nu nog bij de Middelbuurt en de noordpunt en zijn dus ongeveer 125 jaar oud. De negentiende-eeuwse woningen die nu nog op de noordpunt staan, zijn gebouwd voor personeel van Rijkswaterstaat, de havenmeester en de beheerder van de lichtbaak.

De paalbeschoeiingen en de spatschermen werden ook in die tijd nog onderhouden. Op enkele kleine delen na verdwenen zij in de Tweede Wereldoorlog, toen brandhout belangrijker was dan bescherming van cultuurhistorie. In de beplantingsplannen van de Noordoost polder wilde men de vorm van het eiland herkenbaar houden.

Omdat men bang was dat het eiland na de drooglegging zou inklinken en daardoor 'onzichtbaar' zou worden, heeft men de contouren ervan beplant. De omtrek van de havenkom bij de noordpunt werd met beplante aarden dammen aangegeven. De inklink is achteraf meegevallen en Schokland steekt nog steeds boven de polderbodem uit.

Op het ogenblik wordt het idee om Schokland vrij in de ruimte te leggen, gerealiseerd door omringende beplantingen in de polder te verwijderen. Onlangs werd de havenkom aan de noordpunt gereconstrueerd.

De gehele vroegere haveninrichting is er te zien: de havendam met houten steigers voor de schepen en de havenlichten aan de haven. Ook de houten schuttingen rond de huizen zijn vernieuwd. Alleen het water ontbreekt.

 

De kop van Noord-Holland.


Het land in de kop van Noord-Holland is nog betrekkelijk jong. De Zijpe, die in 1597 werd drooggelegd, is het oudste stuk aangedijkt wad. In de zeventiende eeuw werd langs de duinkant een zanddijk aangelegd, die Den Helder met de rest van Noord- Holland verbond.

Bovendien beschermde deze dijk de duinen, die daar zeer laag waren en bevorderde hij het opstuiven van het zand. Met de aanleg ervan hoopte men de drooglegging van de Wadden te vereenvoudigen. In 1610 werd de Wieringerwaard drooggelegd.

Ruim twee eeuwen later werd de polder Koegras bij Den Helder aangelegd tijdens het graven van het Groot Noord-Hollands kanaal in 1824. De Anna Paulowna polder viel droog in 1845 (de Westpolder) en in 1846 (de Oostpolder). Voordien lagen hier zandplaten, schorren en slikken, die doorsneden werden door diepe en ondiepe geulen.

Voor zover de geulen niet geŽgaliseerd konden worden bij de drooglegging zijn zij als waterpartijen of lage gedeelten zichtbaar gebleven in het landschap. Als gebruikelijk in de droogmakerijen is de verkaveling regelmatig en zijn de wegen recht. De boerderijen staan langs de dijken en vooral langs de polderwegen. De erven en de meeste wegbermen zijn beplant.

De Anna Paulownapolder.

Het westelijk deel van de Anna Paulowna polder heet de Westpolder en bestaat voor het grootste deel uit zandgronden; het oostelijk deel, de Oostpolder, bestaat uit klei. De gebieden worden gescheiden door een brede geul, het Oude Veer, die eertijds diende als afwatering van de Zijpe.

Nu is het Lage Oude Veer een natuurgebied, dat niet meer in open verbinding staat met het Hoge Oude Veer. Dit water dient samen met de Van Ewijcksvaart voor afwatering en voor kleine scheepvaart. Het verschil in grondsoort bepaalt uiteraard het gebruik van de grond in de twee delen van deze polder.

In de Westpolder waren vroeger vooral veeteelt en akkerbouw de middelen van bestaan. De boeren verdienden er een karige boterham. Het bleek lucratiever op deze lichte grond bloembollen te telen.

Tegenwoordig is het dan ook een belangrijk bloembollengebied. Door de verdeling van de oorspronkelijke boerenbedrijven in bloembollenvelden werd de open ruimte sterk verkleind. In de Oostpolder wordt van oudsher akkerbouw bedreven.

Men teelt hier de gewassen van de zware grond: aardappels, bieten, graan en handelsgewassen als uien en vlas. Evenals in veel andere negentiende eeuwse droogmakerijen was het leven er aanvankelijk zwaar.

Men had te kampen met een hoog zoutgehalte van de bodem en de vele zandverstuivingen belemmerden de landbouw. Bovendien werd men bezocht door talrijke ziekten. Illustratief is een gezegde uit die tijd: de eerste gaat dood, de tweede heeft nood, pas de derde heeft brood.

 

Het Lage Oude Veer is een oude geul in de Anna Paulownapolder, die vroeger het water van de Zijpe afvoerde. Nu is het een natuurgebied.

 

Omdat men bij de aanleg van wegen vaak de loop van bestaande geulen en hoogtelijnen volgde, komen vooral in de Westpolder naast rechte oost-west lopende wegen ook geknikte en zelfs kronkelige noord-zuid lopende wegen voor.

Een voorbeeld daarvan is de Schorweg, die op de grens van een zandplaat ligt en daar de hoogtelijn volgt. Dat is duidelijk te zien: de grond aan de westzijde van de weg ligt hoger dan aan de oostzijde. Andere wegen ten oosten van de Schorweg lopen geknikt of kronkelig, omdat de rand van een geul is gevolgd.

In de verder regelmatig verkavelde polder is dit een ongewoon verschijnsel. In de Oostpolder is het wegenpatroon regelmatiger. Toch zijn ook hier wegen, die noordzuid lopen, enigszins geknikt, omdat dit beter met de vorm van de polder overeenkomt. De diepere geulen hebben echter niet tot afwijkingen in het wegenpatroon geleid. Deze geulen, dikwijls zwin genaamd zijn in het landschap als bredere sloten terug te vinden.

Tussen de spoorlijn en het Noord-Hollands kanaal ligt in de Westpolder het Gelderse Buurtje. Dit werd zo genoemd, omdat daar bij de ontginning woningen werden gebouwd voor landarbeiders uit Gelderland. Al deze huizen hadden een flink stuk grond, zodat de arbeiders zelf aardappels en groenten konden verbouwen.

Op de topografische kaart van omstreeks 1900 zijn deze percelen nog te zien. Later zijn zij bij de omringende landbouwbedrijven gevoegd. Rondom het dorp Breezand zijn nieuwe woningen en schuren voor de bloembollentelers gebouwd.

Het dorp Kleine Sluis, aan de oostelijke dijk van de Westpolder is de laatste jaren flink uitgebreid. Het oude dorp ligt samen met de Spoorbuurt en de Gelderse Buurt aan de hoofdvaart van het gebied, de Molenvaart. Hoe zo'n langgerekt dorp ontstond, komt in het hoofdstuk over de Wieringerwaard ter sprake.

Het gehucht Van Ewijcksluis ligt bij de gelijknamige sluis op een smalle strook grond tussen de Van Ewijcksvaart en het Oude Veer. Het veerhuis herinnert aan de plaats, waar de veerboot naar Wieringen vertrok. De sluis verbindt het Amstelmeer met de Van Ewijcksvaart.

In de Oostpolder komen geen dorpen of gehuchten voor. De boerderijen zijn vrijwel uitsluitend aan de polderwegen gelegen.

 

Drooggevallen deel van het Balgzand in het Amstelmeer. Op de voorgrond is de Afsluitdijk en op de achtergrond de Van Ewijcksluis te zien.

 

De beplanting is vooral te vinden bij de dorpen en de boerderijen. Het bloembollengebied is zeer kaal. In de Westpolder groeien de iepenbomen zeer slecht, terwijl de groei in de Oostpolder door de goede grond beter is.

De iepziekte heeft veel slachtoffers geŽist. De noordelijk dijk van de Anna Paulownapolder is een zeedijk geweest, totdat er in verband met de Zuiderzee werken in 1926 een nieuwe dijk voor werd gelegd. Deze dijk diende om het Balgzandkanaal tussen het Amstelmeer en Den Helder op diepte te houden.

Dit kanaal werd buitendijks aangelegd en beschermde dientengevolge ook de Anna Paulownapolder. Door de aanleg van de Afsluitdijk viel in het Amstelmeer bij de Van Ewijcksluis een deel van het Balgzand droog. Tegenwoordig is het een natuurreservaat met riet en graslanden.

De Wieringerwaard.

De Wieringerwaard werd in 1610 drooggelegd, dertien jaar nadat de grote drooglegging van de Zijpe was gelukt. De indeling van de Wieringerwaard komt overeen met die van de Beemster: de typische opzet van wegenstructuur en perceelindeling in vierkante blokken, vanuit het midden van het gebied opgezet met 'restmaten' langs de randen.

Bijhouwer stelt in zijn boek Het Nederlandse landschap dat de maatvoering van deze blokken tussen de wegen is af te leiden van de Italiaanse renaissancematen, die bij de ontginning van de Povlakte werden gebruikt. Het enige verschil is dat daar een maat van circa 1000 bij 1000 meter werd gehanteerd, terwijl de maat in de Noord-Hollandse polders ongeveer 1850 bij 1850 meter was. Dit verschil zou kunnen worden verklaard door de verschillende lengtematen, die in ItaliŽ en Holland in gebruik waren.

Ook voor steden en dorpen die in de vijftiende eeuw werden aangelegd of herbouwd, werd deze vierkante opzet gebruikt (zie Elburg). Het is bekend dat degenen die de polders aanlegden de Italiaanse gekoloniseerde gebieden kenden uit literatuur of eigen aanschouwing. Zo werd de nieuwe grond ingedeeld in blokken, die eenvoudig te verkavelen waren in bedrijven van de gewenste grootte. Toch is deze indeling in Nederland maar relatief kort gebruikt.

 

Gelderse Buurt.

 

De later drooggelegde polders, zoals de Schermer, de Heerhugowaard, de Purmer en de Wormer, hebben tussen de wegen rechthoekige blokken van twee bij drie kilometer. Dit zou kunnen wijzen op een maatvoering uit de barok. Het is opmerkelijk dat een dergelijke verandering in een zo kort tijdsverloop van twintig jaar plaats heeft gevonden.

In dat licht bezien, is ook de maatvoering van de Zijpe interessant. Deze werd drooggelegd in 1597, nadat al vele pogingen tot inpoldering waren ondernomen. De zeer langgerekte percelen van vier bij een kilometer tussen de wegen, zou kunnen wijzen op een maatvoering uit de gotiek. Het is ook mogelijk dat er technische redenen voor deze afmetingen hebben gegolden.

Deze materie verdient stellig nader onderzoek. In de polders uit de zestiende, zeventiende en negentiende eeuw werden de hoofdwaterlopen vaak tussen twee wegen in gelegd.

 

De Barsingerweg in de Wieringerwaard. Aan beide zijden van de hoofdwaterloop zijn wegen aangelegd, waarlangs de boerderijen staan. Op de achtergrond de beplanting langs een van de wegen, die de polder in vierkante blokken verdelen.

 

Het voordeel daarvan is duidelijk: de uit de vaart gegraven grond werd gebruikt om wegen en erven op te hogen, waardoor een goede drooglegging was gewaarborgd. Voor het laatst werd dit systeem in de twintigste eeuw in de Wieringermeer toegepast. Een goed voorbeeld is de Barsingerweg in de Wieringerwaard.

Het is niet verwonderlijk dat op kruispunten van wegen de bebouwing zich langs de vaart verdichtte en er een dorp ontstond. Dit dorpstype komt voor in de Zijpe, bij de dorpen langs de Grote Sloot; in de Wieringerwaard, langs de Zijpervaart; in de Schermer bij Stompetoren langs de Noordervaart en in de Anna Paulownapolder in Kleine Sluis, Spoorbuurt en Gelderse Buurt langs de Molenvaart. Dit zijn dorpen van overeenkomstig type maar uit verschillende perioden van drooglegging.

   

 

 

West-Friesland.

West-Friesland is het gebied binnen de oude Westfriesezeedijk. De steden Schagen, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik zijn de centra van dit gebied. Wanneer we West-Friesland verkennen, valt direct het verschil tussen de omgeving van deze steden op. Rond Schagen ligen vooral weidegronden met lage kronkelige dijkjes, dorpen en boerderijen, soms op verhoogde plaatsen in het landschap.

Rond Hoorn ligt een fruitteeltgebied, rond Enkhuizen ligt een modern verkaveld tuinbouwgebied, terwijl het gebied rond Medemblik het meest gemengd is: weilanden, tuinbouw en wat boomgaarden.

Het is niet toevallig dat deze verschillen bestaan en we willen hier aangeven wat de achtergrond van de diverse ontwikkelingen is. De hoofdoorzaak is gelegen in de gevarieerde bodem van het gebied.

Ook hier hebben veen vorming en zeeafzettingen elkaar afgewisseld. Wanneer de invloed van de zee groot was, werden klei en zandgronden afgezet; in rustiger perioden vond veen vorming plaats.

 

Ontstaan van Inversieruggen (inversieruggen, vroegere wadgeulen opgevuld met zand, die langzamer inklonken dan de naaste omgeving. De geul veranderende in een Ďhogeírug. Dit verklaart waarom deze terpen inversieruggen heten, inversie betekent immers omgekeerd.)

 

Aanvankelijk drong de zee vooral vanuit het westen het gebied binnen. Omstreeks 2000 jaar v.Chr. was West-Friesland een waddenlandschap met platen en geulen, waarvan bewoning tussen 1500 en 700 jaar v.Chr. plaats vond.

Er werd zowel veeteelt als landbouw uitgeoefend, zoals blijkt uit aangetroffen restanten in grafheuvels. De bewoners trokken zich terug, waarschijnlijk gedwongen door de opnieuw stijgende zee.

Daarna ontstond in rustiger perioden veen. Dit veen wordt nog teruggevonden onder oude dijken en bouwplaatsen van kerken en boerderijen op woonhoogten. De huidige ontginning vond plaats door nieuwe bewoners in de vroege Middeleeuwen. Men neemt thans aan dat de eerste dorpen ontstonden op hoge veen bulten in het gebied. Deze dorpen zullen klein zijn geweest, want de bevolking was nog gering.

Later is het veen grotendeels verdwenen. Toen de zee het gebied binnen drong, bood het veen weinig weerstand. Bovendien was het veenpakket ingeklonken door de ontwatering van het gebied. Door een nieuwe stijging van de zee werden op de oude ondergrond wederom kleigronden afgezet. Op enkele plaatsen komen wij die nog tegen als 'pikklei'.

Door hernieuwde afzettingen wierp de zee als het ware tegen zichzelf een dam op. Bovendien werden de geulen steeds ondieper, omdat het zand vooral in de geul achterbleef. Het zwaarste materiaal bezinkt het eerst.

Kavelvormen.

 

ReliŽf in het landschap dat is ontstaan door verschil in inklink van de gronden (inversie landschap). De hoogteverschillen in het landschap zijn goed te herkennen aan het verloop van het hek.

 

De kleiige plaatgronden, vaak met veen ondergrond, klonken sterker in dan de verzande geulen en zo kon een omkering in het landschap ontstaan. Deze geulen kwamen uiteindelijk wat hoger te liggen dan de platen.

De hogere ruggen werden de nieuwe woonplaatsen, omdat daar woningen en wegen droog en dus veilig konden liggen. Namen als Tjallewal, Lutjewal en Grotewal rond Schagen wijzen op hoge randen in het gebied.

De bodemkaart geeft nog meer ruggen aan, ook in het gebied ten oosten van Schagen. Dorpen als Wadway, Twisk, Hoogwoud, Wognum liggen op dergelijke ruggen. In die gebieden, waar het kavelpatroon nog niet door ruilverkaveling is veranderd, zijn de diverse ontginningstypen te zien.

De veen ontginningen hebben lange, smalle perceelsvormen; de ontginningen uit de wadperiode hebben een vrij onregelmatige verkaveling in blokken en de droogmakerijen hebben een zeer regelmatige perceelsvorm, omgeven door niet meer sloten dan voor de ontwatering van het gebied nodig waren.

 

Woonhoogten rond Schagen.

 

Het gebied rond Schagen.

Schagen ligt op een punt waar verschillende dijkjes samenkomen. In dit lage gebied lopen wegen over de dijken waardoor het voor de hand lag dat deze plaats al snel een centrumfunctie kreeg. Bovendien stond hier het kasteel van de heren van Schagen, een van de dwangburchten die tot doel had het weerspannige Westfriese volk onder de duim te houden.

Het kasteel was gebouwd op een strategisch punt. Soortgelijke dwangburchten stonden bij Warmenhuizen, nu de ruÔne van slot Nieuwendoren en kasteel Radboud bij Medemblik. Men neemt aan dat Floris V deze dwangburchten bouwde. (Deez grave Florys maecte thuus te Meemblic, thuus te Widenisse, de Borch te Middelburch, thuus te Nieuwendoren, jeghen de Vriesen, ende der Voghelen Sanc in Harlemerhout, de hoghe zale in den Haghe, ende capelle.)

De Schagerkogge, het weidegebied rond Schagen, wordt gekenmerkt door woonhoogten. Toen de zee voor de bedijking ver in het gebied doordrong, begon met het woonerf te verhogen met grond uit de omgeving. Zo ontstonden de woonhoogten of terpen.

Hoewel er nu een of enkele boerderijen op staan, duiden de namen er op dat er vroeger meerdere boerderijen op deze hoogten hebben gelegen. Er zijn woonhoogten met namen als Tjaarsdorp en Avendorp, andere heten net als op Marken werven: Hemkewerf, Cornelissenwerf. Dit wijst op een verschil in grootte: een dorp is groter dan een werf. Veel woonhoogten liggen in steden, dorpen en gehuchten.

Niet het hele dorp ligt op een zo'n terp (zoals dat in Friesland en Groningen voorkomt), maar meestal de kerk en enkele boerderijen. Voorbeelden zijn te vinden in Schagen, Barsingerhorn, Tolke, Valkkoog en Haringhuizen.

De meeste woonhoogten liggen buiten de woonkernen. Ze zijn niet alle even eenvoudig te vinden, ofschoon sommige tot 2i meter boven de omgeving uitsteken, liggen andere niet hoger dan 25 centimeter boven het maaiveld.

Deze woonhoogten zijn verder in de ondergrond weggezakt of na bedijking niet meer opgehoogd. Zij zijn te herkennen doordat de wegsloot om de woonhoogten heen een kromming maakt. Dat zoveel woonhoogten langs dijken liggen, vindt zijn oorzaak in het feit dat men al voor 1300 deze verhoogde plaatsen onderling door dijken ging verbinden.

 

Onregelmatigheid van het kavelpatroon, veroorzaakt door de aanleg van terpen. Weg en wegsloot buigen om de terp heen.

 

Hemkewerf bij Schagen. De verhoogde boerderij is het middelpunt van het kavelpatroon. Op de verhoging achter de boerderij (waar de koeien lopen) stonden vroeger meer boerderijen.

 

Hier was al een basis en aansluitpunt voor dijkbouw aanwezig en door deze dijkjes werd niet alleen de woonplaats, maar ook het omringende land beter tegen de zee beschermd. In dit gebied liepen deze dijkjes rondom stukken grond die al min of meer boven de hoogwatergrens uitstaken.

Deze hoge stukken grond dragen namen als Neskaag, Westerkaag en Neerkaag. De Schrinkkaag tussen Kolhorn en Schagen langs de Westfriese zeedijk is een gebied, waar het veen onder de klei werd weggehaald. Dit veen werd verbrand en in de as bleef zout achter, voor gebruik door de mens. Dit noemde men moerneren of selneren (moer is veen, sel is zout).

Als gevolg van dit ontgravingproces bleef het land wat lager achter, waardoor oneffenheden in het landschap zijn ontstaan. Naast deze kagen liggen er in het gebied ook lagere polders, zoals de Weerepolder en de Braakpolder, beide ten zuiden van Kolhorn.

Dit zijn belangrijke weidevogelgebieden. Het gehele gebied ten oosten van Schagen is een groot open landschap waar de verspreide boerderijen en de dorpen de enige dichtbeplante elementen vormen.

 

Kolhorn een dorp met overtuinen. Het weggetje loopt vlak voor de huizen langs. De tuinen met hekken, heggen en bomen liggen aan de andere kant van dat pad aan het water, het op de klimop die langs stammen van de leilinden groeit. De huizen liggen met de achterkant naar de kerk. Deze overtuinen komen ook elders langs de Zuiderzeekust voor, bijvoorbeeld in Friesland, voor (foto 1910).

 

De Westfriese zee- of omringdijk.

Toen de Westfriese zeedijk omstreeks 1300 gereed kwam, werden de dijken rond kleinere delen in dat gebied minder belangrijk. Deze dijk omsloot behalve het gebied dat we nu als West-Friesland kennen ook de polder 't Beschoot ten zuiden van Hoorn en de Heerhugowaard, die toen nog niet was drooggelegd. Bij de aanleg van de Westfriese zeedijk boden kloosterlingen hulp.

Een gigantisch werk, dat uitgevoerd werd met de bescheiden hulpmiddelen uit die tijd. Evenals de dijken rond Wieringen -was ook deze dijk van zeegras gemaakt. Vaak zal het echt monnikenwerk zijn geweest. De dikke lagen zeegras en klei die in de ene week waren aangebracht, werden niet zelden bij een storm van een of enkele dagen weer weggeslagen.

Het getuigt van een enorme inzet, dat juist in die tijd zoveel dijken in het hele Zuiderzeegebied zijn aangelegd. Anders dan op Wieringen is bij deze dijk het zeegras geheel onder kleilagen verdwenen, alleen aan de steile taluds kan men de vroegere wierdijk nog herkennen.

Toch was de dijk niet sterk en dijkbreuken kwamen dikwijls voor. Dat was de reden dat men doorging met het maken van woonhoogten en het onderhouden van de binnendijken. Het oostelijk deel van de omringdijk werd tot in de twintigste eeuw geteisterd door dijkdoorbraken.

Aan de westelijke kant -was dat niet het geval. Daar waren tot het eind van de zestiende eeuw wel veel doorbraken. Daaraan kwam een einde toen de Zijpe was ingepolderd; de dijk verloor in 1598 zijn functie als waterkering.

 

Doorsnede Nieuwe Streek te Kolhorn.

 

Westfriese Zeedijk bij Schagen. Grillig slingert de steile dijk om een doorhakkolk heen. Rechts de polder de Zijpe, links het oude land.

 

Alle nu nog aanwezige doorbraakkolken stammen dus van voor die tijd. Deze geven aan waar de nieuwe dijk buitenom een doorbraak werd gelegd, waardoor de dijk zo'n slingerend verloop kreeg. Een andere methode was om de nieuwe dijk binnen het doorbraakgat te leggen.

Een voorbeeld daarvan is het Wad ten noorden van Schagen. Dit gebied bestaat uit rietmoeras, omgeven door laaggelegen weilanden. Dat we buiten de dijk in de Zijpepolder de kolken niet meer terugvinden, wordt veroorzaakt door het feit dat zij zijn dichtgeslibd in de tijd dat de Zijpe nog water was.

Aan de westzijde tussen St. Maarten en Valkkoog is een heel dijkvak verloren gegaan. Daar werd een nieuwe dijk meer binnenwaarts gelegd. Later -werd ook buitenom een dijk gelegd en zo ontstond in 1457 de polder Burghorn, de oudste aandijking tussen de Zijpe en het oude land. Na de inpoldering van de Wieringerwaard, de Groetpolder en de Waardpolder eindigde aan de noordkant de functie van de dijk als primaire waterkering en tussen Aartswoud en Medemblik geschiedde dit in 1930, na de drooglegging van de Wieringermeer.

Van Medemblik tot Hoorn keert de dijk nu het water van het IJsselmeer. De weg over het westelijke deel van de Westfriese zeedijk ligt geheel bovenop de dijk, die over het noordelijk deel tot aan de Groetpolder. Daarom is hier een goed uitzicht mogelijk over de Zijpepolder, de Wieringerwaard en de Groetpolder. Tussen Aartswoud en Medemblik liggen kleiputten, waar klei werd gegraven om de dijk te kunnen ophogen.

 

Kleiputten langs de Westfriese Zeedijk bij Twisk. In het verleden werd vaak vlak achter de dijk klei afgegraven om de dijk op te hogen.

 

Dat het hier niet om doorbraakkolken gaat, is duidelijk te zien, omdat ze langgerekt langs de dijk liggen en vrij ondiep zijn. Bovendien verlanden doorbraakkolken niet of zeer langzaam, omdat zij door de grote kracht van het water zeer diep zijn uitgeschuurd. De vaak veel jongere kleiputten zijn nu al over grote delen verland. Tussen Medemblik en Enkhuizen liggen langs de Westfriese zeedijk de Grote- en Kleine Vliet.

Dit zijn hier de enige twee meren die nog niet zijn drooggelegd. Toen de deelgebieden de Vier Noorderkoggen en het Grootslag werden verkaveld, raakten de oude stoomgemalen buiten gebruik. Thans zijn zij ingericht als museum.

Het gemaal van de Vier Noorderkoggen werd stoommuseum. In het poldergemaal van het Grootslag te Andijk krijgt men een goed overzicht van de vroegere tuinbouwmethoden in het gebied. Buiten de dijk liggen aangeslibde gronden en de proefpolder Andijk, waar in de jaren dertig proeven voor de Wieringermeerpolder werden genomen.

Nu is deze proefpolder voor recreatie ingericht. Eveneens buitendijks ligt de zogenaamde waterfabriek van de provincie Noord-Holland. IJsselmeerwater wordt hier bewerkt, voordat het naar de duinen wordt gepompt. Bij de Gelderse hoek staat een lage witte vuurtoren van het zelfde type als ook op Urk en Marken voorkomt.

Tussen Enkhuizen en Hoorn loopt de weg weer over de dijk; daarom is dit een van de mooiste routes langs het IJsselmeer. Vanaf de Leekerhoek zijn zowel Enkhuizen als Hoorn goed te zien. Binnen de dijk liggen ook hier, deels verlande kleiputten en enkele doorbraakkolken, die in beheer zijn bij Staatsbosbeheer.

Er komen veel vogels voor. De kolk bij de Nekkerhoek, zuidelijk van Schellinkhout biedt plaats aan een broedkolonie kapmeeuwen. Noordelijk van Schellinkhout ligt buitendijks een aangeslibd terrein dat nu natuurgebied is.

Het gebied rond Hoorn.

De stad Hoorn ligt op een zeer duidelijk punt in het landschap: aan het buitenwater van het Hoornse Hop. Binnendijks kwamen hier allerlei waterlopen samen. Een goede plek dus voor handel, visserij en zeevaart, maar ook een stapelplaats voor landbouwproducten.

De kaaspakhuizen langs de Appelhaven en de Nieuwendam herinneren eraan dat Noord-Hollandse kaas niet alleen uit Edam kwam. De naam Appelhaven heeft zeker met de aanvoer van fruit te maken.

De gebouwen en kerken, de poorten en de havenwerken getuigen van het belang van de stad. Ook het achterland profiteerde van de bloeitijd van Hoorn. Hier werd in de zestiende eeuw al door de dorpen in de omgeving deelgenomen aan de zeevaart. In de jaren 1636 en 1637 bloeide hier de windhandel in tulpenbollen.

Dit waren grove speculaties waarmee veel geld was gemoeid. De oorzaak van deze welvaart lag onder andere in de goede grond: een vermenging van klei en veen, die zeer geschikt bleek voor fruitteelt. Hier ontstond het boomgaardgebied de Bangert.

Al in 1469 werd hier een boomgaard aangelegd. Naarmate de fruitteelt meer of minder lonend was, breidden de boomgaarden zich over West-Friesland uit of krompen in. Tot op de dag van vandaag bleef het fruitteeltgebied bestaan met als centra de plaatsen Zwaag en Blokker. Ook bij Schellinkhout, Wijdenes, Wognum en Nibbixwoud komen boomgaardgebieden voor.

 

Een van de weinige niet-drooggelegde, kleine meren in West-Friesland is de Grote Vliet bij Medemblik.

 

DE WESTFRIESE BOOMGAARD.

Omdat in dit gebied de fruitteelt al zo lang wordt uitgeoefend, is er een traditie ontstaan in de opzet en beplanting van boomgaarden.

Aanvankelijk omgaf men de boomgaard niet met elzen, populieren of stoofperen, doch met een kleine groene pruimensoort, de Tonneboer. Deze werden op een onderlinge afstand van circa vijf meter langs de sloot geplant.

Tussen deze pruimen plantte men hazelnoten. Wanneer de pruimen rijp waren, voer men met de veldschuit langs de afscheiding en oogstte de pruimen. Later ging men de hazelnoten op dezelfde wijze plukken. Deze vorm van windscherm kon niet meer worden toegepast, toen men in later jaren de bespuiting met vruchtboomcarbolineum ging toepassen.

In het voorjaar, wanneer er werd gespoten, bloeiden ook de hazelaars. De vrouwelijke bloemen, dus de toekomstige hazelnoten gingen daardoor verloren. In de boomgaard stonden halfstam-vruchtbomen, dat zijn bomen met een stamhoogte van circa een meter hoogte. Op een vrij ruime afstand, zes tot acht meter, plantte men om beurten een appel, een peer en een pruim. Dit diende om een zo goed mogelijke vulling te krijgen over de oppervlakte van de boomgaard.

Vaak plantte men tijdelijk tussen de bomen op de halve afstand de zogenaamde wijkers. Dat zijn vruchtbomen die na het opgroeien van de eigenlijke bomen worden gerooid. Onder de vruchtbomen werden allerlei bessensoorten in rijen geplant, waardoor ook de grond onder de bomen werd benut en er alleen plukpaden overbleven.

De soorten waren interessant, omdat ze veelal kenmerkend voor deze streek waren. Tegenwoordig zijn in de boomgaard meer moderne soorten, vooral lage bomen geplant. Voor bessen is daaronder geen plaats. De oude soorten verdwenen in snel tempo en de menging van soorten in de boomgaard werd niet meer toegepast.

 

Het Hoornse Hop met Hoorn op de achtergrond.

 

DE DORPEN, DIJKEN EN WEGEN RONDOM HOORN.


In het oostelijk deel van West-Friesland liggen de dorpen op plaatsen waar zich vroeger hoge veenkoppen bevonden of op verzande ruggen. Deze dorpen hebben vaak dezelfde opbouw ondanks de verschillende ondergrond.

Aan een zijde van de weg staan huizen met kleine erven langs de weg, aan de andere kant is er een wegsloot, waarachter eveneens erven liggen. De erven waarop de huizen staan zijn meestal groter en door een brug met de weg verbonden.

In veel gevallen is dit type dorp in onze tijd moeilijk te herkennen, omdat de weg vaak werd verbreed en de sloot werd gedempt. Een gaaf voorbeeld van zo'n dorp is Schellinkhout. Het is deels haaks op de zuidelijke IJsselmeerdijk gelegen, deels evenwijdig daaraan. De asymmetrische opbouw is plaatselijk goed te zien. Het is een beschermd dorpsgezicht.

Het dorp Bobeldijk heeft dezelfde opbouw als Schellinkhout. Het ligt in het veengebied ten westen van Hoorn. Daarom zijn de sloten er veel breder en staat het water hoger. Met de grond uit de sloten heeft men de weg en de erven opgehoogd. Opvallend is dat er enkele boomgaarden in het dorp liggen. Die treft men meestal niet in zulke lage gebieden aan. Daarom heeft het dorp een vrij dicht beplant karakter.

 

Westfriese boerderij te Schellinkhout.

 

De Grote Zomerdijk tussen Wognum en Spanbroek is een van de weinige beplante dijken in het gebied. In de negentiende eeuw werden hier iepen geplant. Het is nu een binnendijk, die op de plaats ligt waar het gebied oploopt naar de rug, waarop de dorpen Wognum, Wadway, Hoogwoud, Opmeer en Spanbroek liggen.

Ook komen er in dit gebied lage polders voor, zoals de venige Leekerlanden bij Wognum en de polder Lage Hoek bij Spanbroek. De Baarsdorpermeer, de Wogmeer en de Berkmeer zijn enkele droogmakerijen in deze streek. De laatste is een klein drooggelegd meer tegen de veel grotere Heerhugowaard aan en is tamelijk diep gelegen. Karakteristiek zijn de vrij hoge dijken, molens en een ringvaart.

Tussen Hoogwoud, Wognum en Abbekerk ligt een groot open weidegebied. Buiten dorpen en gehuchten is hier weinig bebouwing. Het gehucht de Weere is een goed voorbeeld van een dichtbeplante kleine nederzetting op een rug. Het dorp Wadway ligt eveneens op zo'n rug, maar is wat schaarser beplant.

In het gebied tussen de dorpen Hoogwoud, de Gouwe, de Weere en Lambertschaag en tussen Opmeer, de Weere en Abbekerk zijn de lange, rechte wegen opvallend. Zij lopen evenwijdig met de kavelpatronen en niet haaks erop, zoals meestal het geval is in deze gebieden.

Al vrij snel na de ontginning zijn deze wegen aangelegd om de dorpen onderling beter bereikbaar te maken. Het feit dat er langs deze wegen vaak water loopt, kan er op wijzen dat zij als jaagpad werden gebruikt.

Poldermolen en klein stoomgemaal bij Obdam, twee voorbeelden van vroegere werktuigen om de waterstand in de polder te regelen. De molen is een Noord-Hollandse bovenkruier, dat wil zeggen dat het kruirad om de wieken naar de wind te draaien zich in de kap van de molen bevindt en niet zoals meestal aan de voet van de molen. Kleine en grote stoomgemalen kwamen op veel plaatsen langs de Zuiderzeekust voor. Tegenwoordig zijn de meeste gemalen van diesel- of elektromotoren voorzien.

 

Westfriese boerderijen.

Het type boerderij dat in West-Friesland het meest voorkomt, is de stelp- of stolpboerderij, zo genoemd vanwege het hoge, piramidale dak. Deze typen worden besproken in boeken als De stolp te kijk en Landelijke bouwkunst in Hollands Noorderkwartier.

De stolpen met hun hoge daken zijn kenmerkend voor het Westfriese landschap. Zij fungeren als herkenningspunten in het gebied. De meeste erven, vooral in het midden van West-Friesland, zijn flink beplant; er is op het erf vaak een boomgaard aangelegd. Het zijn oude bomen en struiken, die dit klimaat goed hebben doorstaan.

De humusrijke grond en de luwte, die de erven elkaar bieden, zullen er de oorzaak van zijn, dat zij hier zo goed konden gedijen. Hoewel de tuinen rijker beplant zijn dan in de rest van Noord- Holland is de indeling eenvoudig: een grasveld voor het huis, soms met sneeuwklokjes en enkele sierstruiken, waarbij behalve de bovengenoemde soorten vooral de hortensia opvalt. Lei- of knotlinden werden ook hier als zonwering gebruikt, voornamelijk langs de stal en de woonkamer.

De beplanting.

De hoofdbeplanting in West-Friesland bestond vanouds uit een boomsoort, die overal in de winderige gebieden rond de vroegere Zuiderzee werd gebruikt, de iep. Daarnaast kwamen ook essen, eiken en grauwe populieren voor. Als struiken werden vooral elzen en meidoorns gebruikt. In de dorpen in het midden van West-Friesland, maar ook langs de randen groeien soorten op erven en in tuinen, die men eerder in meer beschutte delen van het land zou verwachten: groene en bruine beuken en groenblijvende soorten als taxus, hulst en buxus.

Het gebied rond Enkhuizen.

Enkhuizen ligt op een bijzonder punt in het landschap, namelijk op een wat uitstekende punt, alsof de stad in zee werd uitgebouwd. In zekere mate is dat ook het geval, want het oude Enkhuizen werd door een wierkade omgeven.

Tegelijk met de uitleg van de stad werden vanaf 1593 nieuwe vestingwerken aan de landzijde aangelegd. Daarin bevinden zich een aantal waterpoorten, die de stadsgrachten met de vestinggracht en het polderwater verbinden. Daardoor was de aanvoer van vers water gewaarborgd tijdens een eventuele belegering.

Binnen de stad lagen verschillende boerderijen, die de stad in oorlogssituaties van voldoende voedsel konden voorzien. De vestingwerken zijn met iepenbomen beplant. Vroeger was dat ook gebruikelijk. De bomen werden gekapt zodra de vijand naderde en zo kreeg men voldoende werk-en brandhout en kwam het schootsveld vrij.

In de polder het Grootslag liggen de dorpen vrij ver uiteen. Langs de noordzijde liggen dicht tegen de Westfriese zeedijk de dorpen Wervershoof en Andijk. Voor de ruilverkaveling was dit gebied slechts spaarzaam ontsloten door wegen.

Verder was er tot Enkhuizen alleen de weg langs de dijk, zodat dit landschap zeer open was. Ten zuiden van Enkhuizen ligt Broekerhaven dat van belang was voor de aan- en afvoer van landbouwproducten uit het achterland. Er bevindt zich een keersluis en een overtoom of overhaal, een constructie waarmee schepen uit het water getild en over de dijk werden gehaald.

Ten westen van Enkhuizen liggen de dorpen van de Streek, een belangrijk tuinbouwcentrum in de polder het Grootslag. De namen zijn bekend uit het aardrijkskunde boek: BovenkarspelóGrootebroekóLutjebroekó Hoogkarspel. Zij vormden samen een langgerekt streekdorp aan een hoofd-weg, met korte zijpaden. Achter het dorp liep de vaarsloot, die de tuinbouwbedrijven via dwarssloten met de akkers verbond.

 

De Kromme Leek is een oude waterloop in West-Friesland, die kronkelend van Hoorn naar Wervershoof loopt. Door de ruilverkavelingen is de waterstand plaatselijk verlaagd.

 

De Weelen, een deel van de polder het Grootslag, is niet verkaveld. Het landschap is hier in zijn oude vorm te zien.

 

Transport over water werd uitgevoerd met de zogenaamde veldschuit: werkkrachten, machines, zaden, meststoffen en de oogst werden ermee vervoerd.

Men verbouwde allerlei koolsoorten en vroege aardappels, die dank zij de humusrijke grond en de relatief geringe nachtvorst hier goed gedijden. Andijk en Opperdoes kenden zelfs eigen aardappelrassen, de Andijker Muizen en de Opperdoezer Ronde.

Rond Enkhuizen is de teelt van groente- en bloemzaden een belangrijke bron van inkomsten. Door regelmatig uitbaggeren -werden de sloten op diepte gehouden en de bagger vormde nieuwe humus op de landerijen.

Door de lange vaartijden tussen de verspreid liggende percelen werd het steeds moeilijker tot een rendabele bedrijfsvoering te komen. Het vaargebied werd daarom met een gigantische ingreep tot rijgebied gemaakt: het waterpeil werd verlaagd, de brede sloten, voorzover niet nodig voor de ontwatering, verdwenen, de smalle akkers werden moderne, rechthoekige kavels en er -werden wegen aangelegd.

Omdat langs vrijwel alle wegen nieuwe bedrijven werden gebouwd, verdween het open karakter. Van het vroegere landschap is weinig over gebleven, doch de productie is weer lonend geworden. Men teelt in het gebied nu ook bloembollen en lelies.

Bij Wervershoof is de vaarsloot achter het dorp nog aanwezig, zodat de oude opbouw van het dorp goed is te zien. Achter Lutjebroek is een klein deel van het gebied in de oude staat gebleven, omdat bij de ruilverkaveling bleek, dat de percelen te klein en de sloten te breed waren om het opnieuw in te richten.

Het is het landschapsreservaat De Weelen en hier is nog te zien hoe het gebied er vroeger uitzag: met brede sloten en kleine akkers met eigen onderbemaling. Het vervoer geschiedt nog met de schuit.

Het gebied rond Medemblik.

In de directe omgeving van Medemblik ligt een gebied dat sterk op dat rond Enkhuizen lijkt. Dit deel van de Vier Noorder Koggen had evenals het Grootslag een groot aantal vaarsloten die door ruilverkaveling grotendeels zijn verdwenen.

Het zuidelijke deel van de Vier Noorder Koggen lijkt meer op het gebied rond Hoorn. Hier liggen minder waterlopen, er staan boomsoorten die overeenkomen met die rond Hoorn en er bevinden zich boomgaarden. De Kromme Leek tussen Wervershoof en Hoorn is een van de oude waterlopen in het gebied. Medemblik is de oudste van de drie steden in West-Friesland. In 900 wordt de stad al genoemd. Ondanks de gunstige ligging en een haven, die diep in de stad doordrong, kon de plaats de concurrentie met Enkhuizen en Hoorn uiteindelijk niet doorstaan.

DE DORPEN.

Er liggen in deze streek veel dorpen, die in hun naam het woord woud dragen: Oostwoud, Westwoud, Nibbixwoud, Midwoud. Dat betekent niet, dat hier vroeger grote bossen zijn geweest. Men neemt aan dat op de hellingen tussen de vroegere hoge veenkoppen en de lage venen een moerasbos, bestaande uit berk en els, heeft gegroeid. In een gebied met zo weinig boomgroei zal dat al gauw een woud geheten hebben.

Twisk is een beschermd dorpsgezicht en een goed voorbeeld van een dorp, zoals dat op de zandruggen in het gebied voorkwam. De opbouw lijkt op die van Schellinkhout: kleine erven langs de weg, grotere erven aan de andere kant van de sloot, door bruggen met de weg verbonden. Op de erven staan hier vaak de boomsoorten, die ook rond Hoorn voorkomen. Vele boerderijen zijn hier van ornamenten voorzien, hetgeen wijst op een zekere welvaart.

 

 

Het gebied ten noorden van Amsterdam.

Bij tochten door het gebied tussen Amsterdam, de Zaanstreek, Alkmaar, Hoorn en de Waterlandse Zeedijk vallen vooral de grote open gebieden, de vele waterlopen en de hoge waterstanden op. Niet voor niets heet een groot deel van dit gebied Waterland.

Het is overwegend een weidelandschap op veengronden, afgewisseld met drooggemaakte meren. Deze droogmakerijen liggen lager dan de omgeving, het aantal waterlopen is gering en de verkaveling is zeer regelmatig. De ringvaarten en de grote kanalen in dit gebied van Noord-Holland liggen vaak boven polderpeil.

Het is voor velen een vreemd verschijnsel een groot schip hoog boven het land door een kanaal te zien varen. De gesloten elementen in deze streek worden gevormd door de Zaanstreek, Amsterdam, de steden en dorpen langs de rand van het IJsselmeer en de woonplaatsen in het gebied. Enkele verspreide boerderijen en minieme bosjes vormen overigens de enige gesloten elementen in het open landschap.

Het veengebied.

Het veen in ons land begon te ontstaan omstreeks 3000 v.Chr. toen de zee van het aangevoerde zand een kust vormde, waardoor het zee-water deze streken niet of nauwelijks kon bereiken. Bovendien slibden de geulen in het wadlandschap dicht.

In brak en zoet water ontstond plantengroei, waarvan de afgestorven resten tot een dik veenpakket werden. Aanvankelijk was dat gebied enorm groot en strekte zich uit van Vlaanderen tot in het noordwesten van Duitsland. In de twaalfde eeuw kwam de zee weer terug en ruimde grote hoeveelheden van dat veen op. De daarbij gevormde Zuiderzee heeft feitelijk tot aan de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 een zeer grote invloed op dit deel van Noord-Holland uitgeoefend, omdat grote hoeveelheden zout water bij zee inbraken het gebied binnendrongen.

Zelfs toen het grootste deel rond 1300 werd omdijkt, bleef die invloed bestaan, omdat er veel dijkdoorbraken waren en omdat er bij schutten van schepen veel zout water binnendrong. In feite is in deze zoutwater-periode de basis gelegd voor het huidige landschap. Aanvankelijk lag het veen dus vrij laag, maar het werd steeds hoger door de zich opstapelende plantenresten.

Veenstromen, waterlopen die in het veen uitgeschuurd werden en het regenwater naar de zee afvoerden, liepen door het gebied. Later kon de zee via deze veenstromen het gebied binnendringen. Namen als Zuiderwoude en Katwoude wijzen er op dat er in de zoetwater-periode bossen voorkwamen, waarschijnlijk bestaande uit wilg en berk.

Maar toen het zoute zeewater hier verder doordrong en het veen tengevolge van de ontginning inklonk en opnieuw lager kwam te liggen, konden er geen bomen meer groeien en beperkte de beplanting zich tot de hogere delen: de boerenerven en de dorpen. Enkele kleine bosjes bleven laag, die niet verder groeiden zodra de wortels in het zoute water reikten.

Zo werd het een zeer open gebied. Nu het water veel zoeter is geworden, zou zich wel boomgroei kunnen ontwikkelen, maar omdat het gebied regelmatig beweid en gemaaid wordt, blijft het open. Daarvan profiteren de vele weidevogels die er broeden.

De ingebruikname van het gebied.

De ontginning van het veengebied is een gecompliceerde zaak geweest. Men neemt aan dat die ontginning het eerst plaats vond vanaf de randen van het gebied, daarna drong men langs de veenstromen verder het gebied in. Van daaruit groef men sloten. Wanneer men voldoende land had ontgonnen, legde men aan het eind van de ontginning een dijkje en een sloot om het water uit het niet ontgonnen veen af te voeren.

Soms werden de aldus ontstane kavels bewoond. De bewoning verplaatste zich met de ontginning mee. Recent archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat sommige dorpen in Waterland- Oost, wel drie keer verplaatst zijn, andere woonplaatsen verdwenen geheel. Veel van de huidige dorpen in het veengebied liggen daar, waar bij verdere ontginning van het veen de hierboven genoemde scheidingsdijkjes tussen ontgonnen en niet ontgonnen gebied werden gelegd. Ze zijn uit de laatste ontginningsfase.

Andere dorpen liggen onafhankelijk van het kavelpatroon op een wat hogere plek, of een plaats dicht bij een bestaande weg, bijvoorbeeld Zunderdorp en Ransdorp. Hoewel in het algemeen de ontginningssloten haaks op de rand of de veenstroom lagen, waardoor lange recht- hoekige percelen (de slagen) ontstonden, zijn er vooral in het gebied ten noorden van Amsterdam daarop nogal wat uitzonderingen.

Wanneer het veen vanaf de ontginningsbasis vrij sterk omhoog liep, groef men namelijk de sloten onder een hoek van 45 tot 60 graden tegen de hoogte op. Dan ontstond de zogenaamde veerverkaveling. Rechte strokenverkaveling komt onder andere voor in de Eilandspolder, in het gebied rond Purmerend en in kleine delen van Waterland- Oost. Vrijwel overal elders in het gebied ligt hier veerverkaveling.

Als gevolg van de steeds verdergaande ontwatering is het gebied sterk ingeklonken. Aanvankelijk was er de natuurlijke ontwatering via de veenstromen, dan ging de mens sloten graven, daarna dijken leggen en via spuisluizen het water afvoeren. Met behulp van molens werden de meren drooggelegd en de oudere ontginningen nog beter ontwaterd.

De stoom- en elektrische gemalen maakten de mens weliswaar onafhankelijk van de wind, maar het land zakte steeds sneller. Wanneer de mens hierin nooit had ingegrepen, was het water waarschijnlijk oppermachtig geworden en had van het midden van Noord-Holland een binnenzee gemaakt.

Wonen en ontsluiting.

In een gebied met zoveel water waren de wegen minder belangrijk. Het vervoer vond hoofdzakelijk over water plaats. Zelfs als er wegen waren, lag er vaak een brede vaarsloot naast. Door de slappe bodem was de aanleg en het onderhoud van wegen een kostbare aangelegenheid. De meeste wegen liggen daarom bovenop dijken en binnen de bebouwing.

Na 1900, toen het vervoer over de weg belangrijker werd, werden nieuwe wegen tussen de dorpen aangelegd. Bovendien werden bestaande wegen verbreed en sloten versmald of gedempt. Als bescherming tegen het binnendringende zeewater verhoogde men in de tijd voor de bedijking vaak het woonerf met alles wat er voorhanden was: grond uit de sloten, puin, huisvuil en mest. Veel van deze woonhoogten zijn in de slappe veenondergrond weggezakt.

De bebouwing in het veen mocht in verband met verzakking niet te zwaar zijn. Daarom werd voornamelijk hout als bouwmateriaal gebruikt. Door de vele houtzaagmolens in de Zaanstreek was hout gemakkelijk te verkrijgen. Bij toegenomen welstand verving men later soms enkele belangrijke wanden door stenen muren. De daken werden gedekt met pannen om regenwater als drinkwater op te vangen; het oppervlaktewater was daarvoor te brak.

Er ontstond hier een boerderijtype, dat sterk afwijkt van de eerder genoemde stolpboerderij, hoewel deze ook wel voorkomt. Dit Waterlandse type is de hooihuis boerderij, die een langgerekte vorm heeft. Aan het woonhuis verbonden, ligt de stal. Daarachter staat het hooihuis, een hoog, recht opgetrokken houten bouwsel, dat met pannen is gedekt. Soms zijn de zijkanten ook van dakpannen gemaakt, maar meestal zijn het planken die over elkaar zijn gespijkerd (gepotdekseld).

 

Hooi-huisboerderij te Watergang.

 

HET VEEN LANGS DE KUST VAN HET IJSSELMEER.

In het algemeen is het klei dek op het veen langs de oude Zuiderzeekust wat dikker dan in het binnenland, omdat voor de bedijking hier de meeste klei werd afgezet. Na de bedijking liet men slibrijk water in ter bemesting van het land en ook bij dijkdoorbraken werd door de zee kleirijk materiaal het gebied ingebracht.

Op het landschap heeft dit een grote invloed gehad. De vele verveningen, die in het westelijk deel voorkomen, ontbreken hier. In feite zijn er maar twee kleine en zeer recente verveningen: een bij Zunderdorp uit het begin van deze eeuw en een ten zuiden van Monnickendam uit de Tweede Wereldoorlog. Een deel van de veenderij bij Zunderdorp werd volgestort met huisvuil uit Amsterdam; het is de beruchte Volgermeerpolder.

Waarschijnlijk was door het ontbreken van industrie en dichte bewoning de behoefte aan turf hier niet zo groot. Bovendien was dit zoute veen niet zo geschikt als brandstof. Men kocht in Holland liever turf uit Friesland, Drente en Overijssel.

Waterland-Oost.

Waterland-Oost noemen we het gebied dat begrensd wordt door het Noordhollands Kanaal, de Purmer, de dijk langs het IJsselmeer en Amsterdam. Het is een onderdeel van een gebied, dat al voor 1300 ingepolderd werd, waartoe eveneens Waterland- West en het Wormer- en Jisperveld behoren.

Voor de bedijking kon het water dit gebied binnendringen via brede, langgerekte waterlopen. De grootste en breedste was het IJ, maar ook de andere strekten zich kilometers ver in het landschap uit. Deze zijn nu nog de grootste waterpartijen in het gebied. Zij heten AeŽn en DieŽn, wat ongeveer hetzelfde betekent als IJ, namelijk langgerekt water. Zij zijn al meer dan 700 jaar geleden ontstaan.

Langs de Waterlandse Zeedijk zijn vooral het Uitdammer Die en bij Monnickendam het Purmer Ee of Stinkevuil goed te herkennen. Meer in het binnenland liggen deze wateren bij Zuiderwoude, Holysloot, Ransdorp en Overleek. Langs de randen van deze waterlopen werden vaak kleiige ruggen afgezet, de getijdenruggen, waardoor de zeearm een dam tegen zichzelf opwierp.

Plaatselijk breidden deze wateren zich echter ook tot grotere meren uit, waarvan een groot aantal in de zeventiende en negentiende eeuw werden drooggelegd. Langs de Waterlandse Zeedijk liggen doorbraakkolken, die niet verward moeten worden met de AeŽn en DieŽn, omdat zij een meer ovale vorm hebben en niet zover het gebied indringen.

Het Kinselmeer bij Durgerdam is de grootste van die nagelaten herinneringen aan de vele dijkdoorbraken. Deze waterpartijen zijn vrijwel alle natuurgebied. Zij zijn van belang vanwege de bijzondere flora van dit vroeger brakke gebied. Hoewel er zich steeds meer soorten van het zoete water vestigen, komen er nog planten van het brakke water voor, waarvan de meest opvallende zijn het witbloeiende lepelblad en een grote hoge stokroosachtige plant, de heemst.

De weiden rond deze waterpartijen zijn bovendien een toevluchtsoord voor broedende en voedselzoekende weidevogels. Behalve de bovengenoemde waterpartijen, lopen er door het oostelijk deel van Waterland slechts enkele brede sloten.

 

De langgerekte Uitdammer Die, die samen met de 'Holysloter Die' en de 'Ransdorper Die' meer dan vijf kilometer in Waterland-Oost doordringt. Hier een klein deel van dit water met op de achtergrond het dorp Uitdam, op de plaats waar eertijds een dam deze oude zeearm van de Zuiderzee afsloot.

Een Waterlands landschap: de Poppendammergouw tussen Zunderdorp en Ransdorp.

 

DE WEGEN EN PADEN.

Er lopen in Waterland-Oost meer wegen dan in de andere veengebieden. Het wat dikkere kleidek maakte hier de aanleg van wegen eenvoudiger dan elders inhet veengebied. Sommige van deze wegen zijn al eeuwenoud. Aanvankelijk was ook hier de sloot langs de weg het belangrijkst. Die droeg de naam gouw; erlangs liep een smal pad. Later werd de weg meestal verbreed en de sloot versmald en kreeg de weg de naam van de sloot, bijvoorbeeld de Zuiderwoudegouw en de Zunderdorpergouw.

Alleen bij de Poppendammergouw ten zuiden van Zunderdorp kunnen we nog een vrij smalle weg en een brede sloot zien. Behalve deze gouwen liepen er vroeger ook andere paden door het gebied, de kerkepaden. Dwars door Waterland liep zo'n pad van Watergang aan het Noordhollands Kanaal via Broek in Waterland en Holysloot naar de Waterlandse Zeedijk bij Uitdam. Delen van dit pad zijn vrij toegankelijk.

DE POLDERS KATWOUDE EN ZEEVANG.

De polder Katwoude ligt tussen Volendam en Monnickendam. Omdat er geen AeŽn en DieŽn in het gebied voorkomen, is het relatiefarm aan water. Langs de dijk liggen enkele kleiputten. Aan de noordzijde ligt een deels verlande waterloop. Het is nu een beschermd natuurgebied, Het heitje van Katham. Een oude stenen sluismond in de IJsselmeerdijk herinnert aan de vroegere wijze van aan- en afvoer van water in dit gebied.

De Zeevang is het gebied tussen Edam, de Beemster en de Waterlandse Zeedijk. Deze polder is veel waterrijker dan Katwoude. Brede sloten lopen door het land en de waterstand is er hoog. De polders Zeevang en Katwoude werden voor 1300 tezamen bedijkt. In de Zeevang getuigen de doorbraakkolken van veel dijkdoorbraken.

Ten zuiden van Kwadijk ligt een moerassige strook grond, die een veenstroom in het onontgonnen gebied is geweest. Door de polder loopt de Zesstedenvaart, vroeger een trekvaart, die Amsterdam, Broek in Waterland, Monnickendam, Edam, Oosthuizen en Hoorn met elkaar verbond. Nu ligt er een provinciale weg langs.

Aanvankelijk waren de akkers bijna uitsluitend per boot te bereiken, maar door een ruilverkaveling in de jaren vijftig werden alle percelen ook over de weg bereikbaar. Een aantal nieuwe boerderijen werd langs deze wegen gebouwd. Gelukkig werden deze boerderijen zo gegroepeerd, dat de grote openheid van het gebied gehandhaafd bleef. Ook de grote sloten bleven in stand. Het gebied is zeer belangrijk voor de vogelstand.

 

Achtersloot te Zuiderwoude.

 

Ook in Waterland liggen verhoogde boerenerven. Deze boerderij aan het Dijkeinde bij Zuiderwoude ligt zo hoog dat bij de watersnood van 1916 de bewoners niet hoefden te worden geŽvacueerd.

 

STEDEN EN DORPEN IN HET OOSTELIJK VEENGEBIED.

Veel dorpen in dit gebied zijn langgerekte streekdorpen, die vaak zijn gesitueerd op de grens van een open gebied of op dijken. Voorbeelden van zulke dorpen zijn Beets, langs de rand van de polder Beetskoog; Warder, Etersheim, Middelie en Kwadijk in de Zeevang; Holysloot, Watergang, Ransdorp, Ilpendam en een deel van Zuiderwoude.

Bij Zuiderwoude, Upendam en Kwadijk valt op dat er een brede sloot achter de bebouwing loopt, die de landerijen in het gebied met de erven in het dorp verbindt. Ilpendam ligt op de oude dijk, die hier Waterland omgaf. Het dorp is ontstaan by de dam, die hier in de waterloop, de Dorre lip, werd gelegd om het achterland van het toen zoute Purmermeer af te sluiten.

Holysloot ligt op een wat hogere rand, die door de zee langs de getijdengeul, de Holysloter Die was opgeworpen. Ook de kern van Zuiderwoude ligt op zo'n rug. Men koos hier uiteindelijk voor een natuurlijke, hogere woonplaats. De huidige dorpen Zunderdorp en Ransdorp zijn kerndorpen, ontstaan rondom de kerk. Later kreeg Ransdorp zijn meer langgerekte vorm. Dit zijn duidelijke voorbeelden van dorpen, die enkele malen zijn verplaatst.

Bij Zuiderwoude ligt het Dijkeinde, dat nu uit enkele boerderijen bestaat, maar puinresten geven aan dat hier vroeger meer boerderijen stonden. Deze boerderijen staan alle op woonhoogten, waarvan sommige min of meer in het veen zijn weggezakt.

Tot voor kort was het Dijkeinde een waterstreekdorp. Dat wil zeggen dat de boerderijen uitsluitend over water bereikbaar waren. Daarlangs liep alleen een voetpad. Nu ligt er een weg langs. Watergang is nog een goed voorbeeld van zo'n waterstreekdorp met een brede sloot en een smalle weg. Broek in Waterland ontleende zijn welvaart voor een groot deel aan de handel.

In de zeventiende eeuw kwamen de handelsschepen tot aan het Havenrak in het hart van het dorp. De rijke, meestal houten woningen getuigen van de vroegere welstand. Zij waren omgeven door fraaie tuinen en boomgaarden.

Toen de welvaart afnam, werden de huizen in de sterke, weinig onderhoud vergende, grijze en okerkleurige tinten geverfd. Deze kleuren worden nog steeds toegepast. In Broek in Waterland, Ransdorp, Watergang en Zuiderwoude komen nog veel houten hooihuisboerderijen voor. Door hun typisch Waterlands karakter hebben Broek in Waterland, Holysloot en Zuiderwoude de status van beschermd dorpsgezicht gekregen.

STEDEN EN DORPEN LANGS DE KUST.

De steden en dorpen langs de kust zijn meestal ontstaan op plaatsen waar een dam in de grote zeearmen werd gelegd. Daarom dragen ze vaak het woord dam in hun naam. Door hun ligging aan groot vaarwater lag het voor de hand dat de handelsvaart en visserij van belang werden.

Edam ligt niet aan de kust, maar is ontstaan op de plaats waar voor 1300 een dam in het water de Ee of Ye werd gelegd. Dit water was een van de verbindingen tussen het Purmermeer en de Zuiderzee. Het is nu voor een deel in de bebouwing van Volendam en Edam opgenomen. De haven van Edam is een lang kanaal, het Oorgat, dat door een sluis is gescheiden van het buitenwater. De Zesstedenvaart van Amsterdam naar Hoorn loopt langs de westzijde van de stad.

Er was hier een knooppunt van allerlei waterwegen, waardoor de stad niet alleen een belangrijke plaats voor de zeevaart werd, maar ook een stapelplaats voor landbouwproducten, en de Edammer kaas. Van de welstand getuigen de kerk, het stadhuis en de woningen, die - soms in houtbouw - vaak groot en rijk uitgevoerd zijn.

Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende sluizen van Kennemerland en West-Friesland zetelt hier in een van de fraaiste complexen. Het centrum van de stad met namen als Dam, Spui en Herengracht heeft een karakteristiek stadsbeeld, waartoe de grachten en de hoge brug in grote mate bijdragen.

 

Schardam is een boerendorp; de huizen staan onder aan de dijk. De paal met de eenhoorn markeert de grens van het vroegere rechtsgebied van Hoorn.

 

Durgerdam is overwegend een vissersdorp. De huizen staan op de dijk, zodat de bewoners de zee en de haven kunnen overzien.

 

Monnickendam komt wat dat alles betreft met Edam overeen. De stad is fraai gelegen aan de Gouwzee. De uitloper daarvan, de Purmer Ee verbond lange tijd het Purmermeer met de Zuiderzee. Monnickendam ontstond op de plaats waar een dam in een andere zeearm werd gelegd. Ook deze waterloop liep hierdiep het veengebied in.

Delen ervan zijn nog terug te vinden in het langgerekte meer de Leek en het drooggelegde Monnickenmeer. Het verschil tussen boeren- en vissersdorpen is goed te zien. Durgerdam en Volendam zijn van oorsprong vissersdorpen. De huizen zijn zo hoog tegen de dijk aangebouwd, dat men vanuit de woonkamer de zee kon zien.

De dorpen Schardam (tegen de dijk van de polder Beetskoog), Katwoude (tegen de dijk van de polder Katwoude), en Uitdam (tussen Monnickendam en Durgerdam) 'waren voornamelijk boerendorpen. Zij waren onder tegen de dijk aangebouwd, zodat er contact met het achterland was.

Het westelijk veengebied.

Tussen het westelijk en het oostelijk veengebied bestaat een vrij groot verschil. In het westelijk deel liggen minder wegen, meer brede sloten, minder getijdengeulen en het kleipakket op het veen is er dunner dan in het oostelijk deel.

In dit venige gebied konden de natuurlijke waterlopen en de door de mens gegraven sloten zich verbreden, omdat de golfslag vaak de oevers wegsloeg. Omdat men in verschillende delen van dit veengebied turf ging maken, soms door het baggeren van veen uit de sloten, soms door hele akkers weg te graven en te baggeren, breidde het wateroppervlak zich verder uit. Zo ontstond het huidige waterrijke landschap.

Een andere belangrijke verandering in dit landschap was het droogleggen van verschillende meren in de zeventiende en negentiende eeuw. Het Alkmaardermeer tussen Uitgeest en Akersloot is het grootste overgebleven meer (circa 600 ha). Het werd niet drooggelegd, omdat het meer vrij diep was en een zandige bodem had. Bovendien moest voldoende boezemwater (waterberging buiten de polders) beschikbaar blijven, nadat hier zoveel meren waren drooggelegd.

Nu is het Alkmaardermeer van belang voor watersport en als rustplaats voor waterwild. Langs de noordelijke kant van het meer loopt de vaarroute van het Noord-Hollands Kanaal. Om deze vaarroute op diepte te houden en een rustige vaart bij storm te waarborgen, ligt een strekdam tussen het meer en de vaarroute.

De laatste jaren is het meer door zandwinning sterk uitgediept. Uitgeest en Akersloot liggen op een smalle zandige rug, een strandwal, die hier door de zee werd neergelegd. De dorpen hebben een dicht bebouwd en beplant karakter. Dit is kenmerkend voor dorpen op zandruggen. Door de beslotenheid en de wat hogere ligging vormen zij een sterk contrast met de omringende open gebieden.

Op het strand bij Castricum geviste schelpen werden van oudsher via de Schulpvaart naar een overlaadplaats bij Akersloot gebracht om dan elders in kalkovens tot metselkalk te worden verwerkt. Deze Schulpvaart werd al in de vroege Middeleeuwen gegraven. In het eerste kwart van deze eeuw waren de schelpen nog zo belangrijk voor de fabricage van metselkalk dat ook te Akersloot kalkovens werden gebouwd.

 

Oostelijk deel van de Eilandspolder bij de molen de Havik met op de voorgrond de Schermer-ringvaart.

 

DE POLDER MIJZEN EN DE EILANDSPOLDER.

Tussen de grote meren de Beemster en de Schermer lag een smalle strook veengebied, die we nu kennen als de polder Mijzen en de Eilandspolder, ook wel het Schermereiland genoemd.

Het oostelijk deel van de Eilandspolder werd al voor 1300 omdijkt, de polder Mijzen en het westelijk deel van de Eilandspolder volgden in de veertiende eeuw. De polder Mijzen heeft een open landschap, de bebouwing staat vrijwel geheel langs de dijken. Bruggen bij Schermerhorn en tussen Avenhorn en Ursem geven toegang tot die dijken. Daar is het gebied goed te overzien.

De Mijzenpolder is een belangrijk broed- en voedselgebied voor weide- en watervogels. In de Eilandspolder is een vrij groot verschil tussen het gebied ten westen van Graft en Groot Schermer en het gebied ten oosten van die dorpen. Het oostelijk deel heeft een tweetal hoofdsloten, die ongeveer noordzuid lopen.

In dit gebied lopen alle andere sloten oostwest. Het gebied is een typisch vaargebied, dat wil zeggen dat de meeste percelen alleen over het water bereikbaar zijn. Aanvankelijk was het gebied zeer open, maar in deze eeuw zijn een aantal akkers beplant, vaak met uitheemse soorten. Men dacht hier percelen voor verblijfrecreatie te kunnen inrichten, maar daartoe werd geen toestemming verleend.

De beplanting werd verwaarloosd en doet nu afbreuk aan het open karakter van het gebied. In het deel ten westen van Groot Schermer en Graft lopen de meeste grotere sloten oost-west. In het gebied liggen enkele drooggemaakte meren: de Graftermeer, de Noordeindermeer en de Sapmeer.

Ook liggen er nog enkele tot meertjes verbrede sloten. Omdat door het Schermermeer hier langer klei werd opgebracht, ligt er meer klei op het veen dan in het oostelijk gebied. Daarop groeit plaatselijk elzenbos, hetgeen in armere veengebieden niet voorkomt.

De Eilandspolder en de Mijzen zijn van groot belang voor het planten- en dierenleven; grote delen zijn eigendom van Staatsbosbeheer en het Noordhollands Landschap.

De dorpen Graft-Noordeinde, Groot Schermer, Driehuizen, West- en Oostgraftdijk zijn duidelijk dorpen waar al lange tijd agrarische bevolking woont. Ze liggen alle op of tegen de oude dijken in het gebied. De Rijp en Schermerhorn zijn dorpen waar de bebouwing evenwijdig aan de verkaveling van het gebied loopt.

Daaruit blijkt dat dit aanvankelijk geen agrarische dorpen waren. Schermerhorn ligt aan de noordgrens van de Eilandspolder. Van oorsprong was het een vissersdorp. Achter het dorp loopt het Zwet, de scheiding tussen de verkaveling van de polder Mijzen en de Eilandspolder.

De Rijp was een handelsplaats en men oefende er haringvangst en walvisvaart uit. In de vijftiende eeuw als vissersplaats gesticht door Graft, overvleugelde het door zijn welvaart al snel dit dorp. De inpoldering van Beemster, Schermer en Starnmeer maakte de bereikbaarheid wel wat minder, maar de schepen konden toch nog lange tijd via de vaarten de zee bereiken.

HET WORMER- EN JISPERVELD.

Het Wormer- en Jisperveld ligt tussen de Zaan en de ringvaarten van de drooggemaakte meren, de Enge Wormer, de Wijdewormer, de Beemster en de Starnmeer. Dit was dus een veeneiland tussen meren.

Midden door het gebied ligt een weg, waaraan de lintbebouwingen Wormer en Jisp liggen. De weg tussen Wormer en Jisp vormt een haakse knik; de ligging van de meren de Poel en het Zwet zal daartoe wel de aanleiding geweest zijn.

Zo paste het beter in het verkavelingpatroon. Toen de ontginning, aanvankelijk vanaf de randen, later dieper het gebied binnendrong, werden ook Wormer en Jisp als ontginningsbasis gekozen en later onderling door een weg verbonden.

 

Ten einde de percelen droog te houden werden in veel delen van Waterland kleine houten molentjes, de petmolens gebouwd. Door de bemaling kwamen de randen van deze akkers hoger te liggen dan het midden. Het peil van het slootwater buiten de akker ligt nu hoger dan de molensloot.



Beide dorpen hadden vroeger een opbouw, waarbij de huizen aan een zijde van de weg stonden; aan de andere zijde lagen de erven achter de wegsloot. Het Wormer- en Jisperveld is zeer waterrijk, het gebied wordt doorsneden door brede sloten. De akkers zijn smal en hebben vaak een holle ligging; de randen liggen hoger dan het midden.

Omdat de akkers door watermolentjes, de zogenaamde petmolentjes werden bemalen, klonken zij het meest in het midden in. In het gebied liggen drie meren die hun huidige grootte kregen, omdat door de golfslag hele percelen langs de oevers onder water verdwenen. Langs de rand van de Beemster is het gebied wat kleirijker.

Omdat er minder sloten liggen en veel van de randen vrij dicht zijn bebouwd, is alleen ten noorden van Oost- Knollendam, tussen Jisp en Purmerend en langs de dijk van de Enge Wormer een goed beeld van de waterrijkdom van deze streek te krijgen. Hier is eveneens te zien dat er in het verleden verveend is: sommige akkers hebben in het midden duidelijk een opnieuw verland deel met een ruigere vegetatie.

De Neckermolen bij Purmerend is een van de twee afwateringswerktuigen van het gebied en aan de westzijde ligt bij de Poelsluis een gemaal. Het hele gebied is zeer belangrijk als natuurgebied, speciaal voor de water- en weidevogels. Ook zijn er kenmerkende planten van de brakwater veengebieden te vinden. De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten is eigenaar en beheerder van grote delen van deze streek.

 

Het Wormer en Jisperveld is zeer waterrijk. Er liggen drie meren en zeer brede sloten. Hier de Zuiderganssloot langs de weg tussen Wormer en Jisp. Het gebied is zeer open; de bosjes zijn in onze tijd geplant. De boot in het water is een praam, waarmee in dit vaargebied de boeren vee, werktuigen en mest vervoeren.

 

Ook in Jisp zijn de huizen aan een zijde tegen de weg aangebouwd en liggen de erven aan de andere kant van de sloot. Duidelijk is hier te zien dat de huizen langs de weg verspringend ten opzichte van elkaar zijn gebouwd en een zijraam hebben dat uitzicht geeft op die weg.

 

| 1 | 2 |


Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.