Landschappen rond de Zuiderzee.

| 1 | 2 |

 

DE KALVERPOLDER EN DE POLDER OOSTZAAN DE TWISKE POLDER EN HET ILPERVELD.

De Kalverpolder ligt ten zuiden van de Enge Wormer en ten oosten van de Wijdewormer langs de Zaan. Het is een klein gebied met brede sloten en smalle akkers. Het is voor een belangrijk deel eigendom van Staatbosbeheer en wordt als weidevogelgebied beheerd. Een grote Amerikaanse windmolen houdt daartoe het water op een tamelijk hoog peil. De polder Oostzaan ligt tussen Zaanstad en het dorp Oostzaan met eveneens veel brede sloten en smalle akkers. De polder is voor een groot deel natuurgebied en eigendom van Staatsbosbeheer. Alle brede sloten lopen noord-zuid, de overige oost-west. Enkele sloten zijn door afslag tot kleine meren verbreed. Op veel percelen is te zien, dat in het midden vervening heeft plaats gevonden. Het uitgeveende deel ging verlanden en daar vormde zich een sterk afwijkende begroeiing met veenmos, riet, biezen en kruiden. Vanuit Oostzaan is er weinig van dit gebied te zien, omdat een dichte lintbebouwing het uitzicht belemmert. Naast weidebedrijven lagen hier vroeger eendenfokkerijen, die na de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen. Aan de noordzijde van Oostzaan liggen twee buurtschappen, de Haal en de Heul, waar de structuur van het gebied beter is te zien, omdat er minder bebouwing staat. Hier staan nog enkele hooihuisboerderijen. In Oostzaan is de wegsloot grotendeels gedempt en de weg verbreed, maar de oude opzet is nog wel te herkennen. Bij de Haal en de Heul is de oude situatie in stand gebleven. De Twiske polder en het Ilperveld waren voor de oorlog beide moerasgebieden met brede waterlopen, kleine meren, gedeeltelijk uitgeveende akkers en rietkragen. Dit brakwater-moerasgebied was een belangrijk natuurterrein voor vogels en planten. De Twiskepolder tussen Oostzaan, Landsmeer en Den lip werd in de Tweede Wereldoorlog omdijkt en voor de landbouw ontgonnen. Toen dat geen succes bleek, werd het gebied ingericht als recreatiegebied. Het Ilperveld werd aangekocht door het Noord-Hollands Landschap en is nu natuurgebied. De vuilstortingen, die hier in het verleden plaats vonden, werden toen beëindigd. De veeteelt wordt vooral uitgeoefend op de niet verveende percelen langs de randen van het Ilperveld en in de polder Purmerland. Daar is te zien hoe het gebied er voor de vervening uitzag: bredere akkers en een geringer aantal sloten. In het Ilperveld werd na de vervening riet gemaaid door eenden fokkers, die in Den lip en Landsmeer hun bedrijf hadden en dit materiaal als strooisel in de eendenhokken gebruikten. Toen deze bedrijven verdwenen en er niet meer gemaaid werd, verruigden veel percelen. De verzoeting van het water versnelde dit proces. Nu staan achter de dorpen Den lip en Landsmeer flinke berkenbossen, evenals hier en daar midden in het gebied. Door maaien en beweiding wordt verdere bosgroei tegengegaan. De dorpen hebben het karakter van langgerekte veendorpen. In Landsmeer zijn de wegsloten gedempt, in Den lip zijn zij grotendeels nog aanwezig. Her en der staan in deze plaatsen karakteristieke houten huizen en hooihuisboerderijen. In heel Waterland was het nodig vrijwel alle transport per boot uit te voeren. Daartoe werden hier twee vaartuigen ontwikkeld. De Oostzanerjol, een slanke roeiboot met weinig diepgang, meestal met een puntige voor- en achtersteven, werd gebruikt om snel het land te bereiken. Ook de beroepsvissers gebruikten dit typeboot, die dan met een visbun was uitgerust. Het tweede vaartuig was de praam, ook een platboomd schip, dat gebruikt werd voor transport van koeien, hooi en werktuigen. Deze werd geboomd. Beide soorten houten boten worden nog gemaakt, nu voorzien van een buitenboordmotor.

 

In het Oostzanerveld zijn de percelen smal en de sloten breed. De kleurverschillen in de akkers worden veroorzaakt door de verschillen in vegetatie. De donkere middendelen zijn uitgeveende en verlande veenputten. Op de achtergrond het langgerekte dorp Oostzaan.

 

De droogmakerijen.

Toen in de zeventiende eeuw de handel grote winsten opleverde, de bevolking groeide en daardoor de prijzen van landbouwproducten stegen, waren er lieden die brood zagen in het droogleggen van de meestal goede grond op de bodem van de grote meren in ons land. De deskundigheid in het bedijken was sterk toegenomen en de waterwindmolen was beschikbaar voor het leegmalen van de meren. Het meest bekend werd Jan Adriaansz. Leeghwater. Maar er waren vele anderen. Dat is logisch als in een relatief korte tijd zoveel werk verzet moet worden. De opzet van een droogmakerij is in het algemeen zo, dat men buiten de dijk een ringvaart aanlegt, waarlangs scheepvaart mogelijk is en waarop het polderwater wordt uitgemalen. De grond uit de vaart wordt voor de bouw van de dijk gebruikt. Binnen de dijk wordt een stelsel van sloten en wegen aangelegd, waardoor blokken ontstaan, die in boerenbedrijven worden verdeeld. Meestal is de verkaveling en het wegenpatroon zeer efficiënt en rechtlijnig.

DE OPZET VAN EEN AANTAL ERVEN IN DE DROOGMAKERIJEN.

De meeste boerderijen in de grotere droogmakerijen stonden langs de wegen en in veel mindere mate langs de dijken, zoals dat in de kleine polders veelvuldig voorkwam. Omdat men voor de bemaling van de droogmakerij afhankelijk was van windkracht, kon bij regenval en windstil weer het water in de sloten flink stijgen. Men hoogde het erf op door de uitgegraven grond van sloten te gebruiken. Op grotere boerderijen was het de gewoonte dat de grondeigenaar 's zomers de ongezonde stad ontvluchtte en op de boerderij ging wonen. Omdat het vee buiten liep, kon de pachtboer zolang in de stal wonen. Ook bouwde de eigenaar dikwijls voor dit doel een zogenaamde herenkamer. De tijdelijke bewoner wenste verse groente en fruit en wilde wat rond de boerderij kunnen wandelen, jagen en vissen. Daarom legde men een moestuin, een boomgaard en een beboomde grasrand rond het erf (de zogenaamde laning) aan. Al deze elementen werden door sloten omgeven, waardoor het erf uit een aantal eilandjes bestond. De siertuin voor het huis was meestal zeer eenvoudig: soms wat buxusranden met bloemperken, maar meestal alleen gras en enkele struiken. In de Beemster, de Wormer, de Schermer en de Zijpe is deze opzet nog te zien, zij het dat in veel gevallen sloten zijn gedempt en soms de laningen, moestuinen en boomgaarden zijn verdwenen.

 

TYPERENDE BOERDERIJ-ERFBEPLANTING IN DE DROOGMAKERIJEN.

 

DE BEEMSTER EN DE SCHERMER, VERSCHILLEN EN OVEREENKOMSTEN.

Hoewel er slechts 22 jaren tussen de droogmaking van de Beemster en de Schermer liggen, (de Beemster werd in 1612, de Schermer 1634 drooggelegd), zijn de verschillen groot. De Beemster bestaat uit zware oude zeeklei en in de Schermer liggen ook lichte klei-, veen- en zelfs zandgronden. Het is vooral de inrichting die anders is. De Beemster kent de renaissance verkaveling, die we ook in de Wieringerwaard tegenkwamen. De blokken tussen de wegen zijn circa 1850 meter in het vierkant. De hoofdsloten lopen halverwege tussen de wegen en soms aan een zijde langs die wegen als de gecompliceerde -waterhuishouding dat vereist. Er is geen waterberging binnen de polder. In de Schermer zijn de vakken tussen de wegen langwerpiger. Er zijn twee vaarten en enkele sloten met een hoger waterpeil dan de polderdelen, doch een lager peil dan het buitenwater. De wegen in de Beemster zijn vrijwel alle beplant, meestal met iepen, soms met vruchtbomen en in onze tijd ook met populieren en essen, waardoor de vierkante blokken goed worden gemarkeerd. De nieuw aangelegde rijksweg heeft ook een beplanting gekregen, waardoor deze helaas worden doorsneden. De Beemsterdijk is eveneens beplant. De Schermer daarentegen kent uitsluitend beplanting langs een deel van de wegen langs de twee hoofdvaarten, de Noorder- en Zuidervaart. Daardoor zijn er zeer grote onbeplante ruimten ontstaan, in het westen en noorden zelfs bijna zeven bij twee kilometer groot. De beplante boerenerven liggen als eilanden in het open landschap. De dorpen in de Beemster zijn gebouwd op kruispunten van wegen. Vooral Middenbeemster is een echt kruiswegdorp, met op het kruispunt de oude veemarkt (waarvan de indeling nog is te zien), de woningen van notabelen en rentenierende boeren, de smederij met travalje, een werktuig waarin paarden werden beslagen en de zeventiende eeuwse kerk, de eerste die na de Reformatie door Hendrick de Keyser werd gebouwd. Het is een beschermd dorpsgezicht.

 

De Zuidervaart in de Schermer ligt op een hoger peil dan het omringende polderland. De boerderijen liggen langs de wegen ter weerskanten van de vaart. Opvallend is dat veel wegen in de Schermer onbeplant zijn. Alleen rond de dorpen staan bomen langs de wegen.

 

De Schermerdorpen liggen evenwijdig aan de wegen langs de Noorder- en de Zuidervaart. Stompetoren en Zuid-Schermer hebben niet zo'n duidelijk centrum. Bij Stompetoren, dat zijn naam dankt aan de kerktoren zonder spits (vroeger heette het Noord- Schermer), ligt het buiten Wittenburgh, dat dezelfde erfopbouw kent als bij de boerderijen is besproken. In de Beemster staat geen enkele watermolen meer, alleen nog een korenmolen. In de Schermer staan elf watermolens, hoewel er nu vooral voor de bemaling van elektrische gemalen gebruik wordt gemaakt. Bijzonder is in de Beemster de ring van forten, die aan de zuid en zuidoost kant ligt. Zij diende om Amsterdam te beschermen. Nu zijn het terreinen met een gevarieerde beplanting, waar veel vogels en vleermuizen voorkomen. In de Schermer ligt bij Schermerhorn het Noorderpolderhuis, vroeger een werk- en vergaderplaats voor het polderbestuur. De oostelijke dijk van de Schermer heeft een kronkelig verloop, omdat hier de oude kustlijn van het Schermereiland werd gevolgd. Hier liggen ook enkele mee ingepolderde oudelands gedeelten. Er zijn ook overeenkomsten: in beide droogmakerijen staan boerderijen, waar de hiervoor besproken erf indelingen te zien zijn. De stolpboerderijen hebben vaak een wat stedelijke architectuur. Vooral aan de Middenweg ten zuiden van Middenbeemster ziet men daarvan goede voorbeelden. In de beplanting van deze boerderijen en van het buiten Wittenburgh in de Schermer komen broedkolonies van reigers voor. In beide polders liggen tuinbouwgebieden. In de Beemster kwam vooral bij Purmerend fruitteelt en groenteteelt tot ontwikkeling. Direct bij de drooglegging was hier al een kleinere verkaveling voor dit soort bedrijven gemaakt. In de Schermer ligt het groenteteeltgebied bij Alkmaar op zandgrond, die van de zandrug waarop deze stad ligt, is weggespoeld.

 

Opvallend is dat de ringdijk van de Beemster met bomen is beplant, hetgeen zelden voorkomt in droogmakerijen.

ANDERE DROOGMAKERIJEN.

De Heerhugowaard, de Purmer en de Wijdewormer hebben de rechthoekige maat van de Schermer; met de Beemster hebben zij gemeen dat de wegen zijn beplant. Zij zijn in dezelfde tijd als de Schermer drooggemalen. Op de lichte grond in de Heerhugowaard wordt tuinbouw uitgeoefend. Op de slechtste grond stond in de negentiende eeuw zelfs bos. Door uitbreiding van de bebouwing van het dorp Heerhugowaard en Purmerend in de Purmer ging veel landbouwgrond verloren. In de Purmer en de Heerhugowaard liggen stukken ingepolderd oud land, te herkennen aan de afwijkende verkavelingvorm. Naast deze grote droogmakerijen liggen er in Noord-Holland boven het IJ een groot aantal kleinere droogmakerijen. Zij zijn deels in de zeventiende en deels in de negentiende eeuw drooggemaakt en hebben vaak een veenbodem. Omdat de dijken in het veen weinig draagkracht hebben, maakte men aan die dijken flauwe binnenhellingen om de waterdruk op te vangen. Daardoor zijn de randen vaak schotelvormig. Voorbeelden zijn de Broekermeer, de Noordeindermeer, de Belmermeer en de Burkmeer.  

De Zaanstreek.

De open weidegebieden vormen een sterk contrast met de industrieën langs de Zaan. De fabrieken die hier nu het beeld bepalen, zijn de opvolgers van de bijna duizend molens, die hier ooit hebben gestaan. Niet iedereen stelde dit molenpark op prijs. De doopsgezinde dominee Craandijk bij voorbeeld, die veelwandelingen in Nederland maakte, mopperde over de horizon vervuilende molens en ook Rembrandt schijnt ze ongewenst geacht te hebben. Zoals zoveel gebieden in Noord-Holland is ook in de Zaanstreek de scheepvaart belangrijk geweest, zowel de handelsvaart als de visvangst en walvisvaart. Met de scheepvaart ontstonden allerlei bedrijven en pakhuizen, traankokerijen, bakkerijen voor scheepsbeschuit, scheepshellingen, touwslagerijen, zeilmakerijen en zagerijen. In een lang lint werden tussen de molens langs de Zaan woningen gebouwd. Bij een groeiende bevolking kon deze smalle strook niet voldoende mensen herbergen. Vooral de welgestelde woonden langs de boorden van de Zaan en hadden daar vaak royale tuinen. Daarom legde men haaks op de dijk nieuwe, smalle bouwstroken aan, waar vooral de minder gesitueerden woonden. Dit waren de paden. Voor en na de Tweede Wereldoorlog breidde de bebouwing langs de Zaan zich sterk uit, waarbij deze paden door nieuwe bebouwing werden vervangen. Nu is de Zaanstreek van Zaandam tot Krommenie een lange brede stedelijke band en is er van deze typische padenbebouwing weinig meer te zien. In Oostzaan is het Westerstijfelmakerspad nog een duidelijk voorbeeld. Ook Haaldersbroek is deels op deze wijze ontstaan. figuren geplant en strak gesnoeid. De hogere hagen langs de randen bestonden vaak uit beuken. De tuin werd gesierd met beelden en de struiken waren geschoren of in allerlei vormen geknipt. In de kleinere tuinen waren de beelden vaak van gebakken en geverfde klei gemaakt, die personen uit het dagelijks leven voorstelden. De bloemen hadden alleen de functie om kleurvakken te vormen, soms werd dat ook met rode gravel of stukjes wit marmer bereikt.

Zaanse tuinen.

Kenmerkend voor de Zaanstreek was de tuinaanleg. Naar de aard van de tijd hadden de tuinen van de zeventiende tot de negentiende eeuw een formele aanleg, dat wil zeggen: groenblijvende struikjes, buxus of randpalm genaamd, werden in geometrische figuren geplant en strak gesnoeid. De hogere hagen langs de randen bestonden vaak uit beuken. De tuin werd gesierd met beelden en de struiken waren geschoren of in allerlei vormen geknipt. In de kleinere tuinen waren de beelden vaak van gebakken en geverfde klei gemaakt, die personen uit het dagelijks leven voorstelden. De bloemen hadden alleen de functie om kleurvakken te vormen, soms werd dat ook met rode gravel of stukjes wit marmer bereikt. Vaak stond er een tuinspiegel, een negentiende eeuws ornament in de vorm van een bol. Wanneer men in de bol keek, kon men de hele tuin overzien. De grootste bijzonderheid in dit gebied waren de kralentuinen. Dit zijn perken, waar in plaats van bloemen vrij grote glazen kralen in verschillende kleuren werden gelegd: zwart, wit, blauw en bruin. Meestal werden zij in geometrische figuren gelegd, maar soms hadden de kralenperken een functie, bijvoorbeeld een windroos. In de Zaanstreek zijn de kralentuinen al lang verdwenen. Wel zijn er enkele kralentuinen buiten de Zaanstreek gereconstrueerd. In Broek in Waterland ligt er een bij Havenrak, terwijl men in het Openluchtmuseum te Arnhem en in het Buitenmuseum te Enkhuizen een kralentuin heeft aangelegd.

 

Formele tuin met kralenperk. Deze tuinen kwamen veel voor in de Zaanstreek en Waterland. Hier een reconstructie bij het Zaanse huis in het Buitenmuseum. Op de voorgrond een tuinspiegel.

 

Amsterdam.

Vanuit de plaats in het landschap bezien, lijkt het wellicht vreemd dat hier uiteindelijk de stad ontstond, die alle andere plaatsen aan de Zuiderzee zou overvleugelen. De stad ligt aan de Amstel, omringd door een veengebied, dat bij het ontstaan van de stad nog sterk moerassig was. Maar belangrijker dan de bodem was de gunstige ligging aan het IJ, vooral omdat ook goede verbindingen bestonden met het achterland. Maar zelfs dan lijkt de ligging van Amsterdam nog niet zo gunstig: de ondiepte Pampus bemoeilijkte de doorvaart. In dit deel van de Zuiderzee was het water eerder brak dan zout, waardoor de schepen hier nog dieper kwamen te liggen en waardoor de bereikbaarheid verminderde. Toen de zeeschepen groter werden, was het in de negentiende eeuw nodig een andere toegang tot Amsterdam te maken. De ingreep die de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal (1825) vergde was niet zo groot. Meestal werden bestaande waterlopen in Waterland gevolgd en omdat het peil vaak hetzelfde bleef als in het omringende polderland had de ontstane doorsnijding geen drastische gevolgen. Verder noordwaarts volgde het kanaal de ringvaarten van de droogmakerijen. Toen bleek dat dit kanaal voor de grotere schepen te bochtig was, werd gedacht aan een kanaal door Waterland en Marken (1826). Maar de grond was hier zo slap dat deze poging al snel werd opgegeven. Het kanaal is daar nu nog als een smalle sloot te zien, die door de bestaande kavelpatronen loopt. De grootste ingreep in het negentiende-eeuwse landschap is wel de aanleg van het Noordzeekanaal (1865) geweest. Het IJ dat tot die tijd met zout water ver in het gebied doordrong, werd door de Oranjesluizen oostelijk van Amsterdam van de Zuiderzee afgesloten en grotendeels drooggelegd.

Van Amsterdam tot het Kampereiland

In dit gebied spelen naast de invloed die de Zuiderzee op het landschap heeft uitgeoefend ook andere factoren een rol. De grote rivieren die hier stroomden, lieten lange tijd geleden zand- en grintgronden achter, die nu het Gooi en de Veluwe vormen. Tijdens de IJstijden werden deze gronden opgestuwd en vermengd met keileem, vervolgens werden grote zandgebieden weggespoeld en tenslotte werden de opgestuwde heuvels afgedekt met een dikke laag zand, het zogenoemde dekzand. Hierop gingen mensen wonen, die er landbouw beoefenden en op de weldra ontstane heidevelden schapen weidden. Plaatselijk groeide er bos, maar er waren ook uitgestrekte zandverstuivingen, die men in de negentiende eeuw grotendeels beboste. Kortom het huidige landschap was ontstaan. In scherp contrast met deze hoge en gesloten zandgronden liggen langs de randen en soms verder landinwaarts de lage open polders. Hier trad veenvorming op en zette de Zuiderzee klei af. Er ontstonden plaatselijk zelfs lage duintjes. In al deze polders liggen de venige gronden meer landinwaarts en de kleigronden langs de kust. Vergeleken met Noord-Holland boven het IJ was de invloed van de zee hier geringer.

 

Het gemeenlandshuis bij Diemen, gebouwd als zetel van het polderbestuur.

 

Het gebied tussen Nieuwe Diep en Buiten IJ.

Van het oorspronkelijke landschap is op deze plaats nog maar weinig terug te vinden. Nu is het een gebied met typische ontwikkelingen van de stadsrand van Amsterdam: volkstuinen, sloperijen en opslagplaatsen. Het Nieuwe Diep is de uitmonding van het Amsterdam-Rijnkanaal dat tot 1952 Merwedekanaal heette. Langs de Diemerzeedijk ligt het Gemeenlandshuis of polderhuis, in 1726 gebouwd als zetel voor het polderbestuur. Iets verder ligt een wat kleiner huis, Zomerlust geheten. De brug over het Buiten IJ bij Schellingwoude is een schakel in de noord-zuid verbinding. Vanaf de brug en de dijk is hier een goed uitzicht op het Buiten IJ en het IJsselmeer mogelijk. Er is geen doorgaande verbinding met Muiden, omdat langs de oude Diemerzeedijk een afgesloten vuilstortterrein ligt. Ook de elektriciteitscentrale Overdiemen en de kruitfabriek de Krijgsman bij Muiden maken passage onmogelijk. Met enige moeite is het mogelijk een stuk langs de Diemen te rijden, een door de zee in het gebied uitgeschuurde geul, die overeenkomt met de Aeën en Dieën in Waterland. Pas bij Muiden kan men de kust weer bereiken.  

Muiden, de Vecht, de lage polders, Muiderberg.

Muiden ligt aan de mond van de rivier de Vecht, vroeger een zijarm van de oude Rijnloop, hier Kromme Rijn geheten. Sinds de zeventiende eeuw wordt de waterstand in deze rivier geregeld door de Grote Zeesluis, die te Muiden werd gebouwd. Aan de mond ligt het Muiderslot, een van de dwangburchten, die Floris v stichtte, ter beheersing van het omringende gebied en om tol op de scheepvaart te heffen. Nu is Muiden een drukke jachthaven en vormt de sluis de verbinding tussen de Vecht, de randmeren en het IJsselmeer. Het fort Pampus ligt precies voor de haveningang van Muiden. Rechts daarvan liggen enkele nieuw aangelegde recreatie-eilanden. Weesp aan de Vecht werd in de zeventiende eeuw een vestingstad; de grachten met zeventiende en achttiende eeuwse gebouwen zijn van belang. Nog in de negentiendeeeuw werd van hieruit het schone Vechtwater met waterschepen als drinkwater naar Amsterdam gevoerd. Nu is de Vecht sterk vervuild. De invloed van Amsterdam is in het gebied van Gooi en Vecht groot geweest. De behoefte aan turf als brandstof voor de stedelingen leidde tot uitgebreide verveningen, waardoor het Vechtplassen- en moeraslandschap ontstond. De behoefte aan bouwzand voor het groeiende Amsterdam leidde tot zandafgravingen bij 's-Graveland. Op de afgegraven grond bouwden rijke stedelingen hun buitenplaatsen in de zeventiende eeuw. De zandschepen brachten als retourvracht het Amsterdamse stadsvuil mee, dat gebruikt werd om de bij de buitenplaatsen aangelegde tuinen en parken van mest te voorzien. Niet alleen bij 's-Graveland, maar ook langs de Vecht werden in die tijd buitenplaatsen gebouwd, omgeven door parken, bossen en weilanden. Vooral het zuidelijke deel van de rivier werd daarvoor uitgekozen. Daar had men langs het water wat hogere ruggen, waar men minder last had van de zee en de zeewind. De bereikbaarheid over water was door de kanalen en de vele riviertjes ten zuiden van Amsterdam goed, zodat men snel heen en weer kon reizen. De invloed van Amsterdam in het gebied duurt tot in deze tijd voort. Niet alleen wonen er in het Gooi veel forensen, die in Amsterdam werken, maar de kust, de bossen en heiden zijn nog altijd een geliefd recreatiegebied.

 

Op de brink van Muiderberg staan de eiken nog zeer dicht opeen.

 

De oude weg door de Noordpolder loopt van Muiden naar Muiderberg. Langs de dijk staat hier een dijkmagazijn, dat nu wordt bewoond. De Noordpolder is een vrij groot open gebied. Muiderberg duikt als een beplante en bebouwde hoogte uit de omringende polders op. De polders ten oosten van Muiderberg zijn doorsneden met snelwegen en viaducten, zodat daar het beeld minder duidelijk is. De hoogte van Muiderberg is eigenlijk een onderdeel van het Gooi, dat er los van kwam te liggen, toen hier zand en keileem door de zee werd weggeslagen. De kern van het dorp Muiderberg wordt, zoals bij veel dorpen in het Gooi, gevormd door een beboomd grasveld, waaromheen de bebouwing is gegroepeerd. Zo'n grasveld noemt men een brink. Deze brinkdorpen komen vooral in het zand- en keileemgebied in het oosten van het land voor. Dit veld diende voor allerlei gemeenschappelijke activiteiten. In het Gooi werd het vaak gebruikt als wasplaats voor schapen, er werd markt gehouden en er werd ook -wel vee geweid. De brink in Muiderberg heette vroeger ook wel de meent, hetgeen wijst op die gemeenschappelijkheid. Al in de achttiende eeuw werd deze meent met bomen beplant. Die werden dicht opeen gezet om zo de beste exemplaren eruit te kunnen selecteren. Op de brink in Muiderberg is die dicht beplante situatie nog te zien. Ten zuiden van Muiderberg ligt het Naardermeer, dat ontstond toen in het omringende veengebied veel veen werd weggeslagen. Het is de oudste bezitting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, die het in 1906 aankocht, nadat drooglegging en ontginning was mislukt en men het gebied met Amsterdams stadsvuil wilde volstorten. Deze bestemming koos men vaker voor het "destijds ondergewaardeerde veenlandschap.

Naarden binnen de wallen. De zeventiende-eeuwse vestingwerken en grachten zijn grotendeels gerestaureerd. De stervormige opzet vormt een bijzonder stedenbouwkundig element in het omringende landschap.

Naarden en omgeving.

Naarden is een gerestaureerde, vrijwel complete vestingstad uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw. De stervormige bastions en vele grachten rondom zijn kenmerkend. Vroeger strekten deze gordel van grachten zich veel verder in de omgeving uit om de bereikbaarheid te bemoeilijken. Daardoor werd het oude langgerekte kavelpatronen hier sterk vergraven. Nu zijn die buitenste grachten grotendeels door bebouwing en wegenaanleg niet meer aan te wijzen. Als vesting was de plaats in het landschap goed gekozen, precies op de overgang van de hoge zandgronden en de lage klei- en veengronden. De stad Naarden heeft een regelmatige plattegrond. Die is ontstaan in de veertiende eeuw. Toen werd het noodzakelijk het dorp Naarden, dat voor die tijd dichter bij de Zuiderzee had gelegen en door het water was verzwolgen, verder landinwaarts te verplaatsen. Het nieuwe Naarden werd toen volgens een vooropgesteld plan, in korte tijd op zijn huidige plaats gebouwd.  

Het Gooi.

Langs de kust van het Gooi liggen tussen Bussum, Blaricum en Huizen bossen en heidevelden. Het strand bij Oud-Valkeveen is vanouds een recreatiegebied, waar men zeer ver het water in kan lopen, omdat de zandbodem zeer langzaam afhelt. Het dorp Huizen ligt op de overgang van het zand- en poldergebied. Het is een dorp waar zowel landbouw als visserij werd bedreven. Het dorp was door een kanaalachtige haven met de Zuiderzee verbonden. Om met een schip in diep water te komen, waren hier vanwege de ondiepte voor de kust lange strekdammen nodig. Nu ligt langs de haven het nieuwe industrieterrein. Na het wegvallen van de visserij is de industrie uitgebreid. Oostelijk van het dorp liggen de weidegronden, die vroeger gemeenschappelijk beweid werden en daarom de naam meent dragen. De meent was door een lage kade omgeven. In de winter stroomde het slibrijke water van de Zuiderzee over dit grasland, waardoor het werd bemest. Het deel van de meent, dat dicht tegen Huizen aan ligt, is nu met woningen bebouwd. Oostelijk van de weg naar de Flevopolder is het weidegebied nog aanwezig.

 

Rond Oud-Valkenveen vormen bossen en weilanden een sterk contrast met het open polderlandschap elders langs de kust.

Op het zandgebied van het Gooi liggen de brinkdorpen Laren en Blaricum. Nog in het begin van deze eeuw was daar de teelt van boekweit belangrijk. Dit witbloeiende gewas leverde de grondstof voor meel. Ook werd hier als bijverdienste wol bewerkt en gesponnen. Aanvankelijk vooral op de boerderijen, die vaak een aparte weefkamer hadden, later ook door arbeiders als huisvlijt. De boerderijen van het Gooi verschillen van de Noord-Hollandse boerderijen. Ze behoren tot het hallehuistype, dat vooral in Gelderland, Overijssel en Drente voorkomt. Tegen het woonhuis ligt de schuur, waarin de stal met de voergang in het midden. De koeien staan dus met de koppen naar elkaar toe. Vooral in Blaricum en Eemnes liggen nog veel van deze boerderijen. Ze zijn vaak omplant met forse hulsthagen. In Blaricum zijn de meeste in gebruik als woonhuis; in Eemnes wordt er meestal het boerenbedrijf in uitgeoefend. Eemnes ligt op een lage strook zandgrond, een oostelijke uitloper van het Gooi. Het dorp ligt nu overwegend aan de westzijde van de dorpsstraat. De Wakkeredijk, oostelijk daarvan beschermde aanvankelijk de wat hogere zandgronden tegen afslag door de zee. Spakenburgergracht. De oude en nieuwe bebouwing van de twee dorpen lopen in elkaar over. De haven van Spakenburg is typerend voor die van de plaatsen langs de Zuiderzeekust. Vooral de scheepswerf is zeer karakteristiek. Bunschoten is evenals de kleinere plaatsen Eemdijk en Eembrugge altijd een boerendorp geweest. Nu is er industrie tot ontwikkeling gekomen.

 

Deze hallehuis-boerderij bij Eemnes wordt gekenmerkt door forse beplanting en grote hagen.

De polder tussen Eemnes en Spakenburg-Bunschoten.

Direct achter de Wakkeredijk ligt de grote, open polder van Eemnes, die door dijken aan de noord en oostzijde werd beschermd. Die dijken waren echter nogal zwak, zoals de vele doorbraakkolken erlangs bewijzen. Nog in de negentiende eeuw lag een deel van het dorp Eemnes buiten de Wakkeredijk langs de rand van de polder. De vele overstromingen hebben er toe geleid, dat de meeste huizen en boerderijen daar werden afgebroken. De kerk die verhoogd lag, herinnert aan deze bebouwing. In onze tijd zijn er enkele nieuwe boerderijen gebouwd. Omdat alle boerderijen tot nu toe geconcentreerd zijn in Eemnes, in gehuchten langs de rivier de Eem en in Bunschoten is dit gebied zeer open gebleven. Bij de voorgenomen ruilverkaveling wil men boerderijen in het open gebied bouwen. Het is te hopen dat deze zo gegroepeerd kunnen worden, dat de polder zijn overwegend open karakter behoudt, als contrast met de meer gesloten gebieden rondom. Dit is ook van belang voor de weidevogels, die in dit gebied broeden. De Eem is een langzaam stromende, vrij vervuilde waterloop. De rivier is aan de westzijde nauwelijks van dijken voorzien. Aan de oostzijde is de Eem wel bedijkt. Bij het dorp Eemdijk is het mogelijk per pont de rivier over te steken. De kronkelige Veen- en Velden dijk loopt langs de kust van het Eemmeer tot aan Spakenburg. Het vissersdorp Spakenburg ligt op enige afstand van de zee en heeft een kanaalachtige havenmond, die doorloopt naar Bunschoten als de Spakenburgergracht. De oude en nieuwe bebouwing van de twee dorpen lopen in elkaar over. De haven van Spakenburg is typerend voor die van de plaatsen langs de Zuiderzeekust. Vooral de scheepswerf is zeer karakteristiek. Bunschoten is evenals de kleinere plaatsen Eemdijk en Eembrugge altijd een boerendorp geweest. Nu is er industrie tot ontwikkeling gekomen.  

De polder Arkemheen.

Net als de meeste polders langs de kust is dit een groot open gebied, met een rijk vogelleven. De boerderijen liggen niet in de polder, maar op een zandige rand van de noordelijke Veluwe. Zij zijn niet in dorpen samengevoegd, maar staan apart aan lange opritten vanaf de doorgaande weg door het gebied. Op de zandgrond was het mogelijk om voedergewassen en granen te verbouwen en bij nat weer het vee vroeg buiten te brengen. In de jaren zestig mislukte hier een ruilverkaveling, omdat men boerderijen naar het open gebied wilde verplaatsen. De bewoners verkozen de voordelen van het wonen op deze zandstrook boven de eventueel kortere rijtijden naar de verschillende percelen van hun bedrijven. Langs de rand van de polder Arkemheen en de randmeren liggen buitendijkse oeverlanden, die door Staatsbosbeheer worden beheerd. Langs de dijk staan twee kleine stoomgemalen met grote schepraderen. De bemaling geschiedt nu met moderner materiaal.  De Arkervaart verbindt Nijkerk via een sluis met het randmeer. Vroeger waren er veel beurtschippers, die vanuit Nijkerk naar verschillende andere plaatsen in ons land voeren. In de omgeving werd vanaf het begin der zeventiende tot aan het einde der vorige eeuw tabak geteeld. Thans is het vooral een industrieplaats. Bij Nijkerk liggen nog juist op de zandgrond enkele buitenplaatsen, waaronder de Oldenaller dat eigendom is van Natuurmonumenten. Deze buitenplaats is omgeven door een loofbos, waar veel bosanemonen en wilde hyacinten groeien.

Van Nijkerk tot Harderwijk.

Door de aanleg van de autoweg Amersfoort— Harderwijk—Zwolle werd de polder bij Nijkerk doorsneden, maar vanaf de wegen door het gebied is het mogelijk zich een goed beeld van het omringende landschap te vormen. Na Nulde ligt de Veluwe dicht tegen het randmeer aan, hier vooral bestaand uit lage en middelhoge zandgronden met weiden en enkele akkers, vaak met houtwallen omplant. Ten zuiden van Harderwijk is het gebied meer bebost. Deze bossen zijn niet toegankelijk, omdat zij tot enkele inrichtingen behoren. Op de weilanden langs de kust worden eenden gefokt. Toen deze bedrijven in Waterland verdwenen, breidden de fokkerijen zich hier juist sterk uit. Langs de kust van het randmeer is een recreatiestrook met stranden aangelegd. De autoweg scheidt deze strook van het achterland.

 

Kustlandschap bij Eemdijk.

 

De boerderijen in de polder Arkemheen liggen meestal niet langs de wegen in de polder, doch aan lange opritten.

 

Tussen Harderwijk en Elburg.

Harderwijk ligt op de plaats waar de Veluwe vrijwel tot aan de kust reikt, dus net op de zandige rand. Evenals Enkhuizen heeft Harderwijk een stadsmuur langs de kust. Delen van die muur en de poorten, enkele oude gebouwen, waaronder het Linnaeustorentje zijn in de nabijheid van de zeemuur te zien. Van 1648 tot 1812 was er een universiteit, waar Boerhaave en Linnaeus, de beroemde plantkundigen promoveerden. Net als in andere steden langs de kust stonden hier vroeger boerderijen in de stad. De stad is door de toeristische ontwikkeling langs een deel van het randmeer zeer druk. Er zijn in het gebied tussen de Veluwerand en de kust duidelijk verschillende zones aan te geven. De hoge beboste en met heide begroeide opgestuwde gebieden Hierdense Beek. Langs de beek resten van randbeplantingen van de akkers; op de achtergrond het meer beboste deel van de Veluwe. Haaks hierop loopt een aantal beken naar de kust, waarvan de Hierdense Beek de belangrijkste is. Een opvallend kenmerk langs de kust zijn de door de vroegere Zuiderzee opgeworpen lage duinen, die meestal met enige struiken zijn begroeid. Zij zijn zo bijzonder, omdat de Zuiderzee alleen op deze plaats duinen opgeworpen heeft. Enkele ervan worden als recreatiegebied gebruikt.

 

 Door de Zuiderzee opgeworpen lage duinen bij Hoophuizen.  

 

Hierdense Beek. Langs de beek resten van randbeplantingen van de akkers; op de achtergrond het meer beboste deel van de Veluwe.

 

Elburg en de polder Oosterwolde.

Elburg was in de dertiende eeuw al een belangrijke handelsplaats en hoorde tot de Hanze, een koopmansverbond van steden, die elkaar steunden en beschermden. Elburg lag toen dichter bij de kust. Aan het eind van de veertiende eeuw had de Zuiderzee daar zoveel grond weggeslagen en was er zoveel wateroverlast, dat men besloot een geheel nieuwe stad verder landinwaarts te bouwen. Dat werd het huidige Elburg. In slechts vier jaar werd de stad volgens een van te voren opgesteld plan gebouwd. Naar de aard van die tijd werd het een ommuurde stad, rechthoekig van vorm met elkaar loodrecht kruisende straten. Vanaf de toren van de Grote Kerk is dit patroon goed te zien. Deze kerk staat niet in het midden van de stad, maar aan de noordoostzijde. Er ontbreekt een centraal plein waaraan de kerk zou moeten staan. Tegen de stadsmuur geplaatst had zij een functie bij de verdediging. Dwars door de stad loopt de Beek, die bij een belegering diende als watervoorziening.

 

Op de luchtfoto van het stadje Elburg is goed de rechtlijnige indeling te zien. De stadswallen zijn hier nog fors beplant met iepenbomen. Deze zijn een aantal jaren geleden getroffen door de iepziekte en vervangen door lindebomen.

 

Langs de Beek staan leilinden; in de andere straten is er geen plaats voor bomen. Veel straten zijn hier belegd met zwerfkeitjes, die als ballast door schepen vanuit het Oostzeegebied werden meegenomen. Opvallend zijn de stoepen, die met witte en zwarte kiezelstenen in allerlei patronen zijn ingelegd. Van de stadsmuren met muurhuizen zijn nog gedeelten te zien aan de west-, oost- en zuidzijde van de stad. In de veertiende eeuw werden om de stad aarden wallen gelegd, waarin nu nog de fortificaties te bezoeken zijn. Op de wallen zijn bomen geplant. Tussen één wal en de muur is een touwbaan gelegen, die nog in bedrijf is. De haven is ook hier door een vrij lang kanaal met de kust verbonden. De oude havenmond ligt nu in de Flevopolder. De polder Oosterwolde ten noorden van Elburg is een groot weidegebied, dat zijn open karakter heeft behouden, omdat er aan de westzijde slechts een weg over de dijk loopt en aan de oostzijde enkele wegen, waaraan wat bebouwing staat. De percelen daartussen zijn zes bij twee kilometer, hetgeen overeenkomt met de grootste maten in de IJsselmeerpolders. In dit gebied ligt een eendenkooi. De polder is van belang als broedgebied voor weidevogels en als voedselgebied voor doortrekkende ganzensoorten. Een deel wordt als natuurgebied beheerd.

 

 

Tussen het Kampereiland en Lemmer.

Al eerder werd gesproken over de grote verscheidenheid aan landschappen langs de vroegere Zuiderzee. Dat geldt zeker voor het gebied tussen het Kampereiland en Lemmer, waar verschillende typen voorkomen: het Kampereiland met kronkelige wegen, dijken en waterlopen; de polder Mastenbroek met een zeer regelmatige indeling; verder de begroeide hoogte van Ambt-Vollenhove, de open weidegebieden en moerassen van noordwest Overijssel met op de achtergrond overal de hoge gebieden van de Veluwe, Salland en Drente. Zoals altijd is het verschil veroorzaakt door de ontstaanswijze van de bodem en de wijze -waarop de mens het gebied heeft gebruikt. Het Kampereiland is een deltagebied, waar de rivier de IJssel vroeger met een aantal rivierarmen in de Zuiderzee uitmondde. Restanten van geulen, die in de bodem zijn terug te vinden, geven aan dat er vroeger veel meer van deze rivierarmen geweest moeten zijn. Naast de hoofdstroom van de IJssel zijn er slechts enkele rivierarmen overgebleven, die niet meer direct met de rivier in verbinding staan.

 

De Zwartendijk op het Kampereiland is een met iepen begroeide dijk. Dat de dijk vroeger een waterkerende functie had, is te zien aan de doorbraakkolk op de voorgrond.

 

Alleen de hoofdstroom voert nu het water af. Via het Keteldiep mondt de IJssel thans uit in het Ketelmeer, het water dat na inpoldering overbleef tussen de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland. Lange strekdammen begeleiden dit Keteldiep door een droogte voor de kust, zodat scheepvaartverkeer mogelijk bleef. De andere nog bestaande armen zijn het Ganzendiep en de Goot. Door sluizen is het Ganzendiep met de IJssel verbonden. De Goot en het Ganzendiep monden uit in het Zwarte Meer, tussen de Noordoostpolder en het Kampereiland. De andere nog bestaande arm, het Noorderdiep werd door de ontginning van de rietlanden bij de Ramspol in het eerste kwart van deze eeuw en door de aanleg van de weg naar de Noordoostpolder in de jaren veertig zowel van de IJssel als van het buitenwater afgesneden. De ondergrond van het Kampereiland bestaat uit rivierklei, die ook langs de randen van de rivier voorkomt. Omdat het gebied slechts van lage kaden was voorzien, overstroomde het jaarlijks, vooral in de winter. Daarom ligt in de bovengrond jonge zeeklei. Deze herhaalde overstromingen hadden ook een voordeel: met het zoute water werd klei slib aangevoerd, waardoor de weidegronden werden bemest. Men beschermde have en vee tegen het hoge water door de aanleg van terpen, waarop vrijwel altijd een boerderij werd gebouwd. In de winter kwam het voor dat de bakker de ene dag met paard en wagen de boerderijen langs ging en de dag daarop zijn klanten met de boot moest bezoeken. Alleen de terpen staken dan nog boven het water uit.

 

 De waterloop de Burgwal (Burgel) te Kampen heeft een stedelijk karakter.

 

Het gebied heeft nog steeds een zeer open karakter. De reden is dat buiten de hoogste delen van de terpen geen bomen wilden groeien. De kaden en dijken in het gebied hebben een kronkelige loop; bij de aanleg werden namelijk de grillige hoogtelijnen gevolgd. De eerste wegen in het gebied verbonden de boerderijen onderling en liepen bij de laatste boerderij dood. Nu zijn een aantal van die wegen verbonden, maar nog steeds bestaan hier veel doodlopende wegen. In dit gebied is de Zwartendijk ten zuiden van Kampen de enige, die al een langere tijd met iepen is beplant. Deze kronkelige dijk, waarlangs veel doorbraakkolken liggen, wijkt daardoor sterk af. Hier werd de invloed van de zee eerder uitgeschakeld, door de aanleg van andere dijken, die dichterbij de kust lagen. Elders bleef die invloed tot de aanleg van de Noordoostpolder bestaan. Veel bomen, die nu langs wegen en op erven staan, stammen uit de periode van na de afsluiting van de Zuiderzee.

 

IJsseldelta bij Kampen: de zijarm, de Goot, met op de achtergrond een van de terpboerderijen.

 

Aan de kust stond vroeger een bijzondere boom, die de 'zeeboom' werd genoemd. Het was een grote grauwe abeel, een populierensoort. Wanneer de vissers geen tijd hadden om hun vis per schip naar de markt in Kampen te brengen, legden ze hier aan en liepen met hun vangst naar de markt. Dat soort visserspaden komt ook elders voor. Het Kampereiland is nog altijd een waardevol graslandgebied, waar veefokkerij een belangrijke bron van inkomsten is. Langs de noordrand van het gebied liggen de riet- en biezenvelden, die nu tot het natuurreservaat het Zwarte Meer behoren. Dit gebied is belangrijk voor water- en moerasvogels. De verwachting dat die door de inpoldering van de Noordoostpolder zouden verdwijnen, bleek gelukkig niet uit te komen.

Kampen.

Hoewel nu op de wallen van Kampen een plantsoen is aangelegd, herinneren de poorten aan de tijd dat het een vestingstad was. Uit een straatnaam als de Vloeddijk blijkt dat de stad zich ook tegen het water moest beschermen. De periode van bloei kwam in Kampen vroeg. De stad behoorde in de vijftiende en zestiende eeuw tot het Hanzeverbond en lag zeer gunstig: dichtbij de zee en aan rivieren, die tot ver in het achterland verbindingen mogelijk maakte. Toen de handel afnam, werd Kampen bekend om de sigarenindustrie. Zowel in fabrieken als in huisvlijt werden in de negentiende eeuw en begin van deze eeuw sigaren gemaakt. Deze tak van industrie is zeer verminderd en wordt slechts hier en daar nog uitgeoefend. Daarnaast had de stad een vaste bron van inkomsten, namelijk het bezit aan landerijen op het Kampereiland, waardoor men verzekerd was van pachtopbrengsten en ook in moeilijke tijden aanzienlijke werken ondernomen konden worden. Het is daarom niet verwonderlijk dat de stad rijk is aan belangrijke monumenten. Vanwege die rijkdom kon Kampen het noodlijdende Schokland af en toe bijspringen. Toen de Schokkers hun eiland in 1859 moesten ontruimen, vestigde een aantal van hen zich in het plaatsje Brunnepe nabij Kampen. Rondom het haventje aldaar werden hun vissershuisjes herbouwd. Ze zijn daar niet meer te vinden. Brunnepe verdween na de Tweede Wereldoorlog ten gevolge van een stadsuitbreiding. De huizen werden voor een deel overgebracht naar het Buitenmuseum te Enkhuizen, waar zij werden herbouwd.

 

De Noorderkerk in Brunnepe.

 

 Opvallende terp in de polder Mastenbroek bij Oosterholt.

 

 In het rivierengebied waren deze formele tuinen met perken, omgeven door buxus (randpalm) zeer algemeen.

 

 Erfbeplanting achter woningen te Brunnepe.

IJsselmuiden en omgeving.

Op een smalle strook grond tussen het Kampereiland en de polder Mastenbroek liggen binnen de oude Kamperzeedijk de dorpen IJsselmuiden, Grafhorst en Oosterholt. De bodem die hier afwisselend bestaat uit rivierklei, zand en veen, biedt gunstige omstandigheden voor tuinbouw. Tot voor kort waren er ook wasserijen gevestigd, waarvoor het schone IJsselwater werd gebruikt. Veel boerderijen liggen binnen de dijk op terpen, maar niet alle boerderijen die hooggelegen zijn, liggen op door de mens opgeworpen hoogten. In Oosterholt, zuidelijk van IJsselmuiden staan er enkele aan de Kloosterweg, die op een hoge zandbult zijn gebouwd. Dit is een restant van het tijdens de IJstijd aangevoerde zand. Het merendeel van dit zand is echter door het water opgeruimd en met veen en klei overdekt. Resten ervan, meest afgegraven, bleven in dit gebied achter. Maar ook de IJssel heeft zand neergelegd, zogenaamde rivierduinen. Een van die rivierduinen ligt in een binnenbocht van de IJssel tussen Zwolle en Kampen bij het dorp Zalk. Dit duin is duidelijk als een hoogte te herkennen, vooral omdat daarop een hakhoutbos, het Zalkerbos groeit. Deze duinen zijn schaars en hebben belangrijke natuurhistorische waarde. In het hele gebied langs de IJssel en zijn zijarmen, evenals op het Kampereiland kwamen vroeger typische boerentuinen voor. Het waren kleine tuinen omgeven door buxushagen met perken, waarin vaak rozen waren geplant en in vorm gesnoeide buxusboompjes, soms in de vorm van een dier. In Oosterholt is nog een aardig voorbeeld van zo'n boerentuin te vinden.  

De Polder Mastenbroek.

Dit is een grootschalige, open veenpolder met een dun kleidek, waardoor het niet zo'n goed weidegebied is als het Kampereiland. Eigenlijk is dit gebied te vroeg ontgonnen. Had men langer gewacht, dan was het kleipakket dikker geweest. De ontginning heeft plaatsgevonden in de veertiende eeuw, dus na de meeste oudelands-gebieden in het westen van het land en voor de grote droogmakerijen. De verkaveling is zeer regelmatig. Een aantal hoofdwaterlopen (weteringen) langs de wegen doorsnijden het gebied. Behalve langs de dijken en in de dorpen staan de boerderijen, waarvan sommige op terpen zijn gebouwd, voornamelijk langs die weteringen. De waterafvoer geschiedt nu met moderne gemalen, maar het kleine stoomgemaal van de polder is bewaard gebleven en te bezoeken. Het water de Venerite, waaraan dit gemaal ligt, voert het polderwater door het Kampereiland heen naar het Zwarte Meer.

 

Polder Mastenbroek heeft lange rechte wegen en brede waterlopen (weteringen). De boerderijen liggen veelal verhoogd op terpen.

 

In IJsselmuiden waren verschillende wasserijen gevestigd (foto circa 1900). Links de wasserij van Van der Kamp, die naar het Buitenmuseum te Enkhuizen is overgebracht.

 

Het dorpje Mastenbroek ligt langs de Oude Wetering op een kruispunt van wegen. De polder Mastenbroek is van belang als voedselgebied voor ganzen. Door de betere waterbeheersing is het aantal weidevogels teruggelopen: zij houden meer van hoge waterstanden. Langs de rand van het Zwarte Water is het kleipakket wat dikker. De verkaveling is hier onregelmatiger: er liggen flinke doorbraakkolken, die getuigen van de vele overstromingen. De dijk ligt hier vrij ver landinwaarts, waardoor langs het Zwarte Water oeverlanden zijn ontstaan. Het gehele gebied bezit natuurhistorische waarde. Delen van de oeverlanden worden als natuurgebied beheerd.

 

De Hooistraat te Genemuiden.

Genemuiden.

Verwerking van de biezen uit het water langs de oevers van het Kampereiland heeft van oudsher in Genemuiden plaats gevonden. Nu ook andere producten verwerkt worden tot matten, zijn hier grote fabrieken gebouwd om die moderne materialen te verwerken. Een andere bron van inkomsten was hier de hooiteelt. Er was vroeger een straat, waar zoveel hooibergen stonden dat er niet gerookt mocht worden. Van de oorspronkelijke met riet gedekte hooibergen is niets meer te vinden. Genemuiden zelf is sterk uitgebreid, maar langs de haven en bij het veerhuis is nog iets van het oude beeld van Genemuiden terug te vinden. Voorbij Genemuiden loopt het Zwarte Water in het Zwarte Meer. De lange strekdammen, die hier vroeger lagen, werden afgebroken. De oude uitmonding van het Zwarte Water, Kraggenburg, ligt nu als een hoogte in de Noordoostpolder tussen het nieuwe dorp Kraggenburg en de Kadoelensluis. De oude rivierloop is hier nog als een flauwe laagte in de polder te zien.

Ambt-Vollenhove en stad Vollenhove.

Het keileemgebied van Ambt-Vollenhove, dat als een hoogte uit de omringende lage polders oprijst, is op dezelfde wijze ontstaan als de hoge delen van Wieringen en Texel. Het zijn stuwwallen en hier is het keileem met een dunne laag zand afgedekt. Evenals op Texel en Wieringen wordt dit gebied een tuinwallenlandschap genoemd, maar tuinwallen zoals op Texel vindt men hier niet. Zij hebben een heel ander karakter: het zijn hier brede, wat verhoogde houtwallen, beplant met bomen en struiken, zoals eik en sleedoorn. Vroeger was het gebied zeer dicht met dergelijke houtwallen bezet, maar het gebruik van grotere landbouwwerktuigen heeft tot een aanzienlijke opruiming van die wallen geleid. Toch is het karakter van het gebied nog sterk gesloten in vergelijking met de open polders, die Ambt-Vollenhove omringen. De bebossingen van het landgoed de Oldenhof versterken dat gesloten beeld. Op een van de weiden staat een fraaie duiventil. Veel landgoedeigenaren hadden dergelijke grote duiventillen. Men at zowel de eieren als de duiven: bovendien was de duivenmest belangrijk voor de landbouw. De westelijke punt heet de Voorst en was vroeger een steile klifkust, zoals die ook op Wieringen en in Gaasterland hebben bestaan. Ook bij de Voorst werd deze steile kust al voor de afsluiting van de Zuiderzee met pieren en paalbeschoeiingen tegen afslag beschermd. Niet met al te veel succes overigens, want de palenrijen staan nu ver in het water van het Kadoeler randmeer. Thans is de kust afdoende beschermd met basaltblokken tegen het veel rustiger water van het meer en is de helling met gras begroeid. Een ontsierend krachtstation van de elektriciteitsmaatschappij staat juist op dit hoge punt. Het bos in de Noordoostpolder was daarvoor een betere plek geweest. Aan de noordzijde van het Ambt ligt de stad Vollenhove.

 

Ambt- Vollenhove: hagen op verhoogde wallen langs de weiden en bossen van het landgoed Oldenhof typeren deze keileem opduiking. Op de voorgrond een duiventil. Het houden van duiven was een recht van de adel.

 

Langs de vroegere zeedijk bij Blokzijl.

 

Deze hoge kust werd uitgekozen om er een kasteel te bouwen, dat in de twaalfde eeuw op het eiland in de stad lag. Daarvan is niets overgebleven. Toen visserij en vishandel (rokerijen) opkwamen, werd de gracht met de zee verbonden en werd dit de vissershaven. In de stad herinneren het met zwerfkeien bestra te plein, de grote kerk, de Latijnse school, het vroegere stadhuis en de toren nog aan het belang van de stad. Uit de vissersperiode is niet veel overgebleven: veel vissershuizen zijn verbouwd of afgebroken. Om enkele daarvan te zien, moet men nu naar het Zuiderzeemuseum. Tegen de stad aan ligt de buitenplaats Old-Ruitenborgh, die nu in gebruik is als gemeentehuis. In het omringende bos ligt de ruïne van een ander kasteel, de Toutenburg. Het bos is rijk aan zogenoemde stinsen flora: planten die vooral op buitenplaatsen voorkomen. De bosanemonen en de wilde hyacinten noemden we al bij de Oldenaller bij Nijkerk. Hier is het vooral een paarsroze tot wit bloeiend bolgewasje, de helmbloem, dat hier haantjes en hennetjes genoemd wordt. Zelfs komt hier de zeldzame bostulp voor. Als we via binnenwegen naar Sint Jansklooster rijden, komen we over het hoogste deel van Ambt-Vollenhove en hebben een mooi uitzicht over de omgeving.

Noordwest Overijssel.

Ten westen van de zandgronden van Drente en Overijssel ligt een groot veengebied, dat zich uitstrekt tot aan de dijk van de vroegere Zuiderzee. Buiten deze oude zeedijk, aangelegd rond 1200, liggen van het Zwarte Water tot aan Lemmer buitendijkse landen die bestaan uit zand en klei. Het Vollenhover Meer gaat ten zuiden van Blokzijl in een smal kanaal over. Benoorden Blokzijl is er geen duidelijke scheiding tussen de Noordoostpolder en de Uiterdijkenlanden, ze lopen als het ware in elkaar over. Op de grens ligt hier slechts een smalle sloot. Binnen de oude zeedijk is de kleilaag op het veen het dikst bij de dijk, verder het binnenland in wordt deze laag steeds dunner. De keikopveengronden zijn vrijwel overal open weilandgebieden van een goede kwaliteit. Ze liggen tussen Zwartsluis en Ambt- Vollenhove en in een smalle strook van Vollenhove tot aan Lemmer toe. In het weidegebied ten noorden van Vollenhove, staat het gemaal Stroink, dat vroeger door de hoge schoorsteen een duidelijk kenmerk in het landschap was. Nu is die schoorsteen afgebroken, omdat het gemaal werd geëlektrificeerd. Opvallend zijn tussen Blokzijl en Vollenhove de Duinlanden, die hier enkele meters boven de omgeving uitsteken. Dit is een uitloper van het Drents-Overijselse zandgebied, dat hier aan de oppervlakte komt. Langs de dijk tussen Blokzijl en Kuinre liggen kleiputten en doorbraakkolken. Achter dit weilandgebied ligt een volslagen ander landschap. Omdat hier de kleilaag veel dunner was en het dikke veenpakket geschikt bleek om tot turf te verwerken, werd dit gebied op grote schaal uitgeveend. De vervening en de verlanding daarna verliep als volgt: van een akker die afgegraven zou worden, verwijderde men eerst de bovengrond, omdat die niet voor het maken van turf geschikt was. Deze bovengrond werd in de sloten gestort, die langs deze akkers liepen. De onderliggende veengrond werd weggegraven of als men dieper kwam en het materiaal slapper werd, weggebaggerd. Op de randen, de legakkers, zette men de turf te drogen. Dit werk ging door tot de hele akker was verveend. Dan bleven alleen de legakkers over met daartussen water, het trekgat. In de loop der jaren kwam hier plantengroei tot ontwikkeling. Eerst waterplanten, daarna moerasplanten en tenslotte landplanten. Dan was het gebied verland. Het zal duidelijk zijn, dat die gronden zeer drassig waren, het zogenaamde kraggenland. Als een stuk door de wind werd weggeslagen, dreven deze kraggen soms door de sloten. Die drijvende kraggen, drijftillen, werden vaak door andere boeren meegenomen en vastgelegd aan hun eigen land. Opvallend zijn hier de zandopduikingen. Een deel van het dorp Belt Schutsloot ligt op zo'n opduiking. Dit gebied heet de Wieden. In het noordelijk deel van de Wieden ligt het zand in het algemeen vrij hoog. Daarom heeft het meer het Bovenwijde ten oosten van Giethoorn een zandbodem. Bij Ossenzijl, meer noordelijk ligt een tweede uitgeveende gebied, de Weerribben en een derde ligt in Friesland: de Rottige Meenthe bij Scherpenzeel. Het landschap in deze veenderijen verschilt sterk van die in Waterland. In noordwest Overijssel was het water bij de vervening al zoet, waardoor zich in de loop van de tijd veel boomgroei op het weer verlande gebied kon ontwikkelen. Daardoor zijn deze moeraslandschappen veel dichter begroeid dan die in het brakwater-veengebied. De overeenkomst is de grote hoeveelheid water, waardoor de boeren alleen per boot hun land kunnen bereiken. Ook hier ontwikkelde men daarvoor een eigen vaartuig, de punter. Een belangrijke teelt is het riet, dat in grote aaneengesloten oppervlakten voorkomt. De waterstand in deze rietlanden wordt geregeld met ijzeren watermolentjes. Het oude type molen, de tjasker, was nog simpeler dan het eerder besproken petmolentje. De tjasker komt ook in Friesland voor. Delen van het gebied zijn ontgonnen en als landbouwgrond in gebruik genomen. Het bekendst is de Giethoornse polder, die tijdens de crisisjaren als werkverschaffingsproject werd uitgevoerd. Hier is een efficiënt kavelpatroon aangebracht. Het gebied -werd door wegen ontsloten en goed ontwaterd. Boerderijen -werden langs de wegen gebouwd en er werd een nieuw dorp, Scheerwolde genaamd, gebouwd.

 

 Weerribben: trekgaten en beplanting op het uitgeveende gebied.

 

DE BEBOUWING, WEGEN EN WATERLOPEN.

Het gehele gebied is van groot belang in zowel cultuurhistorisch als natuurhistorisch opzicht, vanwege de planten en dieren van het zoete water, het riet- en moerasland, de weiden en het moerasbos. Ook komen in deze gebieden eendenkooien voor. Grote delen zijn reeds natuurreservaat. Blokzijl en Zwartsluis zijn de belangrijkste toegangen over water tot het gebied van noordwest Overijssel. De naam zijl betekent sluis. In deze twee plaatsen liggen van oudsher tussen het buiten- en het binnenwater sluizen. Zwartsluis ligt aan het Zwarte Water, direct tegen het uitgeveende gebied aan. Het stadje ligt deels aan de dijk, deels aan de Arembergergracht, die door de Wieden werd gegraven.  

 SCHEMATISCHE VOORSTELLING VAN DE VERSCHILLENDESTADIA VAN VEENAFGRAVING.

 

Belt-Schutsloot is een waterstreekdorp met brede sloten en smalle paden. Het dorp ligt gedeeltelijk op een zandrug in het veengebied.

 

 De Tjasker is een primitief windwatermolentje dat werd gebruikt voor het bemalen van kleine stukken land.

 

Evenals de vele andere waterlopen die hier tijdens de ontginning en vervening zijn gegraven, was deze gracht van belang voor de ontwatering van de weidegebieden en voor de afvoer van turf. Vroeger stonden hier, evenals elders kalkovens, waar schelpkalk tot metselkalk werd verbrand. De brandstof, turf, was dichtbij voorhanden. In Zwartsluis staat aan de Arembergergracht nog een oude kalkoven met een gebouw waar de gebrande kalk werd geblust, een zogenoemd leshuis. Blokzijl ligt aan de oude zeedijk, omgeven door open weidegebieden. Door de brede aangeslibde buitendijkse gronden lag Blokzijl voor de aanleg van de Noordoostpolder al niet meer aan de kust van de Zuiderzee. De havenkolk was door een kanaal en strekdammen met de zee verbonden. Nu loopt een kanaal naar het Vollenhover Meer, de strekdammen zijn verdwenen. De stad is gebouwd rond de haven kolk, die nu als jachthaven in gebruik is. Blokzijl heeft zijn karakter als Zuiderzeestadje beter bewaard dan Vollenhove; vooral de situering rond de havenkom is zeer sprekend.

 

De rivier de Linde met op de achtergrond het dorp Slijkerburg.

 

Opvallend in het gebied ten noorden van Blokzijl is dat de boerderijen al zo sterk op de Friese stjelpboerderijen lijken en veel minder op de hallehuisboerderijen, die in de rest van Overijssel voorkomen. De twee Friese riviertjes, de Kuinder en de Linde, die bij Slijkenburg samenkomen, stroomden vroeger bij Kuinre in de Zuiderzee. Parallel aan de rivier werd later een kanaal gegraven. Deze situatie bestaat nog, maar bij de aanleg van de Noordoostpolder werd besloten het water van de Kuindervaart niet via een sluis met het oude land te verbinden. Nu wordt dit in verband met de recreatievaart als een gemiste kans beschouwd. In het uitgeveende gebied lopen zeer weinig wegen, want vervoer over water was het belangrijkst. Een goed voorbeeld daarvan is Giethoorn, een waterstreekdorp met smalle voetpaden en brede sloten. Ook de andere kleine dorpen in het gebied als Belt-Schutsloot, Dwarsgracht, Jonen, Muggebeet, Wetering en Kalenberg liggen grotendeels aan het water. In veel van deze plaatsen staan nog de kleine vervenershuizen, die vaak op een laag turven zijn gebouwd. Wanneer de veenarbeider boer werd, bouwde hij een wat hogere schuur achter zijn huis. Zo ontstonden de kameeldaken. Het gebied is het beste per boot of per fiets te verkennen.

 

 Veenwerkershuisje in de Weerribben. Dit huisje is bij Staatsbosbeheer in gebruik voor de opleiding tot riet-teler.

 

 Haven van Blokzijl. De huizen met houten uitbouwsels zijn verdwenen; op die plaats ligt nu een parkeerruimte.

 

 

De Fries-Groningse kust van Lemmer tot Zoutkamp.

De provincie Friesland grenst van Lemmer tot aan de Afsluitdijk aan het IJsselmeer. Omdat het IJsselmeer langs deze kust niet is ingepolderd, is vrij goed te zien hoe de kust van de Zuiderzee er vroeger uitzag. Wel heeft het wegvallen van eb en vloed en de verandering van zout in zoet water ingrijpende veranderingen teweeggebracht. Van de Afsluitdijk tot aan het Lauwersmeer is de kust goeddeels onveranderd gebleven. Hier heeft de zoute Waddenzee met eb en vloed vrij spel op de kust, waardoor hier aandijkingen, kwelders, platen en geulen zijn ontstaan. Langs de Fries-Groningse kust is de verscheidenheid aan landschappen groot. Tussen Wolvega en Lemmer komen laagveengebieden voor, die soms zijn uitgeveend en al of niet opnieuw ontgonnen. Deze worden in Friesland veenpolders genoemd. Ten noorden van Lemmer tot aan Sneek en Stavoren liggen de lage veen- en klei-op-veengebieden met de grote meren. Achter deze gebieden rijzen de hoge zandgronden van het oostelijk deel van Friesland op.

 

Het Oudemirdummerklif was vroeger een steile keileemkust tussen Gaasterland en de Zuiderzee. Nu is het klif van paalwering en steenbekleding voorzien en begroeid geraakt.

 

Plaatselijk dringen die tot in het lage land door, zoals het Gaasterland. Langs de zuidelijke dijk en langs de westkust tot aan Hindelopen bestaat de bodem uit jonge zeekleigronden. Vandaar tot aan Minnertsga reikt het terpenlandschap tot aan de kust. De dorpen liggen op kwelderwallen evenwijdig aan de kust. Van Berlikum tot voorbij Holwerd lag vroeger de mond van de Middelzee, die tot ver in het hart van Friesland opgevuld werd met jonge zeeklei. Daarachter ligt het terpenlandschap tussen Middelzee en Lauwersmeer; ten zuiden van het Lauwersmeer ligt eveneens een gebied met jonge zeeklei en ten oosten het Groningse terpengebied.

 

Het Rode Klif en Scharl. Opvallend is het open Friese weidegebied.

 

Hierachter liggen eveneens zandgebieden. relatief dun is, zit de keileem op veel plaatsen vrij hoog, soms minder dan een meter onder de oppervlakte. Door de zee werd veel zand en keileem langs de rand van dit gebied weggeslagen. Toen de zee daalde, is op de overgang van het zandgebied veengroei tot ontwikkeling gekomen. Gaasterland en Sint Nicolaasga steken als dichtbeplante verhogingen boven het lage, open veenlandschap uit. Het zandgebied van Friesland Ook in Friesland werd het zandgebied gevormd toen in de IJstijd met het landijs grote hoeveelheden keileem uit Scandinavië meegevoerd en hier achtergelaten werden: later raakte het overdekt met door de wind aangevoerd zand. Omdat deze laag dekzand hier relatief dun is, zit de keileem op veel plaatsen vrij hoog, soms minder dan een meter onder de oppervlakte. Door de zee werd veel zand en keileem langs de rand van dit gebied weggeslagen. Toen de zee daalde, is op de overgang van het zandgebied veengroei tot ontwikkeling eekomen. Gaasterland en Sint Nicolaasga steken als dichtbeplante verhogingen boven het lage, open veenlandschap uit.

GAASTERLAND.

Tussen de zuidelijke dijk van het IJsselmeer en het stadje Balk ligt het Gaasterland (gaast betekent zandige hoogte), waarvan het hoogste punt ongeveer twaalf meter boven NAP uitsteekt. Dit is de meest vooruitgeschoven zandpunt in het veengebied. Bij Oudemirdum en Mirns reikt dit zandgebied tot aan de kust. Omdat deze kust aanvankelijk onbeschermd was, had de Zuiderzee hier vrij spel en sloeg veel grond weg. Zo ontstonden de steile klifkusten: het Oude Mirdumer- en het Mimserklif. Los van Gaasterland ligt aan de weg tussen Laaksum en Staveren het Rode Klif, zo genoemd omdat de keileem een rode kleur heeft. Langs deze klifkusten werden oeververdedigingen aangebracht, die bestonden uit paalbeschoeiingen of kribben, die de afslag zo veel mogelijk moesten tegen gaan. Na de afsluiting van de Zuiderzee kwam er een einde aan de afslag en raakten zij begroeid met gras. Vanaf het Rode Klif heeft men een goed uitzicht over het lage gebied en het IJsselmeer. Enigszins verhoogd ligt hier het gehucht Scharl.

 

 Klokkenstoel op de begraafplaats van Scharl. Waar geen kerktoren aanwezig was, werd de luidklok op deze wijze opgehangen.

 

Gaasterland met op de achtergrond het Rijsterbos.

 

Op de begraafplaats in het midden van het dorp staat de klokkenstoel, een houten raamwerk waarin een luidklok is opgehangen. Klokkenstoelen vindt men in Friesland vaker op plaatsen waar een klokkentoren ontbreekt. Gaasterland heeft een sterk besloten karakter, hetgeen wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van veel bossen en houtwallen. Niet alle bos is even oud. Het Rijsterbos stamt uit het laatst van de zeventiende eeuw en behoorde tot een buitenplaats. De overige bossen zijn in de negentiende- en twintigste eeuw geplant, waaronder veel eikenhakhout. De schors daarvan werd voor de leerlooierij en netten taanderij gebruikt; het hout werd op de boerderijen verwerkt. Nu bestaat het bos uit opgaande bomen, vooral eiken en beuken. Langs de glooiende randen van dit landschap liggen voornamelijk weilanden, enkele bouwlandpercelen en dorpen. Van oudsher is Gaasterland een geliefd recreatiegebied.

Het merengebied in het midden van Friesland.

In het gebied tussen Staveren en Lemmer, dat in noordoostelijke richting tot voorbij Leeuwarden loopt, is het kleipakket op het veen dikker, hetgeen waardevolle weidegrond oplevert. Het winnen van de onderliggende veenlaag was hier aanzienlijk moeilijker. Daarom is er veel minder verveend dan in het oostelijk veengebied. Voordat men hier kon gaan vervenen, had steenkool turf als brandstof al verdrongen. In dit gebied liggen vrijwel alle grote Friese meren. Deze meren zijn ontstaan in de twaalfde en dertiende eeuw, doordat veel grond door de zee werd weggeslagen. De Fluessen en de Morra liggen tegen Gaasterland aan in een tijdens de IJstijd uitgeschuurd gletsjerbekken. Er zijn slechts enkele meren drooggelegd. Dit in tegenstelling tot wat in het midden van Noord-Holland is ondernomen. De reden daarvan is dat de bodem van de meren in Friesland voornamelijk uit zand bestaat, waardoor drooglegging niet lonend was. Aan de westkust van Friesland, waar de bodem van de meren uit klei bestaat, zijn wel enkele meren drooggelegd. Hier werd bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw het Staverse meer ten oosten van Staveren drooggelegd en in de jaren 1876-1879 volgden het Makkumer- het Parregaaster- en het Workumermeer. Verder werden verscheidene kleinere meren drooggelegd. Meestal ontbreekt een ringsloot; de ringdijk is niet veel meer dan een lage kade. Zij hebben, zoals veel droogmakerijen, een zeer regelmatige verkaveling, maar nu veel oude kavelpatronen worden gemoderniseerd, valt dat verschil minder op. In het Friese venen kleigebied liggen vele bevaarbare vaarten. Tezamen met de grote meren vormen zij een indrukwekkend stelsel van waterwegen. Vele vaarten zijn al in de Middeleeuwen ontstaan, toen in dit lage land het vervoer over water het belangrijkst was. Deze kanalen werden goed onderhouden omdat zij een belangrijke functie hadden voor het transport van turf. Nog in de twintigste eeuw werden enkele kanalen gemoderniseerd, van nieuwe sluizen voorzien en soms zelfs vergraven ten behoeve van het transport over water. Dit geldt onder andere voor het Van Harinxma- en Prinses-Margrietkanaal, respectievelijk van Harlingen en Lemmer naar Groningen. Daar het grootste deel van het Friese lage gebied als weiland in gebruik is en regelmatig beweid en gemaaid wordt, heeft dit landschap een zeer open karakter. Vroeger kwamen in de winter grote overstromingen veelvuldig voor. Tegenwoordig staan alleen de natuurgebieden, waar de waterstand het hele jaar door hoog wordt gehouden in die tijd onder water. Het Friese weidegebied is van belang voor voedselzoekende ganzen en als broedgebied voor weidevogels.

 

Het stoomgemaal bij Tacozijl (omgeving Lemmer) is met zijn hoge schoorsteen een belangrijk herkenningspunt in het landschap.

 

Het merengebied is betrekkelijk dun bevolkt. Het overheersende belang van vervoer te water en de hoge kosten van aanleg en onderhoud van wegen waren de oorzaak dat in hetgebied vrij weinig wegen werden aangelegd. Bovendien vormden de grote meren obstakels bij de aanleg van doorgaande wegen. Nu verschillende ruilverkavelingen uitgevoerd zijn, is het wegennet enigszins uitgebreid. Het jonge zeekleigebied ligt tegen de dijk van het IJsselmeer en sluit geheel op het keikopveengebied aan. Het is eveneens een open weidelandschap. Iets ten westen van Lemmer staat tegen de dijk het imposante gemaal Tacozijl, dat dient om het water van midden Friesland in het IJsselmeer te pompen; zonodig kan daar ook water worden ingelaten. De grote schoorsteen is een baken in het omringende landschap. In Lemmer en Staveren wordt nog steeds visvangst beoefend. Lemmer bezit een visafslag. Deze plaatsen hebben een grote rol gespeeld in de vorming van het landschap van de Zuiderzeekust. Langs de zuidkust van Friesland vielen bij de afsluiting van de Zuiderzee buitendijks verschillende zandplaten droog: de Steile Bank en de Mokkebank. Na de afsluiting heeft zich hier een moeras- en rietvegetatie ontwikkeld waarvan thans delen ten behoeve van natuurbeheer worden beweid.

Dijken en molens.

De buitendijken van Friesland zijn hoog en goed onderhouden. De dijk is met lange hekken ingedeeld in percelen, die haaks op de dijk lopen. Waar er wegen langs de dijk liggen, zijn op de scheiding van de percelen veeroosters aangebracht. Soms liggen er enkele dijken achter elkaar. Die situatie ontstond, nadat een nieuwe strook grond buiten de oude dijk op de zee veroverd en ingedijkt was. In Friesland komen nog vele tientallen windwatermolens voor. Ze zijn veel kleiner dan de molens die in Noord-Holland in gebruik zijn. Zij worden dan ook voor kleine polderdelen gebruikt. Het kleinst is de tjasker, die we ook in Overijssel vinden, die slechts een akker bemaalt. Steeds vaker worden zij vervangen door elektrische en dieselgemalen.

 

 Een van de kleine poldermolens bij Workum.

Overtuinen in Friesland.

Dwars door het centrum van sommige stadjes loopt een water met aan weerszijden straten en stenen kademuren. Vooral als er langs deze waterlopen boeren- en arbeiderswoningen staan, liggen tussen de straatjes en de gracht overtuinen. Zij komen overeen met de overtuinen in Kolhorn. Veel van deze overtuinen zijn verdwenen. In Balk is duidelijk te zien dat er aan de ene kant van de gracht een kademuur was. Aan de andere kant is nu een verharde strook gemaakt, waar vroeger de overtuinen lagen. Ook in Sloten kwam deze situatie voor: aan de ene zijde van het water de stadse grachtkant, aan de andere zijde de overtuinen. In IJlst is de oude situatie nog te zien, omdat daar de overtuinen opnieuw zijn aangelegd.

 

Hindelopen met op de voorgrond overtuinen.  

Boerderijen en stinsen.

Hoewel er overeenkomst bestaat tussen de Friese en de Westfriese (Noordhollandse) boerderijen is er toch zoveel verschil, dat het niet aannemelijk geacht mag worden dat het ene uit het andere type is ontstaan. De overeenkomstige omstandigheden in de landbouw kunnen mogelijk hebben geleid tot op elkaar gelijkende vormen. In Friesland bestaan twee hoofdtypen: het zogenoemde kop-hals-romptype en de stjelp. Het eerste bestaat uit een woonhuis (de kop), een schuur (de romp) en een tussenstuk (de hals). Aanvankelijk schijnt het woonhuis los van de schuur gestaan te hebben en was het vooral een boerderij in de akkerbouwgebieden. Toen ook de veeteeltbedrijven dit type gingen gebruiken, werden schuur en woning aan elkaar verbonden. De reden daarvan is duidelijk: vooral als de boer 's nachts naar zijn vee toe moest, was een overdekte verbinding gemakkelijk. De Friese stjelp is meestal kleiner dan het kop-hals-romptype. De woning is een geheel met de schuur. Toch zijn ook hier meestal meer dan twee hooivakken. Deze stjelpboerderijen zijn tot in de twintigste eeuw nog veelvuldig gebouwd. De beplanting van de Friese boerderijen was eenvoudig: langs woonhuis en stallen stonden vaak knot- of leilinden die bescherming boden tegen de zon.

 

 Boerderij van het kop-hals-romptype in Friesland. Let op de leilinden langs huis en stal.

 

Op plaatsen die door sterke wind werden geteisterd, werden iepen geplant, soms geknot, meestal vrijuit groeiend. In veen- en klei-op-veengebieden komen ook vaak wilg en es op de erven voor, bijvoorbeeld in de omgeving van Lemmer. De tuinen zijn eveneens zeer eenvoudig van aanleg: enkele struiken en vooral veel gras. De behuizingen van de Friese landadel waren door uitgebreide beplantingen omgeven. Soms waren het versterkte boerderijen, soms echte landhuizen, die state of stins werden genoemd. Een aantal van de bijbehorende landgoedbossen is bewaard gebleven. Hier groeien veel soorten planten, de stinseflora, die door vroegere bewoners zijn aangeplant en die zich aanzienlijk hebben uitgebreid. Bij Vollenhove en op de Veluwe ontmoetten we al de wilde hyacint, bosanemoon en helmbloem; hier groeien bovendien de bostulp, daslook, vogelmelk, wilde narcis, aronskelk, winterakoniet en sneeuwklokje. Veel van deze state's zijn in de negentiende eeuw afgebroken. In enkele gevallen is alleen het bos overgebleven, zoals het Van Coehoorn bos. Dit is gelegen vlak achter de kerk van Wijckel, ter plaatse waar vroeger het huis Meerenstein van de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn stond. Het Rijsterbos bij Rijs in Gaasterland is al genoemd. In Groningen heten de buitenplaatsen borgh. Ook zij herbergen in de omringende beplantingen veel stinseplanten. Deze tuinen zijn rijker in soorten en aanleg.  

Ontstaan en ontwikkeling van het Fries-Groningse terpenlandschap.

Langs de kust van de vroegere Zuiderzee zijn we al verschillende streken tegengekomen, waar de mens zich tegen de zee beschermde door zijn woonplaats op te hogen. Vaak waren het hoogten waarop een boerderij stond. In Friesland en Groningen liggen verhoogde woonplaatsen waarop hele dorpen voorkomen. Het meest gebruikte woord voor zo'n woonhoogte is terp. Dit betekent eigenlijk dorp, zodat er in het gebied ook dorpen die niet op een hoogte liggen met de naam terp voorkomen, zoals Olterterp en Ureterp. Het Groningse woord wierde betekent hoogte en is dus een betere benaming voor deze hoogten. Het woord terp is echter zo ingeburgerd, dat het hier verder wordt gebruikt.

 

KAVELPATROON ROND EEN TERPDORP.

 

 Ondanks dat de terp van Hogeheintum grotendeels is afgegraven, is het nog steeds een belangrijk landschappelijk element.

 

De eerste vestigingen in dit gebied hebben al vroeg plaats gevonden. Oorspronkelijk was het een waddenlandschap, met geulen, platen en ruggen. Omstreeks 500 v.Chr. vestigden zich hier de eerste bewoners. Hoewel men toen op het vlakke land woonde, zal men toch wel de hoogste ruggen (kwelderwallen) hebben uitgekozen als verblijfplaats. Hier was zoet drinkwater beschikbaar. Toen daarna de invloed van de zee weer toenam, had men de keuze tussen wegtrekken uit het gebied of het ophogen van de woonplaats. De eerste terpen schijnen rond 500 v.Chr. te zijn aangelegd. Daarna werd het nodig verder landinwaarts gelegen woonplaatsen op te hogen. Aanvankelijk was een verhoging van een tot twee meter voldoende. Daartoe gebruikte men meestal graszoden uit de directe omgeving. Naarmate de zee verder steeg, moest de terp verder worden opgehoogd, niet alleen de woonplaats, maar ook de omgeving. De reden daarvan was, dat men plaatsen nodig had, waar bij hoog water het vee kon verblijven en -waar voedsel verbouwd kon worden. Behalve zoden dienden ook stalmest, plantenresten, huisafval en alles wat men maar kon vergaren als materiaal voor ophoging van deze woonhoogten. In Friesland en Groningen komen ongeveer 2000 terpen voor, vaak in reeksen op de wat hogere kwelderwallen. Ze liggen zo hoog dat zij duidelijk zichtbaar boven het land uitsteken. Zij zijn hier niet of nauwelijks in de bodem weggezakt. Er zijn terpen die tien meter boven de omgeving uitsteken en hun grondvlak beslaat vaak een kilometer in doorsnede. Zelfs nu veel terpen voor een deel zijn afgegraven, komt men onder de indruk van het vele werk door de terpbewoners is verzet om het hoofd boven water te houden. Dat spreekt des te meer wanneer men weet, dat de terpaarde zeer dicht opeen is gepakt en er daarom veel los materiaal nodig was om uiteindelijk die hoogte te bereiken.

 

Gezicht op Hindelopen.

DE OPBOUW VAN EEN TERPDORP.

Aanvankelijk boden de meeste terpen slechts plaats aan een of enkele boerderijen. Omdat veel terpen dicht opeen lagen, ging men er toe over die samen te voegen tot een terp. Op de ruimte tussen de verbonden terpen werd vanaf de Middeleeuwen meestal de kerk gebouwd en een ringweg verbond de boerderijen. Zo ontstond het terpdorp. Later werd de overblijvende ruimte tussen kerk en boerderijen opgevuld, soms met groentetuinen en soms met bebouwing. Rond de kerk lag het iets verhoogde kerk erf met de begraafplaats, vaak omgeven door een iepenhaag en bomen, meestal leilinden, soms iepen. Vanaf de ringweg waaraan de boerderijen lagen, groef men sloten vanaf het hoogste punt naar het omringende vlakke land. De wegen volgden eveneens hoogtelijnen. Op de overgang tussen de voet van de terp en het vlakke land werd een sloot gegraven, die het water uit de sloten op de helling opving. Zo ontstond de typische radiale structuur van de terpen. Het is niet verwonderlijk dat de terpenbouwers uiteindelijk dijkenbouwers werden. Nadat terpen die dicht bijeen lagen, waren verbonden, legde men een smalle, verhoogde strook grond tussen verder afgelegen terpen, zodat een groter gebied tegen het water werd beschermd. In de negentiende en twintigste eeuw werden veel terpen afgegraven. De terpaarde was rijk aan mest en humus en dus zeer geschikt voor de verrijking van de arme zandgronden, die toen werden ontgonnen. Ondanks de afgravingen zijn er nog betrekkelijk veel terpen over, want vooral de bebouwde delen zijn niet afgegraven. Vele terpen zijn nu beschermd. De lage delen, die tussen de terpengebieden liggen, hebben vaak een regelmatiger verkaveling, omdat zij later ontgonnen zijn.

 

 Zij groeven de terp van Hogebeintum af. De terpaarde werd als mest gebruikt (foto 1906).

 

Eendenkooi bij Kooihuizen ten zuiden van Piaam. Eendenkooien vormen vaak dicht beplante elementen in open landschappen.

 

Het westelijk terpenlandschap.

Bij Hindelopen komen de klei-op-veengebieden, de jonge zeekleigebieden en het terpenlandschap samen. Na de afsluiting van de Zuiderzee kwamen tussen Workum en Gaast, buiten de oude zeedijk, plaatgronden droog te liggen, de Workumerwaard. Een deel ervan is nu natuurreservaat, de rest is in gebruik als landbouwgrond. Ten zuiden van Workum ligt het Workumer Nieuwland, een aandijking tegen de oude zeedijk. Hier werd klei gegraven voor steenbakkerijen. De kleigaten zijn nu natuurgebied. Het dorp Gaast bevindt zich op een hoogte aan de kust. De verkaveling bij het dorp heeft het typische, optrekkende karakter van de oude bouwlanden op de zandgrond. Noordelijk van dit dorp ligt een drooggevallen zandplaat, de Kooiwaard, waarvan de rand met struiken is begroeid, een niet alledaags verschijnsel in een buitendijks gebied. Op het oude land liggen hier twee eendenkooien, die als natuurgebied worden beheerd. De beplanting bij de eendenkooien bestaat uit es en abeel. Ook voor de kust bij Makkum zijn plaatgronden permanent drooggevallen. Een deel, de Holle Poarte, is ingericht als recreatie- en landbouwgebied, het andere deel, de Makkumerwaard is een waardevol natuurgebied, speciaal voor waterwild. Steden als Workum en Makkum liggen op hogere oeverwallen langs de kust. Makkum bestaat uit twee dorpen die samengegroeid zijn: het agrarische deel ligt op een terp en is het oudst, het vissersdorp ligt aan de voet van de dijk. Van oudsher waren hier kalkbranderijen en pottenbakkerijen gevestigd. Makkummer aardewerk is een begrip. Alleen de klei in deze omgeving schijnt voor dit werk geschikt te zijn. Daartoe worden landerijen afgegraven, die daardoor lager komen te liggen; na afgraving worden zij wederom voor landbouw ingericht. Rond Makkum ligt een gebied met veel terpen met daartussen een regelmatig verkavelde strook, de Makkumer en Parregaastermeerpolder, een negentiende-eeuwse droogmakerij. Rond Harlingen treedt een verandering in het landschap op: een gebied met overwegend weilanden gaat hier over in een gebied met vooral akkerbouw.

 

 Het dorp Gaast ligt op een hogere zandrug in het lage kleigebied.

 

De Kooiwaard is een buitendijksgebied met water, riet en weilanden. Na de verzoeting is ook struikgewas ontstaan.

 

Zeedijk met kribben ten noorden van Harlingen. De kribben houden de stroomgeul op afstand, waardoor het dijklichaam niet ondermijnd wordt.

 

Harlingen is na de aanleg van de Afsluitdijk de enige oudere haven van Friesland, die direct aan zee grenst. Er is in de stad enige industrie tot ontwikkeling gekomen. Dat is zo geleidelijk verlopen dat Harlingen desondanks het karakter van een oud havenstadje heeft bewaard. Bij Harlingen begint de Oude Zeedijk, die vandaar langs de voormalige Middelzee landinwaarts loopt. Deze dijkweg ligt op de grens tussen twee verschillende landschappen. Ten zuiden en zuidwesten van de dijk in de richting van Berlikum eindigt het westelijk terpenlandschap. De terpdorpen liggen hier als 'kralensnoeren' op de kwelderwallen en op de oeverwallen langs de Middelzee. Het landschap is hier zo open, dat deze plaats is uitgekozen voor een proef voor het opwekken van elektriciteit met behulp van windmolens. Ook aan de noord- en noordoostkant van de Oude Zeedijk is het landschap zeer open. Er is weinig bebouwing en beplanting; het gebied is zeer vlak, met rechte sloten en wegen doorsneden volgens eenzelfde patroon als de droogmakerijen. Dit is het gebied van de Middelzee, een zeearm, die aan de kust een kilometers brede monding had en zeer diep het terpenlandschap binnendrong langs Leeuwarden en Sneek tot oostelijk van Bolsward. Niet overal was deze zeearm zo breed: bij Leeuwarden liggen de westelijke en oostelijke dijk ongeveer vier kilometer uit elkaar. Aangenomen wordt dat het water via de geul van de Marneslenk in verbinding stond met de westkust van Friesland, want zonder de invloed van eb en vloed zou er nooit zo'n brede geul zijn ontstaan. Het terpenlandschap werd door de Middelzee in enkele grotere eilanden verdeeld. Na bedijking van dit water ontstond een aaneengesloten gebied. Deze Middelzee heeft vrij lang bestaan, maar toen men omstreeks 1000 dijken langs het terpengebied ging bouwen en men kans zag de westelijke geul te dichten, was het met de Middelzee vrij snel afgelopen. Het gebied raakte opgevuld met zeeklei. Omstreeks 1200 was die opvulling tot voorbij Sneek gevorderd, honderd jaar later was Leeuwarden al bereikt en omstreeks 1400 werd het gebied tussen Stiens en Beetgum afgesloten. Ook werd toen een deel van de brede monding van de Middelzee bij Harlingen bedijkt.

 

Koehool aan de Waddenzee is een dorp van vissers en arbeiders. De boeren wonen op veilige afstand van de dijk. Opvallend zijn de lange hekken op de dijk.

 

In de vijftiende en zestiende eeuw werd door het leggen van de Oude-Bildtdijk het gebied ten zuiden van de dorpen Sint-Jacobiparochie, Sint-Annaparochie en Vrouwenparochie afgesloten en in de twee volgende eeuwen gebeurde hetzelfde in het gebied ten noorden van deze dijk. In de negentiende en twintigste eeuw werden oostelijk van de Middelzee in de richting Holwerd landaanwinningswerken verricht. Het nieuwe land ligt niet lager dan het omringende terpenlandschap. De oorzaak daarvan is, dat men pas een deel indijkte als het land zo hoog opgeslibt was, dat het boven de hoogwatergrens van de zee lag. Vooral het deel van de Middelzee ten noorden en ten zuiden van Leeuwarden, heeft het vlakke en open karakter behouden, waardoor het contrast met het dichtere terpenlandschap opvalt. In het gebied tussen Sneek en Bolsward is het verschil tussen de vlakke, open delen van de Middelzee en het gebied met terpen moeilijker aan te geven. Dit gebied is namelijk sterk bebouwd geraakt. De regelmatige verkaveling en de vlakkere ligging wijzen erop, dat het om een deel van de Middelzee gaat. De dorpen in de Middelzee, de eerder genoemde Parochie dorpen en Oudebildtzijl, Oudebildtdijk, Nieuwebildtzijl en Nieuwebildtdijk, wijken in karakter sterk van de terpdorpen af. Het zijn deels dijkdorpen, soms gelegen op een kruispunt van wegen, waardoor ze de opzet hebben van de dorpen, die we in de droogmakerijen bespraken. De dorpen in Het Bildt zijn meer langgerekte dijkdorpen. Oudebildtzijl is een typisch dijkdorp met huizen op de dijk en erven achter de dijksloot. Bij het gehucht Zwarte Haan onder Sint-Jacobiparochie ligt buitendijks een landaanwinning, die tot voorbij Holwerd doorloopt.

 

 Oudebildtzijl is op de oude zeedijk gebouwd.  

 

De zee geeft, de zee neemt. Eerder aangeslibde buitendijkse gronden bij Wierum worden weggeslagen. Deze wisselwerking vindt al eeuwen plaats. Op de voorgrond is de opbouw in lagen van de kwelderrand goed te zien.

 

 LANDAANWINNING VAN DE MIDDELZEE.

 

Buitendijks aangeslibd land bij Zwarte Haan.

Landaanwinningen.

Langs de Waddenkust werpt de zee nog steeds grond op, voornamelijk op plaatsen waar de geulen wat verder van de dijk afliggen. Men probeert deze grond vast te leggen door een uitgekiend systeem van obstakels als rijshout, dammen en sloten. Wanneer het gebied niet meer regelmatig onder water loopt, raakt het begroeid met gras en wordt het door schapen begraasd. Teneinde het vee van zoet drinkwater te voorzien, worden op het land putten aangelegd, waarin het regenwater wordt opgevangen. Deze drinkwaterputten zijn typerend voor het buitendijkse gebied. In een later stadium wordt dit land bedijkt door de aanleg van een lage zomerkade. Heeft men de situatie eenmaal goed onder controle dan wordt zo'n gebied van een hogere dijk voorzien en meestal ingericht als akkerland. Dan wordt het water door een klein gemaal afgevoerd. De verschillende stadia van drooglegging zijn langs dit deel van de  Waddenkust goed te zien. Het belang van de Waddenzee als voedselgebied voor miljoenen vogels is buitengewoon groot, maar de aanslagen op het gebied zijn velerlei. Er is besloten een deel van het buitendijks gebied (circa 1000 ha) tussen Zwarte Haan en Hol werd te bedijken.

 

Paesens ligt op het punt waar de hogere gronden van het terpenlandschap aan de kust reiken. Deze foto uit 1910 toont aan hoe rijk beplant het dorp was.

De rest van het gebied zal tot natuurgebied bestemd worden, waar geen verdere landaanwinning wordt toegestaan. Uit het oogpunt van natuurbescherming is dit van belang. Het boeiende beeld dat de landaanwinningswerken bieden, zal daardoor voor een groot deel blijven bestaan. Het oostelijk terpengebied Vanaf Leeuwarden loopt een reeks terpen op de oeverwal van de Middelzee en de kwelderwallen langs de noordkust van de Waddenzee. Hier liggen de dorpen Stiens, Hallum, Ferwerd, Hogebeintum, Blija, Holwerd en Wierum. Fraaie voorbeelden van terpdorpen zijn Stiens en Ferwerd, waar de kerk door een krans van bomen is omgeven. Hogebeintum heeft een deels afgegraven, tien meter hoge terp. Het dorp Wierum is een van de weinige terpdorpen aan de kust. Het steekt boven de dijk uit. Eerder aangeslibde buitendijkse gronden worden hier nu sterk door de zee aangetast: hier neemt de zee het eerder neergelegde land weer terug. Peasens en Moddergat zijn twee dorpen, die tegen de hoge dijk langs de Waddenzee zijn gebouwd. Hoewel ze nog wel in het terpenlandschap liggen, zijn het geen terpdorpen. Evenals Wierum zijn het vissersdorpen. In Moddergat is het visserij museum t Fiskershüske in een paar gerestaureerde huisjes gevestigd. Rond enkele huisjes in de dorpen is te zien hoe men erven met heggen en bomen beplantte. Nadat de iepziekte hier vele slachtoffers eiste, zijn de dorpen beplant met essen. De heggen bestaan uit allerlei soorten die voorhanden waren: meidoorn, vlier en liguster. Voor dijkdorpen zijn Peasens en Moddergat opvallend rijk beplant. In de omgeving staan grote boerderijen, met vaak zware, door de wind geschoren beplantingen. Op de dijk heeft men een schitterend uitzicht over het wad, met Ameland en Schiermonnikoog op de achtergrond.  

Oostmahorn was een vissershaven aan de kust van de vroegere Lauwerszee. Van hier vertrok vroeger de boot naar Schiermonnikoog. In dit gebied voltrokken zich in de jaren zestig grote veranderingen. Ter bescherming van de zwakke dijken langs de Lauwerszee werd in 1969 een afsluitdijk van de Friese naar de Groningse kust gelegd, waardoor de binnendijkse gronden permanent droogvielen. Dit nieuwe land werd bestemd tot recreatieterrein, natuurgebied, landbouwgrond en militair oefenterrein. Tegen de laatste bestemming is heftig geprotesteerd, omdat deze strijdig -werd geacht met de eerste twee. Het water dat overbleef, kreeg de naam Lauwersmeer. Sluizen verbinden het Lauwersmeer met de Waddenzee. Ten zuiden van het meer komt het zandgebied van Friesland en Groningen tot dicht bij de Waddenkust. Deze streek is dicht beplant met houtwallen langs de randen der percelen. Op de grens van het terpenlandschap en het zandgebied slingert een oude zeearm, het brede Dokkumerdiep, door het gebied. Daar wordt het Lauwersmeer bij Dokkumernieuwezijlen via sluizen verbonden met de Friese meren. Tussen de zandgronden op de Fries-Groningse grens en het Lauwersmeer, ligt een gebied met jonge zeeklei, waarop akkerbouw wordt uitgeoefend. Boerderijen met zwaar geboomte liggen temidden van de akkers. Zoutkamp is een vissersdorp aan de oostzijde van het Lauwersmeer. Na de afsluiting kan de zee alleen worden bereikt via sluizen in de Lauwersmeerdijk. Dat heeft een grote verandering teweeg gebracht. Veel vissersboten hebben nu de haven van Lauwersoog als thuishaven gekozen.

 

 Luchtfoto van het dorp Zoutkamp uit 1932. Het vissersdorp heeft een onregelmatig patroon.

 

De Groninger boerderijen met hun grote woningen en omvangrijke beplantingen doen vaak meer aan buitenplaatsen dan aan boerderijen denken. Hier boerderij 'Onrust' bij Ulrum.

 

In Zoutkamp staan nog een aantal oude vissershuisjes. De kleine, bolliggende groentetuintjes tussen de huisjes zijn kenmerkend. In het kader van een dorpsvernieuwing zijn veel vissershuisjes gesloopt. Voor een deel zijn deze herbouwd in het Buitenmuseum te Enkhuizen. Rondom Zoutkamp ligt het Groninger terpen (of wierden) landschap. Het dorp Ulrum is een goed voorbeeld van een terpdorp. Ten noorden van dit landschap liggen de op de zee gewonnen aandijkingen van de Westpolder met kapitale boerderijen. Zo is ook dit gebied een deel van het gehele landschap van Zuiderzee en Waddenzee, dat zich uitstrekt van Noord-Holland tot in Groningen.

 

 

 

| 1 | 2 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.