Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Herinneringen uit mijn kinderjaren in Lemmer.

 

 

 
 
Door E.L.J.Bosma.

 

Herinneringen aan Lemmer (1)

Geboren in februari 1943 in Lemmer op de kleine sleepboot Coja die binnen de oude sluis aan de kade bij de firma Slurink lag. Mijn ouders woonden op hun sleepboot, maar voeren er niet meer mee. Mijn vader Jan Bosma had een baan als bevrachtingsagent in een kantoor, ook bij de sluis naast de kolenhandel van Gosse Wierda. Na mijn geboorte zijn mijn ouders met hun gezin verhuisd van de sleepboot naar de Kortestreek waar ze boven bakker Bles gingen wonen. En bakker Bles woonde weer naast slager Sonsma.

Mijn vroegste herinneringen gaan terug naar een moment, het zal aan het einde van de oorlog zijn geweest, dat m’n moeder Lena Bosma me uit m’n bedje tilde, aankleedde en, zoals ik later hoorde, met het gezin via het Turfland naar de gasfabriek zijn gegaan. Daar werden ze opgevangen. Er was, zoals m’n vader later verteld heeft, blijkbaar een waarschuwing over een ophanden zijnd bombardement (door de Engelsen) op schepen in de Zijlroede vlak voor ons huis.

Een andere herinnering is dat ik in een wandelwagentje van de Kortestreek naar ons nieuwe huis in de Schoolstraat ging, waar we kort na de oorlog naar nr. 12 verhuisden. Daar hebben we gewoond tot aan onze verhuizing in 1956 naar Enschede. Mijn vader had toen een functie aanvaard bij de Rijksverkeersinspectie in Overijssel.

Onlangs zag ik, tijdens een kort oponthoud in Lemmer, dat het betreffende rijtje woningen op de nominatie staat om gesloopt te worden (en mogelijk is dat intussen al gebeurd).

Als kleine peuter kwam ik veel bij Trijntje en Piet de Jong. Wij noemden Trijntje ‘tante Roos’. Ik denk dat ‘Roos’ haar achternaam was. Zij hadden een mast- en blokmakerij aan de Polderdijk, naast de houtopslag van de Stoomhoutzagerij aan de overkant van de Rien. Ze woonden boven de werkplaats. Hun dochter Wiema trouwde eind veertiger of begin van de vijftiger jaren met Kees (achternaam ben ik kwijt).

Ik weet nog dat ik samen met Marietje Fernhout (vader had zand- en grindhandel) bruidsjonker mocht zijn bij die trouwerij. Ik heb toen voor het eerst in mijn leven in een Citroën,’ traction-avant’ gezeten. Kees stotterde nogal. Veel later hoorde ik dat toen Kees matroos was op een Rijnschip, overboord is gevallen en is verdronken. Wiema was dus al heel jong weduwe en bleef achter met haar kinderen.

Piet en Trijntje hadden een heel grote St. Bernardshond waar ik heel gek mee was. Toch heeft die hond me, in de buurt van de smederij op de Polderdijk, flink te pakken gehad en me in m’n gezicht gebeten. Ik weet nog heel goed dat ik op de grond lag op een grote plaat ijzer. Door een van de mensen van de smederij werd ik op de stang van z’n fiets gezet en naar dokter v.d. Ham gebracht. Daar kreeg ik een injectie en werd de wond gehecht. Overigens is dat litteken op de wang nog steeds zichtbaar. (en aan de binnenkant voelbaar).

Een paar jaar later was ik met een paar vriendjes aan het spelen op de stapels hout, die eigendom waren van de Houtzagerij aan de overkant van de Rien, naast de timmerwinkel van Piet de Jong. Na een sprong van zo’n pakket hout kwam ik toen erg ongelukkig op de grond terecht. M’n linkerarm deed vreselijk veel pijn en ik kon ‘m nauwelijks bewegen.

Ik naar huis en daarna onmiddellijk naar dokter v.d. Ham, onze huisarts, maar nu achterop de fiets bij m’n vader. Arm in de mitella, tanden op elkaar en verder niet zeuren. Bleek later dat ik m’n arm gebroken had (rechte breuk) en dat de arm na de genezing enigszins gebogen stond. Ik heb daar gelukkig tot nu toe nooit last van gehad.

 

Leendert als peuter bij Trijntje en Piet.

 

 

Met de St.Bernardhond die me later zo te grazen heeft genomen.

 

 

Bij Wiema en Kees op schoot.

 

 

Als peuter ging ik naar de Bewaarschool ofwel de ‘kakschool’ aan de Lijnbaan, vlakbij ons huis aan de Schoolstraat. Ik kan me herinneren dat ik die paar jaar erg leuk heb gevonden. Heerlijk buiten spelen op het plein met de rollebak of in het zand. Binnen schrijven en tekenen met een griffel op een lei. Met een naald figuurtjes uitprikken. Knutselen met klei. Spelletjes doen zoals: zakdoekje leggen. En natuurlijk zingen dat het een lust was.

 

Lieve bewaarschoolleidsters. Een van hen (juffrouw Liesbeth (?) was getrouwd met Theo, de knecht van bakker Vonk. Theo kwam altijd bij ons brood bezorgen en omdat ons gezin al aardig begon uit te dijen, waren wij een goede klant voor hem. Daarom kreeg mijn moeder elke zaterdag een half pond koekjes van hem. Ook Theo, altijd heel vriendelijk, deed toen aan klantenbinding.

 

Schoolfoto van de oude bewaarschool (kakschool) uit de jaren 1947-1948.
Bovenste rij vlnr: Juf Hoekstra, Jopie Zijlstra, Peke Ritsma, Enne van der Wal, Meye Lammers, Gerrit de Vries, Jan Alberda, onbekend, Jan de Haan, onbekend en Juf Kammen. Tweede rij van boven: Liesje Leicht, Lubbie Hoekstra, onbekend, ? Sterk, ? Sterk, onbekend, Anneke Zandstra, onbekend ? de Wreede, onbekend, dan mijn persoontje Leendert Bosma (met witte trui aan). Derde rij van boven: Marten Scheffer, Alie Portijk, Liesje Balsma, Tineke Haagsma, ? Beersma, ? Beersma, onbekend, Anne Visser, Jan Thijseling. Voorste rij: Roelof Gebben, Piet de Hey, onbekend, Steven Visser, ? de Roos, Wiebe Loen en Harm Scheffer.

 

Leendert met tante Trijntje Roos (staand links) en ome Piet de Jong (staand rechts)
Links voor zit Wiema. De namen van de andere twee vrienden van Piet en Trijntje weet ik niet meer
.

 

 

Leendert en Jannes op de kleuterschool.

Beppe Stuur.

Bijna wekelijks kreeg mijn moeder bezoek van ‘beppe (Wieke) Stuur’. Een altijd in het zwart geklede zeer oude en ontzettend lieve vrouw. Ze kwam dan even langs voor een kopje thee ( ze goot de thee altijd op het schoteltje en slurpte de wat afgekoelde thee dan zo met haar tandeloze mond op!). Ook hielp ze mijn moeder een beetje met het schillen van aardappelen. Ja, ik vond ‘beppe Stuur’ een heel lieve vrouw. Ze woonde ergens in een oud huis met bedstee en zonder enig comfort op de Pietersbuurt. Als kleine kinderen vonden we het prachtig wanneer we haar in het dorp zagen, want dan had ze meestal haar tong uit de tandeloze mond richting neus. Op een zekere dag kwam ze niet meer en hoorden we dat ze samen met haar man was opgenomen in een ‘huis voor ouden van dagen’ ergens in Friesland.

 

Sjoerd van de Bles en Anton Beljon op de tandem. Toeschouwers: Eelke Feenstra (schilder) bijnaam "De Moskjeferwer" en beppe Wieke Stuur (met hoed)

 

 

Beppe en pake De Jong.

Niet alleen kwam beppe Stuur regelmatig bij ons thuis op bezoek. Ook kwam beppe De Jong zo nu en dan even aan. Zij woonde met haar man in een tjalkachtig binnenschip dat aan de Kortestreek lag afgemeerd. Beppe De Jong was lid van de vrouwenclub van de N.H. Kerk en ik denk dat zij daarom zo nu en dan even bij ons aan kwam. Pake en beppe De Jong zijn, ik meen, omstreeks 1954 verhuisd van hun schip naar een woning aan het begin van de Lijnbaan, achter het schildersbedrijf dat daar op de hoek van Nieuwburen en Lijnbaan zat. Beppe De Jong was een beetje mank en liep met een stok.


Toen ze nog op hun binnenschip woonden, kwam ik nog al eens bij hen aan boord. Ging dan via het opengelegde luik een trap af het ruim in en dan rechtsaf naar hun knusse kleine roef, waar op de tafel een kom stond met een goudvis erin.

Wanneer wij thuis naar bed gingen en beppe De Jong was op bezoek, moesten wij haar natuurlijk netjes gedag zeggen en haar een kusje geven. Wij als kinderen vonden dat niet zo leuk omdat we dachten dat zij tabak pruimde. Ook pake en beppe De Jong waren lieve,vriendelijke en gastvrije mensen.

 

 

De dames van de vrouwenclub van de N.H. Kerk aan het breien voor een goed doel.
Rechts zit beppe De Jong, links zit mevrouw Kuipers, de dame in het midden herinner ik me niet
.

 

 

Pake De Jong.

 

 

Dit kon wel eens het schip van pake en beppe de Jong zijn geweest.
In het midden op de achtergrond het hoge huis ‘boven Bles’ aan de Kortestreek waar wij naartoe zijn verhuisd na de ‘Coja’
.

 

 

Hier zien we de eerder genoemde 'COJA' met vanaf rechts: Cor, oudere broer van mijn vader; mijn vader Jan Bosma; mijn oma Ansje Bosma; mijn opa Jannes Bosma ; de andere persoon ken ik niet. Op de boeg staat RD 111, RD betekent: Ransdorp (dat vissers-plaatsje ligt net ten noorden van het buiten-IJ). De Coja werd tijdens de crisisjaren gebruikt voor de IJsselmeer-visserij. Ook voerde ze de letters WR 289.

 

 

Nogmaals de 'Coja' die nu als 'Annabella' in Langweer ligt. De eigenaar is M.R. Veldhuizen, deze probeert de sleepboot weer in de oude staat terug te brengen.

 

 

Annabella (ex-Coja)

 

 

Staatsieportret van de Bosma-family. Van links naar rechts: Ma, Marleen, Wico, Jannes, Cor, Pa, Annie en Leen.

Herinneringen aan Lemmer (2)

De lagere school.

De kinderen van het gezin Bosma gingen in Lemmer allemaal naar de Kon. Wilhelmina School, een school ‘met de Bijbel’, zoals dat vermeld werd boven de hoofdingang. In de eerste klas zwaaide juffrouw Prins de scepter. Zij was toch wel heel erg streng en als je de Psalm die je had moeten leren niet kende, dan zwaaide er wat. Maar, het moet gezegd, veel van de Psalmen die ik toen heb geleerd, ken ik nog steeds. In de oude berijming dus.

Toen ik in de eerste klas zat, was ik op één morgen in de week vrij van school. Ik mocht dan van mijn moeder koffie met een koekje naar mijn vader brengen die op zijn kantoor was. Het was een klein stenen koffiepotje met in het tuitje een papierpropje. Potje, kopje en koekjes in een tas. En daarmee ging ik op weg naar papa. Wat was ik trots dat ik dat mocht doen! En bij papa kreeg ik dan ook een van de biscuitjes!

Ik herinner me van de lagere school ook dat we toen nog overgingen naar de volgende klas bij het aanbreken van de Paasvakantie, omstreeks april. Later werd dat bij aanvang van de zomervakantie. Ik heb dus, en veel kinderen met mij, enkele maanden langer op de lagere school gezeten.

Het hoofd van de school was toen meester Luttgendorf. Hij was wel aardig, maar veel kan ik me verder niet meer van hem herinneren. Des te meer van zijn opvolger, meester Boiten. Wat vond ik dat een ontzettend onaardige man.

In de tweede klas hadden we juffrouw Slump. In de loop van het jaar ging ze weg, ik meen me te herinneren, omdat ze ging trouwen. Ook zij was wel vriendelijk. Maar haar opvolgster was een enorme schat. Helaas ben ik haar naam vergeten. Wel herinner ik me een liedje dat ze ons leerde en dat ik ook aan mijn eigen kinderen en kleinkinderen heb doorgegeven. Het gaat zo:

Onze poes zit voor en voor het raam
En ze likt haar pootjes
En ze kijkt haar oogjes, oogjes uit (2 x)
Naar het vogelkooitje.

Stoute deugniet daar je, daar je bent
Laat mijn kooitje hangen
Vogeltjes zijn niet, zijn niet voor poes (2 x)
Jij moet muisjes vangen.

Deze juffrouw was in de kost bij een bakker aan de Korte Streek, die vlak naast de notaris woonde. Later is zij getrouwd met meester Helder, onderwijzer van de 3e klas en ging toen dus van school af. Ik herinner me ook dat toen ze haar eerste kindje kreeg, dat we de baby in de kinderwagen mochten bewonderen.

Koningin Juliana en prins Bernhard bezoeken Lemmer met de ‘Piet Hein’

Ik kan me nog heel goed herinneren uit de tweede klas dat, toen koningin Juliana, samen met prins Bernard, op het jacht ‘Piet Hein’ in september 1950 een tocht door Friesland maakte, daarbij op 26 september ook Lemmer aan deed , na een bezoek aan Sneek. In een krantenartikel, dat ik onlangs kreeg toegestuurd door Pietsje Louwsma, stond: “De Koninklijke stoet kwam tegen zessen in Lemmer aan. Enkele duizenden mensen stonden langs de kant om het paar te verwelkomen. Die dinsdagavond heeft op veel inwoners van Lemmer grote indruk gemaakt.”

 

Alle prominenten uit Lemmer en de kinderen van de lagere scholen stonden opgesteld bij de sluis, waar de ‘Piet Hein’ lag afgemeerd. Burgemeester Krijger verwelkomt Koningin Juliana in Lemmer. Prins Bernard krijgt de tekst van het lied dat de kinderen zullen zingen aangeboden door Pietsje Louwsma. Tjalling Kuipers mocht het lied aan de Koningin overhandigen.

 

 

‘Piet Hein’ met aan boord het koninklijk gezelschap verlaat de sluis.

 

 


Er werden aan de majesteit en de prins natuurlijk ook cadeaus aangeboden: bloemen door Annie van der Wal; een kistje met gerookte paling door Treesje Sterk en stootkussens voor de Piet Hein door een zoon van een zeilmaker (ik dacht dat het een cadeautje van zeilmakerij De Vries was).

 

Koningin Juliana, Prins Bernhard en Trees Sterk


Wij zongen een prachtig lied, waarvan ik de woorden zelf niet meer wist, maar die ik toegestuurd kreeg door Pietsje de Vries-Louwsma uit Creil (inderdaad degene die op de foto staat). Het lied werd geschreven door Fedde Schurer en op muziek gezet door B. v.d. Loon.

Wolkom en Ofskie foar ús Keninginne en Prins

Der’t de Sudersé sûnt ieuwen brûzjend tsjin ‘e haden roun
Der’t de fiskjerman al swalkjend syn bestean op ’t wetter foun
Der’t de boeren melke en meane ûnder sinne en iepen wyn
Leit De Lemmer lyts en krigel tusken sé en greiden yn.

Efter ’t bolwurk fan ús diken as in wacht op Fryslans grins
Slacht it hert fan frije Friezen foar har Keninginne en Prins
Ja, Jim komst yn ús formidden jowt in blide gloarjedei:
Der’t de pompeblêdden waeije waeit de Oranjewimpel mei!

Foarstlik pear, al sjogge wy mei wémoed Jim wer hinne gean
’t Boun fan Fryslân en Oranje sil oer fiere tiden staen
Eala Juliana en Bernhard! Keninklike goudtsjeblom
Nêst de prinslik wite anjer, bliuw ús greatskens en ús rom.

In de derde klas kwam ik bij meester Helder terecht. Wat was die man, oud-militair, streng en wat kon hij gemeen slaan. Als je wat had uitgespookt moest je voor de klas komen en dan kreeg je met een stok (jawel!!) een paar fikse tikken tegen je kont. Ik voel ze nu nog!

Toch kwam daar een abrupt einde aan, toen Jan Deurwaarder, neef van mij, de stok in een onbewaakt ogenblik te pakken kreeg en ‘m liet verdwijnen. Jan had daar al zo vaak mee kennis gemaakt, dat hij er blijkbaar meer dan genoeg van had. Ook daar had echter deze onderwijzer wel weer een oplossing voor: voor de klas komen en je hand op houden. Met een liniaal kreeg je dan een geweldige klap op je hand.

In de tweede, en ik meen ook nog in de derde klas, moesten we schoonschrijven. Voor dit edele vak kwam meester Boiten naar de klas. Hij schreed tussen de rijen door met mooie stempeltjes en een stempelkussen in z’n hand. Als het naar zijn zin mooi genoeg had gedaan, kreeg je een stempel in je schrift. Nou ja, dat wilde je als kind natuurlijk heel erg graag. Kon je het vol trots thuis aan je ouders laten zien. Helaas waren de keren dat ik een stempeltje kreeg zeer, zeer zeldzaam. Schreef ik dan zo slecht?

Het viel me wel op dat enkele leerlingen in de klas rijkelijk voorzien werden van die stempels. Ik begreep dat niet, totdat…….het schoolbestuur zo nu en dan zich liet zien. En de link was gelegd: al die kinderen die van meester Boiten zo vaak een stempeltje kregen, waren kinderen van de leden van het schoolbestuur. Wat voelde ik me als jongetje van 8 jaar enorm gekwetst en wat kreeg ik een hekel aan meester Boiten. Dat werd helaas in de derde klas nog eens versterkt door opmerkingen die hij maakte over mijn oudste zus Annie. Zij moest wel eens thuis blijven bij onze moeder, omdat die nogal vaak ziek was. En dan deed hij dat gewoon open in de klas op een erg onvriendelijke manier, alsof ik daar iets aan zou kunnen doen.

Ook hadden we vaak les van meester Idzenga. Zijn zoon Jelle zat ook in dezelfde klas. Ik vond hem een aardige man. Hij gaf soms les in het Fries. En ook het gebed aan het begin of eind van de schooldag deed hij vaak in het Fries. Zijn oudste dochter was schoolvriendin met m’n zus Annie.

Meester Idzenga gaf ook Franse les, buiten de reguliere schooltijden. Ik heb daar m’n eerste zinnetjes in het Frans geleerd. De eerste was: Maman coupe le pain et papa fume la pipe. Ja, zoiets vergeet je natuurlijk nooit meer.

De vierde klas was het domein van meester Dragt. Op zich vond ik hem een aardige man en hij kon schitterend vertellen en dan hing de klas aan zijn lippen. Toch botste ik, hoe jong ik toen ook was, vaak met hem omdat ook hij zo z’n voorkeuren voor bepaalde kinderen (inderdaad: kinderen van het schoolbestuur) liet blijken; tenminste zo heb ik dat toen ervaren. Ik kon daar echt niet tegen.

 

Maar het werd nog erger, toen op een dag we van meester Boiten een dictee moesten schrijven. Hij las de zinnen voor en dan moesten wij die in ons taalschrift opschrijven. In dat dictee zaten verschillende namen verwerkt van, jawel, de kinderen van leden van het schoolbestuur.
De uitbarsting kwam tijdens een les van meester Dragt. Ik weet niet meer precies hoe het is gegaan. Maar ik moest in de hoek staan en dat vertikte ik. Ben toen de school uit gerend en naar huis gehold en nam me voor nooit meer een stap in die ‘gereformeerde rotschool’ te zetten. Ik was echt helemaal over de rooie en gooide alle frustraties eruit.

 

 

Meester Dragt.

 


De volgende dag is mijn vader naar school gegaan en heeft daar met zowel meester Boiten als met meester Dragt gesproken. Uiteraard moest ik daarna gewoon weer naar de Kon. Wilhelminaschool, maar niet nadat ik van m’n vader te horen had gekregen dat ik niet zo’n Friese stijfkop mocht zijn, m’n ‘hoofd niet in de nek mocht gooien’.

Toch was de sfeer daarna een stuk prettiger en kon ik het ook met meester Dragt en zelfs met meester Boiten weer goed vinden. Meester Dragt had een hart van goud en kon het ook niet helpen dat deze dorpsschool een bepaalde kerkelijke identiteit had (dat kon ik natuurlijk toen niet weten, laat staan begrijpen, ik was toen immers nog maar 9 of 10 jaar).

Ik herinner me ook dat – ik zat, meen ik, al op de Mulo- ik op een avond, terwijl ik op de Nieuwburen was, zag dat er een brancard vanuit een ziekenwagen werd binnengedragen bij dokter Weber. Kort daarna zag ik dat meester Dragt, met een heel bedrukt en ernstig gezicht daar eveneens naar binnenging. Nog diezelfde dag hoorden we dat Jan, de zoon van meester Dragt, bij een verkeersongeluk zwaar gewond was en kort daarop is overleden. Wat een verdriet!
 

In de vijfde klas kwam, nadat meester Idzenga was vertrokken, meester Brondijk. Dat was de liefste onderwijzer die ik me kan herinneren. Wat kon deze man ons ‘bij de les houden’. Hij gaf ons ook muziekles waarbij we eigen muziekinstrumenten mochten gebruiken. Hij speelde zelf prachtig mondharmonica en vond het prima wanneer Haye Dijkstra, kleinzoon van de conciërge, en ik op onze blaasinstrumenten van ‘Crescendo’ speelden.

Inmiddels was meester Boiten naar elders vertrokken. Zijn opvolger was meester Boeijenga. Hij maakte goed wat meester Boiten in al die jaren, waarschijnlijk onbewust, verknoeid had. Een geweldige meester die enkelen uit de klas ook klaarstoomde om naar de HBS in Sneek of in Emmeloord te gaan. Hoewel ik ook bij die groep was, kon ik uiteindelijk toch niet naar de HBS omdat m’n ouders de reiskosten per bus van de ZWN niet konden opbrengen.

Heel veel jaren later, hij was toen al in de tachtig, ben ik meester Boeijenga nog een keer tegengekomen in Heerenveen, waar zijn vrouw toen in het ziekenhuis lag. Het was nog steeds dezelfde innemende man. Mijn vrouw en ik waren toen op bezoek bij Riekje Kuipers, die daar ook in het ziekenhuis lag. Meneer Boeijenga wist nog precies wie ik was (dat zei hij tenminste…). Ook vertelde hij me dat hij na de Kon. Wilhelminaschool naar Sneek was gegaan naar een school voor schipperskinderen (?).

Foto genomen voor ons huis aan de Schoolstraat. Gezin was inmiddels al weer uitgebreid. Nu Annie, Jannes, Leen, Cor, Wico, Marleen en Jan (er zouden nog twee kinderen volgen)

 

Zoals al eerder is aangestipt hadden mijn ouders het niet zo breed. Elk dubbeltje moest worden omgekeerd voor het kon worden uitgegeven. Ook als kinderen voelden en merkten wij dat. Bij voorbeeld als er een schoolreisje was. Een paar ervan heb ik niet mee kunnen maken omdat m’n ouders er geen geld voor hadden. Ik herinner me dat ik een van die keren ben gaan vissen bij het stoomgemaal in Tacozijl met een zelf gemaakte hengel en een plak brood. Daar lagen roeiboten (ik denk voor sportvissers) langs de kant en zo’n roeiboot was een ideaal plekje om te vissen en daar kon ik dan m’n gedachten verzetten en m’n frustratie kwijt.

Ook herinner ik me dat een ander jaar wij weer niet met het schoolreisje mee konden. Op een dag kwam meester Boiten de klas binnen en vroeg wie er niet mee zou gaan met het schoolreisje. Ik stak dus als enige m’n hand op. Met een geweldige glimlach vertelde hij toen dat ik wel mee zou gaan. Blijkbaar was er nog een potje gevonden voor zulke armlastige gevallen. Ik was natuurlijk ontzettend blij.

Ik noemde ook de naam van Haye Dijkstra. Hij was een fijne kameraad met wie ik het heel goed kon vinden. Namen van enkele andere klasgenoten aan wie ik heel positieve herinneringen heb, zijn: Douwe Roos, Hylke Mintjes, Steven Visser, Jan Kuipers en Teun Frankema.

Ook was er in de laatste klassen een meisje dat ik toch wel heel erg lief vond. Haar naam was Riekje Kuipers. Ze kon erg goed leren en heeft een klas overgeslagen. Zij woonde in de Lennastraat, dichtbij de school. Haar vader werkte bij de Zuiderzeewerken op kantoor. Riekje is helaas enkele jaren geleden, na een lang ziekbed, overleden.

Ook een ander klasgenootje, Trijntje Staal, was een ontzettend lief kind. Trijntje woonde in een binnenschip dat aan de Polderdijk lag afgemeerd, vlakbij de scheepstimmerwerkplaats van Piet de Jong. Haar vader werkte als stuurman op de Lemmerboot, de ‘Jan Nieveen’.

Hierboven schreef al ik dat ik Riekje toch wel heel erg lief vond. Of Riekje daar ook zo over dacht wist ik niet, maar kwam daar onverwacht bij het knikkeren achter. Want ik herinner me heel duidelijk dat Riekje eens met Trijntje Staal aan het knikkeren was en ik daarbij stond te kijken en wat plagerig was. Riekje zei toen tegen mij: Leendert, asto net ophoadst, wol ik net mer mei di gean (ik geef het maar even weer in fonetisch Fries...) Nou je snapt wel dat ik toen onmiddellijk weer lief voor haar was, want, al was het nog zo pril, wat was ik toen gek op dat meisje (en we zaten nog maar op de Lagere School!).

Ik wil nog een naam noemen van een fijne kameraad, die helaas al heel jong is gestorven aan leukemie. Zijn naam is Bartje van de Hoek en hij was nog maar 8 jaar. Na zijn overlijden in het ziekenhuis in Sneek, lag Bartje opgebaard in z’n kistje in de Ger. Kerk aan de Nieuwburen. Haye en ik zijn toen naar de kostersvrouw, die bij de kerk woonde, gegaan en mochten toen Bartje even zien door het luikje in zijn kist. Bartjes dood was al het tweede grote verdriet in dat gezin, want nog niet eens zo lang ervoor was ook Liesbeth van de Hoek, vriendin van mijn oudste zus Annie, ook al overleden aan leukemie.

 

Haye Dijkstra Sr, conciërge van de Kon. Wilhelminaschool.

 

Haye z’n opa heette ook Haye, en zoals gezegd, was hij de conciërge van de Kon. Wilhelminaschool. Hij had de wind er goed onder bij de kinderen. Ondanks dat hij een hart van goud had, was hij heel streng. Zomaar door de gang van de school lopen was er zeker niet bij, dan kon je een schop onder je achterste verwachten. En zo gebeurde het een keer dat ook ik me ergens onbevoegd in de school ophield. In mijn angst om die schop af te weren greep ik met m’n hand naar achteren en kreeg toen de schoen van de conciërge te pakken. Ja, en toen lag hij op de grond. Ik zal zeker een fikse uitbrander hebben gekregen, maar daar heb ik geen herinnering meer aan.

Oude Haye kon bijzonder goed trompet spelen en z’n dagelijkse blaasoefeningen deed hij in zijn werkkamer. Ondanks dat hij probeerde zacht te spelen, was zijn spel door de hele school te horen.
Mijn goede vriend Haye had later de trompet van z’n opa als een kostbaar kleinood een plekje in de woonkamer gegeven.

Schoolstraat 12.

Het gezin Bosma woonde dus vanaf ongeveer het einde van de oorlog aan de Schoolstraat nr. 12. In het rijtje bevonden zich 4 woningen. Wij woonden in de derde woning, gerekend vanaf de Bantegastraat.

In de eerste woning woonde de familie Zandstra. Buurman Zandstra werkte, voor zover ik me dat herinner, bij de Zuiderzeewerken in de NOP. Ik vond buurvrouw Zandstra een heel lieve en vriendelijke vrouw. Ze hadden, meen ik me te herinneren, 3 kinderen, twee dochters en een zoon. De namen van de meisjes: Froukje en Grietje. De naam van m’n buurjongen is me ontgaan. We konden het als buurkinderen goed met elkaar vinden. Zaten ook op dezelfde lagere school. Froukje zat bij mijn broerJannes in de klas. Nog niet zolang geleden kwam ik Froukje en Grietje, die beiden nog steeds in Lemmer wonen, tegen op Facebook. Leuk om elkaar na zovele jaren weer op dit medium tegen te komen.

Tussen ons en de familie Zandstra woonde eerst de familie Plantinga. Zij hadden geen kinderen. Wel hadden ze een grote, lieve hond met een donkere gestroomde vacht. Na hun verhuizing woonde daar de familie Jongsma. Zij exploiteerden de eerste echte patatkraam van Lemmer op de Schulpen.

 

Je kon altijd heel goed horen wanneer de aardappelen voor de patat werden gesneden. Wanneer de gehaktballen werden gebraden, kon de hele buurt meegenieten van die heerlijke lucht. Ze hadden, vier kinderen, twee jongens en twee dochters. Met de jongens en de meiden konden we heel goed opschieten en we hadden met hen dan ook wel een leuk contact. Jammer dat onze ouders het niet zo goed met elkaar konden vinden.

Aan de andere kant van ons woonde eerst nog Meester Glastra van de lagere Kon. Wilhelminaschool. Daarna het jonge gezin Sterk, van de zeilmakerij aan de Schans. Na hun verhuizing kwamen de heer en mevrouw Doolstra daar te wonen. Zij waren tot aan de pensionering eerst inwonende conciërge en beheerder, geweest van het pand aan de Kortestreek van het waterschap “De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten”.

 

Het waren heel lieve mensen met wie ik het heel goed kon vinden. Zelfs in de tijd dat ze nog aan de Kortestreek woonden kwam ik wel eens bij hen thuis. Ik was altijd heel erg gefascineerd door een apparaat dat daar in de keuken hing en waarop, als het belletje ging, je kon zien wanneer de conciërge naar een bepaalde kantoorkamer moest komen voor, bij voorbeeld koffie o.i.d.

Achter ons huis, aan de Bantegastraat, woonde de familie Van der Bijl. Zij hadden ook dochters en een zoon. Het was een rustig en vriendelijk gezin. Vader en moeder Van der Bijl zeiden nooit zoveel. Mogelijk ook omdat buurman Van der Bijl bij het praten moeite had met bepaalde letters. Hij was een enthousiaste tuinier, want achter hun huis had hij een grote moestuin waarin hij groenten en aardappels verbouwde.

Ik herinner me dat een van de buurmeisjes Van der Bijl op een nacht is gaan slaapwandelen en toen uit het raam van de slaapkamer is gevallen. Groot paniek uiteraard. Zij moest naar het ziekenhuis en had een zware hersenschudding. Toch is alles weer goed gekomen.
Naast de familie Van der Bijl woonden meneer en mevrouw Sterk. Ik meen me te herinneren dat de familie een palingrokerij in Lemmer bezat aan de Emmakade. Zij waren al redelijk op leeftijd. Meneer Sterk had een scheef gezicht en praatte moeilijk. (Ik denk nu dat hij een beroerte had gehad).

In die tijd spaarde ik sigarenbandjes en aangezien meneer Sterk veel sigaren rookte, kwam ik nogal eens bij hen aan de achterdeur voor een sigarenbandje. Soms kreeg ik een toch wel heel mooi exemplaar. En die ging dan in het sigarenband schriftje. In de bladzijden had ik met een scheermesje van m’n vader sneetjes gemaakt, waardoorheen de sigarenbandjes werden gestoken.

 

Helaas staat het rijtje woningen aan de Schoolstraat op de nominatie om gesloopt te worden.

 

 

Vakantiekamp Sondel.

In het laatste schooljaar ging onze klas naar Sondel voor een school kamp in de voormalige bunkers van de bezetters. Heerlijke dagen met ontzettend veel lol en natuurlijk de bekende wandelingen door bos en velden. Ook meester Boeijenga was van de partij. Op de foto zit hij onder de vlag. Zelfs hebben we een nachtwandeling gemaakt. Een van de leidsters, die meeging, was de moeder van Anna van der Neut. Een lieve vrouw die een smeerseltje tegen muggen bij zich had en dat ruimhartig aanbracht op de blote armen en benen. Op een of andere manier kreeg ik in het vakantiekamp een reveilhoorn in handen en moest ’s morgens reveil blazen. Leuke herinnering.

 

In Sondel op vakantiekamp.

 

Nog wat slaperig hangen Peke Ritsma en Steven Visser uit het raam.

 

 

Mijn zus Annie, die een jaar of vijf ouder was dan ik (helaas is ze in 2002 al overleden) had een groot aantal vriendinnen. Op zaterdagavond was het bij ons thuis de zoete inval, want dan ging mijn vader patat bakken. Wanneer wij allen heerlijk door het dorp hadden gezwalkt, en weer naar huis gingen, wachtte daar de heerlijke patat. De kamer zat was dan gezellig vol en iedereen genoot van een patatje met mosterd of piccalilly.

Op de boerderij van Hylke van der Gaast.

Eén van de vriendinnen van Annie was Lena van der Gaast. Zij woonde op de boerderij aan de Straatweg, halverwege Eesterga. Haar broer Hylke was daar boer, sinds het overlijden van haar vader. Annie had in de Noordoostpolder bij een boer aan het Schoterpad leren melken. En dat kwam aardig goed uit, want Hylke moest de koeien nog met de hand melken. En hij vond onze Annie best aardig.

En zo gebeurde het dat ook ik wel eens bij Hylke op de boerderij kwam en daar ook leerde melken. Ik vond het prachtig dat ik als 10-jarige al op zo’n melkstoeltje mocht zitten. Ook leerde ik er mennen, de paarden het tuig aandoen, drainagegeulen in het land schoonmaken, de mestgoot, de grobbe, schoonmaken en de mest de mestvaalt opkruien staarten wassen en nog een heleboel andere dingen. Ook mocht ik zijn motorfiets, een prachtige ééncilinder van het merk Sarolea, poetsen.

Nu was Hylke een oom van Riekje Kuipers. Haar moeder was een zus van Hylke. Dus mijn belangstelling ging gaandeweg niet alleen uit naar het werken op de boerderij, maar toch ook naar die lieve Riekje die heel vaak bij haar beppe op de boerderij was. Wanneer ik zaterdags bij Hylke meewerkte op de boerderij kon ik ‘s-middags wel een boterham mee eten. Wat ik me nog herinner en wat grote indruk op mij maakte was een schemerlamp die bij beppe v.d. Gaast in de kamer stond. Wanneer de schemerlamp aan stond dan zag je de Niagara Waterval waar het water naar beneden stroomde. Toen dacht ik: ik wou dat ik die waterval eens in het echt zou kunnen zien. Die kinderdroom is vele jaren later uitgekomen toen ik in Canada op bezoek was bij familie en weer later bij vrienden.

Wa stjonkt hjir sa!’

Het gebeurde dat ik op een zaterdag bij Hylke was en dat ik de gier op het land mocht uitrijden met paard en wagen. De tank die op de kar stond, moest eerst volgepompt worden. Dat ging uiteraard met de zwengelpomp. Daarna met de wagen en het paard ervoor naar het land.
Nu waaide het nogal hard en Hylke zei: Je moet alleen tegen de wind in de gier over het land sproeien.

Aan het eind trek je de gierklep dicht. Dan rijd je terug en dan weer tegen de wind in (uiteraard zei hij dat in het Fries). Zo doe je dat tot de tank leeg is. Maar eigenwijs als ik was, keerde ik aan het eind van het weiland, de kar met giertank en ging, ook met de wind in de rug, gewoon door met giersproeien, want dat scheelde heel veel tijd. Na een paar keer heen- en weer rijden was de tank leeg. Maar mijn overall en de rest van de kleren waren redelijk doorweekt door de gier die naar voren was gewaaid.

Nu moest ik die dag ook naar kapper van Dijk aan de Nieuwburen. Zonder blikken of blozen ging ik daar ‘s middags naar toe. Na enkele minuten wachten was de hele kapsalon vergeven van de mestlucht. Zelf had ik dat niet in de gaten, maar toen de vrouw van de kapper naar binnenkwam, riep ze verschrikt: ‘Wa stjonkt hjir sa!’ Nou ja, het was van m’n gezicht af te lezen dat ik het was. Ik werd meteen de kapsalon uit gebonjourd. En thuisgekomen moest ik alles uittrekken in het schuurtje achter ons huis en me daar van top tot teen wassen en verschonen. Want ook thuis kwam ik er niet in met die smerige strontlucht.

Nu ik het over een mestgeur heb, moet ik er ineens aan denken dat ik bij Hylke aan het werk was op een winterse dag. Het had gevroren en heel licht gesneeuwd,. Ik moest de kruiwagen met de mest uit de grobbe, de strontgoot achter de koeien, naar de mestvaalt achter de boerderij kruien. Er lag een ook een heel dun laagje sneeuw op de plank die schuin omhoog liep naar de mestvaalt en waar ik overheen moest met de volle kruiwagen. Maar o, wat was die kruiwagen vol stro en stront en wat was die ontzettend zwaar.

Dus, zodra ik buiten de stal was, even een flink gangetje gemaakt om boven op de mestvaalt te komen. De eerste paar meters omhoog ging het goed, maar toen gleed ik uit op de gladde plank en verloor m’n evenwicht. De kruiwagen kantelde en de inhoud stroomde er uit. En ik dook in m’n overal voorover in de nog verse stront. Ik zat er onder van top tot teen. Toch de kruiwagen weer op de plank getrokken en weer de bult af richting stal. Daar heb ik 'm maar laten staan. Ergens heb ik een kraan gevonden en heb m´n gezicht een beetje schoongemaakt. Toen naar huis op de fiets waar ik m´n moeder verraste met de viezigheid. Zij was daar natuurlijk ook niet erg blij mee. In de schuur helemaal gestript en van top tot teen gewassen en in de schone kleren. En wat een afschuwelijke lucht daar in dat schuurtje.

In de bietentijd ging ik zaterdags enkele keren mee naar de NOP om bietenkoppen op te halen. Twee wagens op luchtbanden aan elkaar gekoppeld en ook twee paarden ervoor. Hylke ging met z’n motor of auto en de knecht (Rikus?) met de wagens. De bietenkoppen werden gehaald bij landbouwers in de buurt van Bant. Deze boeren verbouwden alleen maar landbouwgewassen en hadden dus zelf geen koeien. Ze wilden de bietenkoppen dus heel graag kwijt. Het opladen van die bietenkoppen was voor mij heel zwaar werk. Aan het einde van zo’n dag was ik dan ook helemaal versleten en lag dus al vroeg in m’n bed, want zondagmorgen begon de kerkdienst wel om 09.30.

 

 

Op de voorgrond het bootje dat melkbussen en scholieren uit de Brekkenpolder naar Lemmer vervoerde.

Herinneringen aan Lemmer (3)

Als jongen genoot ik enorm van de binnenscheepvaart. Blijkbaar zat dat toch ook wel in de genen, niet alleen vanwege het feit dat ik geboren was op de sleepboot ‘Coja’, maar ook omdat mijn opa Jannes Bosma, schepen over het IJsselmeer loodste en mijn oom Cor inmiddels op de ‘Coja’voer. Omdat mijn vader vanwege zijn beroep als bevrachtingsagent dagelijks met veel schippers te maken had, kwam ik daardoor nogal eens op een binnenschip en kreeg soms ‘tijdelijke’ vriendschap aan kinderen die op schepen woonden en soms in Lemmer een paar dagen naar de lagere school gingen.

Zo ontmoette ik ook eens een heel vriendelijk meisje met de bijzondere naam ‘Janke’. Haar ouders hadden een binnenschip waarvan de motor kapot was en, voor zover ik me dat herinner, de hele roef onder de zwarte smeerolie zat. Blijkbaar was er geen geld om de motor te laten repareren en het schip moest ‘geboomd’ worden.

Maar ook Lemmer zelf kende een paar schepen, beter gezegd een paar pramen, die geboomd moest worden. Dat waren de ‘jiskepream’ en de ‘strontpream’. Met de ‘jiskepream´werd de vuilnis vervoerd naar de stortplaats Siberië’. Aan de strontpream zat meestal een vies luchtje, maar ook een bijzonder verhaal!

De ‘strontpream’

De strontpream was bedoeld om de houten poeptonnen die nog in veel oude huizen waar nog geen wc was, in de ‘huuskes’ stonden , te vervoeren naar ‘Siberië’. Dat was de vuilstortplaats van Lemmer aan de weg naar Tacozijl, net voorbij Villa Nova. De poeptonnen werden omgeruild voor een lege en de volle tonnen werden, met een houten deksel erop, op een speciale kar opgehaald en naar de Kortestreek gebracht waar ze in de strontpream geladen werden.

Wanneer de pream vol was met de gevulde tonnen moest deze naar Siberië gevaren worden.
En de voorstuwing was dus met de boom. Dat was een lange stok met een speciaal uiteinde, die door de schipper in kanaalbodem werd gestoken en door van voren naar achteren te lopen in het gangboord van de pream, ging de pream naar voren, kreeg deze vaart en ging zo met z’n kostbare lading op weg. Als de strontpream eenmaal een gangetje had, was deze achterin met het roer dan ook goed te besturen.

 

Lossen van de lege en laden van de volle stronttonnen. Op de achtergrond is de 'Jan Nieveen' te zien aan de Emmakade.

 

Nu lag in die tijd, het zal in het begin van de vijftigerjaren zijn geweest, er nog een oude smalle draaibrug tussen de Langestreek en de Kortestreek, ter hoogte van het Waaigat. Later is deze vervangen door de huidige basculebrug.

Het was dus voor de schipper van de strontpream erg prettig als de brug tijdig open ging, zodat hij de vaart in de pream kon houden om vlot door de opening te komen.
Maar als de brug te laat openging, dan moest de schipper van de strontpream, deze met behulp van de boom, afstoppen. Dat was niet zo leuk, want dan moest later de pream, als dan de brug was opengedraaid, weer op snelheid worden gebracht. Beide manoeuvres, het afstoppen en weer op gang brengen, vergde een grote inspanning van de schipper en gaf natuurlijk bij hem ook grote ergernis.

Van mijn vader hoorde ik het verhaal dat een van de schippers van de strontpream in onmin was geraakt met de brugwachter. Blijkbaar had de schipper nogal eens moeten afstoppen en wachten omdat de brug door deze brugwachter te laat werd opengedraaid. Begrijpelijk dat de schipper zich nogal boos maakte. Flinke scheldpartijen over en weer waren het gevolg.

Op een zekere dag was het weer zover. De pream moest door de draaibrug, maar deze ging niet tijdig open. Dus moest de schipper de pream weer gaan afstoppen om te voorkomen dat die tegen de brug aan zou varen. De schipper was woest en de scheld- en vloekwoorden waren niet van de lucht.

Toen uiteindelijk de brug na een tergende wachttijd open was gedraaid, kwam de pream naar voren en voer met een kalm gangetje de brugopening in. De schipper, nog steeds woedend, stroopte z’n mouwen op, boog zich voorover, pakte het deksel van een strontton af en graaide handen vol stront en bekogelde daarmee de brugwachter. Maar ja die kon niet weg, want hij stond zelf op de geopende draaibrug en kon alleen maar proberen de drollen te ontwijken.

Hoe deze ruzie is afgelopen, zegt het verhaal niet, maar wel heb ik begrepen dat daarna de brug met respect voor de schipper steeds vlot werd geopend voor de strontpream.
De tonnetjes werden op Siberië leeg gestort in een strontgoot en de inhoud kwam op een stortplaats terecht. De geleegde tonnen werden in een grote bak met lysol omgespoeld en klaargezet voor de volgende poepronde.

Zelf ben ik als kleine jongen ook enkele keren met de praem meegeweest en mocht dan achterin het roer bedienen. Ja, dan voelde je je echt ‘kapitein op de strontpream.
Toen wist ik echter nog niet dat ik jaren later zelf als Stuurman op zeeschepen van de Holland Amerika Lijn zou varen en weer later als Register-loods in Rotterdam-Rijnmond duizenden schepen zou loodsen.

Herinneringen aan Lemmer (4)

Behalve de bekende ‘strontpream’, waarover ik vertelde in deel 3, waren er nog een paar schepen in Lemmer waar ik als kind toch wel iets mee had.

Sleepboot Femmy.

Om te beginnen was daar de Femmy, een heel klein, lief sleepbootje dat eigendom was van de steenkolen handel van Gosse Wierda. De Femmy sleepte en verhaalde de kolenschepen, meestal Rijnaken zonder eigen voortstuwing, van en naar de Tramhaven waar het kraanschip van Gosse Wierda lag.

De machinist van deze door stoom aangedreven kraan was Atte Duiker. Hij was vader van Jaap, een klasgenoot van me. Een erg driftige man in mijn beleving als kind. In de Tramhaven werden de steenkolen overgeslagen in andere binnenschepen, maar ook naar de wal om verder naar de opslagloodsen in de buurt van de oude sluis, naast het kantoor van m’n vader, te worden getransporteerd.

Wat me nog heel helder voor de geest staat, is dat de Femmy natuurlijk ook wel een slokje brandstof lustte. De kapitein van de Femmy, Oepke de Boer moest zelf met behulp van een speciale roterende vlinderpomp (met heen- en weerzwengel), die met de inlaatpijp in een olievat werd gezet, de olie overpompen in de bunker van de sleepboot. De olievaten werden met een vrachtauto aangevoerd en stonden op de Prinsessekade t.h.v. het oude tramstation.

Overigens was deze kapitein een bijzonder aardige man, die bij mij altijd heel goed gemutst overkwam. De kapitein van de Femmy woonde aan de Vissersburen. Vaak lag zijn bootje bij hem voor de deur (de Rien langs de Vissersburen was toen nog niet gedempt). Op een bepaalde morgen bleek de Femmy op onverklaarbare wijze gezonken. Dus groot alarm. Brandweer erbij, maar ook werd de ‘Jan Nieveen’ ingezet om de Femmy weer boven water te krijgen.

 

 


Ik kan me herinneren dat er kabels of kettingen aan de Femmy waren bevestigd die omhoog door de ankerkluis gingen. Met inzet van alle aanwezige hulp is de Femmy weer drijvend gemaakt. Maar of ze daarna nog voor de steenkolenhandel heeft gevaren, dat weet ik niet meer. Wel weet ik dat de kapitein van de Femmy later machinist is geworden op de grote kraan bij de, toen nieuwe, scheepswerf Bijlsma, net buiten Lemmer, aan het begin van de Noordoostpolder.

‘Jan Nieveen’

De naam ‘Jan Nieveen’ heb ik al even genoemd. Het was een gecombineerd passagiers- en vrachtschip dat regelmatig tussen Lemmer en de Ruijterkade achter het Centraal Station in Amsterdam voer. Ze werd dan ook aangeduid met de naam ‘Lemmerboot’ en iedereen wist dan waarover je het had. Wat ben ik vaak met dat prachtige schip meegevaren naar Amsterdam, waar mijn oma en opa Bosma woonden aan het Droogbak, in de buurt van het CS. Ook de terugreis naar Lemmer ging met de Jan Nieveen.

 

De 'Jan Nieveen', hier bij de Ruijterkade, in Amsterdam.

 

Jan Nieveen, nog stoomschip, afgemeerd aan de Emmakade in Lemmer.

 

Jan Nieveen, varend ‘onder stoom’

 

 

 

Jan Nieveen, nu motorschip, uitvarend uit de sluis van Lemmer op weg naar Amsterdam.

 

 

In de zomer, als het erg druk was, voeren er soms nog twee andere schepen tussen Lemmer en Amsterdam. Dat waren dan de stoomschepen IJselstroom en Waalstroom. De IJselstroom was wit en de Waalstroom zwart. Maar beide hadden een prachtige triple-expansie stoommachine (kwam ik later pas achter), waarmee ze een aardige snelheid konden varen. Zelfs iets sneller dan de Jan Nieveen. Ze meerden af aan de remming buiten de sluis, maar ook wel eens in de tramhaven en moesten dan zowel vooruit als achteruit door de smalle opening van het bruggetje over het begin van de tramhaven. Wat een manoeuvreerkunst om de schepen in de Voorhaven of de Tramhaven voor de kant te krijgen.

 

"IJselhaven" (voormalige Jan Nieveen), terwijl deze achter de zojuist naar zee vertrokken "Nieuw Amsterdam" vaart.

 

Ik herinner me nog heel goed dat ook de Jan Nieveen nog een triple-expansie stoommachine had. Als je aan dek door de deur in de machinekamer keek, zag je de stoker/machinist druk bezig met het stoken van de ketel met van die grote brokken steenkool. Er hing ook altijd een speciale lucht van stoom, vermengd met smeerolie, in het gangboord. En vaak moesten de as en de sintels overboord. Dat ging dan via een speciale stortkoker.

Op een zekere dag zagen we haar weer Lemmer binnenkomen nadat ze een tijdje uit beeld was geweest. In welk jaar dat was, weet ik niet meer. Ze had een dieselmotor gekregen. De zo kenmerkende lange zwarte schoorsteen was vervangen door een korte stomp van een schoorsteen met aan de voorkant de grote scheepshoorn.

Van stoomschip tot motorschip was wel een erg grote verandering. Van de rustige stampende stoommachine naar een dieselmotor die meer trillingen en lawaai in het schip veroorzaakten. Maar verder bleef het een heerlijk schip, dat bij mij allerlei gevoelens en vergezichten opriep.

Al eerder heb ik vermeld dat ons groeiende gezin brood kocht bij bakker Vonk. Theo, de knecht van bakker Vonk, was altijd heel vroeg aanwezig in de bakkerij aan het begin van het Turfland (tegenover de kerk van de Ger. Gemeente).

 

In de zomermaanden vond ik het altijd fijn om ’s morgens vroeg de Lemmerboot te zien binnenkomen. Nu was de kapitein van de Lemmerboot gewend om bij het passeren van de Rotterdammerhoek (knik in de dijk van de Noordoostpolder) het zware geluid van de scheepshoorn te laten klinken. Dit om alle belanghebbenden in Lemmer alvast te laten weten: we komen er aan. Het geluid was in Lemmer heel goed te horen, zeker wanneer de wind uit die hoek kwam.


Altijd wanneer de Jan Nieveen ging blazen, werd ik wakker van het zware geluid. Ik stapte dan vliegensvlug uit bed. Kleedde me aan, stak m’n hoofd onder de keukenkraan om me wat op te frissen en ging de deur uit. (Ja, m’n vader en moeder wisten ervan en vonden dat wel goed)
Als eerste ging ik dan naar bakkerij Vonk. Even gezellig een babbeltje met Theo maken. Daar hoorde ik dan de Lemmerboot weer blazen als die in de buurt van het “einde van de dam” was. Voorzien van een lekker stuk koek ging ik dan naar de sluis en kon de Jan Nieveen zien binnenvaren.

 

 

Lemmersluis, binnenste sluisdeuren.

 

 

Op de sluis stonden aan beide zijden dan twee sluiswachters die de sluisdeuren en de schuiven met de hand moesten openen en sluiten. Eén van die sluiswachters was de vader van m’n goeie en echte vriend Haye Dijkstra (helaas is ook Haye op veel te jonge leeftijd overleden). De sluiswachters woonden in dienstwoningen bij de sluis.

Wanneer de Jan Nieveen langzaam de sluis in schoof, zag ik de kapitein aan dat enorme stuurwiel draaien en de machine bedienen. Dat binnenvaren en afmeren maakte een geweldige indruk op me. Ik herinner me nog een paar namen van kapiteins: de Boer en Bijlsma (?) en Bouwman. Een van de stuurlieden was de vader van Trijntje Staal, een lief klasgenootje dat ik al eerder heb genoemd. Tijdens een van de reizen naar Amsterdam, mocht ik ’s nachts een tijdje in het stuurhuis zitten. Wat genoot ik en wat had ik een grote bewondering voor de kapitein en stuurman dat zij de weg wisten op het IJsselmeer!

Ook het binnenvaren in Amsterdam was een belevenis. Eerst het buiten-IJ, dan de Oranjesluizen, het IJ en dan het afmeren aan steiger aan de Ruijterkade. Als dan de Jan Nieveen in de Lemmersluis was afgemeerd, mocht ik wel eens aan boord komen en mee varen naar de ligplaats aan de Emmakade. Ik maakte dan mee dat het schip in de Binnenhaven over stuurboord ging zwaaien en achteruit naar de ligplaats werd gemanoeuvreerd. Het maakte allemaal een onuitwisbare indruk op me!

De hofmeester op de Jan Nieveen was in mijn kinderjaren de heer Verschoor. Die keren dat ik als kind 's nachts met de Jan Nieveen meevoer, zag ik dat hij aan z'n bar met de machinist zat te 'knobbelen'. Ik hoor nog het rammelende geluid van de knobbelstenen in het bekertje! Jaren later kwam ik hofmeester Verschoor weer tegen in Emmeloord. Hij beheerde daar het koffiehuis bij het busstation.

Tijdens m'n jaren als Stuurman bij de Holland Amerika Lijn en gedurende de eerste jaren dat ik loods was in Rotterdam-Rijnmond heb ik de Jan Nieveen heel vaak op de Nieuwe Maas bij Rotterdam gezien. Het schip was veranderd in een partyschip door de extra accommodatie op het voorschip. Het inmiddels wit geschilderde schip had ook een andere naam gekregen: 'IJsselhaven' en weer later 'Wolga’. En steeds kwamen die nostalgische herinneringen en gevoelens weer boven drijven.

 

De ‘Jan Nieveen’, wow, wat een mooi schip en wat een nostalgische herinneringen heb ik aan haar.

 

Jan Nieveen als IJselhaven aan de Boompjes in Rotterdam.

 

‘Jan Nieveen’ als ‘F.P. von Knorring’ in Mariehamn (Finland) waar het als restaurant wordt geëxploiteerd.

Uit een e-mail contact in augustus 2013 met de huidige eigenaar van de “F.P. von Knorring” (de voormalige Jan Nieveen), is gebleken dat, in tegenstelling tot sommige berichten, het schip, verbouwd en ingericht als restaurant, niet te koop is. Er werd bij gezegd dat er heel goed voor het schip wordt gezorgd, gezien ook de bewogen historie van het schip.

Herinneringen aan Lemmer (5)

Werken in de polder.

Omdat mijn vader maar een eenvoudige kantoorbaan als bevrachtingagent bij de overheid had en m’n ouders een groter wordend gezin hadden te onderhouden, hadden zij het niet zo breed. Wij als kinderen dus ook niet. Zakgeld was er helemaal niet bij. We vonden het dan ook heel normaal om in de vakanties bij de boeren in de NOP een baantje te zoeken om wat te verdienen. Aan het eind van de zomervakantie ging dan het hele gezin op de bus naar Sneek, en werden we bij C&A in de nieuwe kleren gezet.

Het werken ’s zomers bij de boer in de NOP bestond uit: aardappelloof trekken, aardappel rooien of aardappel rapen. De landbouw was toen nog niet erg gemechaniseerd, dus het oogsten van veel landbouwproducten ging nog met de hand.

Zo hebben m’n zus Annie, broer Jannes en ik heel wat kilometers over de aardappelvelden gekropen bij boer Lubberding en Jaarsma op de Hopweg. De rijen met aardappelen waren 300 meter lang (zoals alle landerijen van de boeren in de NOP). En natuurlijk probeerde je per dag een paar rijen te trekken, te rooien of te rapen. De snelheid werd vooral bepaald door het soort werk wat je deed, omdat het rooien van de ‘gelichte’ aardappelen nu eenmaal een stuk zwaarder was dan het alleen maar oprapen. Per meter kreeg je, ook weer afhankelijk van de zwaarte van het werk, voor zover ik me dat kan herinneren, maximaal één cent.

Er waren ook volwassen mannen die dit werk echt voor hun boterham deden en die konden natuurlijk veel sneller looftrekken of aardappelen rooien of rapen. Zij hadden armen als boomtakken en handen als kolenschoppen. Wij met onze korte armpjes en kleine handen kwamen daar dus helemaal niet aan te pas. Maar, we deden ons best en probeerden toch, om de mannen bij te houden, wat uiteraard niet lukte. Nu werd er elke dag door de boer uitbetaald voor het aantal meters dat je had gewerkt.

Wat me toen als kind al opviel, was dat boer Lubberding, een nogal lange man, enorme passen nam (elke pas van z’n lange benen moest één meter voorstellen) en dan bleek plotseling dat het veld een stuk korter was geworden. En protesteren, wat we uiteraard deden, hielp niet. Want dan kon je wel weg blijven. En we waren al heel blij dat we dat baantje hadden. Bij boer Jaarsma vond ik het een stuk prettiger werken. Na kantoortijd kwam onze pa Jan op de fiets vaak naar ons toe en ging dan ook meehelpen. Ja, het waren heel lange dagen daar in de polder.

De Lemmer Houtmolen afgebrand.

Het was op een mooie zomerse dag dat Annie, Jannes en ik op het veld bij boer Lubberding aan het werk waren, toen we plotseling op een wat vreemd tijdstip de stoomfluit hoorden van de Houtzagerij in Lemmer. En die fluit bleef maar blazen. Toen we die kant opkeken, zagen we dat er grote rookwolken omhoog krulden. De stoomhoutzagerij van Lemmer stond in brand.

Maar ja, we waren wel erg nieuwsgierig en vonden het heel spannend, toch bleven we nog een tijdje op het land werken voordat we naar huis fietsten. Bij Lemmer aangekomen, was er bijna geen doorkomen aan door de drukte en het was goed te zien dat het grootste gedeelte van de houtzagerij toen al was afgebrand.

 

De brand van de "Houtmolen" (Halbertsma Pallets) aan de Polle in Lemmer, daar gingen in 1953 drie woningen en de houtopslag van de Houtmolen , in vlammen op.  Jongens stookten een vuurtje....Enorme brand te Lemmer legt houtloods, vijf huisjes en wagenmakerij-tje in de as. Brandweerploegen uit de wijde omtrek hielpen bij het blussingswerk, schade meer dan twee ton.

 

Bij de brand te Lemmer bleven, dankzij de windrichting, de hoofdgebouwen van de stoomhoutzagerij gespaard. Desondanks leed het bedrijf, naar men schat, een schade van meer dan twee ton. Op straat was het één wirwar van slangen: het vuur werd bestreden met 21 stralen.

 

Van Fritsina Grijpstra, geboren in Lemmer in 1953, kreeg ik nog een aanvulling over het bericht van deze brand. Haar moeder moest, een paar dagen nadat ze bevallen was van Fritsina, met haar jonge gezin geëvacueerd worden vanwege de hitte in hun huisje en gevaar van overslaan van het vuur. Hun huisje stond vlakbij de houtmolen.

Het werken met drie paarden.

Ook op onze vrije dagen en andere schoolvakanties waren wij veel bij een boer in de NOP te vinden om daar een paar centen te verdienen. Zo heb ik vaak gewerkt bij boer De Laat aan de Lemsterweg (de weg naar Bant). Ik was toen elf jaar.

In het najaar, op zaterdagen en in de herfstvakantie heb ik bij boer De Laat heel veel bieten getrokken. Ik vond dat ontzettend zwaar werk. Maar vooral heb ik veel knollen geplukt. De bieten werden keurig op een rij gelegd, werden gekopt met een speciaal mes. De knollen werden op hopen gegooid en daarna op de wagen geladen. Voor die wagen stonden naast elkaar drie (!) paarden.

Met een volle lading ging het dan naar de boerderij, vaak was het dan al bijna donker, waar intussen boer De Laat al aan het melken was. Boer De Laat was een echte paardenliefhebber. Nu had zijn buurman een paard dat nogal wild en onhandelbaar was. Die buurman wilde dat paard van de hand doen, d.w.z. naar de slager! Toen heeft boer De Laat dat paard overgenomen en als het voor de wagen moest, spande hij het tussen zijn twee andere paarden in. Daar liep dat paard in alle rust en deed z’n werk.

Ik vond het een ontzettend lief paard en kon er heel goed mee overweg. Zo goed zelfs dat ik op een dag met het paard op pad werd gestuurd naar Rutten, naar de hoefsmid.
Ik heb toen eerst het paard het tuig aangedaan, daar kon ik dan m’n voeten inzetten; halster om en een paar korte leidsels. En daar ging Leendert Bosma als een trotse ruiter op het z.g. wilde en afgeschreven paard naar de hoefsmid in Rutten.

In Rutten werd het bij de hoefsmid geparkeerd in een speciale zware houten constructie die eigenlijk bedoeld was voor zware Belgische paarden. Deze grote en beresterke paarden waren in de polder geïntroduceerd door Zeeuwse boeren die na de watersnoodramp naar de NOP waren verhuisd. Maar ‘mijn ‘ paard was niet zo groot en lomp. Toch vond de hoefsmid, inmiddels op de hoogte van mogelijke nukken van het paard, het veiliger om het paard goed vast te zetten.
Wat was ik die dag trots dat boer De Laat mij de rit naar Rutten toevertrouwde. In de loop van de middag kwam ik weer terug op de boerderij met het vers beslagen paard. Ik weet overigens niet meer of het een merrie of ruin was.

Toen ik weer een keer een wagen vol had geladen met knollen, was het zo’n beetje donker op het land. Maar ja, de vracht moest wel naar de boerderij. Dus heel voorzichtig de drie (!) paarden aangespoord en tussen de hopen met knolletjes doorgemend. Toch ging het op een bepaald moment ontzettend fout, toen de paarden tegen een bult knollen aanliepen. Mijn ‘lievelingspaard’ dat in het midden liep, schrok zo geweldig, dat het begon te steigeren en min of meer achterover in het tuig viel. De beide andere paarden waren daardoor ook helemaal van slag. Ik wist even niet hoe ik het had en hoe ik dit moest aanpakken. Want de tuigen en alles wat erbij hoorde zat verward. Ik kon in dat pikkedonker alleen maar proberen de paarden te kalmeren.

Gelukkig kwam boer De Laat, die het toch wel wat laat vond worden, plotseling uit de duisternis te voorschijn. Samen hebben we toen de paarden weer uit- en ingespand en zijn voorzichtig naar de boerderij gereden met de vracht knollen. Dat was een heel spannende avond. Later realiseerde ik me dat dit wel eens ontzettend fout had kunnen aflopen, maar als kind dacht je daar niet aan.
Het waren diezelfde drie paarden die ik mocht mennen bij het ploegen. Het was een kunst om de vore zo recht mogelijk te laten zijn. Aan het eind van zo’n voren, moest je weer terug. Maar eerst moest de ploeg gekeerd worden. Oh, wat was dat zwaar. Maar wat genoot ik van het werken met die paarden.

Toen wij als kinderen nogal veel en vaak op boerderijen waren en werkten, hadden we thuis meestal wel de beschikking over verse, volle koeienmelk. Mijn moeder roomde de melk na een dag af en dan hadden we ook slagroom, die dan weer via de gekookte chocoladepudding in onze kindermagen verdween.

Mijn vader was een kei in het koken van die heerlijke pudding die zondags bij het middageten op tafel kwam. De pudding zat in een speciale tulbandvorm. Als hij die stijve pudding dan op een groot bord had gekeerd, dan schudde hij de pudding flink heen en weer en meestal spleet de trillende pudding dan in tweeën. Als kinderen vonden we die schuddende en trillende pudding prachtig en we zagen daarin dan – we konden het niet helpen – de schuddende billen in van iemand die we goed kenden.

Melk halen in de winter.

Het was een keer midden in de winter en het vroor dat het kraakte. Van m’n moeder kreeg ik de opdracht om op de fiets te stappen en in de NOP bij boer Rasing aan het Schoterpad melk te gaan kopen. Ik vond dat natuurlijk niet leuk, want het was een flink eind fietsen en dan met die harde wind en die melkbus aan het stuur. Maar, goed ik ging op pad op m’n gammele fiets (door m’n opa in elkaar gezet).

Maar in de NOP was de wind zo hard en tegen, dat ik ineens een lumineus idee kreeg. Naast de weg, het Lemsterpad, was een heel diep uitgegraven sloot (zoals alle gegraven sloten in de NOP diep waren uitgegraven). Op het water in die sloot zat een laag ijs. Ik ging dus op dat ijs rijden, lekker uit de wind. Hoe mooi kun je het in de winter krijgen!! Helaas niet voor lang, want volkomen onverwacht ging ik met fiets en al plotseling door het ijs en stond de fiets tot aan de assen van het voor- en achterwiel in het water. Ik dus ook en de laarzen die ik aan had zaten ook vol. Lange broek nat, kousen kletsnat en ik steenkoud.

Nu dan maar weer naar huis? Nou nee, zo werkte dat niet, want dan had m’n moeder me zonder pardon met droge kleren aan weer op pad gestuurd, want die volle boerenmelk moest er wel komen! Dus, nadat ik weer op naar boven was gekropen en de fiets met aan het stuur de melkkan, weer op het droge had getrokken, gingen de laarzen en de kousen uit. De laarzen werden geleegd en de kousen werden uitgewrongen. Natte kousen weer aan? Nee, ik deed de laarzen aan over m’n blote voeten en hing de kousen over het stuur, zodat ze tijdens de rit lekker konden drogen……

Toen ik een half uur later, na de tocht door de kou en harde oostelijke wind, bij boer Rasing aankwam, waren de kousen inmiddels zo hard als bevroren stokvis. Ik heb toen bij boer Rasing wat stro om m’n voeten en enkels gedaan en toch maar weer de laarzen aangetrokken.
De kousen heb ik maar aan het fietsstuur laten hangen., daar was toch niets mee te beginnen. Maar, de rit op de fiets in die verschrikkelijke kou, is toen toch gelukt, want ik had de melk waarvoor ik op pad was gestuurd, in m’n busje aan het stuur (wel met een laagje ijs erop!).

Herinneringen aan Lemmer (6)

Op de home-pagina van de site www.spanvis.nl staat een foto van de toren van de prachtige N.H. Kerk van Lemmer. Een toren met een lange geschiedenis vanaf 1716, zoals te zien is aan de muurankers, dus al bijna 3 eeuwen. Elders op de site staat ook zo het een en ander over deze N.H. Kerk met z’n iets wat scheve toren. Vanuit de achterkamer van ons huis aan de Schoolstraat 12, hadden we een prachtig uitzicht op deze toren.

 

Markante toren van de Ned.Herv.Kerk van Lemmer.


Tijdens bepaalde feestdagen, zoals Bevrijdingsdag op 5 mei en op Koninginnedag, zagen we dat muzikanten van een van de muziekkorpsen van Lemmer, boven op de toren het Wilhelmus ten gehore brachten. En dat was dan heel in ons huis goed te horen. Maar ik vond het toch ook wel heel erg spannend om daar al die mannen te zien die als haringen in een ton daar boven opeen geperst stonden. En ze hadden natuurlijk al een hele klim, met hun instrument in de hand, achter de rug.

Ik herinner me nog dat het monument voor de gevallenen in de muur van de toren is geplaatst. Ik vond (en vind dat nog steeds) het een prachtig monument als eerbetoon aan hen die voor onze vrijheid zijn gestorven.

Het monument voor de gevallenen.

Zondags kerkbezoek.

De familie Bosma ging zondags ter kerke in dit oude godshuis uit 1716. Na mijn geboorte in 1943 hebben mijn ouders mij in deze kerk laten dopen. Na de doop kregen ze van de dominee Keuzekamp het doopbewijs, dat ik nog steeds heb. Bij die doopplechtigheid hebben ze de belofte gedaan dat ze mij naar eer en geweten zouden opvoeden in het christelijk geloof. Terugdenkend aan m’n kinderjaren kan ik alleen maar dankbaar zijn dat mijn ouders dat inderdaad hebben gedaan op een manier die bij hen paste en die zij zagen als de juiste voor onze opvoeding.

Mijn ouders zaten in die tijd, bij het ter kerke gaan, in een van de banken achter die van de ouderlingen, dus aan de kant van het trapje van de preekstoel. Als gezin hadden we die hele bank in gebruik. Ik herinner me dat ik als kleine jongen naast m’n moeder zat en gedurende zeker zo’n anderhalf uur onder haar arm zat opgesloten. Want ja, ik moest natuurlijk wel eerbiedig stilzitten. Hoe ik ook wurmde om los te komen, m’n moeder hield me in de greep en er was geen beweging in te krijgen.

Als ik er aan denk, voel ik het nu nog! Ik moest dus wel naar de dominee kijken en ving natuurlijk ook wel zo het één en ander op van wat hij zei. De naam van de dominee die toen in Lemmer de Ned. Hervormde Gemeente bediende, was Van Zijll Langhout (zijn zoon is later ook predikant geworden en heeft vele jaren in Enschede gestaan. Inmiddels is ook hij met emeritaat).

 

 

 

Het allermooiste vond ik de ceremonie als de dominee de kerk in kwam. Nee, ik moet zeggen, wanneer de dominee de kerk binnenschreed. Ik zat dan met open mond te kijken, want dat maakte toch wel indruk op mij als kleine jongen. De dominee met z’n lange zwarte jas (later leerde ik dat dat een toga was) met die witte bef onder z’n kin en zwarte baret op z’n hoofd, dat vond ik toch wel heel mooi en interessant. En dan ging de ouderling van dienst met hem mee tot vlak bij het trapje van de preekstoel. Daar gaf hij de dominee een hand, terwijl hij iets onverstaanbaars prevelde.

De dominee beklom dan het trapje tot halverwege, nam z’n baret af en ‘verzonk in stil gebed’ . Hierna ging hij verder het trapje op, deed het deurtje van de preekstoel open en stapte de preekstoel binnen. En daar hing hij met een prachtige admiraalszwaai zijn baret op de houten knop, in de vorm van een arm met vuistje, die uit de achterwand van de preekstoel stak.

Die preekstoel heb ik altijd schitterend gevonden. Deze had het model van een, in mijn beleving, prachtig wijnglas, met bijzonder houtsnijwerk en met figuren op de hoeken. De platte kap boven de preekstoel om het geluid de kerk in te verspreiden, hing als een soort afdak erboven. Want in die tijd was van een microfoon en geluidsversterking nog helemaal geen sprake.

 

De prachtige preekstoel.

 

Daarna begroette de dominee met een krachtige stem de gemeente in de kerk met de woorden van het ‘votum en groet’. Deze begroeting bestond uit een vaste tekst, waar ik meerdere jaren naar heb geluisterd en die nog steeds in vele kerken wordt uitgesproken.

De woorden ervan waren: ‘Onze hulp is in de Naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft; die trouw houdt tot in Eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen. Genade, barmhartigheid en vrede zij u van God de Vader, en van Jezus Christus onze Heere in de gemeenschap van de Heilige Geest’. Amen.

Natuurlijk snapte ik toen helemaal niets van wat ds. Van Zijll Langhout daar zei, maar het klonk wel heel indrukwekkend! En ik zat met open mond te luisteren en met grote ogen te kijken wanneer hij die woorden uitsprak en dan zijn armen in die enorme mouwen van z’n zwarte toga uitspreidde, want dan leek het net of hij zou gaan vliegen. Wat vond ik dat prachtig.

In de loop van m’n kinderjaren , toen het gezin groter werd, begon mijn moeder te kwakkelen met haar gezondheid. Ze moest nogal eens worden opgenomen in het St. Anthonius ziekenhuis in Sneek en heeft meerdere operaties ondergaan. Gevolg was ook dat onze ouders zondags niet naar de kerk gingen, maar thuis bleven. Wanneer m’n moeder weer eens in het ziekenhuis lag en het was mooi weer, gingen we met vader op onze eigen fiets naar Sneek om onze moeder te bezoeken.

Wij, als oudste kinderen gingen dus meestal alleen naar de kerk en als de dienst was afgelopen, gingen we natuurlijk naar de zondagschool. Dat was toen zo heel gewoon. De jongste klas van de zondagschool zat in de consistorie bij de kerk en de oudere kinderen moesten een stukje lopen naar het Achterom waar de zondagschool werd gehouden in een pand vlak naast het gemeenschapshuis Us Honk. Ik koester warme herinneringen aan de zondagschool. In de jongste klas hadden we een zondagschool leidster, waarvan ik de naam helaas niet meer weet. Het was een lieverd!

We kregen altijd een blaadje mee waar een tekst op stond. Zodra we als kinderen weer buiten waren, werd dat blaadje dubbel gevouwen en een heel klein gaatje op de vouwrand erin gebeten. Dan hielden we het iets opengevouwen gedeelte tegen de mond en dan maar ontzettend hard blazen. Het gaf een gillend fluitgeluid. Tegen de tijd dat we weer thuis waren, was er van het blaadje nog maar weinig over, laat staan van de tekst…….En die moesten we leren voor de volgende zondag….

De ouderengroep, die dus in het Achterom naar de zondagschool ging, had als leider meneer Bron. Hij was ouderling van de kerk. Hij had zelf geen kinderen. Ook herinner ik me dat zijn vrouw een beetje mank liep. Wat was dat een fijne en lieve man en wat had hij een geduld met dat stelletje ongeregeld dat hem zo nu en dan tijdens de zondagschool het leven zuur maakte. Wanneer de zondagschool uitging, gaf hij altijd iedereen een hand.

Meneer Bron heeft, naast mijn ouders, heel veel voor mijn, toen kinderlijk, geloof betekend. Meer dan wie ook, heeft hij ons in begrijpelijke taal verteld van de liefde van God. Ik had graag nog even met hem willen praten over hoe mijn eigen leven zich later heeft ontwikkeld en welke rol het geloof daarin is gaan spelen.

1948

Wanneer ik, samen met m’n oudere broer Jannes naar de kerk ging, zaten we meestal onder het orgel in de bank tegen de buitenmuur, schuin tegenover de preekstoel. Naast ons zat dan een boer die aan de Straatweg naar Sneek woonde. Tijdens de preek, die wij als kinderen niet zo interessant vonden, viel de boer meestal in slaap en dan zakte zijn hoofd langzaam maar heel zeker voorover. En wij maar hopen hat hij met z’n voorhoofd de puntige bovenkant van de lessenaar van de bank zou raken.

Ja, dat was pas interessant. We zaten dus echt een beetje te gniffelen als het weer zover was dat hij in slaap was gevallen en het hoofd weer voorover zakte, totdat die de bovenkant van de bank zou raken. Maar…helaas, meestal vlak erboven ging zijn hoofd weer met een ruk omhoog. En wij maar weer wachten op het volgende voorover zakken van zijn kale hoofd.. En dat ging zo door totdat de dominee ‘amen’ zei, en dan was hij ineens weer klaarwakker. En wij hadden in ieder geval genoten en gegniffeld, dus een leuke kerkdienst beleefd.

 

 

 

Wanneer de collecte werd gehouden in de kerk, dan kwamen de diakenen langs met de collectezak (’t jildponkje) die aan een lange steel was bevestigd. Aan de collectezak waarop ook nog een letter was geborduurd, zat een prachtige kwast. Wanneer nu de diaken voorbij kwam en met de lange steel de collectezak aanreikte, hielde we soms de collectezak eventjes vast aan die kwast. En dat gaf bij ons natuurlijk weer hilariteit, en bij de diaken een wat zuur gezicht.

Mijn broer Jannes en ik hadden niet altijd zin om naar de kerk te gaan. En daar hadden we dan een creatieve oplossing voor. Vlak voordat de collectezak voorbij kwam, gingen we heel resoluut de kerk uit met een of ander smoesje aan degenen die vlak naast ons zaten, zoals : ‘we moatte nog ierpelskylje’. En héél soms was dat nog waar ook!

Maar meestal als we de kerk uitslopen, met de stuiver collectegeld nog op zak, gingen we naar het voetbalveld, waar de jeugd van vv Lemmer aan het trainen was. Dat was toch wel een stuk leuker en interessanter dan naar die lange preek luisteren. We zorgden er wel voor dat we weer op tijd op de zondagschool waren, want anders zouden thuis de aardappelen wel helemaal gaar zijn!

Wat ik me nog herinner van het zingen in de kerk was, het zingen van de heer Gaastra, onze groenteman die aan het begin van het Turfland, nog iets vóór bakker Vonk, zijn groentezaak had in dat heel oude grote pand met de kogel in de muur. Wat een stem had die man. Het geluid van zijn stem bulderde door de kerk. En dat niet alleen, hij zong met vertraging! Als de gemeente een lied had gezongen, dan ijlde hij de laatste zin nog een tijdje na, als een soort bulderende echo, maar dan in de kerk.

Ik noemde al eerder het ‘votum en groet’ dat de dominee uitsprak aan het begin van de dienst. Daarin kwamen de woorden voor: ‘De Heer laat niet varen het werk van zijn handen’. Met m’n kinderlijke verstand dacht ik: Hoe zou de Heer dat nu toch doen. Want in gedachten zag ik het water van het Dok vlakbij de kerk, en mijmerde over het ‘niet laten varen van het werk van Zijn handen’. Hoe kan dat nou, dacht ik toen. Hoe zou de Heere zijn werk nu wel of niet laten varen. Ik snapte er helemaal niets van.

Later ben ik deze betekenisvolle woorden en belofte uit het Oude Testament gaan verstaan. Nu weet ik dat God het werk wat Hij eenmaal in een mensenhart is begonnen, nooit zal loslaten, wat er ook gebeurt. Ik heb dat in mijn eigen leven zo mogen ervaren.

De jaarlijkse kerstvieringen van de zondagschool in de kerk waren altijd een feest. Er was dan een, in mijn beleving en herinnering, een enorme kerstboom in de kerk vóór de preekstoel neergezet. De top van de boom was vastgezet aan de steunbalken in de kerk. En in die uitbundig met kralenslingers en engelenhaar versierde kerstboom brandden dan echte kaarsen. Wow, wat was dat mooi.

Als ik dan m’n ogen een beetje toekneep, dan was het net of de boom versierd was met sterren. Vanwege het brandgevaar liep er ook altijd iemand bij de kerstboom om de bijna afgebrande kaarsjes te doven met een kaarsendover aan een lange steel. Ook het kerstverhaal, waar altijd een stuk spanning in zat, was prachtig. De juffrouw (haar naam weet ik niet meer) die dat vertelde had het talent om ons als kinderen te boeien door de manier waarop ze het verhaal doorgaf.

In de laatste klas van de zondagschool kregen we bij het afscheid een echt Bijbeltje, met zwart kaft, in de vertaling die toen gebruikelijk was: NBG 1951. De tekst die ik meekreeg en voor in het Bijbeltje is geschreven, luidt: Johannes 6: 37: Wie tot Mij komt zal ik geenszins uitwerpen. Kerstfeest 1954. Het Bijbeltje heb ik nog, al is het wel flink beschadigd.

Nu ik de naam van het water langs de Korte- en Langestreek, het Dok (verderop ging het Dok over in de Zeilroede) heb genoemd, schiet me te binnen dat ik als kleine jongen gedurende enkele zomers heb meegemaakt dat het Leger des Heils naar Lemmer kwam met hun evangelisatieschip ‘Febe’. Het schip lag tijdens die paar dagen afgemeerd aan de Langestreek. De heilssoldaten zetten dan een tent op, ergens in de buurt van de haven en hielden daar evangelisatiediensten.

Nooit zal ik vergeten dat hun muziekkorps (brass-band) door Lemmer marcheerde en dat kinderen met of zonder ouders er achteraan liepen naar de ‘tent der samenkomst’. Ook ik ging er op m’n klompen achteraan. Er gebeurde in Lemmer meestal niet zoveel, dus dit was een heerlijk en spannend verzetje voor iedereen.

Voor de kinderen was er overdag een speciale kinderdienst en voor de volwassenen ’s avonds. Maar ook herinner ik me dat er op de Schulpen een openluchtdienst was, waarbij ook de muziekkorps een grote rol speelde. En van die muziek genoot ik. Oh, wat was dat mooi. De warme klank van die brass-muziek maakte een onvergetelijke indruk op me.

Ik weet nog dat in die kindersamenkomst er een grote thermometer op het podium stond. Hoe harder we zongen , hoe hoger die thermometer ging. We zongen liedjes in het Nederlands , maar ook in het Fries. Ik herinner me het liedje: ‘Boppen is mien kroan’, maar de rest weet ik niet meer. Ook zongen we : ‘Jezus laat nooit alleen, neen, o, neen.’

In Lemmer woonde één heilssoldatengezin, dat was de familie Dijkstra die toen in de Zuiderzeestraat woonde. Twee van hun dochters zijn later officier bij het Leger des Heils geworden. Dat het Leger des Heils later in mijn leven zo’n grote rol zou gaan spelen, wist ik toen uiteraard nog helemaal niet.

Want nadat we als gezin waren verhuisd naar Enschede, ben ik een paar jaar later opnieuw in aanraking gekomen, met het Leger des Heils. Het heeft me nooit meer losgelaten, en inmiddels ben ik al meer dan een halve eeuw lid er lid van en speel ook al vele jaren (als ik niet op zee zat) mee in een LdH-brassband. Overigens heb ik dat spelen op een koperinstrument nog in Lemmer geleerd bij de christelijke fanfare ‘Crescendo’.

 

Evangelisatieschip ‘Febe’ van het Leger des Heils.

 

In mijn kinderjaren was het eerst ds. Van Zijll Langhout, als predikant van de N. H. Kerk in Lemmer. Daarna kwam ds. Plenter. Ik was, zoals ik al eerder heb geschreven zo onder de indruk van de wijze waarop de dominee daar bovenop die mooie preekstoel stond . Maar ook het voorlezen uit de Bijbel, soms uit de oude Statenbijbel die op de kansel lag, vond ik prachtig. En in mijn fantasie stond ik zelf daar boven op de kansel gekleed in die mooie zwarte toga en witte bef en preekte dat het een lust was. En zo gebeurde het dat ik als kleine jongen op de zolder van ons huis aan de Schoolstraat studieboeken van mijn vader uit een kist tevoorschijn haalde, die op de kist legde en daaruit begon te ‘lezen’ en te preken. Ik kon toen echter nog geen woord lezen, daar was ik nog te jong voor, maar toch…jong geleerd…..

Na de lagere school hield ook voor mij de zondagschool op. Gelukkig was er de jeugdkerk, die onmiddellijk aansluit op de gewone kerkdienst. Er waren ‘echte jeugd-ouderlingen’, zoals mijn goede vriend Haye Dijkstra. En de voorganger was meneer Bron, die we ook op de zondagschool al hadden meegemaakt. Er zaten heel veel kinderen in de kerk. En wat heb ik van die jeugdkerk genoten. Meneer Bron preekte ook echt vanaf de mooie preekstoel. Hij had de gave om, met wat hij vertelde, onze harten te raken.

Vele jaren later, na m’n carrière als loods mocht ik de studie Theologie afronden aan de Prot. Theol. Universiteit in Kampen. Ik was die lange en moeilijke studie al in deeltijd begonnen toen ik nog actief loods was in het Rotterdamse.. Van het loodsen van schepen mocht ik nu verder gaan met het loodsen van mensen.

Ik wil dit stukje eindigen met iets te vertellen over de kerktoren, waar ik mee begonnen ben.
Op zondag werd om, ik meen om negen uur, de klok van de N.H. Kerk geluid en kort voordat de dienst zou beginnen, nog een keer. Ik ging meestal al heel vroeg naar de toren en wachtte daar tot degene kwam die de klok moest luiden. Dat ging toen nog met de hand. Door aan een lang touw, waar aan het eind een dikke knoop zat, te gaan kwam de grote klok daar boven in de toren in beweging.

En je raadt het al, Leendert Bosma wilde natuurlijk graag die klok luiden. En dat mocht meestal wel. Vooral het in beweging zetten en het later weer afstoppen van de klok was prachtig. Dan ging ik aan dat touw hangen. Als de klok eenmaal in beweging was, dan ging alles heel gemakkelijk. Bij het afstoppen ging je weer aan het touw hangen als dit weer omhoog ging en zo kwam de klok weer tot stilstand. Je ging dan natuurlijk wel eerst een flink eind aan het touw mee omhoog bijna tot aan de zoldering! En dat vond ik prachtig.

In de doorgang van de toren zat, zoals ik me dat herinner, ook een kastje waarin het einde van een schietlood zichtbaar was. Dit was daar aangebracht om de verzakking van de al ietwat scheve toren in de gaten te kunnen houden. Ook ben ik een paar keer in de toren naar boven geweest met degene die het uurwerk van de toren moest ‘opwinden’. Ik meen dat hij postbode was, maar ik ben zijn naam vergeten. Dat was ook heel mooi en interessant, niet in het minst omdat je door de galmgaten over Lemmer kon uitkijken.. Hij wees me dan ook op inscripties in de balken die daar waren ingekrast door onderduikers (?) in de 2e wereldoorlog.

Herinneringen aan Lemmer (7)

Een koude winter.

Het zal halverwege de vijftiger jaren geweest zijn. Welk jaar weet ik niet meer, maar ik herinner me dat het een ontzettend koude en lange winter was. Meerdere binnenschepen lagen in Lemmer ingevroren en konden dus niet meer verder. Alle kanalen en meren in Friesland waren met een dikke ijsvloer bedekt en er werden verschillende schaatstochten georganiseerd.

 

In de haven van Lemmer kwam een schip aan, dat na een kouden tocht van onder tot boven met ijs was bedekt...is de tekst die bij deze oude afdruk hoort.

 

 

Maart 1955.

Ik heb zelf ook een paar tochten gemaakt. Een tocht die ik me nog heel goed herinner was zo’n vijftig kilometer lang. Heel veel mensen reden deze tocht. Ik had geen jekker aan, maar alleen een trui met een krant eronder tegen de kou. Ook om de voeten en benen stukken krant gewikkeld en Leendert was er helemaal klaar voor. Via de Rien naar het Tjeukemeer, toen bij de Brette Haene rechtsaf naar Echtenerbrug en weer terug en verder over het verbindingskanaal langs Follega naar de Grote Brekken, rechtsaf naar Spannenbrug . Daar omgekeerd en weer terug naar Lemmer.

Er stond op de Grote Brekken een stevige tegenwind en ik moest echt ploeteren op m’n houten schaatsen om vooruit te komen richting Lemmer. Plotseling haakte ik met een van m’n schaatsen in de strik van de andere schaats. Ik maakte een flinke smak op het ijs. Ik werd, voor zover ik me dat herinner, overeind geholpen door andere schaatsers. Wel ontzettend veel pijn gedaan. Toch moest ik verder en veel later dan de bedoeling was, kwam ik weer thuis met wat schaafwonden en blauwe plekken. Diezelfde winter zijn we met een groepje kinderen uit de klas naar Sloten geschaatst en hebben daar, naast de stadsgracht, het museum bezocht.

Omdat mijn vader sterk betrokken was bij de binnenvaart, heeft hij samen met anderen, voor de schippers en hun gezinnen een, zeg maar, bonte avond georganiseerd. Nou dat was natuurlijk een groot feest voor deze mensen, die meestal weinig vertier hadden in hun dagelijks bestaan. Er werd veel gevaren, maar slechts weinig verdiend. Voor zover ik me kan herinneren, speelde ook de mondharmonicavereniging ‘Chromatica’ tijdens die avond (maar, dat weet ik niet zeker meer)

Mijn vader die een talent had voor het rijmen van gedichten, heeft toen een lied geschreven voor deze bijzondere gebeurtenis. Het lied werd gezongen op de wijs van : “Aan d’oever van IJssel staat een veerhuis”.

De tekst van het eerste coupletten ging als volgt:

In Lemmer ligt een vloot van binnenschepen
Er ligt nu ijs, dus varen doen ze niet
De één is leeg, de nader zwaar beladen
Hoe lang ’t nog duurt, dat weet de schipper niet (2x)

Twee schepen die belaân met zware bomen
Die braken het ijs, maar toe ineens was ’t stop
Toen moesten er veel grote auto’s komen

Die namen toen die zware bomen op (2x)

Er waren nog enkele coupletten, maar die weet ik niet meer. Zou iemand die dit verhaal leest de tekst nog weten, dan houd ik me van harte aanbevolen.

Ik mocht die avond ook mee naar dit feestje en herinner me ook nog dat er een vraag moest worden beantwoord, waarmee een rookworst kon worden gewonnen. De vraag was: Hoe heet de keuken aan boord van een schip. Het staat me nog bij dat de moeder van Janke, het meisje dat ik al eerder heb genoemd, die superprijs toen heeft gewonnen.

Uiteraard schaatsten we ook over de Zijlroede, het Dok, onder de beide bruggen door naar de Rien en weer terug en hadden dan de grootste lol. Ik herinner me dat op de Rien in de bocht bij de brug de vrouw van schilder Poppe, moeder van Kerst, op het ijs een zware val had gemaakt en met haar hoofd op het ijs terecht was gekomen. Ze bleef daar buiten kennis op het ijs liggen. Natuurlijk een oploop van mensen er omheen. Ze is toen, dacht ik, op een brancard weggedragen naar dr. Weber aan de Nieuwburen. Blijkbaar is alles weer goed gekomen, want later kwam ik haar weer tegen in hun verfwinkel.

 

In Lemmer was Evert de Vries al een heel bekende verschijning in de tijd dat ik in Lemmer woonde. Toen hij nog niet gepensioneerd was, verkocht hij ijsjes in z’n stalletje vlakbij het begin van de Vissersburen en later na de demping van de Rien aan de overkant tegenover het (oude) gemeentehuis.

In de winter verkocht hij allerlei snoepgoed en als er ijs lag en er kon worden geschaatst, dan stond Evert met z’n snoepkraam ergens op de Rien of op de Zijlroede. Tijdens een winter, toen er weer ijs op de kanalen door Lemmer lag, stond Evert met z’n snoepkraam op het ijs ter hoogte van de oude gymnastiekzaal. Hij deed daar goede zaken, want heel wat mensen kwamen even bij hem buurten.

Evert verkocht in z’n kraam ook van die dikke Mars-repen. Heerlijke stukken Mars met een verrukkelijke karamelvulling. Maar helaas gingen die stukken Mars aan mijn neus voorbij, want zonder centen kon je niks kopen. Ook niet bij Evert. Gelukkig was er een promotieactie voor die Marsrepen. Op elke verpakking zat namelijk een ster gedrukt. Wanneer je tien sterren inleverde, dan kreeg je een stuk Mars gratis. Dus, wie geen geld heeft moet slim zijn en Leendert Bosma en ook anderen waren dus steeds in de buurt van Evert z’n snoepkraam te vinden. Zodra iemand een stuk Mars had gekocht, vroeg ik of ik die ster mocht hebben. En zo scharrelden we stukken Mars bij elkaar. Dit tot grote ergernis van Evert, want die vond dat helemaal niet leuk om zomaar stukken Mars weg te geven. Hij probeerde ons dan ook weg te jagen en gebruikte dan woorden als: ‘Soademieterje toch op!’

 

Evert de Vries, op het ijs van ‘t Dok.

IJsbaan.

Er was in Lemmer ook een nieuwe ijsbaan, met verlichting, aangelegd, vlakbij de boerderij Villa Nova. Op de ijsbaan was een buitenring en een binnenring. De binnenring was alleen bedoeld voor wedstrijden en was officieel afgesloten voor de recreatieschaatsers. Op enkele plaatsen was dan ook een touw dwars over de binnenbaan gespannen om te voorkomen dat er door onbevoegden op geschaatst zou worden.

Het vervelende voor ons kinderen was, dat je om op de ijsbaan te komen, entree moest betalen. Maar ja, dát hadden wij dus niet. Dus, dachten mijn broer en ik, wie niet rijk is, moet slim zijn en een creatieve oplossing zoeken om er toch op te komen. Toen wij op een avond, het was erg donker, naar de ijsbaan mochten, zijn we niet via de ingang waar je moest betalen, maar helemaal naar de andere kant gegaan en daar de ijsbaan op gekropen. En maar net doen of we van niets wisten.

Mijn broer en ik op de schaats, maar wel op de streng verboden binnenbaan. Flink de vaart er in gezet op het prachtige ijs. Helaas hadden we niet het touw gezien dat er ergens dwars overheen was gespannen. Ik zag het net op tijd, maar m’n broer niet en hij maakte een enorme klap achterover met z’n hoofd op het ijs. Daar bleef hij een poos verdwaasd liggen. Maar hij klauterde weer op en even geheimzinnig als we waren gekomen, verdwenen we weer naar huis. Onderweg was hij behoorlijk beroerd en thuis gekomen moest hij onmiddellijk het bed in. Hij bleek een flinke hersenschudding te hebben en is er dagen behoorlijk ziek van geweest. Deze gebeurtenis heeft me lang achtervolgd en ik had er behoorlijk spijt van. Voor ons beiden was dit een goede les: eerlijkheid duurt het langst.

Weer zomer.

Gelukkig kwam, ook in Lemmer, na de koude winter weer de lente en de zomer. Het IJsselmeer bij Lemmer was ook toen al een lustoord voor waterliefhebbers. En ik hield van water. Met vriendjes zwom ik in het water van het IJsselmeer ter hoogte van de vuurtoren. Daar kon je tot ver in zee, tot voorbij de fuiken die daar waren neergezet door beroepsvissers, nog staan. Maar ook zwommen we aan het ‘einde van de dam’. Daar was het behoorlijk diep en kon je lekker duiken.

Ja, die oude vuurtoren. Daar ben ik heel vaak in naar boven geklommen. Het onderste deel van de trap was om ‘veiligheidsredenen’ weggehaald. Maar dat weerhield ons als kinderen er niet van om na enkele capriolen toch op die trap te komen en naar boven te gaan. De ruimte waar vroeger het vuurtorenlicht stond, was nu leeg. En ook werd het gebruikt als een openbaar toilet, zoveel viezigheid lag er soms. Toch was het uitzicht over het IJsselmeer en de Noordoostpolder schitterend.

 

 

Verder zwommen we veel langs de IJsselmeerdijk naar Tacozijl, bij wat toen heette de eerste en de tweede duikplank. Niet al te diep, je kon er goed staan, en heerlijk om te zwemmen en om te duiken. Daar was het ook dat ik met verbazing zag dat iemand kon drijven zonder ook maar in het water te bewegen. Het was bakker Loen, die daar rustig met gespreide armen en benen en z’n dikke buik boven het water uit, doodstil ronddreef in het water.

Ik snapte daar niks van en heb hem toen gevraagd hoe hij dat toch deed. Hij begon te lachen en zei: Nou gewoon…. Ik het dus ook proberen, maar het enige wat gebeurde was dat ik een hap water naar binnen kreeg en dat m’n benen naar beneden zakten tot ik weer grond onder de voeten kreeg. En nu, zoveel jaren later, drijf ik ook in het zwembad rond en kijken m’n kleinkinderen hoe opa dat toch doet. Of zou het dan toch aan die wat dikkere buik liggen?

 

’It eintsje fan ‘e dam’, nog voor de inpoldering van de NOP.

 

Het was aan het einde van de dam dat ik heb leren zwemmen. Poedelen in het water met grond onder de voeten, was heerlijk en niet moeilijk. Maar het diepe water trok mij niet zo erg en ik was wel een beetje bang. Toch wist ik dat het er een keer van moest komen.

En zo gebeurde het dat ik, samen met anderen, aan het einde van de dam op de houten balk van de beschoeiing zat te kijken naar voorbijvarende schepen. Naast mij doken de wat grotere jongens in het water. Dat wilde ik ook wel, maar ik durfde dat echt niet. Gelukkig werd ik een handje geholpen toen iemand mij een duwtje gaf en ik, in m’n verzet, uit balans raakte, en uitgleed op die gladde balk. En daar kukelde ik in het diepe water, ging kopje onder en kwam weer proestend boven. Maar, ineens kon ik zwemmen!

Er ging een zwemwereld voor me open en de angst was weg. Het is later zelfs wel voor- gekomen dat we van het einde van de dam helemaal naar de dijk van de Noordoostpolder zwommen, daar even uitrustten en dan weer terug zwommen. Ook wanneer er schepen, zoals bijvoorbeeld de Jan Nieveen, wanneer deze er overdag voorbij voeren, zwommen we er op af. Niet te dichtbij natuurlijk, maar je kon wel het geluid van de schroef in het water horen. Nog steeds als ik een foto zie van ‘it ‘eintsje fan ‘e dam’ moet ik terugdenken aan het moment dat ik daar in het water kukelde en leerde zwemmen.

Ook vonden we het prachtig om van de boeg van schepen, die aan de remming lagen, te duiken. Dan ging je lekker diep, soms wel tot aan de bodem. Toen de Waalstroom of de IJsselstroom daar een keer lag, klauterden wij aan boord en om van de boeg af te kunnen duiken. Dat was nog eens lekker hoog. Toen ik aan de beurt was, nam ik een duik. Maar dat ging niet goed, want ik kwam bijna plat op het water onder mij terecht. Ik had toen het gevoel dat mijn tanden zo’n beetje in m’n nek zaten. Wat deed dat zeer. Ben toen het water uitgekropen en halverwege het talud van de dijk maar eens gaan zitten om wat bij te komen.

 

 

 

Zo nu en dan gingen we met ons hele gezin zwemmen bij het strandje van Tacozijl. Dat was ook altijd een feest. Eigenlijk was het niet toegestaan om daar naartoe te gaan, maar het werd gedoogd. Het was voor ons een heerlijk plekje waar je lekker in het water kon ravotten. Velen wisten de weg daar naartoe te vinden.

Er lagen daar ook een paar enorme betonnen blokken waar je heerlijk vanaf kon duiken.
Voordat je bij het strandje kwam moest je langs het Ir. Wouda Stoomgemaal. Je kon dan mooi naar binnen kijken en zag dan de grote wielen draaien en hoorde het gesis van stoom. Indrukwekkend en onvergetelijk. Bijzonder fijn dat dit stuk Nederlands erfgoed nog steeds functioneert en in goede staat wordt gehouden.

 

 

Ir. Wouda Stoomgemaal Tacozijl.

Het kantoor van mijn vader.

Het scheeps-bevrachtingskantoor waar mijn vader werkte, stond vlakbij de sluis, net voorbij de kolenhandel van Gosse Wierda. Het kantoor op zich was niet zo groot, maar het pand waar het in was gevestigd, was dat wel. Later werd dan ook een deel ervan verhuurd aan aardappelhandel Pars.

De aardappels die daar binnenkwamen werden gecontroleerd, en met een speciale machine gesorteerd op grootte. Ik hoor nog het typische geluid van de schudzeven, waardoor de klei die nog aan de aardappels vast zat eraf werd geschud en de aardappels in verschillende maten in zakken terechtkwamen. Deze klei, waarin nog heel veel krielaardappeltjes zaten en waarin ook de afgekeurde, beschadigde aardappels terechtkwamen, werd naar buiten gekruid en daar achter het gebouw op hopen neergegooid.

 

De sluis met rechts het pand, met zadeldak en omheinde tuintje, waarin mijn vader z’n kantoor had. Later kwam de aardappelhandel van Pars er bij in.

 

Voor ons als kinderen waren deze bulten klei met afgekeurde inhoud, goudmijnen. Want wij gingen die aardappels eruit halen en verkopen aan de boeren in de omgeving van Lemmer. Dat bracht dus voor ons als kinderen een aardig zakcentje op. Maar het waren niet alleen kinderen die dit veevoer ontdekten.

Er was een wat oudere man die in het Waaigat woonde, die ook deze kleibulten ontdekt had en daar ook druk aan het graaien was. En als wij als kinderen na schooltijd daar kwamen en ook enthousiast begonnen te verzamelen vond hij dat niet zo leuk en meende een soort alleenrecht te hebben. Wij als kinderen dachten daar natuurlijk heel anders over. Maar die man bleef ontzettend vervelend en lelijk doen. En niet alleen daar bij de aardappels, maar ook als je hem ergens tegenkwam, begon hij te schelden.

Op een dag zagen we hem ergens bij de sluis op z’n fiets rijden en hij zag ons. En daar kregen mijn broer en ik weer een scheldpartij over ons heen. Hij moest blijkbaar bij de sluis zijn en zette zijn fiets neer tegen het hek bij het kantoor van m’n vader. Hij liep weg en de fiets stond daar onbeheerd. M’n broer en ik keken elkaar aan, overlegden even en slopen naar de fiets en draaiden de ventielen los, zodat de banden leegliepen. Wij naar het kantoor van onze pa en hebben hem het hele verhaal verteld. Hij vond het niet zo geslaagd, maar begreep het wel.

Even later kwam de man weer terug bij z’n fiets, wilde opstappen en ontdekte dat hij twee platte banden had. Wat ging die man daar tekeer, want hij voelde wel wie hem dat geleverd hadden: die twee rotjongens die hem bij de aardappeltjes ook steeds in de weg zaten. Maar wij zaten in het kantoor bij onze vader weggedoken, en konden door de vitrage alles zien wat zich bij die fiets afspeelde. Nu had de waterpolitie een kantoor een eindje verderop. Hij naar de politie, blijkbaar om daar z’n beklag te doen.

Intussen hadden wij van onze pa een fietspomp gekregen met de opdracht om als een wiedeweerga die banden weer op te pompen. Wij met bonzend hart dat gedaan en als een speer weer terug naar pa z’n kantoor. Maar daar mochten we niet blijven, want pa wilde geen ‘gedonder’.

Wij gauw de aardappelloods van Pars ingegaan en daar naar boven naar de zolder. Aan de voorkant van die zolder zaten twee ronde ramen, vol met stof en spinnenraggen. En achter die twee ramen zaten wij en konden tussen de viezigheid en het stof door precies die fiets zien.
En ja hoor, daar kwam de man hevig met de armen zwaaiend, geflankeerd met één van de waterpolitieagenten, ik meen agent Deinum, aanlopen.

En bij de fiets gekomen, wist hij niet wat hij zag. Dat kon toch niet waar zijn…….. Je zag het gezicht van de man rood worden. En aan de gebaren van de politieagent te zien, die het natuurlijk niet leuk vond om voor zoiets te moeten opdraven, kreeg hij een flinke uitbrander.
En wij beiden als kinderen lagen krom van het lachen, want tenslotte was onze naam haas en wisten we van niks.

Klaas Deinum, was waterpolitie-agent en woonde aan de Bantegastraat.

Herinneringen aan Lemmer (8)

Chromatica.

In de voorgaande stukjes heb ik al heel wat persoonlijke herinneringen uit mijn kinderjaren in m’n geboorteplaats Lemmer opgeschreven. En terwijl je dan het een en ander op papier zet, borrelen er steeds weer andere herinneringen uit m’n kinderjaren naar boven.

Zo vertelde ik in het vorige stukje over de bonte avond die in Lemmer was georganiseerd voor de schippers die in Lemmer lagen vastgevroren met hun schepen. Ik noemde ook de naam van de mondharmonicavereniging ‘Chromatica’. Deze mondharmonicavereniging was, voor zover ik nog weet, opgericht door mijn vader Jan Bosma samen met de heer Stoffer, die gasmeteropnemer was bij de Gasfabriek.

Na de oprichting van Chromatica werden er eerst muziektheorielessen gegeven in het scheepsbevrachtingskantoor van mijn vader bij de sluis. Daar ben ik ook nog enkele keren naartoe geweest, maar die lessen waren ontzettend gortdroog, dus helemaal niet leuk. Daar ben ik dus al gauw mee gestopt. Ik kon overigens allang mondharmonica spelen, maar niet van de muziek af, wel zo uit het hoofd. Blijkbaar een aangeboren talent…?

Maart 1950.

Later heb ik bij Crescendo, samen met Haye Dijkstra, op een heel oude cornet leren spelen en uiteraard ook geleerd om noten te lezen en om de ventielen van dat kleine blaasinstrument te bedienen. Daar heb ik later, nadat ik bij het Leger des Heils mocht meespelen in een muziekkorps, heel veel plezier van gehad.

Maar toch werd ik wel lid van Chromatica, want ik mocht de trommel slaan. Eerst de grote trom en zo nu en dan de kleine trom. Ik kreeg trommelles van de heer Rottiné, die in de eerste Parkstraat woonde. Volgens mij was hij ook al slagwerker bij Crescendo in Lemmer voordat hij bij Chromatica kwam. De heer Rottiné kwam altijd naar ons toe in de Schoolstraat en dan kreeg ik in de fietsschuur achter ons huis van hem trommelles.

En dat trommelen vond ik prachtig en ging me ook wel goed af. Ook leerde ik om de trommelmuziek van het blad af te lezen. Ik moest de trommelmarsen uit het hoofd leren, zodat ik ook in een mars op straat kon trommelen als de muziek niet speelde. Ik kan me herinneren dat ik op een feestdag (Bevrijdingsdag?) tijdens een rondgang van de plaatselijke muziekkorpsen Crescendo en Excelsior ook mee mocht lopen met de trommel op m’n buik.

De heer Rottiné liep tussen de muzikanten in, maar ik liep helemaal in m’n eentje voor de muziek uit. Dat was wel heel erg spannend, want steeds werd ik achter m’n kinderrug aangespoord door de blazers om veel harder op die trommel te slaan. Op een avond, toen ik bij een optocht had getrommeld en deze weer voorbij was, bracht ik de trommel naar huis en mocht dan, bij wijze van uitzondering, van m’n ouders nog even het dorp in om naar het vuurwerk te gaan kijken dat in de Binnenhaven bij de Schulpen werd afgestoken.

Chromatica heeft ook enkele keren meegedaan aan een concours. Ik heb dat ook een keer meegemaakt. Dat was , meen ik me te herinneren, in Oudemirdum . Of we daar een prijs hebben gewonnen, weet ik niet meer. Ik weet wel dat de jury nogal wat commentaar had op, jawel : het slagwerk. Verder zijn we met Chromatica een keer met de bus naar Urk geweest en hebben daar een concert gegeven in de muziektent vlakbij de haven. Ook heeft Chromatica meerdere keren in de muziektent op de Kortestreek gespeeld.

 

Foto: Marten Jaalsma, Jan Bosma en Reitze Lemstra, leden van ‘Chromatica’ bij optocht in Lemmer van alle verenigingen ergens in het begin van de vijftiger jaren.

 

De eerste dirigent van Chromatica was de heer Stoffer, daarna kwam Pieter Verhoeff. Hij was een zoon van Wiebe Verhoeff, huisschilder en stuurman op de reddingboot Hilda. Ook Wiebe Verhoeff was lid van Chromatica. Pieter is later heel bekend geworden als regisseur en programmamaker bij de VPRO geworden. Daarnaast was Pieter ook filmmaker en heeft prachtige films gemaakt.
Chromatica repeteerde in de consistorie van de N.H. Kerk. Daar stonden ook de spulletjes van Chromatica in en op de kasten opgeslagen.

 

 

Pieter Verhoeff in latere jaren.

 

Ik herinner me dat Pieter in die tijd nogal stotterde (later is dat allemaal goed gekomen), maar wat was hij enorm muzikaal (hij speelde clarinet en, ik dacht ook trompet?, bij Crescendo). Als dirigent was hij wel erg streng.

Hij ging tijdens de repetitie zo nu en dan de consistorie uit en luisterde dan achter de gesloten deur naar hoe er gespeeld werd. Daarna wist hij haarfijn te vertellen wie er verkeerd speelde en wat er fout ging.

Helaas heeft Chromatica niet erg lang bestaan en ik meen me te herinneren dat de mondharmonicavereniging al was opgeheven voordat wij eind 1956 van Lemmer naar Enschede verhuisden. Ik herinner me dat ik een keer bij Pieter Verhoeff moest komen in z’n ouderlijk huis aan de Tuinstraat. Het was hem blijkbaar opgevallen dat ik met m’n jongensstem nogal mooi kon zingen en ik moest dus bij hem thuis komen voorzingen. Volgens mij wilde hij een kinderkoor oprichten in Lemmer. Of het er ooit van is gekomen, weet ik niet meer.

Reddingboot Hilda.

De reddingboot Hilda, waar Wiebe Verhoeff stuurman op was, was ook altijd erg geliefd bij ons als kinderen. We zwommen dan in de Tramhaven en klommen via de steiger waaraan de Hilda was gemeerd aan boord en doken dan in het water. Natuurlijk was de ‘toegang tot de steiger ten strengste verboden’, maar ja, zoiets lazen we natuurlijk niet wanneer we via het water erop klommen.

 

Vader van Pieter, Wiebe Verhoeff, was ook stuurman op de reddingboot Hilda.

 

Reddingboot Hilda afgemeerd in de Tramhaven; daarachter één van de Lemmerboten.

 

Horeca in Lemmer.

In Lemmer waren meerdere cafés en het was, zoals ik me dat herinner, bijna normaal dat je op straat wel eens mensen tegenkwam die nogal wankel ter been waren. Meestal zeiden ze niets, keken rechtuit en probeerden alleen maar koers te houden om weer veilig thuis te komen. Maar er waren er ook wel bij die nogal lawaaierig waren en duidelijk hun aanwezigheid kenbaar maakten.

Zo herinner ik me dat ik als kind eens iemand die nauwelijks nog op z’n benen kon staan naar huis heb gebracht. Ik kwam bij m’n vader z’n kantoor vandaan en was via de sluisdeuren naar de andere kant van de sluis gegaan om langs de Emmakade weer naar huis te lopen. Daar werd ik door die man aangesproken en hij vroeg me of ik wist waar hij woonde en of ik hem naar huis wilde brengen. Ik kende hem wel, had hem al vaker dronken gezien en wist dat hij achteraan op de Vissersburen in een enorm groot huis woonde. Ik gaf hem een handje en hij hield me stevig vast. En toen ik hem thuis bij de voordeur had afgeleverd, kreeg ik een geldstukje van hem. Ik dacht een kwartje. Die had ik dan toch maar mooi verdiend.

Wat ik me ook herinner is dat er nog wel eens ruzies in de cafés waren. Een keer was er een hoop lawaai bij en in het café aan het begin van de Schans. Zelfs de politie kwam er aan te pas. Later hoorden we dat in het café zo het een en ander kapot was geslagen door de ruziemakers.
 

Maar ook herinner ik me een flink opstootje bij het hotel-café aan de Nieuwburen. De uitbater ervan was tevens keeper bij vv Lemmer. Blijkbaar had hij teveel ballen doorgelaten, want er stond een grote groep mannen tegen hem te keer te gaan. Ook daar was de politie bij aanwezig.

 

Café aan het begin van de Schans.

 

Pruumke tabak Zelf ben ik ook een keer zeg maar ‘dronken’ en ‘doodziek’ naar huis gekomen na mijn bezoekje aan de Jan Nieveen op een vroege ochtend tijdens een zomervakantie.
Onze ouders waren niet thuis (ze waren op familiebezoek in Amsterdam) en oma en opa Bosma pasten op. Op een vroege ochtend was ik weer naar de Jan Nieveen gegaan die uit Amsterdam was gekomen.

Nu werden er met de Jan Nieveen regelmatig grote ronde houten kisten vol met tabaksbladeren in Lemmer aangevoerd vanuit Amsterdam, waar ze van een zeeschip afkomstig waren. Die kisten werden dan verder getransporteerd naar Joure waar de tabak dan bij Douwe Egberts verder werd verwerkt tot shag en andere tabakswaren. Ik zag de mannen van de Jan Nieveen in die vroege ochtend hard aan het werk om het schip te lossen en zag ook dat enkelen een pruimpje tabak achter de kiezen hadden.

Dat was voor mij toch wel heel interessant, want als je zo’n op zo’n vette pruim kauwde, dan telde je pas mee! (zoiets dacht ik dus…) Nu staken er uit die tabakskisten vaak stukken tabaksbladeren naar buiten. Dus wat deed die ondeugende Leendert Bosma? Hij trok stiekem een stuk van zo’n naar buiten stekend tabaksblad af, propte die in zijn mond en begon als een volleerde ‘kringetjesspuger’ flink te kauwen op die tabak. Het gevolg was dat ik binnen 5 minuten doodziek was, en bijna kruipend en kotsend naar huis ben gegaan. Bij Noppert heb ik een tijdje tegen de winkelpui gezeten. Maar ja, ik moest wel verder.

Thuis gekomen kreeg ik eerst flink op m’n kop en naast het overgeven, kwam ook het hele tabaksverhaal eruit. Ik kreeg toen, geloof ik, wel een liter melk te drinken van mijn oma en opa, want het gif in m’n maag moest eruit. Ik wilde niet, want alles kwam er weer net zo vlug uit, maar ik moest! Het werd echt in m’n mond gegoten. Toen deze marteling voorbij was heb ik uren geslapen en kreeg daarna nog eens een flinke uitbrander van m’n opa, die trouwens zelf ook een fervente tabakskauwer was. Toch had dit ook heel anders kunnen aflopen met die nieuwsgierige Leendert Bosma, want, volgens zeggen, waren die tabaksbladeren nog onbewerkt en daarom puur gif.

Herinneringen aan Lemmer (9)

Chr. Mulo aan de Langestreek.

In het voorgaande heb ik in heel wat herinneringen uit mijn kinderjaren in Lemmer tevoorschijn getoverd. Herinneringen aan de jaren dat ik op de lagere school zat.

Na de lagere school ging ik naar de Chr. Mulo op de Langestreek. Daar heb ik wel een leuke tijd gehad. Het was allemaal niet zo moeilijk en ik kon heel goed meekomen. Het hoofd van de school was de heer Van Dasler. Hij gaf les in wiskunde. Hij was vriendelijk, maar kon ook geweldig uit z’n slof schieten als hem iets niet beviel. Toen ik later in Enschede op school zat, kwam ik hem een keer in de stad tegen. Hij was daar samen met zijn vrouw omdat hij gesolliciteerd had op de Hervormde School voor ULO in Enschede, de school waar ik toen naartoe ging. Zijn sollicitatie liep blijkbaar op niets uit want hij is later in Aalten hoofd van een middelbare school geworden.

Verder herinner ik me van de Muloschool in Lemmer nog de leraren Larooij, Tjeerdsma, en Ter Haar. Verder nog een leraar die Frans les gaf, maar zijn achternaam ben ik vergeten. Wel weet ik dat hij in 1956 ging verhuizen naar Breda (?).

Meneer Ter Haar droeg de bijnaam ‘peulvrucht’. Waarom hij die naam kreeg toebedeeld, weet ik niet meer. Misschien omdat hij zo saai boekhouden en handelsrekenen gaf?
Meneer Tjeerdsma gaf aardrijkskunde en Nederlandse taal.
Meneer Larooij, die vlakbij de Kon. Wilhelminaschool woonde, gaf Duits en deed dat op een heel gedreven manier. Ik meen me te herinneren dat hij ook Engels gaf. De allereerste zinnen in het Duits, die we moesten leren en heel duidelijk moesten uitspreken, waren:

Fritz geht heute zum ersten Mal in die Schule.
Er ist sehr froh. Ich erzähle ihm was er alles lernen muss.
Er bekommt einen neuen Anzug an.
Schnell, schnell, ruft er, denn sonst komme ich zu spät.

 

De heer Larooij.

 

Foto uit begin van de 20e eeuw toen de Christelijke Lagere School nog in dit gebouw aan de Langestreek gehuisvest was. Pas later, nadat er ook nog een sigarenfabriek in had gezeten, kwam de Chr. Mulo er in.

 

Baantje als monsternemer.

In de eerste klas van de Mulo zocht ik, om een paar zakcentjes te verdienen, een baantje. En zowaar kon ik in het voorjaar een baantje als monsternemer bij de melkfabriek NOVAC in Oosterzee krijgen. Officieel was ik nog iets te jong, maar officieus werd ik toch aangenomen. Ook m’n oudste broer Jannes kreeg eenzelfde baantje als monsternemer, ook bij deze melkfabriek. Het betekende wel dat we ’s middags direct na schooltijd op de fiets met ons monsterkistje met flesjes en driepoot met unster op pad moesten naar de betreffende boer en het weiland waar z’n koeien stonden te grazen.

Vaak moest je een flink eind fietsen om bij het weiland van de boer te komen waar zijn koeien liepen en ook gemolken werden. Soms was het in de buurt van Bantega, Oosterzee, Follega, maar ook in de Brekkenpolder. En de volgende morgen moesten we al weer heel vroeg ons bed uit om op tijd weer bij het melken te zijn. Ik had het geluk dat ik een beetje kon melken, dus om de boer een handje te helpen, molk ik ook wel eens een paar koeien. En dat leverde me bovendien wel een heel enkele keer een paar liter verse melk op.

Ik had het kannetje meestal uit voorzorg al meegenomen. Soms vroeg ik er om en betaalde dan voor de melk. Toch was dit leuke werk, in combinatie met school veel te zwaar. Ik kreeg aanvallen van migraine, waar ik behoorlijk ziek van werd. Bij zo’n aanval werd ik blind van de hoofdpijn (ik heb er nadien nog enkele jaren last van gehad en ben uiteindelijk toen we in Enschede woonden bij de specialist terecht gekomen). We besloten dan ook om in de zomervakantie te stoppen.

 

Hier staan we klaar, ik links en Jannes rechts, om te gaan monsternemen.

 

Op de laatste ochtend als monsternemer was het verschrikkelijk slecht weer. Ondanks dat het zomer was, was het koud, waaide hard en het regende aan één stuk door. Ik moest op de fiets naar Follega, naar de boer die net over de brug aan het verbindingskanaal aan de linkerkant woonde. Daar weer achterop de kar waar de melkbussen op stonden en naar het weiland in de buurt van de Grote Brekken. Wat was ik nat, door en door koud en ziek. Ik herinner me dat ik opgezwollen handen van de kou en regen had.

Toen het melken was afgelopen, mocht ik van de boer niet op de fiets naar Lemmer, maar moest ik wachten en met de melkauto mee. Ik liet m’n fiets daar dus staan en ben met m’n kistje met kostbare inhoud met de melkauto meegereden. (De fiets heb ik later weer opgehaald.)
Thuis gekomen moest ik meteen het bed in met een kruik, want ziek worden wilde ik niet. Wij zouden n.l. die dag met de Lemmerboot naar Amsterdam varen om een paar weken bij onze oma en opa te zijn.

Gelukkig deden een paar uur slaap wonderen en op tijd zaten mijn broer en ik op de Jan Nieveen en begon een heerlijke vakantie bij opa en oma in Amsterdam. Als herinnering aan de periode als monsternemer kregen we nog een getuigschrift uitgereikt door de melkfabriek. En dat papiertje heb ik nog steeds.

Scheepswerf Bijlsma.

Het allereerste schip dat op de nieuwe scheepswerf van Bijlsma werd gebouwd, was de ‘Schiermonnikoog’ een veerboot die tussen Friesland en het eiland Schiermonnikoog zou gaan varen. Samen met mijn vriend Haye Dijkstra gingen wij daar op zondagmiddagen vaak kijken hoever de bouw al was gevorderd. Je kon toen nog heel gemakkelijk op het terrein van de scheepswerf komen. Het hele bouwproces, vanaf de kiellegging totdat de bouw af was, hebben we gevolgd en we vonden het machtig interessant. De tewaterlating hebben we niet meegemaakt, want we zaten toen waarschijnlijk op school in de les.

Herinneringen aan Lemmer (10)

Namen en bijnamen.

In de voorgaande stukjes heb ik allerlei brokstukken uit de herinneringen aan mijn kinderjaren in Lemmer weergegeven. Het zal duidelijk zijn dat er veel meer herinneringen zijn opgeslagen in mijn hoofd….. Maar die kunnen natuurlijk niet allemaal een plekje op deze site krijgen, want dan zou het verhaal veel te lang en, denk ik, ook te langdradig worden.

Daarom in deze aflevering de laatste brokstukken die ik voor 'www.spanvis.nl' bij elkaar heb geraapt vanuit mijn herinnering. In Lemmer hadden heel veel mensen een bijnaam. En zoals ik al die bijnamen heb beleefd, waren het geen scheldnamen, maar namen waar een verhaal aan vast zat. En je vond als kind die namen dan ook heel normaal.

Ik heb enkele mensen in Lemmer gekend die een bijnaam hadden. Op www.spanvis.nl/bijnamen staat een heel lange lijst van namen en bijnamen, en daarbij ook de achtergrond van die bijnaam.

 

Zo heb ik de drie broers die hier op de foto staan, ook gekend. Ik kwam ze vaak in het dorp tegen.

Omschrijving van Johannes de Vries: Drie bekende Lemster figuren. De gebroeders Rottiné, bij elke Lemster indertijd bekend als De Klutsen. Die bijnaam hadden zij geërfd van hun vader. Hun vader was loods, zoals verscheidene anderen in het begin van de vorige eeuw in Lemmer. Een Belgische schipper die uit een stuk of vijf loodsen kon kiezen nam Rottiné senior. Met de woorden ‘Dat mannetje met die klöts moet ich haben’. Vanaf die tijd was de familie in Lemmer onder die naam bekend.

Op deze foto zien we Jan, Harm en Hendrik op het Skieppedykje. Het zal zijn geweest in de jaren dat zij niet meer werkten en vaak met hun drieën op stap waren. Jan en Harm hadden meest wat losse werkzaamheden. Zij kwamen veel bij ons in de bakkerij. Meel sjouwen en zaagsel en spaanders brengen. Bij dat laatste was Arjen van der Wal hun ‘concurrent’.
Drie eenvoudige steentjes naast elkaar op het nieuwe kerkhof herinneren ons nog aan hen
.

 

Al gravende in mijn herinneringen kwam ik verder tegen:
Ale de Boer, ook wel genoemd Ale Honnekop.

 

Ale was getrouwd met Antje Stuur, dochter van ‘beppe Stuur’ zoals ik die heb gekend en die wel eens bij onze moeder kwam. Ale kon dichten/rijmen als de beste en heeft daarvoor ook een Kon. Onderscheiding gekregen. Hij heeft mij die onderscheiding een keer vol trots laten zien, kort nadat hij met Antje na hun huwelijk in hun huisje in de Pietersbuurt was getrokken.
Hij en z’n vrouw Antje gingen veelal in Lemmer en omstreken langs de deur om de gedichten en andere waar aan de man te brengen om daarmee de boterham te verdienen.

Ook een heel bekende verschijning en persoonlijkheid in Lemmer was Jan Bergsma, doorgaans genoemd Manke Jan. Onderstaand verhaal zegt genoeg over deze aardige man die ik als kind vaak tegenkwam.

 

Manke Jan in zijn kenmerkende houding als dorpsomroeper:
Hij begon z’n verhaal vaak met: “Op de markt staat een bekende koopman …………”

 

Omschrijving van Johannes de Vries: Bergsma had een groot gezin. Zij woonden in een heel klein huisje achter de Centrale Bakkerij, bereikbaar door een steeg naast de bakkerij van Pieter Koopmans. Voor een groot gezin was er heel wat nodig en dus werd elke mogelijkheid om wat bij te verdienen aangegrepen. Zo ook het omroepen van boodschappen door heel Lemmer. We zien hem hier in zijn werk als dorpsomroeper in Het Leeg. In zijn karakteristieke houding: linkervoet op de grond, rechter op de trapper. In de rechterhand het bekken en het briefje waar de boodschap van gelezen werd. In de linkerhand het stokje waarmee op het bekken geslagen werd om de aandacht te trekken.
Deze foto is gemaakt in de zeilweek van 1945, van 9 tot 16 augustus. De boodschap die wereldkundig werd gemaakt was dat er turf gehaald kon worden op een bepaalde brandstofbon. Hij was ook degene die met Sint Nicolaas onze sjoelavonden bekend maakte. In de contacten die ik met hem had heb ik hem leren kennen als een sociaal voelend en verstandig mens
.

Maar Manke Jan was niet de enige omroeper in Lemmer, want ook hoorde ik zo nu en dan een andere stem en dan zag ik dorpsomroeper, de heer Willem Platte . Ook Willem had een harde, zij het wat krakerige stem. Hij lustte maar wat graag een tabakspruimpje.

 

Willem Platte.

Ja, en dan was er in Lemmer de bekende Reade Sake, de vader van Roelie Visser.
Roelie beheert de site over Lemmer en haar geschiedenis: 'www.spanvis.nl' en daar staat ook veel informatie over haar markante vader, gelardeerd met veel foto’s. Ook hadden we in Lemmer Reade Oane. Zijn bijnaam kende ik wel, maar heb er momenteel geen beeld meer bij.

Onze buurman, die op de hoek van de Lijnbaan en de Schoolstraat een piepklein winkeltje had, werd Bauke Fugeltsje genoemd. Hij zat bij mooi weer altijd op de vensterbank van z’n huisje. Vaak zat hij liedjes te fluiten, te zingen of te neuriën. Sommige van die liedjes kende ik ook van de zondagschool.

Bauke was lid van een kleine geloofsgemeenschap die bijeen kwam in de kapperswinkel van Booms aan de Prinsessekade. Ik meen me te herinneren dat deze kleine geloofsgemeenschap ‘het kerkje van Booms ‘ genoemd werd. Bauke was wel een vriendelijke man. Alleen werd hij boos als hij ontdekte dat je op de zijkant van z’n huis met krijt aan het kladderen was of ballen tegen die muur schopte. Kort voordat wij gingen verhuizen is Bauke in het ziekenhuis in Sneek overleden. Hij lag thuis opgebaard. Toen ik dat had gevraagd, mocht ik Bauke nog even zien.

Ook kende ik Lange Joost, die op de Vissersburen woonde. Ik vond het altijd heel indrukwekkend als hij met zijn enorme schepnet in de Binnenhaven kleine visjes probeerde te vangen om die later als aas voor sportvissers te verkopen. Hij kon niet zo goed praten vanwege een stoma in de luchtpijp. Ook kwam de naam Kromme Goune in me op. Wie dat was, weet ik niet meer.

Zoals ik al eerder opmerkte is er op deze site een lange lijst van namen en bijnamen te vinden. Ik heb hierboven dan ook alleen die mensen genoemd die ik zelf, in ieder geval met hun bijnaam, heb gekend.

Voordat ik echt stop met het ophalen van de herinneringen, wil ik toch nog een paar anekdotes uit m’n kinderjaren doorgeven.

Raampje tikken en belletje drukken.

Tegen de achtertuin van ons huis aan de Schoolstraat grensde de tuin van de familie v.d. Bijl, die in de Bantegastraat woonde. Wij als kinderen hadden een heel goed contact met hun kinderen. Ze hadden één jongen en de rest was meisjes. De buurvrouw zei nooit zoveel en de buurman ook niet omdat hij, zeg maar, een soort spraakgebrek had. Hij kon namelijk de ‘R’ en de “L “niet zo goed uitspreken. Maar, het waren vriendelijke buren en een fijn gezin.

Mijn broer Jannes en ik haalden nog wel eens wat kattekwaad uit, waar we beiden natuurlijk heel veel lol aan hadden, maar degene die het betrof niet. Zo gingen we een keer in het donker raampje tikken bij onze achterburen, de familie v,d Bijl. We hadden een klosje naaigaren en een naald uit de naaidoos van onze moeder gehaald. Een steentje aan het garen gebonden in aan de naald bevestigd. Toen heel stiekem de naald in de stopverf van een van de ramen gestoken. Het garen afgerold en weggekropen achter wat struiken in de tuin van de openbare lagere school.
Toen begon het feest. We gaven zachte en korte rukjes aan het garen. Hierdoor tikte het steentje tegen het raam van de voorkamer van de familie v.d. Bijl.

En, ja hoor, de buurman die dacht dat iemand op het raam tikte, deed de deur open, zag niks en de deur ging weer dicht. Wij een tijdje gewacht en toen nog een paar keer getikt, maar nu iets harder. Intussen hielden we het niet meer van het lachen, want daar ging de voordeur weer open. De buurman staarde in het duister en riep (in het Fries): Wie is daar? Hij keek nog eens rond bij het raam, maar zag niets en ging weer naar binnen. Wij weer een tijdje gewacht en toen weer flink het steentje laten tikken. Nauwelijks waren we uitgetikt of de voordeur ging weer open en een woedende buurman schreeuwde: Smawwege wotjongens. Sodemietejwe op, oaws siwwik dei wow te pakken kwije.

Ik weet, het was kattenkwaad, maar wat hebben Jannes ik geproest van het lachen.
Nu ik dit opschrijf, zie ik het hele gebeuren weer voor me.

En zo zaten we vol met streken die bij onze leeftijd hoorden. Daar hoorde natuurlijk ook het bekende belletje drukken bij. Ik had alleen de pech dat ik niet zo hard kon lopen als Jannes, die bij de voetbal had leren hardlopen. Dus ik moest al gaan rennen vóórdat m’n broer op een bel had gedrukt. En we hadden natuurlijk zo onze favoriete adressen. En als ik eens op een bel drukte en er vandoor ging, dan was iedereen allang onzichtbaar behalve Leendert. Dus was bij degene die de deur opende onmiddellijk bekend dat die rotjongens van Bosma weer aan het spoken waren.

 

Eind van de Schoolstraat met rechts het huis van Haye Dijkstra Sr. Ons huis stond aan het andere einde van de Schoolstraat.

 

Als laatste dan het verhaal van de knikkers.

Jannes en ik mochten graag knikkeren. We wonnen veel knikkers (geverfde kleiknikkers), maar we verloren er ook wel veel. Toch het ging niet alleen om de winst, maar ook om het spel.
Nu hadden we ‘ruzie’ met Frans Deinum, zoontje van de waterpolitieagent. Toch wilde hij wel met ons knikkeren en we zagen meteen onze kans schoon op zeer grote knikkerwinst en op die manier even met hem af te rekenen.

Terwijl we aan het knikkeren waren, werden door ons continu de knikkerregels gewijzigd, in ons voordeel natuurlijk. Die arme jongen had op zeker moment geen knikker of stuiter meer over. Hij vond dat natuurlijk ontzettend gemeen, maar wij vonden dat we ons helemaal aan de regels (de onze dus) hadden gehouden.

’s Avonds na het eten, ging bij ons de voordeurbel. En wie stond daar in vol uniform?
Inderdaad, politieagent Deinum. Of hij onze vader even mocht spreken.
Nu kon mijn vader het erg goed met Deinum vinden, dus werd die uitgenodigd om binnen te komen. Toen kwam dus het hele verhaal boven water, dat hij had gehoord van zijn zoon Frans, dat Jannes en ik hem al zijn knikkers hadden afhandig gemaakt door het in eigen voordeel toepassen van zelfgemaakte knikkerregels.

Het eind van het liedje was dat onze pa heel erg boos op ons werd. Toen Deinum dan ook weer weg was, hadden wij geen knikkers meer. Onze pa had die aan Deinum meegegeven voor zijn zoon Frans. Boontje kwam om z’n loontje en zo werden wij gestraft voor onze zonden. Daarmee was die schuld vereffend.

Epiloog bij ‘Herinneringen uit mijn kinderjaren in Lemmer’.

Ik heb het een leuke uitdaging gevonden om vanuit mijn herinnering en geholpen door foto’s van onszelf, van de Lemsterkrant en van www.spanvis.nl , veel verhalen uit mijn kinderjaren in Lemmer tevoorschijn te toveren en daarmee weer ‘nieuw leven’ in te blazen. Terugkijkend in de tijd en vorsend in je eigen verleden, realiseer je je dat de meeste mensen uit Lemmer, van wie de namen zijn genoemd en die ik als kind heb gekend, niet meer onder ons zijn.

Met eerbied denk ik aan hen, omdat zij mede bijgedragen hebben aan mijn ontwikkeling als kind en daarmee ook aan de basis hebben gestaan van wat en wie ik ben geworden.

Wierden, oktober 2013.

Samen met mijn vrouw Petra.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.