|
Leeuwke Zandstra vertelde over Lemstervisserij.
Na stormramp brief naar de Koningin om financiële steun.
Leeuwke Zandstra uit Lemmer, geboren op 27 juli 1909. Oude Leeuwke, noemden ze hem.
Hij begon als Zuiderzeevisser in een houten bootje en
eindigde als kantonnier op de dijk tussen Lemmer en Urk. Dat
is echt een ploert van een dijk. Nou, Leeuwke liep er rond
als een kapitein op een schip. Ontzettend trots, omdat hij
vanaf het begin alles had meegemaakt. Hij zag de
Noordoostpolder droogvallen, vond in de oorlog dode piloten
van de luchtslagen en hielp heel wat gestrande schippers aan
land. Als ik een roman moest verzinnen over een man en zijn
dijk, dan zou Oude Leeuwke de hoofdrol spelen.
Uit interview van Bas Sleeuwenhoek "Terug op Het Schrale
Eind"
Toen wij de 78-jarige oud-visserman Leeuwke Zandstra uit
Lemmer vroegen een en ander te vertellen over zijn
belevenissen met de Lemster visserij, dan stuit dat op geen
enkel bezwaar, maar je moet me niet naar jaartallen vragen,
want die weet ik niet meer. Een avondje met hem praten in
zijn woning in de Parkstraat blijkt in meerdere opzichten
een vermakelijke bezigheid te zijn.
Tijdens de conversatie vallen om de haverklap typische
Lemster uitdrukkingen en bijnamen, welke op de lachspieren
werken. De heer Zandstra wil liever niet alles in de krant
hebben, want sommige bijnamen geven minder deugdelijke
eigenschappen weer van bepaalde personen, maar er zijn ook
grappige bijnamen. De bijnamen komen boven water wanneer de
oud-visserman historische verhalen uit zijn humorrijke geest
put. Maar niet alles in het vroegere Lemmer was om te lachen
Daar was ook de bittere ernst.
Je dagelijks brood verdienen in de visserij was geen
gemakkelijke opgave.
Bij meester Funcke
Leeuwke Zandstra komt uit een gezin van 6 kinderen, 4
meisjes, 2 jongens. Leeuwke is de oudste van de twee
jongens. Hij vertelt ons dat een van zijn zusters in Amerika
woont en 84 jaar is. Van haar ontving bij de afgelopen kerst
nog een paar keurig geschreven, in het Nederlands gestelde
brieven. Het is net of hij er mee wil zeggen, dat wanneer
zijn zuster het zo lang vol kan houden, bij het ook wel kan.
De heer Zandstra bezocht de Chr. Lagere School tot zijn 13e
jaar: "In de zomer haalde mijn vader me van school om bij
hem aan boord van de LE 73 te gaan. Ik was derde man op het
schip. Hendrik Bootsma was mijn vaders grote knecht. Als
derde man moest je allerlei karweitjes doen, koffiezetten en
zo. Op school, in dat gebouw is later een sigarenfabriekje
gekomen (later Lemsoos), had ik les van meester Funcke. Dat
was een aardige man. Hij had geloof ik een grote
huishouding. Hij liet sommige leerlingen apart leren, zoals
Fedde Schurer, een zoon van Pieter van der Bijl en de zoon
van kleermaker IJlst."
Winkel aan de kant.
Waar de heer Zandstra in Lemmer geboren is, weet hij niet
meer, of in de Tuinstraat of in de Schans: In deze laatste
straat had zijn moeder, welke van Urk afkomstig (Urker
Aaltsje) was een winkel met een assortiment van gedroogd spek
tot stopgaren: "Ze had van alles te koop. Met de winkel liep
het echter niet zo goed. Ze verkocht wel, maar velen
betaalden niet of konden niet betalen. Mijn moeder was een
goed mens. Ze kon geen armoede zien. De bedragen, welke
klanten aan mijn moeder schuldig waren, liepen soms fors op.
Maar zij moest wel op tijd grossier Leenders in Heerenveen
betalen. Dat kon niet, wanneer de klanten niet betaalden.
Mijn vader was van mening, dat de winkel maar aan de kant
moest, want anders zou het hem nog wel eens de visserij
kunnen kosten. Sommige winkeliers deelden middels een
plakkaat voor de etalageruit mee, welke mensen bij hen in
het krijt stonden. Die is zoveel verschuldigd en die zoveel.
Mijn moeder heeft dat nooit gedaan. Trouwens, het waren niet
alleen de visserlui die schulden maakten." De familie
Zandstra kwam nadien in de Schans te wonen.
Schaatsen op twee linksen.
Als jongeman kreeg Leeuwke van zijn moeder een dubbeltje mee
om een paar 'wrakken' te kopen bij Hulsker in de Schans.
"Wrakken" waren klompen met gebreken. Een paar goede klompen
kostte toen zo'n 7 tot 10 stuivers"
Eens kreeg Leeuwke 10 cent van zijn vader om schaatsen te
kopen: "Ik als 12-jarige jongen naar Davidson, een Jood, om
schaatsen te kopen. Ik kreeg voor 't eerst schaatsen, met
die lantarentjes er op. 't Waren een paar mooie schaatsen.
Mijn vader heeft er hakleer opgezet en toen naar 't
buitenland, het ijs op. De schaatsen zouden geslepen worden
door oude Mulder, die is vroeger nog eens in Amerika
geweest. Hij stond bij de ijstent van mijn moeder. Ja, mijn
moeder ventte met chocolademelk en koek in een directiekeet
van m'n oom Leeuwke Zandstra, voorheen een vrij grote
aannemer in Lemmer. Toen die oude Mulder mijn schaatsen zou
slijpen, zei hij, verrek, die Jood heeft je twee oude linker
schaatsen gegeven. Ik terug naar Davidson en zei er wat van.
Weet je wat die zei? Die schaatsen brengen je, waar ze je
hebben willen.
Daar moest ik het mee doen. Het was zo'n dikke vierkante man
met een pruim tabak achter de kiezen. Z'n vrouw kon niet
door een gewone deur, zó breed was ze. Maar goed, ik terug
naar Mulder. Die adviseerde me Davidson met de twee linker
schaatsen de hersens in te slaan. Mulder was kwaad, maar hij
heeft van de ene linker een rechter gemaakt en zo kon ik
toch schaatsen.
Hofzingen.
Op kwajongensstreken heeft niet de huidige jeugd patent. Ook
vroeger werden streken uitgehaald: Zo gingen Leeuwke en zijn
kameraden hofzingen bij de pastoor. 's Nachts staken de
heren met een roeibootje van Huitema de Rien over naar de
achtertuin van de pastoor om appels en peren te pikken.
Terwijl de pastoor in diepe rust was, klauterden
vertegenwoordigers van de Lemster jeugd over de hoge
omheining van de tuin. Ook het inbrandsteken van een met
petroleum doordrenkte jutezak aan een stok was een geliefde
bezigheid.
Petroleum werd uit kannen van vissersschepen gepikt of uit
het vierkante bakje van de straatlantaarns getapt. Maar al
was de fakkelloper nog zo snel, de bij de jeugd beruchte
agent Venema achterhaalde hem wel.
Venema had lood in zijn gummiknuppel en het was de jeugd
niet geraden binnen het draaibereik van deze agent te komen.
Zo sloeg Venema, in een boze bui, de zoon van oude Klaas
Sterk een hele grote volle melkpan in één klap uit de
klauwen. Ook Leewke kreeg eens een enorme klap met de
knuppel, zonder er een besteld te hebben. Hij stond bij een
hek buiten Lemmer, dat het vee moest keren, (het hek van
"rode Wieger") en dat zinde agent Bosma niet. Deze
politiefunctionaris stond ook niet als gemakkelijk te boek
en Leeuwke kreeg een dreun, die hij 65 jaar later nog voelt.
Door het hek passeerden veel boeren en jongens gingen er
staan in afwachting van een "fooi".De politie zag dat
blijkbaar niet graag.
Storm op de Lemmer.
Leeuwke was ongeveer 14 jaar oud. Er stond een krachtige
west noord- westen wind. "De wind krimpte opeens naar het
zuiden. Het water kwam allemaal terug de haven in. De aken
werden op de dam geslingerd. Sommige raakten los en er zonk
ook één.
Dat was die van de oude Rus (= Sake Visser). Het gebeurde in
de nacht. Er zonken nog meer. Mijn vader had de klampen eraf
en de boeg doorgeschuurd.
Door het hoge water gingen de boegen van de aken tegen de
gording aan schuren.' De aak van Wiebe Urk lag bovenop de
dam. Er was veel averij. Bij stukjes en beetjes zou alles
weer opgeknapt moeten worden. De hellingbazen zouden veel
werkzaamheden op krediet moeten verrichten. (De stormramp
waarover Leeuwke spreekt, is die van 13 en 14 januari 1916,
welke grote schade veroorzaakte in Noord Holland, in het
bijzonder in Waterland en op Marken. Van de weggespoelde
houten huizen en inventaris hiervan kwamen de restanten
langs de kust bij Lemmer aandrijven. Een glorietijd voor de
jutters. Het water had bij Lemmer een dusdanige hoogte
bereikt, dat de oostelijke havendam geheel ondergelopen was.)
Er was een houten helling en een ijzeren helling in de
Lemmer. Eén van die hellingbazen was Pier de Boer, een oom
van Arie de Boer, die later aan 't Hop woonde. Eerste klas
timmerlieden als Albert Reijenga en Jelle Douma knapten de
schepen op. 't Was een hele ramp voor de Lemmer. Er werden
brieven naar het Rijk en de Koningin gestuurd om geld. Een
zekere meneer Malerus is voor de visserlui in 't spier
geweest. Die man was bij Blessinga in de kost en daar diende
mijn zuster, die nu in Amerika woont. ( Met meneer
Malerus bedoeld Leeuwke jonkheer Mollerus, ontvanger de
registratie en domeinen te Lemmer. Hij woonde in Apeldoorn
en was niet gehuwd, hij was een bijzonder aardig man.)
Zodoende weet ik, dat die man Malerus, een vreemde naam
overigens, heette. Hij zat, geloof ik, op het gemeentehuis.
Er werden veel brieven geschreven. Uiteindelijk kwam er een
kleine gift. In die dagen waren er nog maar een paar ijzeren
aken. De meesten waren van hout en na de storm beschadigd.
De Lemster vissersvloot telde zo'n 80 schepen: botters,
schouwen en voor het merendeel aken.
Schokland
Leeuwke was al op 15-jarige leeftijd schipper. Zijn vader
was niet zo sterk en daarom stond Leeuwke al vroeg aan het
roer. Hij heeft over de hele Zuiderzee gezworven en ook de
vele havens aan deze zee aangedaan. Havens als die van
Wieringen, Kolhorn, Enkhuizen, Marken, Volendam, Bunschoten,
Harderwijk, Kampen; Urk, Kuinre en Schokland (Zie kaartje).
Schokland werd in 1859 ontruimd en was nadien alleen de
woonplaats voor een drietal gezinnen, wier gezinshoofden
belast waren met het onderhoud van het steeds meer
afbrokkelende eiland. De heer Zandstra herinnert zich nog
het volgende van het langgerekte eiland: "In het midden
stond een kerkje. Op de zuidpunt stond er ook één. Er woonde
een Urker op, die een ijzeren aakje uit Kampen had. Hij was
een beetje baas op het eiland. Ik ben wel veel op het eiland
geweest: Als het stormde op zee, dan voeren we gauw naar de
Schokkerhaven. 't Was nog een flinke haven. Er stond ook nog
een winkel en daar kon je roggebrood. en duimpjes kopen. Als
jongen vond ik die lekker. Soms waren er kopers op
Schokland.. Ze kochten de vis op.
Ik kan me niet herinneren, dat er een visafslag was. Het
eiland werd niet zo goed onderhouden. Het brokkelde steeds
meer af. Bij zware ijsgang dreven grote. stukken veen van
het eiland in de Zuiderzee."

Leeuwke Zandstra en Ties Prins redden de Noordoostpolder van
een overstroming.
Twee Lemster redden dijk Lemmer-Urk.
LEMMER – Dankzij de inzet van de Lemsters Leeuwke Zandstra,
geboren op 19 mei 1899 en Ties (mogelijk ook Theo) Prins is
de Noordoostpolder (toen nog het Nieuwe Land geheten) vlak
na de Tweede Wereldoorlog waarschijnlijk voor een catastrofe
behoed. Door een aantal vaten springstof onschadelijk te
maken, voorkwam het tweetal dat de dijk werd opgeblazen en
het lage land onderliep. Dit blijkt uit Bas Sleeuwenhoeks
boek ,Het schrale eind, een reis langs de bedwongen
Zuiderzee. Sleeuwenhoek interviewde gedurende een periode
van 4 jaar honderd mensen die hebben meegemaakt hoe de
Zuiderzee veranderde in het IJsselmeer na de aanleg van
Afsluitdijk. De journalist en schrijver wilde weten hoe deze
verandering hen persoonlijk beïnvloedde, maar ook wat het
deed voor natuur en visserij.
Zandstra’s verhaal staat uitermate boeiend beschreven en
laat zien hoe een Zuiderzeevisser verwerd tot een kantonnier
van de dijk Lemmer-Urk. De Lemster die inmiddels is
overleden begon als vissersknecht bij Jurjen Bootsma op de
LE42 en maakte in de jaren 1930 en 1931 mee dat de vangsten
nog uitermate goed waren. Dit was waarschijnlijk te danken
aan de laatste stroomgaten in de Afsluitdijk, aldus Zandstra
in het boek. Na de aanleg van de dijk kreeg de visser een
baan bij de Zuiderzeewerken en werd hij peiler op een
baggermolen. Hij zette daar grenzen uit voor wat later de
Noordoostpolder zou heten. Toen de baggerboten hun werk
hadden gedaan, kreeg Zandstra ander werk; hij werd opzichter
op de dijk Lemmer-Urk. Hij hield de vooruitgang van de
steenzetters van de basaltblokken bij en controleerde
hoeveel puin er werd aangevoerd. Als geen ander zag hij de
nieuwe polder ontstaan. Die polder was er echter bijna niet
meer geweest als hij niet samen met Prins had ingegrepen. De
Duitsers hadden tijdens de oorlog in de dijk (bij de
Bumasluis) zes vaten met springstof gezet om de dijk op te
blazen. Het plan werd weliswaar nooit uitgevoerd, maar op de
eerste dag na de bevrijding stonden de vaten nog altijd op
hun plaats. Zandstra, die nog nooit een bom van dichtbij had
gezien vatte samen met Prins het plan op om het projectiel
onschadelijk te maken. Later zou Zandstra zeggen dat hij dit
eigenlijk in een bui van overmoed had besloten en gedaan.
Zijn vrouw en kinderen heeft hij er bijvoorbeeld nooit over
verteld.
Losbikken.
Dat de mannen waarschijnlijk flink wat risico hebben genomen
bij het demonteren van de ,bommen’ blijkt wel uit het feit
dat de mannen aan het zagen en het bikken zijn geweest om de
springstof te verwijderen. De bovenkant van de vaten waren
afgedekt met een laag mastiek en in het midden stonden
koperen buisjes. Zandstra plaatste de punt van een beitel op
de taaie laag en bikte met behulp van een hamer de mastiek
los. Toen er geel poeder zichtbaar werd, wisten de beide
mannen dat dit de stof was waar het om draaide. Zij leegden
de koker in het water bij het Bumagemaal, openden het tweede
vat en vervolgens de rest. Na het zesde vat was de
Noordoostpolder gered van een overstroming. ,,Zandstra heeft
me ook nog verteld dat er nog een laatste compartiment moet
staan en dat dit te vinden is bij een hele harde oostenwind.
Ik ben een keer gaan kijken tijdens een storm maar heb het
niet kunnen vinden,’’ aldus de schrijver. Tevens ging het
verhaal dat het drie Polen waren die de springstoffen
onschadelijk hadden gemaakt. Waarschijnlijk is dit zelfs
ergens opgetekend, maar klopt dit verhaal niet. Waarom nu
pas duidelijk wordt dat Zandstra en Prins de Noordoostpolder
waarschijnlijk hebben gered, heeft Sleeuwenhoek ook weten te
achterhalen. ,,Zandstra antwoordde mij dat ze hem er nooit
naar gevraagd hebben. Dus heeft hij het nooit verteld.’’
De
bomexplosie. Beschreven door Jan de Vries, Lemmer 27 juli
1940.
Home
|