|
Lemmer 'forneamde haven oan 'e Sudersé',
|
1 |
2 |
3 |
De rol van de ondernemer.
Ondernemers hebben een groot aandeel gehad in groei en bloei van de
Lemster visserij. Een van hen hebben wij al genoemd: Jan Pen. ("Ik
ben koopman en verkoop van alles"). Daarnaast verschafte hij
kredieten aan vissers. Dat werd door meer ondernemers gedaan, onder
meer door de hangbazen De Rook, De Jager en Sterk. Ver voordat de
visserij te Lemmer van enige betekenis was, stonden er hier al
hangen, waarin voornamelijk aangevoerde haring werd gerookt. De rest
van de haring werd door venters als panharing verkocht. Rokerij en
handel waren voor Lemmer belangrijk. In 1808 heette dat: "Nog vind
zig op de Lemmer gevestigd eene vrij aanzienlijke binnenlandsche
handel in gerookte haring of bokking op de Zuiderzee gevangen en
aldaar gerookt,...". Al was de visserij van weinig betekenis, er
werd "daardoor echter eene zeer voorname tak van handel voor een
groot deel van Friesland geboren"40. Rokers kochten hun vis aan de
afslag, die van vóór 1800 dateert. Omstreeks 1850 klaagden de rokers
over de hoge prijzen die in Holland voor de vis werden betaald41.
Daardoor gingen de rokers afspraken maken met de vissers om de vis
rechtstreeks aan hen te leveren. Rond 1870 werd zo al veel vis
buiten de afslag om rechtstreeks aan de hangbazen verkocht (De reden
hiervan is niet duidelijk). Deze konden daardoor de prijzen
eenzijdig vaststellen, en die hielden zij natuurlijk zo laag
mogelijk. Hier kwam nog bij dat de rokers ook als financiers
optraden hetgeen hun macht over de vissers vergrootte. Zij leverden
de vissers onder andere schepen, zeilen en netten. Zij financierden
ook kleine of grotere reparaties aan schip, tuigage en netten. Ter
overbrugging van de tijd dat er niet werd gevist, verschaften zij de
vissers geld. Deze moesten niet alleen rente betalen, maar wat veel
belangrijker was zij waren dus ook verplicht de hangbaas de
gevangen vis te leveren. Een gevolg was dat de afslag een zachte
dood stierf. De eerste Lemster hangbaas die een visser een schip
verschafte was Johannes Sterk. Hij liet in 1895 een botter bouwen
bij de plaatselijke scheepsbouwer Pier de Boer ten behoeve van Jelle
Koornstra.

Beurtschip in de haven van Lemmer.

Daarnaast was Jan Pen een ondernemer
die een belangrijke rol in Lemmer heeft gespeeld. Hij was op
24-jarige leeftijd (1882) 'uit het veen' naar Lemmer gekomen. Hij
handelde in brandstoffen, kruidenierswaren, zoetwatervis, netten en
hij had een taanderij. Hij was getrouwd met een dochter van hangbaas
De Rook. Hij verschafte veel vissers kredieten. Behalve het betalen
van de gebruikelijke rente en aflossing moesten de vissers ook
andere waren van hem afnemen, in het bijzonder erg dure netten. Dit
gebeurde ook bij andere kredietgevers. Pier de Boer leverde aan
goede vissers een schip op afbetaling. Bij hem stonden er geen
andere verplichtingen tegenover dan de afbetaling van het schip. Ook
particulieren, veelal middenstanders, verschaften de vissers wel
kapitaal om visgerei aan te schaffen, zoals bakker Haveman deed.
Ontsluiting.
Tegen het einde van de 19de eeuw was
er in Nederland duidelijk sprake van een toenemende industriële
bedrijvigheid. Als gevolg daarvan kreeg Lemmer betere verbindingen
met de rest van het land. Er kwamen goede verbindingen over land met
Sneek en Leeuwarden. Naar het Gaasterland, Doniawerstal en Kuinre
werden verharde paden aangelegd. De belangrijkste veerdiensten op
Amsterdam en Groningen werden onderhouden met stoomboten. In 1900
kreeg Lemmer een tram verbinding met Heerenveen.

Er kwam een treinverbinding met Sneek en
Leeuwarden.

Lemmer kreeg een tramverbinding met Heerenveen.
Door al deze verbeteringen werd het achterland van Lemmer beter
ontsloten. De export van Lemster bokking steeg snel: visventers met
hondekarren, bak- en transportfietsen konden immers grotere gebieden
bestrijken. "Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,
wee leve as god yn Frankryk fan de iene yn de oare dei" In 1808
schreef de al genoemde ambtenaar dat in Lemmer de handel in vis een
goede bezigheid was, maar dat ".. .de visscherij zo binnen als op de
Zuiderzee voor degeenen welke dat beroep uitoefenen slegts eene zeer
schrale kostwinning opleverd.. .". Tussen 1860 en 1870 vroegen
verscheidene vissers wegens het verlies van hun schip en netten aan
Burgemeester en Wethouders van Lemsterland toestemming een collecte
te mogen houden. De opbrengst daarvan was meestal ruim voldoende om
een ander schip en netten te kopen. In 1862 bijvoorbeeld leverde
zo'n collecte ruim ƒ 392,- op. Bij het Verslag van de staat der
Visscherijen verscheen in 1889 een bijlage van Dr. Hoek. Hij komt
daarin tot de conclusie dat de financiële situatie waarin de vissers
verkeerden slecht was. Alleen de visserij op ansjovis leverde nog
wat op. In 1886 besomden de Lemster vissers met staande netten
tijdens de ansjovisteelt ƒ 150,- tot ƒ 200,- per week. In 1887
besomden de vissers met de wonderkuil gemiddeld ƒ 1000,- en zij die
met staande netten werkten ƒ 1500,- tot ƒ 2000,-over de gehele
ansjovisteelt.

Er passeerden vele vrachtschepen.
In het jaar 1889 werd met 53
vaartuigen uit Lemmer gevist. De veertien vrachtschepen, in grootte
variërend van 63 tot 121 ton, die alleen op ansjovis visten, hebben
dat jaar gemiddeld ƒ 900,- verdiend. Voor een redelijk bestaan moest
er echter voor ƒ 1200,- aan wal worden gebracht. Met de achttien
vissersschepen, 13 tot 20 ton metende, was voor wat de grote
vaartuigen betreft ƒ 1800,- besomd. Om uit de kosten te komen en om
wat te verdienen moesten zij ƒ 2000,- tot ƒ 2300,- maken.
Middelgrote vaartuigen moesten ƒ 1200,- tot ƒ 1400,- besommen. Zij
kwamen echter niet hoger dan ƒ 900,- tot ƒ 1100,-. Kleine roei- en
zeilboten moesten ƒ 300,- tot ƒ 500,- maken, maar verdienden niet
meer dan ƒ250. In het verslag van 1892 lezen wij opnieuw dat de
situatie is verslechterd. "De toestand is thans van dien aard dat
met uitzondering misschien van Volendam, Urk en Bunschoten en enkele
gegoeden in andere plaatsen, de visschersbevolking aan de
Zuiderzeekusten behoeftig te noemen is en op den duur niet in het
nodige zal kunnen voorzien". Daaraan werd nog toegevoegd dat in een
aantal plaatsen van kerkelijke zijde ondersteuning moest worden
verleend. Het financiële lot van de Lemster vissers hing ten nauwste
samen met het slagen van de haringvangst, maar vooral van de
ansjovisteelt. Waren de uitkomsten daarvan slecht, dan was het
gehele jaar slecht en heerste er armoede in vele vissersgezinnen.
Immers, de meeste vissers visten op deel; er waren maar enkelen die
op vast loon visten. Niet alleen in de vissershuishoudingen, ook in
andere gezinnen waren velen van de ansjovis afhankelijk. Honderden,
van hoog tot laag, stonden man aan man om de ansjovis uit de netten
ten 'plüzjen'. Daarna werd de ansjovis gekopt en gezouten. Hiermee
verdienden veel vrouwen, kinderen en mannen een dagloon, tenminste
als er wat aan wal werd gebracht. Het was dan ook niet verwonderlijk
dat in de jaren dat de ansjovisvisserij mislukte, het aantal mensen
dat van de bedeling leefde sterk toenam.
In 20 weken voor ansjovis en haringvangst voor den schipper. Deze
botter maakte een der beste vangsten, de visscherman kan er echter niet van bestaan toegevoegd dat in een aantal plaatsen
van kerkelijke zijde ondersteuning moest worden verleend. Het
financiële lot van de Lemster vissers hing ten nauwste samen met het
slagen van de haringvangst, maar vooral van de ansjovisteelt. Waren
de uitkomsten daarvan slecht, dan was het gehele jaar slecht en
heerste er armoede in vele vissersgezinnen. Immers, de meeste
vissers visten op deel; er waren maar enkelen die op vast loon
visten. Niet alleen in de vissershuishoudingen, ook in andere
gezinnen waren velen van de ansjovis afhankelijk. Honderden, van
hoog tot laag, stonden man aan man om de ansjovis uit de netten ten
'plüzjen'. Daarna werd de ansjovis gekopt en gezouten. Hiermee
verdienden veel vrouwen, kinderen en mannen een dagloon, tenminste
als er wat aan wal werd gebracht. Het was dan ook niet verwonderlijk
dat in de jaren dat de ansjovisvisserij mislukte, het aantal mensen
dat van de bedeling leefde sterk toenam. Uit het 'rapport over
onderzoekingen betreffende de visserij in de Zuiderzee,' gehouden in
de jaren 1905 en 1906, volgt hier een tweetal opgaven over de
jaarverdiensten van Lemster vissers.


Overschot voor den schipper ƒ 110,- in 20 weken voor
ansjovis en haringvangst. Onnoodig te zeggen dat met zulk resultaat
de visscherman doodarm moet worden; deze visscher heeft nog niet
eens te klagen over een eenigszins aanmerkelijke averij aan netten.
Brengt hij bovendien nog in rekening de helft van de waarde dier
netten ad ƒ 335,-, welke hij door het enkel tijdverloop inboet, dan
heeft de visscherij een direkt nadeel voor hem opgeleverd.

De Korte Streek met vissers en beurtschepen.

Aal wordt gemeten aan boord van de LE 50,
september 1962.

Een Lemster aakje, de LE 107.
In 1911 klaagden de vissers over lage prijzen die zij te Lemmer voor
hun bot maakten. De prijs van bot was toen in alle andere plaatsen
hoger. Hier wreekte zich de afwezigheid van een afslag, waarbij de
handelaren als elkaars concurrenten vis moesten kopen. Nu had elke
hangbaas zijn 'eigen' vissers, die gedwongen waren de vis te leveren
tegen door hem vastgestelde prijzen. "Alleen de zogenaamde vrije
visschers hadden er voordeel van. Deze hebben een schuldenvrij
bedrijf of genoten althans geen crediet van de zijde hunner
afnemers, zoals bij de andere visschers het geval is. Het
gemakkelijk verkrijgen van credieten door de visschers bij hun
geldschieters, die tevens afnemers van hun visch en leveranciers van
hun visscherij benoodigdheden zijn, heeft in deze gemeente
toestanden doen ontstaan, die den visschers inplaats van welvaart
een aantal verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel der vloot
verkeert onder een financiële druk, welke slechts door een reeks van
voorspoedige jaren kan worden opgeheven, tenzij de visschers op
andere wijze financiëlen steun ontvangen". In 1908 spraken de leden
van het college van Burgemeester en Wethouders zich uit voor het
stichten van een visafslag naar aanleiding van rekesten van
individuele vissers en van de visserij-vereniging.
Hieronder volgt zo'n rekest.
Rekest aan de raad van de gemeente
Lemsterland, 1907.


Vertaling van bovengenoemd rekest.
"Aan de raad der gemeente Lemsterland
Geeft eerbiedig te kennen de visschersvereeniging te Lemmer: dat in
meerdere visscherplaatsen langs de Zuiderzee, zoals te Urk,
Enkhuizen, Volendam, Edam, enz. het afslaan van visch aan de
gemeente behoort! dat ook naar haar oordeel, een gemeenteafslag te
Lemmer zeer gewenscht zou zijn zowel in het belang van de gemeente,
als van de vischhandelaren en visschers, dat toch de vischhandel te
Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd, doordat de aangevoerde
visch, steeds aan dezelfde vischhandelaren geleverd wordt, die de
prijs van de visch naar hun eigen goedvinden kunnen regelen, dat
wanneer een gemeentevisafslag bestaat, dat wil zeggen wanneer de
aangebrachte visch aan den afslag verkocht zou moeten worden, zonder
twijfel ook vischhandelaren van elders zouden mededingen gelijk te
Urk, Enkhuizen en op andere plaatsen het geval is, hetgeen ook de
visschers ten goede zou komen, dat bovendien vreemde visschers,
thans de Lemmer vermijden, niet zouden aarzelen ook hier hun visch
ter afslag aan te bieden, omdat dan, tengevolge van de concurrentie,
in de meeste gevallen door die visschers hoogere prijzen te bedingen
zouden zijn; dat het bezoeken van de haven door vreemde visschers,
niet alleen aan neringdoende ingezetenen ten goede zou komen, maar
ook den gemeente, door meerdere opbrengst aan het havengeld ten
voordele zou zijn; dat het vrijwel zeker is dat, evenals die te Urk,
ook de vischafslag voor de gemeente rendabel zou zijn omdat de
Lemmer door haar verschillende communicatiemiddelen niet alleen door
eigen maar ook door vreemde visschers bezocht zou worden, terwijl
het zeker is dat vischhandelaren van elders den afslag zouden komen
bezoeken; dat ook, met het oog op de kwaliteit van de visch een
vischafslag zeer gewenst zou zijn en bijgevolg ook ten voordeele van
vischhandelaren zou zijn omdat, bij den tegenwoordigen toestand de
visschers geen haast behoeven te maken hun visch ter aflevering aan
te bieden wijl thans de prijzen 's morgens en 's avonds vrijwel
gelijk zijn, hetgeen, bij het bestaan van een vischafslag ook al
weder ten gevolge van de concurentie van de vischhandelaren
onderling geheel anders zou zijn; dat met het oog op al het
bovenstaande adressante U Edelachtbaren eerbiedig verzoekt naar
verzoek in ernstige overweging te willen nemen."
Lemmer October 1907 't welk doende,
Het bestuur W.G. Lambertus Poepjes.
voorzitter secret. Jan Duim.
A. W. de Jong. D. Coehoorn. Johannes Poepjes.

Een aak (de LE107) met daarachter een
botter.

Vissers te Lemmer in 1930.
Ondanks allerlei acties, verzoekschriften en het
genomen besluit van 1908 duurde het tot einde 1916, voordat een
gemeentelijke visafslag werd gerealiseerd. Waarschijnlijk deed een
aantal leden van de raad, zoals hangbazen en nettenleveranciers,
alsof zij voorstanders waren van een afslag, maar in werkelijkheid
wilden zij de bestaande toestand van afhankelijkheid bestendigen en
uitvoering van het besluit traineren. Hoe dan ook, eind 1916 werden
Jelle Calsbeek en Gerard Platte tot respectievelijk directeur en
afslager benoemd. (De benoeming van Calsbeek leverde aanvankelijk
nogal wat problemen op. De burgemeester en een aantal linkse
raadsleden wensten hun eigen kandidaat, Kokje, benoemd te zien, maar
omdat ze geen meerderheid in de raad bezaten werden zij overstemd.
De burgemeester weigerde eerst het raadsbesluit uit te voeren en
Calsbeek te benoemen, maar moest tenslotte toch toegeven.) Een groot
aantal vissers bleef de vis buiten de afslag om verkopen, terwijl
een mijnplicht was ingevoerd. In 1915 was een wet van kracht
geworden, volgens welke belasting naar inkomen moest worden betaald.
Tot dan toe was het mogelijk dat de vissers, vaak in samenwerking
met de hangbaas, 'maar wat' opgaven. Toen in de boekhouding van de
afslag de opbrengsten werden vastgelegd kon dat niet langer. De
vissers werden door de belastingdienst veel te hoog aangeslagen. De
meeste waren niet in staat te betalen. De directeur van de afslag
kreeg opdracht de opbrengst van de vangst niet uit te betalen, maar
gedeeltelijk in te houden ten behoeve van de belastingdienst. Het
kwam tot relletjes. De plaatselijke politie werd versterkt met
marechaussees uit het naburige Sloten. Dit gebeurde normaliter
alleen in de eerste week van september, wanneer de jaarlijkse kermis
werd gehouden. De directeur werd door een aantal vissers als de
verpersoonlijking van het kwaad gezien. Hij werd door één van hen in
zijn kantoortje bij de afslag met een grote ijsbijl bedreigd. De
echtgenote van deze visser bracht buiten de afslag aan wie het wilde
horen luidkeels verslag uit over wat er binnen gebeurde, en zij
spoorde haar man aan "hem de kop in te slaan".
Vissersschepen werden aan de ketting gelegd. Ook werd beslag gelegd
op de boedel van enkele vissers. Het kwam zelfs tot openbare
verkopingen. De opbrengsten daarvan vielen erg tegen, omdat
collega-vissers de spullen ten behoeve van de gedupeerde vissers
tegen lage prijzen opkochten. Buitenstaanders werd duidelijk gemaakt
niet mee te bieden op straffe van in de haven te worden gegooid. Zij
waagden het dan ook niet. Een drietal jonge vissers, opgestookt door
hun ouders en anderen, staken uit protest en balorigheid het
gemeentelijke badhok in
brand. Zij werden opgepakt en vastgezet.

Verzoekschrift van Lemster vissers aan de
raad van de gemeente Lemsterland.

Lemmer, gemeentehuis.

De raadzaal van het Gemeentehuis, vóór de restauratie in het voorjaar 1953.
In het tijdvak 1914 tot 1918 maakten de vissers goede
prijzen voor hun vis. Vanwege de oorlog lagen er op de Noordzee
uitgestrekte mijnenvelden. Daar kon dus niet worden gevist. Een
aantal vissers kon in deze periode uit de schulden komen. Sommigen
raakten zelfs in goede doen. In 1918 zijn er maatregelen getroffen
om de vissers, nu er een afslag was, niet langer afhankelijk van de
hangbazen te laten blijven. De hoofdafdeling visserij van de 'Heidemij'
stelde een regeling voor sanering van schulden op en nam de schulden
van de vissers over. Maar voor een aantal was het toen al te laat.
Zij raakten hun schip kwijt. Aan de hausse tijdens de eerste
wereldoorlog kwam al gauw een einde. Export naar Duitsland was niet
meer mogelijk. In sommige vissersplaatsen rond de Zuiderzee kwamen
rijksaankoopbureaus tot stand om de ansjovis, die niet langer
verkoopbaar was, op te kopen. Ook de haringvissers kregen toeslagen.
In die tijd van onzekerheid voor de vissers begonnen Hessel de
Vries, Jacob de Rook en anderen openbare bijeenkomsten bij de haven
te houden. Zij vertegenwoordigden de vissers en vooral de
vissersknechten, die sociaal-democratisch en onkerkelijk waren. Hun
optreden was niet los te zien van de landelijke ontwikkeling van de
socialistische beweging. Bovendien trad in 1918 de wet in werking
tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee,
hetgeen de onzekerheid versterkte.

Vluchthaven, drukte van de visserij te
Lemmer.
Vlak voor 1900 was te Lemmer een afdeling van de SDAP opgericht. Er
waren ongeveer 25 leden, nagenoeg allemaal niet-vissers. Omstreeks
1905 werd Seerp de Blauw voorzitter. Hij was een zoon van Andries,
die in aanraking was gekomen met een lid van de atheïstische
beweging 'de Dageraad'. Hij werd lid van het Nederlandsch
Werkliedenverbond en was een fervent drankbestrijder.
Medeoprichters waren onder anderen Poppe de Rook, hangbaas en de
handelaar Jan Pen. Zij waren beiden lid van het in 1871 opgerichte
Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond. Romein noemt deze beweging
'een bij wagen van het liberalisme'. In het programma stond dat de
leden "het bijzonder eigendomsrecht, mits ontsproten uit
rechtvaardige en plichtmatige arbeid", erkenden52. In 1896 ging een
deel van de leden op in het Nederlandsch Werkliedenverbond. In 1877
werd Patrimonium opgericht. De leden waren te vinden onder de
orthodoxe protestanten. Zij waren antisocialistisch en traden dan
ook meermalen op als stakingsbrekers.

School en de oudere muziektent aan de
Korte Streek te Lemmer.

Vissers en knechten.

'Die 's nachts vischt, moet overdag zijn netten
drogen' luidde het onderschrift van deze oude foto.
Er was in Lemsterland ook nog een groepering die zich aangetrokken
voelde tot de ideeën van Domela Nieuwenhuis, zich vindend in 'Recht
voor Allen', later de Sociaal-democratische Bond. Omstreeks 1885
werden ook in Lemmer de invloeden van het socialisme merkbaar. In
het gemeenteverslag van 1885 werd in één adem met het snel
toenemende drankgebruik gemeld dat er sprake was van toenemende
socialistische invloeden. In 1894 werd de landelijke SDAP opgericht.
Al gauw bleek dat er verschil van mening bestond over de te volgen
tactiek. Ging het erom tot een brede massapartij te geraken of was
een revolutionaire voorhoedepartij de beste strategie ? Het verschil
van mening over dit punt werd een principieel conflict en in 1907
trad de marxistische vleugel uit de SDAP. Uit deze Sociaal
Democratische Partij, zoals de afgescheidenen zich noemden, kwam een
afdeling van de Communistische Partij Holland voort in 1918. Ook in
Lemmer werd een afdeling van de CPH opgericht. In tegenstelling tot
de plaatselijke SDAP-afdeling rekruteerden de communisten veel
aanhangers uit de vissende bevolking, vooral uit de vissersknechten.
De grote gangmakers daarbij waren de al genoemde De Vries, De Rook
en Tijsseling. Het Lemster communisme had een eigen gezicht. Het was veel minder
doctrinair; de strijd voor gerechtigheid en tegen onrecht nam de
belangrijkste plaats in. Er vertrok een aantal vissers met hun
gezinnen naar Makkum en Harlingen om ook na de afsluiting van de
Zuiderzee te kunnen blijven vissen. Het ongeloof in het slagen van
de afsluiting had bij de vissers de overhand. Een veel gehoorde
uitdrukking in die tijd was: "Mienst dat sy dy ticht krije, je!
"(Dacht je dat zij die dicht krijgen?) De vissers bleven dan ook
investeren. Omstreeks 1926 werd het eerste schip te Lemmer van een
motor voorzien. Het was de 'Schön Wiederein' van Lykele Poepjes.
Snel daarop volgden andere vissers, die een T-Ford, en later een
A-Ford lieten inbouwen. In 1905 waren er 251 vissers te Lemmer. Dit
aantal was in 1920 afgenomen tot 200 maar in 1930 was het aantal tot
218 aangegroeid, ondanks het vertrek van enkele grote gezinnen53.
Hoewel de beide nevenstaande tabellen niet zijn te vergelijken,
geven zij wel een tendens aan. Duidelijk is dat voor Lemmer het tij
begon te keren.
BEDRIJVIGHEID IN DE NEVEN BEDRIJVEN TE
LEMMER 1905.


Houtzagerij aan de Zeedijk te Lemmer, de
'Houtmolen'.

Gezicht op Lemmer; Zijlroede met Hervormde
kerk. En de LE 44.

Panorama van Lemmer omstreeks 1890.
In 1932 vertrokken de vissers met de boot naar Amsterdam om naar Den
Haag door te reizen. Zij hielden daar, samen met de vissers uit
andere plaatsen rond de Zuiderzee, een grote protestbijeenkomst. Een
van de Lemster leiders was de Hervormde predikant Voet. Maar het was
toen al te laat. Op 28 mei 1932 hing in vele plaatsen aan de
Zuiderzee de vlag halfstok. De Zuiderzee was voorgoed dicht. Zo kwam
er een einde aan deze kortstondige periode van bloei. Deze leeft nog
slechts voort in de herinnering als het 'Lemster volkslied' wordt
gezongen:
"Wee
binne Lemster jongens, wee leve fan de sé"
" Wee binne lemster jonges, wee leve van de sé,
en al hwat weeforstjinjeforpierewaeije wee.
Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,
wee leve as god yn Frankrykfan de iene yn de oare dei.
As wee in skotsje hawwejan hjerring bot ofskol,
dangeane wei nei Boukje Meier ta, en süpe de bealichfol.
Wol Boukje üs net teapje dan geane wee nei Frederik ta,
en letter nei it iten gean wee nei Lycklema.
Die wol üs ek wol teapje as wee mar senten ha.
Mar Atte dat wie in besten ien, die weaget it wol mei üs,
al stean üs netten noch in sé, hy skinkt üs by de rüs.
Sa leve wee nou altiid troch, hoe liketjim dat ta.
Nimjim noch mar inpearfan üs, asjim der sin yn ha."
|
1 |
2 |
3 |
Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|