|
Lemmer 'forneamde haven oan 'e Sudersé'.
|
1 |
2 |
3 |
Het ontstaan van de Lemster aak en schouw.
Ondanks de aanwezigheid van een aantal werven te Lemmer bouwden zij
nauwelijks voor de Lemster vissers. Uit de werfboeken van 'Eeltjebaes',
Eeltje Holtrop van der Zee te Joure55 en de snij- en zeilboeken van
Folkert de Vries en de firma Molenaar56, blijkt dat nieuwe
vissersschepen aanvankelijk bij Eeltje baes, eerst in IJlst, later
te Joure, en dus niet te Lemmer werden gebouwd. In 1877 vermeldde
het gemeenteverslag voor het eerst dat er vissersschepen binnen deze
gemeente te water waren gelaten: twee aken van respectievelijk tien
en twaalf ton. Zeker is dat een van deze aken door Pier de Boer is
gebouwd, volgens familieoverlevering een 36-voets botaak. Dit is de
eerste aak die hij als zelfstandig scheepsbouwer maakte. Na het
overlijden van zijn eerste vrouw vertrok Pier de Boer uit Woudsend
naar Lemmer. In de jaren, voorafgaand aan zijn komst te Lemmer,
werkte hij als knecht op de helling in Woudsend. In 1867 trouwde hij
voor de tweede keer, nu met Sjoerdtje Visser uit Lemmer. Op 24
december 1874 kocht hij, samen met zijn compagnon Thijs van de Vaart
van het Waterschap
'De Zeven Grietenijen en Stad Sloten' een stuk land tussen de
Zeedijk en de Rien59. Beiden werden in de koopakte als
scheepstimmerknecht aangeduid. Samen met zijn vrouw Sjoerdtje
stichtte Pier op het aangekochte terrein een scheepshelling.
Voordien had hij gewerkt op een helling te Echtenerbrug (Bos) en
waarschijnlijk te Lemmer (Bakker). In 1877 liet hij zijn eerste
vissersaak te water, een 36-voets botaak voor Jan de Blauw. Het
schip werd getuigd met een grootzeil (gaffeltuig), fok, kluiffok en
bezaan. Er is niet veel met zekerheid over de vorm van dit schip te
zeggen. Zijn eerste aken zullen niet veel van de in die tijd
gangbare typen hebben afgeweken. Vijf jaar later liet hij twee aken
te water: voor Jan de Blauw en voor Andries de Blauw, elk van 40
voet60. Of hij in de periode van 1877 tot 1882 geen vissersschepen
bouwde is onzeker maar wel waarschijnlijk. Behalve dat er in de zeil
en snijboeken van Folkert de Vries geen melding werd gemaakt van
nieuwgebouwde aken en botters, werd er ook in de gemeenteverslagen
van deze jaren niets vermeld over te water gelaten schepen voor de
visserij.

Een 'boatsje', een Fries visroeibootje, een zogenoemd
ééngangsbootje.

Een 'boatsje' in gebruik als visboot.

Vissersschepen van Kuinre in 1944; KU 16, KU 7 een aakje, KU 14 een punter en voorts een boot.

De LE 87 in de Lemster vluchthaven; een ijzeren
Lemster vissersschouw.

Een bladzijde uit het snij- en bestekboek van
Folkert de Vries te Lemmer, waarin het tuig wordt behandeld van
de eerste Lemmeraak.
De te Lemmer gebouwde aken werden, evenals de schepen, waarmee de
Lemsters visten, botaken genoemd. Het onderscheid tussen bot- en
visaken schuilt in de bun. Botaken hadden een bun met grote gaten,
omdat een platvis de gaten van de bun zou afdekken. Visaken met
kleinere gaten in de bun werden meest door binnenvissers gebruikt.
Zij dienden ook om er op te wonen en fungeerden tevens als
bewaarplaats voor vis. Zij werden als moederschip bij het vissen
gebruikt: het eigenlijke vissen geschiedde met boten, vletten en
punters. Ook met de botaken werd niet gevist. Zij deden dienst als
jagers' om de gevangen vis snel naar de markt te brengen. Pas toen
de Lemster vissers gingen slepen of kuilen werden hierbij botaken
gebruikt. De naam Lemster aak is waarschijnlijk voor het eerst
gebruikt voor een in 1898 gebouwd plezierschip van 48 voet ten
behoeve van Gustaaf Steurbaut uit Gent. In het zeilmakerboek van
Molenaar uit Grouw werd in 1899 een tuig vermeld, gemaakt voor de
'Lemsteraak of boeier' van Steurbaut. Later is ook in de werfboeken
van Auke van der Zee de bouw van een stalen 'Lemsteraak' ten behoeve
van Wouter Hoekstra genoemd (1904). De afmetingen van de aken namen
in de loop van de tijd toe. In 1885 werd er een aak van 42 voet
gebouwd. Pier de Boer bouwde twee typen. Het onderscheid schuilde in
de verhouding tussen lengte en breedte. Het ene type is breder dan
het andere. De bredere schepen waren merendeels bestemd voor andere
vissersplaatsen: Wieringen, Enkhuizen en plaatsen in Zeeland. Na
1895 bouwde hij ook 'Friese boten,' een klein model aak dat de 28
voet niet te boven ging. In de loop van de jaren was er sprake van
vervolmaking van het scheepstype. Bij deze ontwikkeling hebben zowel
Pier als zijn vrouw Sjoerdtje en zijn zonen een rol gespeeld.
Sjoerdtje had een 'timmermansoog'. Zij werkte, evenals haar
kinderen, mee in het bedrijf. Als er een schip op de helling moest
worden getrokken stond zij, met haar kinderen en later ook wel
kleinkinderen, aan het grote spil te draaien. Sjoerdtje hielp ook
mee bij het uitzetten van het schip. Zij zorgde samen met Pier dat
de huidgangen op de juiste plaats kwamen en zij gaf aanwijzingen
waar de zwaarden moesten worden geplaatst. Bij aflevering van het
schip controleerde zij de aftimmering. Zij had dus invloed op de
uiteindelijke vorm van de aak. Nadat hun huwelijk was ontbonden, werd de helling in tweeën gedeeld.
Pier vertrok naar Holland nadat hij door zijn zonen was uitgekocht.
Zij zetten op dat gedeelte het bedrijf voort; Sjoerdtje voerde haar
bedrijf een tijd op haar gedeelte. Er werden bij haar nog een paar
aken gebouwd, maar ook zij liet zich tenslotte door haar zonen
uitkopen.
In
1899 is men op de helling begonnen met de bouw van een tweetal
ijzeren aken, die in 1900 gereed kwamen. Zij werden gekocht door
Willem van der Bijl en Steven Visser. Het bleken slechte zeilers te
zijn, zij lagen veel te stabiel op het water. Het waren wel
degelijke schepen: een van deze aken viel tijdens de bouw van de
stoelen en toen deze er weer opgetakeld werd was er geen deukje te
zien. Overigens waren er toen al meer ijzeren aken in Lemmer. De
eerste was vermoedelijk van Siemen Spaan, die later naar de
Verenigde Staten vertrok. Dat schip was in 1898 bij Croles in IJlst
te water gelaten en door zeilmaker Folkert de Vries en mast- en
blokmaker Siebolt de Vries getuigd en uitgerust. De tweede ijzeren
aak volgde een jaar later: een 45-voets aak, bij Bos in Echtenerbrug
gebouwd voor Andries de Blauw.

Scheepswerf met woning te Lemmer.
In 1901 openden de gebroeders De Boer naast de al bestaande
'houthelling' een 'ijzerhelling'. Harmen (1869-1939) werd baas op
de houthelling, Klaas (1873-1950) op de ijzerhelling en Dirk
(1877-1961) kwam op het kantoor. In 1902 kwam Hendrik (1885-1972) in
de zaak als tekenaar. Hij was bij zijn zwager Johannes Meijer,
scheepsbouwer in Leidschendam, in de kost geweest. Daar had hij het
scheepstekenen geleerd. De eerste door hem ontworpen aak"was de
41-voets aak 'De Vier Broers' voor Auke Bakker. Deze nu nog
bestaande aak is welhaast de mooiste van de door de gebroeders De
Boer gebouwde aken. 'Het schip staat nergens stil. De kop is net een
appel', werd er gezegd. In 1912 werd door hen nog een ijzeren schouw
gebouwd voor Johannus Poepjes. Tot de eerste wereldoorlog is een
groot aantal aken gebouwd, zowel voor Lemster vissers als voor
anderen: de laatste twee of drie voor de Zeeuwse visserij. Behalve
de aken, die de De Boers bouwden, zijn er ook aken van andere
scheepsbouwers bij vissers van Lemmer in gebruik geweest. De
bekendste bouwers waren Zwolsman te Workum, Holtrop van der Zee te
Joure, Croles te IJlst en Bos uit Echtenerbrug. Met betrekking tot
de Workumer aken was het grote onderscheid dat de inhoud van deze
aken van twee op elkaar gepende stukken hout bestonden. Deze
constructie was iets minder sterk; de aken waren wat slapper. Maar
deze schepen konden zó wel goedkoper worden gebouwd.

Scheepswerf van W. Nijdam te Lemmer. Met de LE 117.

Kleine, niet gedekte schouw.
Pier de Boer bouwde aken naar zijn eigen ideeën en naar voorbeelden
onder meer uit Workum en Joure. Behalve hijzelf, hebben ook zijn
vrouw Sjoerdtje en zijn zonen, in het bijzonder Hendrik, de
Lemsteraak vervolmaakt. Met het toenemen van de haring- en
ansjovisvisserij in de jaren '80 werden aken in grote getale gebouwd.
De afmetingen namen toe. Botters werden nagenoeg niet gebouwd, wel
kleine aakjes en Friese boten. Behalve met aken, botters en Friese
boten werd er bij Lemmer ook met 'skűtsjes', veelal van Kuinre en
Vollenhove afkomstig, gevist. Daarnaast kwamen er omstreeks 1900 ook
zeeschouwen bij de Lemster vissers in gebruik. Zij waren
voornamelijk uit Poppingawier afkomstig. In Lemmer begon de
wagenmaker Gerrit Wierda, later geassisteerd door zijn zoon Atte en
een of meer knechten, met de bouw van schouwen. De eerste schouw
waaromtrent nog iets bekend is dateert van 1914. Vermoedelijk zijn
er echter ook vóór 1914 a! schouwen gebouwd. Behalve op het maken
van wagens legde Wierda zich op het Het Dok met de Zijlroede. Rechts
een Fries 'Skütsje'. Lemster vissers maken het hoekwant gereed voor
de visserij. vervaardigen van vletten toe. De vissers riepen vaak
zijn hulp in als er reparaties aan hun schepen nodig waren. Hoewel
wagenmaker, had Wierda veel interesse in (de bouw van
vissersschepen). Hij stapte dikwijls aan boord van in de haven
liggende vissersschepen om wat op te meten. Wierda had zijn
wagenmakerij vlak bij de Spuisluis. Andries Fleer had hier een
vissersboot liggen, die in zeer slechte staat verkeerde. Wierda
stelde hem voor een nieuwe schouw te bouwen. 'Met de centen zou het
wel in orde komen'. Toen de schouw in 1914 gereed kwam moest Andries
Fleer in dienst want de mobilisatie was afgekondigd. De
'Mobilisatie', zo ging de schouw heten, bleef lange tijd ongebruikt
bij de Spuisluis liggen. De grootte ervan was 28 a 30 voet. Deze
schouw bleek een snelle zeiler te zijn. Bij verschillende
wedstrijden werden daarmee eerste prijzen behaald. Na deze volgde er
een groot aantal schouwen, wel 'spekbakken' genoemd, voor vissers,
onder andere uit Hoorn en Enkhuizen. De Wierda's zeilden deze
schepen zelf naar Holland.
Voor
het bouwen van een schouw, dat op het oog, zonder mallen gebeurde,
werd eerst het vlak gelegd. De vlakplanken werden op verscheidene
plaatsen gestempeld en vervolgens werden er dommekrachten tegen het
vlak gezet. Elke dag draaide men de dommekrachten iets verder aan,
totdat het vlak de vereiste kromming en vorm had gekregen. Daarna
werden de inhouten op het vlak aangebracht. Hier omheen zette men de
huidgangen met koperen spijkers vast. Zo nodig werden de planken
bijgeschaafd en afgezaagd. De gangen werden dus niet gebrand of
gestoomd. Later zijn de schouwen niet meer gespijkerd maar
geklonken.

Het Dok met de Zijlroede.

Lemster vissers maken het hoekwant gereed
voor de visserij.
Het tanen van de netten.
De latere vestiging van de taanderij van de firma Pen, 1944. De
Lemster vissers konden voor het tanen van hun netten op twee
adressen terecht. De ene taanderij was van Folkert de Vries, de
zeilmaker. Hij had op de Polderdijk een taanhok met ketel en
takelinstallatie staan. Bij hem konden de vissers nog als enige
terecht voor het conserveren van hun zijden netten. Want hier werd
nog met 'eek' gewerkt. (Eek is gemalen schors van de eik, die een
looistof bevat, geschikt om zijden netten mee te behandelen).
Behalve de zeilmaker had ook de nettenleverancier Jan Pen een
taanderij achter de Schans. In 1926 kocht hij een Scheveningse bom,
waarop twee koperen ketels zodanig werden geplaatst, dat de giek van
de bom ze beide kon bestrijken. De waterinhoud van de ketels bedroeg
300 liter elk. Dit water werd uit de haven gepompt. De ketels werden
met turf gestookt. Het voordeel van de bom was dat de vissers met
hun aak langszij konden schieten om de te tanen netten over te
geven. Anders moesten deze op een grote, lage, platte kruiwagen naar
de taanderij worden gekruid. Omstreeks half maart verschenen de
vissers met hun haringnetten bij de taanbaas. Deze had 's morgens
vroeg de ketel al opgestookt en zo nodig met water bijgevuld. Het
conserveringsmiddel, cachou of taanstof, werd in een netje gedaan
omdat het anders aan de ketel vast koekte met als gevolg dat de
bodem van de ketel zou doorbranden. Er werden drie soorten cachou
gebruikt. Borneo-cachou werd veelal voor het tanen van de zeilen
gebruikt. Het gaf zeilen en netten een donkere kleur. Er is ook wel
met 'acacia' gewerkt, afkomstig uit Afrika. Deze taanstof is
kleurloos. Het nadeel is echter dat de netten er hard van worden. De
derde soort is 'steentjes-cachou', dat voor het tanen van lichte en
zachte netten werd gebruikt. De linnen of katoenen netten, meestal
vier netten van tien vadem per haringreep, kwamen op een strop van
ongeveer twee meter lang te liggen op het dek van de bom. Onder- en
bovensimmen lagen op elkaar. Zo'n twaalf of dertien repen in totaal.
De strop werd aangetrokken en in de takel gehangen. Het geheel werd
opgetakeld en in de ketel met kokende taan oplossing neergelaten.
Daarop kwam een rooster met een aantal gewichten van vijftig pond om
de netten onder water te houden.

De ingemetselde taanketel van M. F. de Vries, 1944.
Netten tanen.
Die ouwe van mij had het ook
een keer aan de stok met de taanbaas Jan Haagsma. Toen had hij de
botter nog en die was dus van hout. De taanketels waren altijd rond,
maar hij liet van plaatijzer een vierkante maken bij smid van der
Wolf en met asbestplaten tegen de hitte kon hij er net voor de trog
van de bun staan. Er zullen nu wel inwoners van Lemmer zijn, die
denken wat is dat nou, netten tanen. Kijk netten verrotten in de
zomer met broeierig weer soms al met vijf dagen. Dan moeten de
netten om dat te verkomen, worden gekookt en door het water moet
caoutchouc, dat is een natuur product uit tropische boomsoorten waar
looistof in zit en dat houdt verrotting tegen.
Ook heeft hij van der Wolff een
eenvoudige lier laten ontwerpen voor het bot slepen, dat deed je met
een kurk, maar wel veel lood aan het span. Aan botsleepnetten zat
geen ondersim, want dat moest door het slik van de zeebodem worden
getrokken en dat binnen halen was zeer zwaar werk. De duur van zo'n
trek of sleep was anderhalf a twee uur. Eén aak gooide dan de zeilen
naar beneden en de andere trok door, zodat de netten zo'. beetje
voor de wind kwamen te liggen. Zo'n grote aak moest je dan met het
achterschip in de wind met je handen door middel van een tros naar
de netten brengen dat was een zwaar karwei en dan moesten de
loodzware netten nog binnen gehaald worden, maar hoe meer bot hoe
lichter het ging.
Ik weet nog best dat de smid
bezig was de lier te plaatsen op de trog van de bun, het was
omstreeks 1915. De aak lag met het achterschip aan de wal en de
andere vissers, vooral Renze en Wieberen Hoekstra, maar ginnegappen
en de gek aansteken. Toen de lier geplaatst was deed vader er een
touw om heen en gooide uit andere eind op de wal en zei tegen de
lachers, pak nu met je vijven dat touw vast, dan zal ik je laten
zien dat ik alleen door middel van de lier sterker ben dan jullie
vijven. De vijf mannen zetten de hakken in de grond en trokken wat
ze konden, maar vader nam de slinger en draaide de vijf mannen naar
zich toe of het niks was.
Toen zakte hun het lachen
aardig af en nog dat zelfde jaar had de hele vloot zo'n lierwerk en
het jaar daarop langs de hele kust van Volenhove tot Bunschoten,
Spakenburg, Huizen en de Westwal. Wat was die sleepbot lekker! Hier
om de west worden de botjes nog wel gevangen in de snoekbaars
netten, maar in het zoete water zijn ze niet meer lekker.

Een gietvorm voor het gieten van visnetloodjes.
Vervolgens sloot men de ketel met een houten deksel. De inhoud van
de ketel bleef een halfuur doorkoken, waarna men met stoken stopte.
Vervolgens werden de netten opgetakeld en met de kruiwagen
afgevoerd. De taanbaas vulde de ketel bij, proefde of de
taanoplossing nog sterk genoeg was. Zo niet, dan werd de cachou
aangevuld. In mei kwamen de vissers met de ansjovisnetten, die erg gevoelig
waren voor rot. Met nieuwe netten moest eerst drie of vier dagen
worden gevist aleer zij konden worden getaand. Daarna moest het
tanen elke vijf dagen opnieuw gebeuren. Het touwwerk werd
afzonderlijk getaand, dat behoefde niet zo dikwijls als de netten.
Die ansjovisnetten zaten vaak vol met viskoppen. Dan was het 'sop'
erg vet. De netten werden van het tanen hard en daar leed de vangst
onder. Als zij te hard waren geworden, werden zij uit de simmen
gesneden en als tuin- of hoornetten verkocht. Enkele weken na de
behandeling van de ansjovisnetten kwamen de vissers met hoekwant.
Aken en botters moesten na de ansjovis vangst worden schoon gemaakt
want de schepen zaten van boven tot onder vol met stinkende
visresten. Na de schoonmaakbeurt, aan het einde van een goede teelt,
gingen de vissers wel met hun hele gezin met hun schip naar
Amsterdam om er een aantal dagen vakantie te houden. In de tijd van
het 'hoeken' werd er maar één keer in de week getaand, alleen op
zaterdag. Er gingen zo'n dertig of veertig 'spleetjes' in een bos de
ketel in om te worden getaand. Het fijne netwerk dat al twee keer
was getaand, werd vervolgens gekoperd: in plaats van cachou kwam er
een oplossing van kopersulfaat en ammoniak in de ketel. In dezelfde
tijd werden ook de zeilen getaand. Deze werden daartoe opgedoekt, in
de strop opgetakeld en in de ketel gelaten. Het opgedoekte zeil
bleef een hele nacht in de ketel met taan staan. Daarna werd het uit
de ketel getakeld en op het land te drogen gelegd. Tijdens dit
drogen bestreek men de zeilen met taan met behulp van een stokdweil.
Als een kant was ingestreken en gedroogd kreeg de andere zijde
eenzelfde bewerking. Sommige vissers mengden wel lijnolie door de
taan, waardoor de zeilen een grijze kleur kregen. Anderen gebruikten
er dodekop (een verfstof, voornamelijk bestaande uit ijzeroxide)
bij, wat een rode kleur aan het doek gaf. Volendammers pasten dit
graag toe.
Touwwerk bleef, evenals zeilen, een nacht in de ketel staan, 's
Zondagsmorgens moest de taanbaas naar de plaatselijk caféhoudster
Boukje Meier om het taangeld te innen. Er waren echter ook wel
vissers die direct na het tanen afrekenden. Behalve deze taanderij bezat Pen een nettenwerkplaats, 'de baen'.
Hier werden onder meer kuilen, staande netten en fuiken in elkaar
gezet. De verschillende soorten netten kwamen uit Apeldoorn. De
breedte was maximaal 400 mazen en de lengte was onbepaald. Als een
visser een beug bestelde bekeek de baas van de werkplaats hoe deze
met het minste verlies aan gaal kon worden gemaakt. Op de baen stond
een kurkboormachine. Later werden de kurken kant en klaar
aangevoerd. Ook werd er lood gesmolten ten behoeve van de
nettenloodjes. Dit gebeurde met behulp van stempels van drie
loodjes. Er gingen er tien in een pond voor de haring- en
ansjovisnetten. Tenslotte werden er ook boeistokken gemaakt: de
sparren werden geschild, onder aan de spar spijkerde men een stuk
lood en bracht halverwege de stok een aantal kurken aan. Veel vissers kwamen in de 'baen' om hun netten 'yn te stallen' dit
was het aanbrengen van boven- en ondersimmen. De baan was precies 25 meter lang. De vloer was van keileem, daarom
lagen er planken aan de uiteinden, opdat de netten niet vuil werden
of beschadigden. Er konden vijf man tegelijk hun netten van simmen
voorzien. Eerst werd de bovensim opgehangen. Het net kwam er naast
te hangen. Dan ging men uitmeten op welke plaatsen de simmen aan de
netten moesten worden bevestigd. Na het aanbrengen daarvan volgde op
dezelfde wijze de ondersim. Het eerste net bleef hangen zodat de
volgende netten niet opnieuw behoefden te worden uitgemeten.

Het roken van de vis.
Als een visser met zijn vangst de haven binnen kwam, meldde hij zich
aan de afslag om te laten weten dat hij vis te veilen had. Meestal
bracht hij een monster van de gevangen vis mee, dat op een tafel
werd getoond. Daarop luidde de bel om de kooplui te waarschuwen dat
er vis zou worden afgeslagen. De kooplui stroomden toe en namen hun
vaste plaatsen in tegenover de mijnklok. Tot ongeveer 1920 is een
houten hok als afslag gebruikt. Daar was geen luidklok aanwezig om
de kopers te waarschuwen. Meestal was er wel iemand met een harde
stem in de buurt om de kooplieden, die hun hangen niet al te ver van
de afslag hadden staan, te beschreeuwen. Er was in dit gebouwtje ook
geen mijnklok zodat de afslager de prijzen moest afroepen. In de
nieuwe afslag gebeurde dit op de klok. Voor de wijzer begon te lopen
werd de inzetprijs afgeroepen. De wijzer van de klok bleef staan
wanneer iemand indrukte om de vis te kopen. Tevens ging een lampje
branden op de wijzerplaat achter een bepaald cijfer. Dit
correspondeerde met het nummer van de koper. Daarop riep de afslager
met luide stem wie de koper was van deze partij vis. Daarop ging de
visser lossen. Na het wegen kwamen de hangknechten met een grote
handkar de vis ophalen. De koper had intussen een bon van het
afslagerkantoor gehaald en bracht die naar de visser. Met deze bon
kon hij zijn geld gaan halen. Sommige vissers deden dit dagelijks;
anderen aan het einde van de week of 's maandagsmorgens. De vis werd
ook wel doorgedraaid omdat ze onverkoopbaar was. De visser kon zijn
vis ook 'inhouden' als hij dacht dat de prijs te laag zou komen te
liggen. Hij kon dan later op de dag nog eens proberen een betere
prijs te verkrijgen. Maar meestal zeilde hij in zo'n geval met zijn
vangst naar een andere haven. Op doordeweekse dagen ging de afslag
om acht uur dicht, op zaterdag om zeven uur. Als er dan nog vissers
op zee waren van wie bekend -was dat zij vis aan boord hadden, werd
die vis al vast afgeslagen. Voor de hangknechten betekende het een
latertje. In verreweg de meeste gevallen was de koper een Lemster.
Grote kopers waren De Rook, De Jager,Sterk en De Blauw. Maar er
waren ook een aantal kleine kopers.

Botters en kleine bunboten te Lemmer in
1942.
Als zij in de buurt van Lemmer visten kwamen er ook wel
'buitenlanders' vis lossen. Soms lagen er veel vissers uit
Vollenhove, Urk of Volendam in Lemmer. Deze rekenden direct af als
zij hun vis hier verkochten. Omdat er dan niet genoeg geld was moest
de directeur of zijn hulp eerst geld gaan halen bij de viskooplui
zodat deze vissers konden worden betaald. Vis werd soms door de vissers op zee verkocht. Koopschuiten, grote
botters, namen de vis op zee over. Die schuiten waren of van de
hangbazen of van kooplieden uit onder andere Bunschoten en Huizen.
Zij waren te herkennen aan hun blauwe wimpels. Het roken van vis als
methode tot verduurzaming is waarschijnlijk minder oud dan drogen,
zouten en kaken. In een besluit van Karel v uit 1519, waarin wordt
verboden bokking te zouten en uit te voeren, is voor het eerst iets
te vernemen over deze manier van visconservering. Het verbod is
minder ernstig dan het lijkt. Immers de Zuiderzeeharing leende zich
veelminder voor kaken. Zij werd week en zacht in tegenstelling tot
de haring uit de Noordzee. Dit als gevolg van het ontbreken van een
aantal enzymen. In 1818 werd een wet van kracht, waarin nogmaals het
verbod op het kaken van Zuiderzeeharing wordt bevestigd. Daardoor
werd de Zuiderzeeharing gerookt of gedroogd. Dit verbod is in 1859
opgeheven nadat in Harderwijk een geslaagde proef met het kaken van
Zuiderzeeharing was genomen. Regering en volksvertegenwoordigers
hoopten dat door dit besluit haring als goedkoop volksvoedsel op de
markt zou kunnen komen om de heersende ontevredenheid tegen te gaan.

Het aan de speten rijgen van paling in de rokerij.

Het van de speet afschuiven van de gerookte vis.

Houtvoorraad voor de visrokerij.
De hangen of drogerijen stonden in het Achterom bij het Dode Gat en
werden later gedeeltelijk verplaatst naar het Leeg. De meeste van
deze bedrijven waren aan het begin van de 20ste eeuw nog werkzaam.
In de hangen stonden gemetselde stookhokken van diverse hoogte.
Onderin bevonden zich stookgaten. Met in petroleum gedrenkte
takkenbossen werden de hangen aangestoken. Als zij eenmaal brandden
onderhield men het vuur verder met houtafval, dat per schip was
aangevoerd, voornamelijk uit de klompenmakerijen. Als het vuur
oplaaide, werd er zaagsel overheen gestrooid om vlammen te dempen,
waarbij sterke rookontwikkeling optrad. Vóór het speten werd de
gezouten haring, veelal aangevoerd met de nachtboot uit IJmuiden,
met zout water afgespoeld.
Bij
een van de rokers gebeurde dit in de zogenaamde 'bael', in halve
okshoofden. Anderen hadden hiervoor speciaal gemaakte betonnen
bakken, waarin twintig kisten haring gingen. Dan konden de vissen
worden gespeet. Aan een houten spit, aan één kant gepunt, de andere
zijde stomp, werden twintig Noordzee haringen geregen. Als er
Zuiderzeeharingen werden gerookt gingen er een paar meer aan het
spit. Vooral vrouwen en meisjes deden dit 'spitsje'. Zij werden per
'hanfol' betaald. Een handvol was twee, twee 'hanfol' maakte een
'worp' en vijftig 'worp' was een 'tal'. Dat was tweehonderd
haringen. Dan was er nog de 'lest'. Dat was vijftig tal. Na de
eerste wereldoorlog werd de haring niet meer geteld, maar per
gewicht verrekend. De spitten werden door de hangknechten in de
rookhokken geplaatst. Deze klommen daartoe in de hete, rokerige
hokken tegen de wanden omhoog. De gezouten haring was al gaar van
het zout en behoefde dus niet meer gaar te worden gerookt. Zij
kwamen dan ook slechts kort in de hoge hangen, alleen om de
rooksmaak te krijgen. Dit waren de 'Engelse bokkingen'. Daarnaast
was er de dikke Sloeharing, die na het roken 'spekbokking' werd
genoemd. bokking of bakbokking werd gedroogd. Zij waren erg aan
bederf onderhevig, vooral bij broeierig weer. Daarom werden zij ook
wel licht gezouten. Zij hingen maar even in de hoge hangen omdat zij
niet gaar behoefden te worden gerookt. Gaar werden deze later bij
het bakken. 'Amsterdammertjes' werden in de zon gedroogd en gingen
vervolgens per boot naar Amsterdam, vandaar de naam. Er was ook nog
droge bokking of Harderwijker, strobokking genoemd. Deze werd voor
het roken eerst in de zon gedroogd tot het vel droog was om te
voorkomen dat hij bij het roken van het spit zou vallen. Na het
roken moesten de bokkingen aan rekken afkoelen voor zij konden
worden verpakt in houten kistjes. Ieder kistje bevatte de haring van
vijf spitten. Twee spitten, dat was twee lagen, met de koppen naar
rechts, vervolgens twee lagen met de koppen naar links en daar
overheen nog een spit haring. Daarna werden de kistjes dicht
gespijkerd en voor verzending gereed gemaakt. Het roken gebeurde
voornamelijk 's nachts. Zodoende kon de versgerookte haring 's
morgens met de boten van vijf uur mee. Het nachtelijke roken bleef
lang in zwang, ook nadat zij per tram konden worden verstuurd. In
het seizoen hadden de rokerijen veel extra venters om de gerookte
paling uit te venten. Botters en kleine bunboten te Lemmer in Paling
werd eenmaal per week gerookt, meestal in kleine hoeveelheden. Deze
was toen ook al duur. Paling werd gegromd ofwel van de ingewanden
ontdaan, vervolgens gezouten en daarna gespeten. Bij het roken moest
tegen overmatige verhitting worden gewaakt omdat te warm geworden
paling gemakkelijk open barst en dan onverkoopbaar wordt. Ook
spiering werd gerookt. Op ijzeren spitten regen jongelui een
veertigtal spieringen. Deze werden gespoeld en 'verstreken' en in de
hangen gaar gerookt. Na de spieringtijd werd er veelal Noordzeevis
als schelvis, makreel en poon gerookt. Deze vis kwam met de
nachtboot uit IJmuiden. 'Bükloazen' en 'koppeloazen' waren
opengebarsten of van het spit gevallen haringen. Zij vormden een
niet te versmaden traktatie voor bezoekers van de hangen. Het waren
trouwens meestal niet de slechtste vissen.

Vrouwen 'in de haven', bezig met de verwerking van
sprot. Op de achtergrond is de nettenbaan.
In de
hangen was naast de hangknechten een groot aantal vrouwen en
kinderen werkzaam. Onder de vrouwen waren veel weduwen, zij hoefden
dan niet met de 'bölekoer' (broodmand) te lopen ofte bakeren om de
kost te verdienen. Het 'spitsjen' van de vis kon veel sneller door
vrouwen en kinderen gebeuren omdat zij fijnere handen hadden dan
mannen. In de eerste plaats echter waren zij veel goedkoper. In de
tijd van de ansjovisvangsten werd deze vis ingezouten. Tevoren
moesten de visjes aan de wal uit de netten worden geplukt. De
vissers improviseerden daartoe een stellage bestaande uit een paar
tonnen en een plank, waarover de netten vanuit de vletten werden
getrokken zodat de ansjovisvisjes gemakkelijk uit deze netten waren
te halen. De 'pluzers' lagen er vaak op de knieën voor. Bij grote
drukte ging de dorpsomroeper door Lemmer om mensen op te roepen. Het
verwijderen van de vis uit de netten mocht niet ruw gebeuren anders
verloor de visser te veel gewicht. Vervolgens moest de ansjovis
worden gekopt en de ingewanden verwijderd. De vis werd gespoeld en
kon daarna worden gezouten. Ansjovis heeft heel kleine graatjes en
bijgevolg zaten de vingers en duimen van de kinderen vol kleine
wondjes. Als zij 's morgens vroeg, veelal om vier uur, met hun
handen in het zoute water moesten, konden zij het wel uitschreeuwen
van de pijn. Na korte tijd ging die pijn wel over. De kinderen zaten
met z'n zessen in een kring om de hangknecht. Deze had een ton voor
zich staan. Van een vierkante tafel pakten zij de ansjovis op. Zij
legden ze naast elkaar in hun hand. Als de hand vol was, een
'hanfol', legden zij de vis op de hand van de knecht, die de
ansjovis in de ton stopte. De hangknecht hield op een plankje met de
namen van de kinderen precies bij hoeveel 'handen vol' hij van elk
kind kreeg. Bij elk vijfde streepje riep hij dan: 'faampi fol'. De
kinderen werden 's avonds per handvol uitbetaald. Ansjovis moest ten
minste eenjaar ingezouten blijven staan. Het ging daarbij om grote
hoeveelheden die moesten worden opgeslagen. Hier ging veel geld in
zitten.

De haven van Lemmer; beurt- en vissersschepen. Blik
naar de Korte Streek.
De zouters beleenden veelal de ansjovis of verkochten die dadelijk.
Bovendien was ansjovis een sterk speculatief artikel. Aan de
landelijke speculaties kwam een einde toen twee Lemsters, W.
Scheffer en P. de Vries, begonnen met het invoeren van ansjovis uit
Spanje van een goede kwaliteit en niet duur. Tijdens de
werkzaamheden in de hang werd er veel gezongen. De liedjes waren wat
wij nu smartlappen zouden noemen: ellenlange stukken en hoe
melodramatischer hoe mooier, zoals het 'Vrouwtje van Stavoren' en de
'Moardnersfeint fan 'e Tynje'. Het werk was eentonig en behalve dat
zingen de zinnen verzette, hielp het ook een bepaald werktempo te
onderhouden. Bovendien zong men graag en het klonk goed in de
hangen. Behalve het al aangeduide genre werden er ook plaatselijke
liedjes gezongen. Het waren veelal spotliedjes, soms met een
maatschappijkritische ondertoon. Zij werden door de arbeiders van de
rokerijen 'ingestudeerd' en 's avonds zong half Lemmer ze. In de
hangen, waar het vaak koud en vochtig was, zaten de vrouwen op een
oude emmer waarin zij een kooltje vuur hadden. De emmer stond onder
de rokken verborgen. In het seizoen werkte men van 's morgens vroeg
tot laat in de avond. Wanneer ambtenaren van de arbeidsinspectie
kwamen controleren, kroop de jeugd weg om niet te worden
verbaliseert. In de loop van de morgen brachten de moeders de
kinderen koffie en eten. Bij De Rook werd er in drukke tijden wel op
'Urker brok' getrakteerd. Het waren vaak de kinderen van grote
gezinnen die bij de rokers mochten werken. In dit opzicht kon men de
rokers een zeker sociaal gevoel niet ontzeggen. Willem Platte gaf
met een haringspit, op een houten kistje tikkend, het ritme aan.
|
1 |
2 |
3 |
Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|