Lemmer 'forneamde haven oan 'e Sudersé'

 

| 1 | 2 | 3 |


De auteur, Durk Hak (1944), deed in 1980 onderzoek in Lemmer ten behoeve van zijn studie culturele antropologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen.  Behalve uit literatuur- en archiefonderzoek heeft Durk Hak veel informatie verkregen uit tientallen gesprekken met inwoners van Lemmer. De zomer van 1980 bracht hij in zijn geboorteplaats door. Overdag was hij meestal 'onder de hoek' te vinden, een plaats die de functie van leugenbank heeft, 's Avonds nam hij gerichte interviews af. Zo ontstond een beeld van Lemmer omstreeks de eeuwwisseling, uit talrijke gegevens, die niet in archieven zijn te vinden.

Wie nu door Lemmer loopt, langs de Schans en het Leeg de plaatsen waar eertijds de hangen en de 'baen' hebben gestaan en langs de haven, krijgt niet de indruk dat hier vroeger een bloeiende visserij is geweest. Wie het treft kan in de haven nog een enkele visserman op zijn schip bezig zien. Er is nog maar één hang, waar paling wordt gerookt. Deze dateert uit de jaren twintig. Wel staat er een groot, modern visverwerkingsbedrijf van de gebroeders Sterk. Zij zijn nazaten van een vishandelaar, die later hangbaas werd. In Lemmer wordt nu geen bokking meer gerookt; Lemsteraken worden er niet meer gebouwd, tenminste niet meer als schip waarmee de visserman naar zee gaat. Tegenwoordig bouwen de gebroeders Hummel weer Lemsteraken als plezierjacht op nagenoeg dezelfde plaats waar eens Pier de Boer zijn beroemde schepen heeft gebouwd. Ook de zeilmaker M. F. de Vries, die vele tientallen tuigen voor aken, botters en schouwen heeft gemaakt, is overgeschakeld op het vervaardigen van zeilen voor pleziervaartuigen. Honderden mannen, vrouwen en kinderen hebben in de visserij en de nevenbedrijven een doorgaans armoedig bestaan gevonden. Soms, als haring en ansjovis in overvloed werd gevangen en er goede prijzen voor de vis werden gemaakt, viel er echter een goede boterham te verdienen. De drukte aan de haven en 'in de baen' is voorbij. Even snel als de visserij te Lemmer is opgekomen is deze ten onder gegaan. Wie er oog voor heeft, zal aan de 18de eeuwse koopmanshuizen langs de beide Streken rond het Dok kunnen zien dat handel en scheepvaart een belangrijke rol hebben gespeeld in Lemmer. Waar Zijlroede en Rien tezamen komen en in de voormalige Zuiderzee stromen ligt Lemmer. Sedert 1511 bestaat hier een zeesluis, die aan het begin ligt van het belangrijke vaarwater van Amsterdam via de Zuiderzee door Friesland naar Groningen en via Dokkumer Niewezijlen naar Oost-Friesland (Hamburg). De schepen voeren via de Zijlroede naar Sloten, over het Slotermeer richting Sneek en verder. De scheepvaart door het andere vaarwater, enige betekenis, voornamelijk ten behoeve van de turfvaart tijdens de verveningen. Scheepvaart was van groot belang. Dit blijkt uit het feit dat er in 1808 onder meer zes scheepstimmerwerven, vijf smederijen, drie mast- en blokmakerijen, drie zeilmakerijen en een tweetal houtmolens in Lemmer stonden.

 

Lemmer, 1959.



Regelmatig voeren van Lemmer vrachtschepen uit in de 18de en 19de eeuw naar Noord-Amerika. Uit de Oostzeelanden werd vooral hout geïmporteerd. Uit deze houtvaart kwam de plaatselijke, tot in de tweede helft van de 20ste eeuw belangrijke, houtzagerij voort, de 'houtmolen' of kortweg de 'moune' genoemd. Daarnaast was een andere tak van vervoer van belang. Lemmer was het beginpunt van meer dan tien beurten veerdiensten, onder andere op Groningen, Zwolle, Woudsend en Joure. De bekendste was die van Amsterdam naar Lemmer. Sedert 1719 hebben tienduizenden passagiers van die dienst gebruik gemaakt. Dienstboden en Lemster bokkingen zijn altijd belangrijke exportartikelen naar Amsterdam geweest, tot ook hieraan in de tweede helft van onze eeuw een einde kwam. De ontwikkelingen van de haringen ansjovisvangst De visserij op haring was aan seizoenen gebonden en werd voornamelijk in herfst en winter uitgeoefend. (Omstreeks 1850 verschoof de hoofdvangst naar het voorjaar). Mannen en jongens, die in de zomermaanden op de Oostzee voeren om graan te halen,  vormden de bemanning van de vissersschepen tijdens de haringvangst. De graanvaart liep elk jaar in de late herfst ten einde en het ligt voor de hand dat de schepelingen de rest van het jaar de kost in een aanverwant beroep gingen verdienen. Ook vissers die anders op de haringbuizen op de Noordzee visten, gingen ter haringvangst op de Zuiderzee. Een derde groep die aan deze visserij deelnam was die van de kleine binnenlandse vervoerders. Ook zij zetten hun meest kleine scheepjes in om haring 'machtig' te worden. In 1416 werd in Hoorn het eerste grote net gebreid voor de haringvisserij. Mogelijk was dit een soort zegen. Fuiken en zegens behoorden tot de vroegste vistuigen, waarmee op de Zuiderzee haring werd gevangen. "In 1545 visten de Enkhuizer 'zeyners' of zegen vissers van November tot Lichtmisse toe ten lanxten. In 1479 deelden de autoriteiten van Keulen aan die van Harderwijk mede: 'bokking', die met fuiken gevangen was te zullen weigeren.

 

Panorama van Lemmer 1959

 

Mogelijk is er staand want gebruikt, dat was meegebracht uit het gebied van de Sont, door hen die de vaart op het Zuid- Zweedse Schonen beoefenden.
Er werd toen gevist met zogenoemde waterschepen. Als uitvloeisel van ernstige visserijconflicten tussen de vissers uit de verschillende gewesten rond de Zuiderzee komen in 1786 bepalingen tot stand, die gericht waren tegen het "allerverfoeilijkst sleepend visschen tusschen twee aaneen gehechte visschers. Het verbod werd ingesteld door de Staten van Holland en West-Friesland met een motivatie die doet denken aan de rond 1880 gevoerde discussie over de wonderkuil, de zogenoemde moordkuil. " Alsoo ter onser kennis gekomen, dat veele baetsoekende Persoonen te Huizen in Hollandsch Gooiland en elders binnen deese Provincie woonachtig, en zig, zo op de Zuiderzee als op het Magazijn van 1851 schreef: "voor ruim dertig jaren echter of daaromtrent, was er van die visscherij, inmakerij of handel op de Zuiderzee en te Monnickedam volstrekt niets bekend; ja zelfs dacht men daaraan toenmaals nog niet, veel minder dat die tak van nijverheid, slechts weinig tijd later, zulk eene bron van -welvaart voor de visschers en vischhandelaars der vernoemde zee in die plaats wou worden, toen omstreeks dien tijd een Monnikedammer bokkingrooker op het gelukkige denkbeeld kwam, om voor eigen liefhebberij eens te beproeven of hij niet even goede en duurzame ansjovis zou kunnen inzouten als de bergse was" Omstreeks het eerste kwart van de 16de eeuw hebben Hollandse vissers een nieuwe manier van vissen ontwikkeld: "tot welcke schepen zij cuylen oder netten gebruycken, daervan die massen nu ter tijt enger sijn dan men over een ganzeveder solde kunnen maken ende sint an twee driffboomen ofte spreten op elck boert van schip met groote ijzeren ringen en banden stijffstaende vastgemaeckt". Zij zetten "haeren cours ofte segelatie altijt voor de windt onder Hollandt, Gelderlandt, Overijssel oft van die custen van Frieslandt ende gemeenlijck huer netten lichtende ofte optreckende voer ende aleer sie van den eenen lande totten andere gekomen synt".

 

Ansjovis, litho van Schlegel, circa 1860. Onder: Haring, litho van Schlegel, circa 1860.

 

Een haringbuis.


De roker heeft eerst op kleine schaal proeven met het inzouten genomen. Deze ingezouten vis werd goed verkocht met als gevolg dat er een speciale ansjovisvisserij opkwam in de maanden mei, juni en juli. Aanvankelijk werd ansjovis met sleepnetten gevangen, maar omstreeks 1850 begonnen vissers uit Spakenburg op ansjovis te vissen met het kuilnet 'in span'.

 


 

Ansjovisvangst; de netten worden ontdaan van de vissen in de Oude Binnenhaven.

 

De Korte Streek te Lemmer met vissersschepen: een schouw (de LE107), een Lemmeraak en twee botters voor de wal.

 

Ansjovis te Lemmer; het 'plüzjen'.

 

Ansjovis op de kade.


Ine met visschen geneerende, sedert een geruime tijd hebben onderstaan, om met hunnen Drijf-, Kuil-, Sleep- en Treknetten met twee aaneengehechte botters het geheele jaar door, bij dagen en bij nagten langs en door de geheele Zuiderzee en het Ine zowel aan de wallen als op de ruime zee te slepen zonder eenig opzigt te nemen op het staand vischwand ofte de daartoe gestelde Baakens; en gemerkt zodanige allerverdervelijkste wijze van visschen niet alleen verstrekt tot merkelijke schade en ruïne van degeenen, die zich geneeren om met staand wand te visschen, hetwelk daardoor dikwijls wordt verbrijzeld, maar ook van aller nadeeligste gevolgen zouden kunnen zijn voor de bokkingdroogerijen en andere Vischmarkten binnen deese Provincie, alsmede voor de Haring-visscherij op de Zuiderzee, gemerkt door het heendrijven en sleepen langs de Grond de Haring verwijderd, de jonge Talvisch omgebracht en het zaad ter voortteling vermeld wordt".
Aan het einde van de 17de eeuw werd te Harderwijk voor het eerst ansjovis ingezouten. Aangenomen mag worden dat de ansjovis dan al enige tientallen jaren in de Zuiderzee in ruime mate werd gevangen. In 1680 en 1730 waren plakkaten tegen het slepen op ansjovis in de periode van half april tot mei uitgevaardigd, omdat dan de haring kuit schiet. Lijnrecht in tegenspraak met het bovenstaande is wat een anonieme auteur in het Nieuw Nederlandsch.

Ook in de haringvisserij hebben zich grote veranderingen voorgedaan. Omstreeks 1820 kwam haring in grote scholen de Zuiderzee binnen. "Voor ongeveer vijfentwintig jaren, misschien een paar jaar vroeger of later, werd deze haringsoort, een ander had men daarin vroeger nooit gekend, in de Zuiderzee bijna geheel verdrongen door een aan allen, deskundigen zelfs niet uitgezonderd, ten eenen male vreemde en onbekende soort, die men ijlen haring, ook wel Bobzijl, noemde. Deze naam verkreeg zij naar het Friese gehucht van dien naam in welks nabijheid men het eerst deze haringsoort begon te vangen. Even als men gewoon was, kwamen tegen het begin van oktober de volle haringen opdagen, maar na verloop van drie of vier weken verdwenen die eensklaps en werden opgevolgd door duizenden myriaden ijlen haring, welke niet zelden de Zuiderzee letterlijk vervulden". Tussen 1851 en 1860 liepen de opbrengsten van de herfst- en winterteelt merkbaar terug; de haring bleef weg. Langzamerhand kwam de hoofdopbrengst van de haringvisserij in het voorjaar te liggen. Hiervoor is nog geen verklaring gevonden. Naast het vissen met zegens, kuilen en fuiken kwam er een nieuwe methode in gebruik: het vissen met staande netten vanuit kleine bootjes. Zoals wij nog zullen zien heeft deze manier van vissen de Zuiderzeevisserij van Lemmer in zeer sterke mate bepaald.

 

Drukte in de haven van Lemmer wanneer de haringteelt in volle gang was.

 

Een waterschip.


"Wee binne Lemster jongens, wee leve fan de sé"

Uit een bericht, opgesteld door een gemeenteambtenaar in 1808, aan de drost van het tweede kwartier in Friesland blijkt dat er, naast de visserij op de binnenwateren, door enkele vissers met fuiken 'onder de wal' werd gevist, waarschijnlijk op paling. Deze visserijen leverden slechts een schrale kostwinning op. Het genoemde bericht vermeldde voorts dat er geen enkele visser buitengaats viste. Daarmee is waarschijnlijk bedoeld buiten de haven, dieper in zee. Misschien was dat te wijten aan de Franse bezetting. Uit een uitgebreide opgave van 18 september 1812 van het gemeentebestuur blijkt de geringe betekenis van de Lemster visserij.

En zevental vissers waagde zich in het voorjaar met hun kleine bootjes op zee om met fuiken op paling te vissen. De totale vangst zou maar liefst 2000 pond per man hebben bedragen. Misschien was deze vangst overdreven voorgesteld om aan te geven hoe groot het verlies was dat de vissers leden door het verbod van de Franse bezetter om paling naar Engeland te exporteren. Zo hoopten zij ontheffing van het betreffende verbod te bewerkstelligen. Het gemeente verslag gaat verder: "De tweede vischvangst is de botvisscherij. Twee personen in deeze gemeente oefenen deselve uit langs het strand op een geringe diepte (gemeenlijk twee voeten) met zijden netten. Zij gebruiken daartoe kleine aakjes, welke zij alleen bevaren. Behalve dese zijn er vele Durkendammer visschers, welke deselve mede op deselfde plaatsen ondernemen. Zij gebruiken daartoe grote aken, die met drie mannen bevaren worden. Somtijds bezigen zij ook, in plaats der zijden netten, lijnen en haken, wanneer zij zich dieper en op zee begeven". Vissen op bot met zijden netten is omstreeks 1650 in gebruik gekomen. In 1683 werd het vissen op deze manier verboden. Er werden te veel jonge vissen gevangen. Zijden netten waren uitzonderlijk duur; maar weinige vissers waren in staat ze aan te schaffen. Het gebruik van die netten bood grote voordelen: zij waren minder aan rot onderhevig. Bovendien waren zij veel minder omvangrijk en zwaar, en dat is bij het werk voor één man met een kleine boot een niet gering voordeel. Het is ook een relatief eenvoudige manier van vissen: met staande netten, die tussen palen in zee werden uitgezet. De derde groep die in het rapport werd genoemd, zijn de haringvissers. Deze visserij werd eigenlijk niet door de ingezetenen van deze gemeente bedreven maar door "Durkendammer, Urker en Schokker vissers, welke de haring alhier aanbrengen voor de bokkinghangen, welke alhier drie in getal zijn"

Vermoedelijk was de visserij op de Zuiderzee voor Lemster vissers nog van weinig betekenis. De opbrengst van de spiering vangst werd niet vermeld, mogelijk vanwege de geringe economische betekenis. Ook omtrent de visserij op ansjovis vernemen wij niets, hetgeen kan inhouden dat deze hier niet werd beoefend. Voor het vissen op ansjovis is een wat groter vaartuig nodig om de dwarskuil te kunnen slepen, ofwel twee grotere schepen die samen een kuil- of sleepnet trekken. Deze uitrusting zal voor de plaatselijke vissers niet te betalen zijn geweest.
Mogelijk heeft de schrijver van het stuk in het Nieuw Nederlandsch Magazijn uit 1851 gelijk dat er pas omstreeks 1820 op ansjovis werd gevist. De visserij op bot was te verwaarlozen. Visserij op haring werd niet door Lemster vissers uitgeoefend. De enige visserij die bloeide -was die met fuiken op paling. Rond 1850 In 1851 was het vissen op de binnenwateren van weinig betekenis meer. Enkele vissers hielden zich bezig met botslepen. De opbrengsten hiervan waren wisselvallig. Over het algemeen was het financiële gewin gering te noemen. Wij mogen concluderen dat er nu grotere schepen werden gebruikt voor het botslepen in span. De ondersimmen van de netten moesten door de bodem worden getrokken. De daarvoor benodigde kracht kon niet door kleine vaartuigen worden geleverd. Over het vissen op bot met zijden netten of met hoekwant wordt in deze jaren niets vermeld. Waarschijnlijk hangt dit samen met het afnemen van de betekenis daarvan. De beide vismethoden geraakten evenwel niet geheel in onbruik, omdat in de jaren na 1890 nog veel Lemsters met deze tuigen visten. De haringvisserij in Lemmer was duidelijk in betekenis toegenomen, maar de opbrengst was hiervan nogal wisselvallig. Magere en vette jaren wisselden elkander af. Zowel in de herfst als in het voorjaar werden er door Lemster vissers en anderen grote hoeveelheden haring aan de wal gebracht om in de plaatselijke hangen te worden gedroogd of gerookt, waarna zij voor een groot deel naar elders werden verkocht. Veel inwoners van Lemmer moesten van de opbrengsten van de haring bestaan. In de jaren '60 nam het aandeel van de Hollandse vissers in de te Lemmer aangevoerde vis steeds verder af. Dit was een gevolg van de lage prijzen die in Lemmer werden betaald. Vissers uit Urk, Marken en Gooiland bleven vis uit het noordelijke gedeelte van de Zuiderzee en de Noordzee in het openbaar bij afslag te Lemmer verkopen. Het vissen op haring gebeurde ook met kleine bootjes.

Deze betrekkelijk goedkope en eenvoudige manier van vissen heeft bijgedragen tot de bloei van de Lemster visserij. Veel vissers moeten in deze periode in de spieringvangst een bestaan hebben gevonden. De opbrengsten waren gering. "Maar de spiering verschafte aan zeer vele armen een heilzaam voedsel". Van de ansjovisvangst die in andere plaatsen aan de Zuiderzee van betekenis was geworden is dan in Lemmer nog niets te merken. Aan het einde van de jaren '60 werd de ansjovisvangst van betekenis en werd de haringvisserij zelfs een peiler van de Lemster economie.

 

 Mast, blok, klompen en boommakerij te Lemmer in 1942.


CHRONOLOGISCH OVERZICHT VAN HET TOENEMEN VAN DE BEDRIJVIGHEID IN LEMMER NA 184O.


1840 Stichting sleephelling S. W. Visser en C.P. Bakker
1867 Oprichting sleephelling H.Beljon
1867 Uitbreiding van de hang van Weduwe J. de Rook
1871 M. P. de Vries begint als zelfstandig zeilmaker
1875 Stichting van de aardewerkfabriek van S.Dijlstra
1876 Stichting sleephelling P. K. de Boer
1881 Oprichting kuiperij M. Zandbergen
1883 Uitbreiding hang A.P. Bakker, T.P.Peereboom en G.J. de Rook
1884 Uitbreiding rokerij WeduweJ. de Rook met onder meer een mandenmakerij
1887 Oprichting zouterij en rokerij W. Scheffer en H. Nieveen
1891 Stichting rokerij W. Scheffer. Oprichting rokerij A. de Blauw
1902 Uitbreiding helling gebroeders De Boer


In de nevenbedrijven  er waren drie bokkinghangen, twee zeilmakerijen, twee taanderijen, een mast- en blokmakerij en twee scheepstimmerwerven overheerste, evenals in de visserij de malaise. De vissers waren voor het grootste deel van het jaar niet in de visserij werkzaam. In de officiële stukken worden zij veelal aangeduid als 'visser en sjouwerman'. Na 1870 is groei van de vloot duidelijk. Steeds meer Lemsters gaan dan op de Zuiderzee vissen. Vooral na 1880 is er sprake van een spectaculaire groei. Zijn er in 1867 een tiental botaken, in 1870 zijn dat er dertien. Na de verplichting tot het laten registreren van alle vissersschepen in 1882 horen in deze gemeente 37 schepen thuis. Na 1880 werd een toenemend aantal schepen te water gelaten. Pier de Boer bouwde in zijn eerste jaar als zelfstandig scheepsbouwer één botaak. Na 1882 werden elk jaar twee of meer gebouwd. In 1871 heeft de weduwe De Rook een bokkinghang en een ansjoviszouterij. Daarnaast hebben Van Veen, de firma Wouda en De Jager elk een hang.

 



Haringvangst te Lemmer.

 

Haring wordt uit het net gehaald.


Toenemende bedrijvigheid.

Hoe is de sterke groei van de Zuiderzeevisserij in Lemmer te verklaren ? Een aantal factoren is daarvoor aan te geven. Het gaat daarbij niet alleen om plaatselijke ontwikkelingen, maar ook om lokale varianten van landelijke processen. Als eerste factor noemen wij de bevolkingstoename. Van de 18de eeuw afnam de bevolking van de gemeente Lemsterland voortdurend toe.

 

TOENAME VAN DE BEVOLKING IN LEMSTERLAND EN FRIESLAND IN RELATIEVE ZIN.

 



Deze toename vloeide voort uit stijgende geboorte- en vestigingsoverschotten. De gangbare verklaring voor de stijgende geboorteoverschotten is de verbeterde voedingsgewoonte, betere hygiënische toestanden en geneeskundige zorg.


LOOP VAN DE BEVOLKING IN DE GEMEENTE LEMSTERLAND.

 

 

Rokerij aan het Leeg te Lemmer, rechts op de achtergrond de hangen.



Behalve de scheepvaart met zijn belangrijke afgeleide bedrijvigheid waren in de gemeente Lemsterland vervening en melkveehouderij als middelen van bestaan van belang. In de veenderijen waren twee soorten arbeidskrachten: turfmakers en trekarbeiders. De turfmakers woonden op het veen en vonden daar voor het grootste deel van het jaar een schamel bestaan. Zij zijn sedert het einde van de 17de eeuw uit het Overijsselse naar plaatsen als Echten en Oosterzee getrokken. Ieder jaar kwamen van april tot juli trekarbeiders, onder wie Duitsers ('poepen' genoemd) om de veenspecie te baggeren, waarvan de turf werd gemaakt. Zij zijn vaak de aanstichters geweest van het veelvuldig voorkomende 'bolle jeijen', het min of meer spontaan staken om hogere betaling voor hun ongemeen zware arbfeid af te dwingen. Uit de cijfers blijkt dat de vervening in Lemsterland rond 1880 duidelijk over het hoogtepunt heen was.

 

AANTAL VERWERKTE ELLEN SLIJK IN DE GEMEENTE LEMSTERLAND.

 

 


Lemster haven met de inmiddels veranderde situatie van de verbinding met de Vissersburen.

 

De oude brug over de Pier Christiaansloot te Echten/Delfstrahuizen in december 1956.



De belangrijkste oorzaak van de afnemende bedrijvigheid in de vervening was het toenemende gebruik van steenkool. De werkloze turfmakers vertrokken voor een groot deel naar elders. Velen verlieten Friesland en gingen naar de Verenigde Staten. Anderen bleven in behoeftige omstandigheden achter. Omstreeks 1880 werden de boeren hier, evenals elders in het land, slachtoffer van de landbouwcrisis. De melkveehouderij in Lemsterland werd niet zo zeer getroffen door de goedkope graanexport uit Noord- Amerika, maar had meer te lijden van de concurrentie van de margarinefabrikanten en buitenlandse boterproducenten. Vele boeren gingen failliet, anderen beperkten hun productie met als gevolg dat er minder mensen een bestaan vonden in de melkveehouderij. Een gevolg van deze slechte toestanden was dat het rietsnijden, een nevenbezigheid van de turfmakers, evenals het in cultuur brengen van 'onland' stil kwam te liggen. De voormalige veen- en boerenarbeiders gingen tegen het einde van de 19de eeuw de Lemster visservloot bevolken. Ook buiten de gemeente onder andere uit Gaasterland trokken toen velen naar Lemmer in de hoop daar een boterham te verdienen. Omstreeks 1880 werd er in Lemmer begonnen met de aanleg van een nieuwe haven en zeesluis, die op 27 juni 1888 in gebruik werden genomen. Bij dit grote werk waren honderden arbeiders werkzaam. Zij kwamen vaak van buiten Lemmer. Tientallen schippers werkten met hun kleine vrachtscheepjes mee aan de havenwerken. Na afloop van de werkzaamheden konden velen in de visserij terecht. Dit werd mede mogelijk door nieuwe visserij methoden, die behalve relatief eenvoudig ook goedkoop waren.

 

De Oude Sluis te Lemmer.

 

Nieuwe visserij methoden.

Omstreeks 1850 veranderde de manier van vissen op haring. In plaats van kuilen en slepen gingen sommige vissers met het goedkopere en eenvoudiger te hanteren staande want vissen. Poppe de Rook schreef in 1883 in Hepkema's krant dat vissers uit Lemmer voor het eerst met staand want op ansjovisvangst gingen. Deze manier van vissen was toen echter in Lemmer al sinds jaar en dag in gebruik. Nieuw was het feit dat zij deze netten gingen gebruiken op ansjovis. De vissers werkten met hun kleine boten niet ver uit de wal; zij brachten hun netten met vangst en al aan de kade. Verder op zee werd de ansjovis met vletten naar de voor anker liggende aken en botters gebracht. Aan boord werd de ansjovis voorlopig ingezouten. De vangst van ansjovis was met de staande netten veel groter dan met de wonderkuil. De netten werden ook betaalbaar omdat omstreeks deze tijd machinaal gebreide netten in de handel kwamen. In 1855 zijn door een Scheveningse reder, A.E. Maas, proeven genomen met dit soort netten ten behoeve van de grote visserij. Enkele jaren later was het gebruik daarvan algemeen. De leverancier van deze netten te Lemmer was Jan Pen. Hij was alleenvertegenwoordiger voor de Apeldoornse machinale netten breierij Von Zeppelin, die in het begin van de jaren tachtig begon met de productie van netten.
Behalve door beroepsvissers werd er door 'gelegenheidsvissers' op haring en ansjovis gevist. Dat waren dan voornamelijk turf en andere vrachtschippers, die met hun tjalken of pramen in het voorjaar gingen vissen. Ook zij gebruikten daarbij staande netten. 1890 was een fenomenaal ansjovisjaar, dat andere recordjaren verre overtrof. In totaal werden er toen 190.000 ankers ansjovis ingezouten; bijna het dubbele van andere topjaren. In Lemmer werden 30.000 ankers aan wal gebracht, waarvan 12.000 door Lemster vissers. Een anker kan op ongeveer 28 kg worden geschat. "Ieder die maar een boot machtig kon worden en eenig kapitaal bezat om het vischwant te koopen werd ansjovisvisscher: predikanten, restaurateurs, kroeghouders, turfschippers, boerenarbeiders, motorvaarders, ja wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisscher"


De jaren die erop volgden waren goed. De vissers van de Zuidwal, die met de wonderkuil en dure botters visten, raakten sterk in het nadeel. De kuil ving niet alleen veel slechter, maar was bovendien veel duurder en raakte na 1880 aan wettelijke beperkingen betaald. Daardoor gingen de rokers afspraken maken met de vissers om de vis rechtstreeks aan hen te leveren.
 Rond 1870 werd zo al veel vis buiten de afslag om rechtstreeks aan de hangbazen verkocht. (De reden hiervan is niet duidelijk). Deze konden daardoor de prijzen eenzijdig vaststellen, en die hielden zij natuurlijk zo laag mogelijk. Hier kwam nog bij dat de rokers ook als financiers optraden hetgeen hun macht over de vissers vergrootte. Zij leverden de vissers onder andere schepen, zeilen en netten. Zij financierden ook kleine of grotere reparaties aan schip, tuigage en netten. Ter overbrugging van de tijd dat er niet werd gevist, verschaften zij de vissers geld. Deze moesten niet alleen rente betalen, maar wat veel belangrijker was zij waren dus ook verplicht de hangbaas de gevangen vis te leveren. Een gevolg was dat de afslag een zachte dood stierf. De eerste Lemster hangbaas die een visser een schip verschafte was Johannes Sterk. Hij liet in 1895 een botter bouwen bij de plaatselijke scheepsbouwer Pier de Boer ten behoeve van Jelle Koornstra. Velen van de Zuidwal vestigden zich te Lemmer om hun beroep hier uit te oefenen. Ook binnenvissers gingen op de Zuiderzee vissen.

 

Johannus Sterk en Dina Visser, overgrootouders van Jocé Huitema.

 

De Lemster Rien.

 

De haven van Lemmer met de vuurtoren.

 

Een hang voor het roken van paling.

 

| 1 | 2 | 3 |

Home


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.