|
Lemmer-Joure: het ontstaan van een tramlijn.
Door Jaap van der Zwaag.
Proloog.
Op 24 april 1880 werd in Utrecht de Nederlandsche
Tramweg/Maatschappij (NTM) opgericht. Directeur van de
nieuwe trammaatschappij werd Simon Hamelink. Commissarissen
waren J.A. Baron van Hardenbroek, directeur van de
Maatschappij tot Exploitatie van Veestallen; C. Vermeijs,
directeur van de Gemeentewerf te Utrecht en J.W.R. Gerlach,
afdelingschef bij de Maatschappij tot Exploitatie van
Staatsspoorwegen. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg
300.000 gulden, waarvan bij de oprichting 60.000 was
geplaatst. Op de overige 240.000 gulden aan aandelen kon het
publiek op 30 april 1880 inschrijven. Het eerste
hoofdkantoor werd gevestigd aan de Moreelselaan 21 in
Utrecht. Tussen 1907 en 1913 en na 1930 was de NTM gevestigd
in Heerenveen. Doel was aanvankelijk door heel Nederland
tramlijnen aan te leggen, maar uiteindelijk bleven de
activiteiten geconcentreerd in Friesland en aangrenzende
delen van Groningen, Drenthe en Overijssel.
Vooral Hamelink is belangrijk geweest voor de aanleg van de
tramlijn Lemmer-Joure. Vandaar dat ik, voordat ik verder ga,
wat aandacht besteed aan deze man. Simon Hamelink was op 8
januari geboren in het Zeeuwse Terneuzen. Op 14-jarige
leeftijd trad hij in militaire dienst en diende als
sergeant van het regiment grenadiers en jagers. Hij voelde
er echter weinig voor om beroepsmilitair zijn verdere leven
te slijten en trad, nadat hij de miliaire dienst had
verlaten als ambtenaar in dienst bij de Maatschappij tot
Exploitatie van Staatsspoorwegen. In 1871 verhuisde hij met
zijn vrouw naar Utrecht. Hamelink doorliep bij de afdeling
wagenbeheer van het staatsspoor veel rangen, totdat hij
tenslotte chef de bureau werd op het hoofdkantoor in
Utrecht. In die tijd schreef hij twee brochures: 1. "De
tramwegen, hun oorsprong, ontwikkeling en toekomst" en
2. "Hoe men tot spoor- en tramwegen kwam". Uit deze
brochures blijkt zijn grote kennis van de spoor- en
tramwegen. De bekendheid, die hij met zijn geschriften kreeg
en de lezingen, die hij hierover gaf, vestigde hij de
aandacht van J.W.R. Gerlach, in die tijd afdelingschef van
de exploitatiemaatschappij. Het was dan ook Gerlach die
Hamelink zou voordragen bij de benoeming van een directeur
van de NTM. In die tijd leerde Hamelink ook baron van
Hardenbroek kennen, waarmee Hamelink de Maatschappij voor
Veestallen en de NTM oprichtte.
Hamelink, baron van Hardenbroek en Gerlach hebben in die
jaren het plan opgevat tramwegen in Friesland aan te leggen.
Vooral Hamelink bleek bij dit streven een doorzetter te
zijn. Zijn ijzeren wil zou later spreekwoordelijk worden.
Hamelink stond bekend als een grappenmaker. Zo bestaat het
verhaal, dat hij op een morgen het station Joure opbelde,
waar iemand van het lagere personeel de telefoon aannam.
"Weet je niet met wie je spreekt?" balkte de directeur
over de lijn. "Nee, mijnheer" luidde het antwoord.
"Je spreekt met de directeur, kèrel. Kun je je pet niet
afzetten?" Nadat de man, stellig niet een van de
slimsten, dit gedaan had, hoorde hij zich verwijtend
toevoegen:"En je stinkt ook weer naar drank!" Waarop
de man schuchter zei:"nee, mijnheer, dat kan niet, want
ik heb er nog maar eentje gehad."
Naast directeur van de NTM werd Hamelink in de loop der
jaren voorzitter van de Vereeniging voor Locaalspoorwegen en
Tramwegen en bestuurslid van de Union Internationale
Permanente des Tramways.
In de functie van directeur van de NTM zette Hamelink zich
in om zijn grote ideaal te verwezenlijken, namelijk
Nederland voorzien van een spoorlijnennet. Van hem deed het
verhaal de ronde dat hij, als gemeentebesturen (die bijna
altijd tegenwerkten) de nodige vergunningen weigerden, in
een naburige gemeente opmetingen liet verrichten en piketten
liet slaan. De bevolking die de tram aan haar neus voorbij
zag gaan, dwong het onwillige gemeentebestuur tot nieuwe
onderhandelingen met het gevolg dat nu wel de vergunningen
werden verleend. Hamelink was hier echter niet mee tevreden
want de elders geslagen piketten moesten ook worden betaald.
Het onwillige gemeentebestuur kon dan niets anders doen dan
een flinke geldelijke steun verlenen aan de NTM. Hieronder
zullen we zien dat ook met de lijn Lemmer-Joure er maar één
man is geweest, die alle problemen de baas kon: Hamelink.
Zie ook:
www.familiehamelink.nl

Tramstation, remise en personeel in Lemmer.
Paardentrams.
Aanvankelijk werd op de aangelegde trajecten gebruik gemaakt
van paardentractie. De eerste lijn liep van Dokkum naar
Veenwouden en werd al in het oprichtingsjaar geopend,
namelijk op 6 oktober 1880. Deze en alle volgende lijnen
werden uitgevoerd in normaalspoor (spoorwijdte 1435 mm). Een
jaar, op 19 september 1881, werd deze lijn verlengd naar
Bergumerdam en in 1896 reed de tram door naar Suameer. Vanaf
1913 (Suameer-Veenwouden) en 1926 (Veenwouden-Dokkum) werd
de paardentram vervangen door de stoomtram. De
paardentramlijnen waren lichter uitgevoerd dan andere
lijnen, dus moesten eerst de spoorstaven door zwaardere
exemplaren worden vervangen voordat de – zwaardere –
stoomlocomotieven konden rijden.
In 1898 kwam de paardentramlijn Makkum-Harkezijl in gebruik,
terwijl in 1900 als laatste de paardentramlijn Berlikum-Sint
Annaparochie werd geopend. Deze laatste werd opgeheven in
1917, terwijl de dienst Makkum-Harkezijl nog tot 16 juli
1930 in bedrijf bleef als laatste paardentramlijn in
Nederland. Op de lijn Suameer-Veenwouden-Dokkum werden door
de NTM eigen paarden gebruikt, maar op de lijn St.
Annaparochie-Berlikum was de levering van paarden uitbesteed
aan de stalhouder H. Schaap in Leeuwarden. Voor de eigen
paarden moesten stallen worden gebouwd en speciaal personeel
worden aangenomen voor voeding en verdere verzorging van de
dieren; door het uitbesteden was men daar van af.
Dat men aanvankelijk niet erg enthousiast was over de komst
van de stoomtram en soms zelfs wantrouwend bleek uit vragen
die in 1880 door sommige mensen werden gesteld, zoals
bijvoorbeeld "is een door locomotieven voortbewogen tram
even spoedig te stoppen als een door paarden getrokken?"
Of: "daar de trambanen op en naast de gewone rijwegen
zijn aangelegd, is dan het schrikken van de paarden voor de
locomotieven geen bezwaar?".

De eerste stoomtrams.
Veel gemeenten wilden geen stoomtrams toelaten op de
kunstwegen op hun grondgebied en de NTM was dan gedwongen,
wilde zij stoom als trekkracht gebruiken, een eigen baan aan
te leggen, zoals bijvoorbeeld van Joure naar Sneek. Zo paste
de stoomtram in de ogen van de gemeenteraad van
Tietjerksteradeel niet op de kunstwegen en, dachten de
raadsleden, de tram zou een spook zijn voor paarden en
daardoor gevaar opleveren. Op verschillende plaatsen in de
provincie moest men dan ook overstappen van stoomtram op
paardentram, of andersom.
De eerste stoomtram van de NTM reed op 11 januari 1882
tussen Sneek en Bolsward. In datzelfde jaar volgden nog de
lijnen Bolsward-Harlingen, Joure-Heerenveen en
Heerenveen-Gorredijk. In 1884 kwam de verbinding van
Gorredijk naar Drachten tot stand en in 1886 volgde de
ontbrekende schakel Joure-Sneek. Toen was de doorgaande
tramlijn
Harlingen-Bolsward-Sneek-Joure-Heerenveen-Gorredijk-Drachten
compleet. Tien jaar later volgden er meer tramlijnen: in
1896 werd de lijn Drachten-Suameer geopend met erop
aansluitend de hierboven genoemde paardentramlijn
Suameer-Veenwouden, waar vanaf 1913 ook stoomtrams zouden
gaan rijden. Vanaf 1899 kwamen er ook stoomtrams ten
noordwesten van Leeuwarden; in dat jaar werd de lijn
Leeuwarden Vrouwe Poort-Minnertsga-Sint Jacobiparochie in
gebruik genomen. Een jaar later kwam de lijn Marssum-Franker
er bij en in 1901 kwam de verbinding van de Vrouwe Poort
door Leeuwarden naar het station Leeuwarden in gebruik. In
Harlingen kwam in datzelfde jaar een verbinding van het
station naar de haven tot stand.
De gebruikte stoomlocomotieven van de NTM waren in drie
soorten te onderscheiden: 1. de zogenaamde Kleine Henschels,
tussen 1881 en 1903 geleverd door de fabriek van Henschel te
Kassel; 2. de zogenaamde Grote Henschels, welke tussen 1911
en 1914 werden geleverd en 3. de Maffei-locomotieven, tussen
1914 en 1930 geleverd door de fabriek van Maffei te München.
Naast locomotieven en personenrijtuigen bezat de NTM ook
goederenwagons, veewagons en postbagagewagons. In de
postbagagewagon sorteerde en stempelde een postbeambte de
stukken naar bestemming. Door dit werk niet op het
postkantoor maar tijdens de rit uit te voeren werd de tijd
dat de post onderweg was doelmatiger gebruikt. Aan een kant
van de wagon was een kantoor aangebracht, waar de beambte
zijn werk kon doen. Naast post werd in deze wagons ook
bagage vervoerd.

De Stoomtram Zwolle – Blokzijl in 1934.

Postbagagewagen van de NTM.
Toen de trams verschenen in Friesland was het nog een tijd
van "haastige spoed is zelden goed". Men deed het nog
kalmpjes aan. De samenleving was gemoedelijk en het
interieur van de tramrijtuigen was er naar om die
gemoedelijkheid te bevorderen. Veel licht gaven de
petroleumlampen niet. Om te lezen in de avond was het te
donker en in de schemer zat er dan ook niets anders op dan
te slapen of te kletsen met de medepassagiers. Ook de
conducteur mengde zich graag in deze gesprekken en zo
bestond er weinig afstand tussen personeel en reizigers.
Het tempo van de tram was niet erg hoog en zo bestaat er
het verhaal, dat een kleermaker op de reis van Groningen
naar De Lemmer precies een kostuum klaar kon krijgen!. Een
bijzonder leuk verhaal bestaat van de machinist, die voor
het eerst het traject Drachten-Marum bereed en bij
Drachtstercompagnie zijn machine liet stoppen en aan een
passerend oud vrouwtje vroeg:"Hoe kom ik yn Mearum?",
waarop het antwoord luidde:"Mar rjochtút".
De dienstregeling werd nogal vrij geïnterpreteerd, waarbij
als "toppunt" het verhaaltje bestaat, dat een conducteur en
machinist bij het passeren van een dorp-in-feeststemming zo
door de vrolijkheid werden aangestoken, dat zij de tram
verlieten en geestdriftig een dansje meededen, ondertussen
de passagiers de passagiers latende!
Geheelonthouders waren die conducteurs uit het grijze
verleden ook niet. De verleiding was groot, want bij elke
herberg stopte de tram en bij elk pakje, dat de conducteur
daar afgaf of ophaalde moest hij meestal een glaasje
drinken. Waar dit met een lang traject op uitdraaide, laat
zich raden.
Plannen voor aanleg lijn Lemmer-Joure.
Ook in De Lemmer was grote belangstelling voor de aanleg van
tramlijnen. De eerste berichten daarover dateren zelfs uit
1872. In januari van dat jaar kreeg jhr de Wendt Alberda van
Ekenstein, voorzitter van het comité tot aanleg van een
buurtspoorweg van Groningen naar De Lemmer, bericht van het
gemeentebestuur van Lemsterland, dat de gemeenteraad
besloten had zich te verbinden tot een tegemoetkoning in de
kosten van opmeting en kwartering, zulks tot een bedrag van
27 ½ gulden per kilometer, welke deze lijn door de gemeente
zou lopen. In september 1873 besloot de raad om 50.000
gulden aandeel te nemen, zodra de dienst op deze lijn
geopend was. In april 1875 werd door de gemeenteraad van
Lemsterland een brief aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin
onder meer werd medegedeeld dat vooral in de laatste jaren
een zeer druk goederen- en veevervoer bestond tussen
Groningen en Lemmer op Amsterdam heen en terug, en dat de
afstand aanmerkelijk zou kunnen worden bekort bij de aanleg
van een spoorweg.
Hoewel met verschillende diligence-, postwagen- en
beurtveren het contact met de buitenwereld werd onderhouden,
was men in het dorp toch van mening, dat een tramlijn De
Lemmer uit haar isolement zou verlossen. Maar bij de
planning was door de NTM met De Lemmer geen rekening
gehouden. Eind 1880 werd door een aantal Lemsters contact
gezocht met de directeur van de NTM, Hamelink, om hem te
vragen of er een mogelijkheid was voor de aanleg van een
verbinding met Joure en daardoor met het noordernet van de
Staatsspoorwegen. Hamelink was voor dit plan onmiddellijk te
porren en om een ander te onderzoeken werd een commissie
opgericht bestaande uit K.S.van Andringa, H.J.Woudstra, F.O.
Sleeswijk, R. van Veen, W. Brandenburg en A. Kerkhof.
Het is onduidelijk, wat de zes heren daarna hebben
uitgevoerd, maar wel weten we dat na acht (!) jaar nog niets
was bereikt. In de Leeuwarder Courant van 29 maart 1888 kan
men dan ook het volgende lezen:
"Lemmer, 29 Maart 1888. Naast den bestaanden
omnibusdienst Lemmer–Sint Nicolaasga-Joure en omgekeerd van
de heer Hielkema is van heden af, van wege de N.T.M. langs
dezelfde route een omnibusdienst geopend in aansluiting met
de tram op Heerenveen en verder met het noorderspoorwegnet.
Het aansluiten van ons dorp door middel van een
stoomtramlijn via Joure met het bestaande tram- en
spoorwegnet behoort nog steeds tot de vrome wenschen. Enkele
jaren geleden werden door bovengenoemde Maatschappij daartoe
krachtige pogingen aangewend; flinke subsidiën werden zoowel
door onze gemeente als door ingezetenen aangeboden, doch de
voorwaarden door de gemeente Doniawerstal voor het gebruiken
van hare wegen gesteld, waren zoo bezwarend, dat de
Maatschappij meende daarin niet te kunnen treden."
Daarmee leek een tramlijn tussen De Lemmer en Joure van de
baan. Maar Hamelink, de man met de ijzeren wil, liet zich
niet uit het veld slaan. Op 1 maart 1889 werd in De Lemmer
een vergadering georganiseerd onder voorzitterschap van
Hamelink. In die vergadering werd besloten, dat de in 1880
geformeerde commissie met haar werkzaamheden moest doorgaan.
Van Andringa en Woudstra waren inmiddels overleden, als
nieuw lid werd de burgemeester van Lemsterland benoemd.
Direct na afloop van de vergadering werd een langdurig
gesprek gevoerd tussen de commissieleden en Hamelink. Dit
had tot gevolg dat Hamelink op 14 augustus 1889 aan de
gemeente Lemsterland vergunning vroeg op haar grond rails te
mogen leggen. Twaalf dagen daarna werd dit verzoek – in
beginsel – ingewilligd, mits de lijn binnen drie jaar in
exploitatie zou komen. Dat laatste zou niet gebeuren.
Dat het zó lang duurde voordat er een tramlijntje (Lemmer-Joure)
kon worden aangelegd, is eigenlijk ook niet verwonderlijk.
Het eerste obstakel was Doniawerstal. Die gemeente wilde
geen toestemming geven voor het gebruik van kunstwegen
tussen Joure en Spannenburg. Pas nadat de lijn Jourer-Lemmer
op een geheel eigen baan was ontworpen waren er van de zijde
van Doniawerstal geen bezwaren meer. Maar er waren nog meer
problemen. Zo moest Hamelink nog de hulp van de provincie
Friesland krijgen om de lijn tussen Lemmer en Joure te
kunnen realiseren. Maar ondanks alles begon het plan vanaf
1893 meer concrete vormen aan te nemen.
Op 1 juli 1893 werd in de vergadering van de gemeenteraad
van Lemsterland (met 8 tegen 2 stemmen) het besluit genomen
Hamelink een subsidie te verlenen van 30.000 gulden, hem in
koop en eigendom over te dragen een perceel bouwterrein aan
de Prinsessekade en hem vergunning te geven om de nodige
rails aan te leggen op gronden van de gemeente, een en ander
tegen voldoening van een som van 16.000 gulden; de
resterende 14.000 gulden zou de gemeente voldoen binnen 3
maanden nadat de tramweg Joure-Lemmer in exploitatie zou
zijn gebracht.
Ook de provincie liet zich niet onbetuigd. Op 6 november
1894 besloten de Provinciale Staten van Friesland voor de
aanleg van de lijn Lemmer-Joure een subsidie te geven van
250 gulden per kilometer gedurende 20 dienstjaren, op
voorwaarde dat met de aanleg van de lijn uiterlijk 1
januari 1897 zou zijn begonnen en met de exploitatie
1 januari 1899.
Omdat Hamelink een subsidie van 250 gulden te laag vond
(hij wilde 400 gulden), werd in de novembervergadering van
1895 van de Provinciale Staten de subsidie verhoogd tot 300
gulden. De minister van Waterstaat zou later nog een
renteloos voorschot van 150.000 gulden verstrekken voor de
aanleg van de lijn. Daarmee leken alle beletsels van de
baan, maar dat was niet zo. Nu moest de NTM nog de nodige
particuliere gronden in handen krijgen en dat viel niet mee.
De onteigeningswet was al in 1897 aangevraagd, maar werd pas
op 6 juni 1900 (!) uitgevaardigd. Met de onteigening was men
echter feitelijk eind 1899 al klaar, met uitzondering van 8
eigenaren. Terwijl het stationsgebouw in maart 1900 al bijna
voltooid was, was van de aardebaan nog geen spoor te zien
als gevolg van de stijfhoofdige grondeigenaren, die
buitengewoon hoge schadevergoedingen vroegen. Met deze
stijfhoofdigen zou kort daarna een minnelijke schikking
worden getroffen.
Op 28 juni 1899 vond de aanbesteding plaats van de nodige
gebouwen, bruggen, enz. Aannemers werden Vos en Jorritsma
voor een bedrag van 77.189 gulden. Op 24 maart 1900 werd de
tramhaven aanbesteed en op 28 april de aardebaan (en
toebehoren), het wijzigen van de landhoofden en de bovenbouw
van de bestaande draaibrug over de Scharsterrijn en het
maken van drie draaibruggen over de Vaart in St. Nicolaasga,
de Follegasloot en de Zijlroede. Met de aanleg van de
tramhaven wilde het in eerste instantie niet goed lukken. De
publieke aanbesteding op 24 maart leidde tot een laagste
inschrijving van ruim 116.00 gulden door P. Bos uit
Gorinchem, wat veel te hoog was volgens de begroting van de
NTM. Het werk werd daardoor niet gegund en een nieuwe
aanbesteding was nodig. Deze herbesteding op 31 maart leidde
tot een laagste inschrijving door M.A. Sonsma en v.d. Wal te
Hemelum en Bakhuizen van 104.700 gulden. Bos uit Gorinchem
greep er weer naast, want hij was nu de hoogste inschrijver
met 117.500 gulden.
Helemaal van een leien dakje ging het niet met de
werkzaamheden. Zo vonden er in mei 1901 zandverzakkingen
plaats bij Follega, welke met moeite konden worden hersteld.
Mede door slechte winteromstandigheden duurde het tot de
tweede helft van 1901 voor de lijn voor exploitatie gereed
was. Tussen plan en gereedkomen was bijna een kwart eeuw
verstreken!

Tramstation, remise en personeel in Lemmer.
De tramboten.
Er was ondertussen nog wat anders gebeurd. Het idee was
ontstaan om de lijn Joure-Lemmer te koppelen aan een kortere
(snellere) verbinding met Amsterdam over de Zuiderzee.
Weliswaar was er al een Lemmerboot, maar men was van mening
dat er boten in de vaart konden worden gebracht, welke
sneller zouden zijn dan alle andere boten, die de verbinding
onderhielden tussen De Lemmer en Amsterdam. Om dat zeker te
weten moest er een onderzoek worden gedaan. Op 2 oktober
1897 werd met het stoomschip Schelde II van de dienst
Rotterdam-Zierikzee, een proeftocht gemaakt van Amsterdam
naar De Lemmer en terug. Aan boord waren leden van de
rederijen Koppe en Verschure uit Amsterdam en de directeur
van de NTM Hamelink. Deze tocht was bijzonder succesvol,
want de overtocht gebeurde in 4 ½ uur. Besloten werd een
stoombootdienst te exploiteren onder directie van de firma’s
Verschure & Co en J.G. Koppe. In 1898 werd de "Stoomvaart
Maatschappij Amsterdam-Lemmer", de latere Holland-Friesland
Lijn opgericht. Directeur werd P.J.M. Verschure, terwijl
bekende reders als J. & A. Schuyt en J.G. Koppe financieel
deelnamen in de nieuwe rederij. De eerste schepen waarmee
zou worden gevaren waren de "Heerenveen" en de "Bolsward".
Het "stalen salon zeestoomjacht" "Heerenveen" werd
op 4 september 1900 te water gelaten van de werf van J. & K.
Smit te Krimpen a/d Lek. Het schip was (net als het
zusterschip "Bolsward") ruim 53 meter lang en ongeveer 7
meter breed. De waterverplaatsing was 225 ton en het
laadvermogen 172 ton. Het was uitgerust met een 3 cylinder
diagonale triple expansie machine, gebouwd door de
Machinefabriek & Ketelmakerij Löhnis & Co. te Rotterdam. Ook
de stoomketels waren door deze fabriek gebouwd. De
inrichting zag er als volgt uit: 1e klasse: op
het achterdek een ruim deksalon, waarin toegang naar zestien
hutten, ingericht als spoorwegcoupés (chouchettes), ’s
nachts slaapgelegenheid biedend; een damessalon en een 1e
klassesalon, welke rijk betimmerd was en hoogst comfortabel
was ingericht. De 2e klasse-kajuit bevond zich in
het voorschip, maar was ook ruim en luchtig ingericht. Op 17
juni 1901 werd met het schip een pleziertocht gemaakt van
Amsterdam naar De Lemmer, welke reis in de bijzonder snelle
tijd van vier uur en twintig minuten werd afgelegd. Aan
boord bevonden zich vele genodigden, waaronder een
oud-minster van Waterstaat, leden van Provinciale Staten van
Friesland, ambtenaren van Waterstaat, burgemeesters, w.o.
die van Lemsterland, directieleden van de NTM en van de
Holland-Friesland Lijn, de aannemer van de aardebaan (de
Groot), in totaal tachtig personen. Aan boord werd door de
directie van de Holland-Friesland Lijn aan de gasten een
lunch aangeboden. Gearriveerd in De Lemmer, werd het schip
opgewacht door twee Lemster muziekkorpsen, Ons Ideaal
en Paul Kruger, die het Friese volkslied speelden.
Nadat de Heerenveen aan de steiger van de tramhaven was
vastgelegd ging het gezelschap het station, de verdere
dienstgebouwen en het stationsemplacement bezichtigen. In de
versierde remise werd de erewijn aangeboden. Met een
extra-tram vertrokken de gasten vervolgens naar Heerenveen,
waar in hotel Jorissen een feestmaaltijd werd aangeboden
door de NTM. Omdat de tramlijn tussen De Lemmer en Joure nog
niet gereed was, werden de "Heerenveen" en de "Bolsward" pas
op 10 augustus 1901 in dienst gesteld. Tarieven in die tijd:
retourbiljet 1e klasse Amsterdam-Lemmer 2,25
gulden, 2e klasse 1,50 gulden;
Amsterdam-Heerenveen 3,50 en 2,25; Amsterdam-Veenwouden 4,10
en 2,65 gulden, om maar enkele voorbeelden te noemen. Hadden
de tramboten in De Lemmer een eigen ligplaats in de
tramhaven, in Amsterdam lagen ze aan steiger 5 op De
Ruyterkade.
De boten, die de verbinding onderhielden tussen De Lemmer en
Amsterdam, kwamen dikwijls vast te zitten in het ijs of
hadden last van laag water. Zo kon de "Bolsward" eind
november 1902 vanwege de lage waterstand en het ijs de haven
van De Lemmer niet bereiken en zette daarom weer koers naar
Amsterdam, maar wel via een omweg, namelijk over Den Helder
(Nieuwe Diep) en het Noord-Hollands Kanaal! Van de
"Bolsward" is overigens een olieverfschilderij gemaakt door
mevrouw Akersloot-Berg. Dit doek, voorstellende de boottocht
van koningin Wilhelmina en haar echtgenoot prins Hendrik
naar de Pollendam aan boord van de "Bolsward" op 27
september 1905, ter gelegenheid van hun bezoek aan
Harlingen. Dit schilderij werd in juli 1930door de eigenaar
geschonken aan de gemeente Harlingen.
Meer over de tramboten

De tramhaven niet breed genoeg.
Bij de bouw van de tramhaven werd al van het begin af
getwijfeld aan de doelmatigheid. Immers, de schepen van de
Holland-Friesland Lijn waren ongeveer 53 meter lang, terwijl
de haven slechts 34 meter breed zou worden. Hierdoor zouden
schepen steeds achteruit de haven moeten verlaten, wat zeer
hinderlijk zou zijn voor de scheepvaart naar en van de
sluizen van De Lemmer. Maar zoals zo vaak: men dronk een
glas, deden een plas en lieten alles zoals het was. Op
14 augustus schrijft de Leeuwarder Courant over de
tramhaven:
"Jammer dat de nieuw aangelegde haven, de zogenaamde
tramhaven, waar de stoomschepen (…)hunne ligplaats hebben,
niet doelmatiger gemaakt is. Door de geringe breedte dier
haven kunnen de stoombooten daarin niet zwaaien, maar moeten
haar steeds achterwaarts verlaten, wat, vooral bij
krachtigen wind, een groot bezwaar zal zijn. Zoo had
hedenmorgen de Heerenveen, niettegenstaande het kalme weder,
bij het verlaten der tramhaven, een aanmerkelijk oponthoud."
In juni 1908 wees de vereniging Schuttevaer er in een adres
aan de Provinciale Staten van Friesland op, dat sinds de
aanleg van de tramhaven in Lemmer een opening in het
remmingswerk naar de schutsluis was gemaakt, zodat de
schepen bij bepaalde wind in dat gat konden afdrijven, wat
veel problemen kon geven. Daarom verzocht Schuttevaer, een
stevige drijfden voor het gat te leggen, waardoor indrijven
zou worden voorkomen. Slechts viermaal per dag ging een boot
in en uit de tramhaven, zodat slechts viermaal per dag de
afsluiting zou moeten worden weggenomen. Provinciale Staten
had een ingenieur om advies gevraagd over deze kwestie. Die
wees er op dat het gat 47 ¾ meter wijd was, zodat het
aanbrengen van een drijfden niet zo gemakkelijk zou zijn.
Bovendien lag deze zaak niet op de weg van de provincie
volgens hem. Omdat Provinciale Staten van mening was, dat de
beide havendammen en de onderwerpelijke dam in onderhoud
waren bij het Rijk en de sluizen, remmingswerken enz. bij
het waterschap "Lemstersluis", behoorde het verzoek van
Schuttevaer niet bij de Staten.
Op 5 januari 1912 stond in de Leeuwarder Courant het
volgende:
"Men schrijft ons: Van de groote stoomponten voor het
vervoer van tramtreinen langs de Holland-Friesland-lijn (Lemmer-Amsterdam)
zal dit jaar ook nog niet komen. De tramhaven te Lemmer moet
daarvoor eerst verbreed worden."
Hamelink, de man die zoveel had gedaan om De Lemmer uit zijn
isolement te verlossen, zou de opening van de lijn
Lemmer-Joure niet meer meemaken. Op 16 november 1900
overleed hij op 57-jarige leeftijd na een "nier en
hartlijden" van ongeveer een jaar. Hij werd begraven bij het
Rotondekerkje in Terband (nu Heerenveen). Na zijn dood trad
zijn zoon, C.A.S. Hamelink, als waarnemend directeur van de
NTM op, nadat hij tijdens de ziekte van zijn vader als
adjunct-directeur had gefungeerd. In mei 1901 werd hij als
directeur benoemd. Tegelijkertijd werden H.H. Erdbrink en
E.P. van Marken als commissarissen herkozen, Erdbrink als
president-commissaris.
Simon Hamelink was nooit een financieel genie geweest,
waardoor fouten waren gemaakt die bijna tot de ondergang van
de NTM hebben geleid. Zij zoon lukte het om de maatschappij
door deze moeilijkheden heen te loodsen.

Hendrik Langeberg, werkte bij de tram als machinist. Hij
staat hier in de locomotief op links naast een collega.
Opening van de lijn Lemmer-Joure.
Op 12 augustus 1901 werd de lijn Lemmer-Sint
Nicolaasga-Joure officieel in gebruik genomen. Vanuit Joure
ging de tram in zuid-zuidwestelijke richting tot aan de
Scharsterbrug, volgde over korte afstand de kunstweg van
Joure naar de Lemeer en liep vervolgens gedeeltelijk ten
westen en verder ten oosten van die weg langs St. Nicolaasga
tot bezuiden de Hooidammerweg, volgde dan de polderdijk tot
de Follegasloot, kwam daar in de Lemster polders, bleef ten
westen en ongeveer evenwijdig aan de straatweg van Sneek
naar De Lemmer tot bezuiden de Zijlroede, boog dan in
oostelijke richting en eindigde tenslotte bij de tramhaven
in De Lemmer.
De tram vertrok op werkdagen zeven keer per dag uit De
Lemmer (de eerste om 5,40 uur, de laatste om 19,45 uur. De
tram deed gemiddeld ongeveer drie kwartier over het traject,
om precies te zijn 48 minuten: 30 minuten van De Lemmer naar
St. Nicolaasga, 18 minuten van St. Nicolaasga naar Joure.
Het tarief van De Lemmer naar Joure (of omgekeerd) bedroeg
in de 1ste klasse 50 cent en in de 2de
klasse 35 cent. Overigens moest ook voor meegenomen bagage
worden betaald: tot en met 50 kilo 25 cent; van 50 tot en
met 100 kilo 45 cent. In De Lemmer hadden de passagiers dus
aansluiting op de "tramboot" naar Amsterdam. De lijn was
onmiddellijk een succes; op de eerste dag (12 augustus)
werden op de lijn 278, op de tweede dag 298 en op derde dag
449 (!) personen vervoerd.
Het tramstation in De Lemmer stond met het front naar de
Binnenhaven gekeerd; op de rechthoek stond een vierkant
torentje, waaronder men naar binnenging naar de loketten.
Het gebouwtje bestond uit twee vleugels, welke samen een
rechthoek vormden. Binnen vond men een ruime wachtkamer, het
plaatskaartenbureau en verdere dienstlokalen, terwijl een
deel van het gebouwtje tot woning van de stationschef was
ingericht. Links naast het gebouw stond de remise, terwijl
meer achterwaarts de locomotievenloods en de steenkolenloods
stonden. Achter en terzijde van het stationsgebouw lag het
uitgestrekte stationsemplacement met diverse sporen en
wissels. Aanvankelijk stonden de reizigers, die op de tram
wilden overstappen in weer en wind, maar al snel werd een
overkapping gebouwd tot aan de rails om de passagiers droog
te houden.

Ongelukken.
Regelmatig kwamen er ongelukken voor met de trams van de NTM.
Veel trams ontspoorden zonder enige aanleiding en op de –
onbewaakte – overwegen werden vaak karren en rijtuigen
aangereden. Enkele voorbeelden (de data doen er niet toe).
Bij Gorredijk ontspoorde de tram Heerenveen-Drachten. De
locomotief kantelde en kwam dwars over de rails te liggen;
een bagagewagen kwam naast de baan terecht; het balcon van
de personenwagen werd geheel verpletterd; passagiers en
personeel kwamen met de schrik vrij.
Op de lijn Harlingen-Bolsward ontspoorde een wagon vol
passagiers en kwam in de sloot terecht. Een aantal
passagiers en de conducteur werden licht gewond en een japon
van een dame was door de omgevallen kachel (!) in brand
gevlogen.
Met een tram op weg van Sneek naar Bolsward gebeurde het
volgende. De koppeling van de laatste wagen raakte los,
waardoor de wagen los kwam van de rest, omdat de machinist
niets in de gaten had. De conducteur, die op de achterste
wagen was, blies op zijn hoorn. Na enkele vergeefse pogingen
lukte het de machinist te waarschuwen. Die stopt
onmiddellijk, maar dit had tot gevolg dat de losgeraakte
wagen (die geen rem had) in volle vaart tegen de stilstaande
rijtuigen reed.
Bij Nijega liep een groot aantal koeien op en naast de
rails. Op dat moment naderde de tram van Veenwouden naar
Drachten. Het vee kon niet zo snel van de rails worden
gedreven, waardoor de tram al remmend op de zaak inreed. De
locomotief kantelde iets voorover, twee personenwagens
werden met de balkons op elkaar geschoven en een aantal
ruiten brak. Hier waren ook geen persoonlijke ongelukken.
De tram van Gorredijk naar Heerenveen liep op de brug te
Nijehaske uit de rails. In de vloer van de brug ontstond een
gat, terwijl de leuning werd beschadigd.
De waterwagen van de tram tussen Joure en Heerenveen
ontspoorde op de Haskerbrug. Persoonlijke ongelukken kwamen
niet voor. Wel was de brug vernield en de verongelukte wagen
hing aan de kettingen van de brug.
Bij Nijega liep een locomotief buiten de rails, kantelde en
vloog in brand. De machinist begon omiddellijk het vuur te
blussen, daarbij geholpen door omstanders. De personenwagen
bleef ondanks de schok op de rails staan, maar de
goederenwagen viel opzij en kwam dwars op de rails te
liggen.
Bij Bolsward was een locomotief aangereden, waarbij de rem
brak. Met de defecte locomotief werd toch verder gereden.
Wanneer de tram ergens moest stoppen reed hij iets verder
door dan moest. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook op een
wisselplaats, waardoor de tram die van tegenovergestelde
richting kwam niet kon passeren en de andere tram aanreed.
Toen men vroeg waarom er die dag geen andere locomotief was
genomen, werd geantwoord, dat er geen andere locomotief
beschikbaar was en het ook het tijd van vertrekken was!
Tussen Gorredijk en Beetsterzwaag gebeurde een ongeluk op
een overweg, omdat men na het passeren van de tram niet
gerekend had op een extra-tram.
Ook op de lijn Lemmer-Joure kwamen wel eens ongelukken voor.
Op 16 juli 1928 bijvoorbeeld vond aan de Hooidammen in de
buurt van St. Nicolaasga een ernstige botsing plaats met een
melkauto op een overweg. De auto sloeg over de kop en kwam
omgekeerd, ernstig beschadigd, in de berm van de trambaan te
liggen. De bestuurder, die onder de auto lag, kon snel uit
zijn netelige positie worden verlost, maar bleek niet
ernstig verwond te zijn. De locomotief was uit de rails
gelopen en lag een paar meter verder aan de andere kant van
de baan met de kop in de sloot. De passagierswagon (waarin
zich alleen de conducteur bevond) en vijf van de acht
goederenwagons waren min of meer beschadigd.

Epiloog.
Hoe is het met de NTM en met de Holland-Friesland Lijn
verder gegaan? In 1900, de lijn Lemmer-Joure was nog niet in
gebruik, was het twintig jaar geleden dat de maatschappij
was opgericht. In die jaren was het aantal personeelsleden
gestegen van 10 tot 180, het aantal rijtuigen van 7 tot 130,
het aantal locomotieven van 10 tot 25; in de twintig jaar
waren in totaal 9,4 miljoen reizigers vervoerd met de
stoomtrammen van de NTM.
Omstreeks 1925 deed de motortram zijn intrede bij de NTM. Na
een proefrijtuig kwamen er in 1925 zes tweeassige
motorwagens van Werkspoor in dienst. In 1935 werd ook een
diesellocomotief aangeschaft, maar het bleef bij één
exemplaar. In 1939 werden er vijf motorwagens overgenomen
van de in dat jaar grotendeels opgeheven "Gooise tram".
Al voor de Tweede Wereldoorlog was de NTM begonnen met een
eerste buslijn, namelijk in 1930. In 1939 startte de
maatschappij met de "verbussing" van de overige tramlijnen.
Hierdoor vonden in datzelfde jaar al enkele opheffingen
plaats: Marssum-Franeker-Arum en Leeuwarden-Beetgumermolen.
Het aansluitende deel (Beetgumermolen-Sint Jacobiparochie)
werd voortaan door de Nederlandsche Spoorwegen
geëxploiteerd. Daartoe werd er nabij Sint Jacobiparochie een
verbindingsspoor gelegd met de spoorlijn van de NFLS bij
Minnertsga, zodat de goederentrams nu vanaf de andere kant
op de tramlijn konden komen. De overige tramlijnen bleven
tot na de oorlog in bedrijf.
Op 24 april 1940 bestond de NTM 60 jaar. Het was niet
bepaald onder gunstige tijdsomstandigheden, dat de
herdenking van het diamanten jubileum van de grootste
vervoersonderneming uit het noorden van Nederland plaats
vond. De maatschappij zat midden in een periode van
reorganisatie, welke zouden leiden tot ingrijpende
veranderingen. Aanvankelijk was het namelijk de bedoeling om
alleen de tramlijnen Lemmer-Groningen en Sneek-Bolasward te
laten bestaan en de overige lijnen op te heffen, omdat deze
niet meer rendabel waren. Een oorlog zou echter voor wat
oponthoud zorgen.
Op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Gedurende de
vijf dagen die de Duitsers nodig hadden om Nederland te
veroveren, lagen de tramdienst van de NTM op de lijn
Lemmer-Joure stil. Maar op 15 mei zag de maatschappij al
kans deze tramdienst te hervatten en op 23 mei werden zelfs
de zogenaamde boottrams (soms bestaande uit twaalf
passagiersrijtuigen, een stuk of acht vrachtwagens en twee
Henschel locomotieven, zoals de boottram 151 in augustus
1941) ingelegd tussen De Lemmer en Groningen in aansluiting
op de boot naar Amsterdam.
Het jaar 1941 verliep voor de NTM redelijk goed, vooral wat
de boottram naar De Lemmer betreft. Ook in 1942 floreerden
de tramlijnen als nooit te voren. De overgang naar
busvervoer was ondertussen onverminderd doorgegaan. In 1942
kreeg de NTM autobusconcessies toegewezen, waardoor zij in
staat was de exploitatie van de oorspronkelijke
busondernemers over te nemen. De lijn Leeuwarden-Berlikum
moest worden overgedragen aan de LABO, waardoor de NTM uit
dit deel van Friesland verdween. In 1943 kreeg de NTM het
moeilijk. De Duitsers begonnen te verliezen en daarom
vorderden ze alles wat los en vast zat. Hele spoorlijnen met
bielzen en al werden opgebroken (d.w.z. geroofd) en door de
bezetters naar Duitsland gebracht.
Wegens gebrek aan dieselolie verschenen er geen motortrams
meer op de lijn Heerenveen-Lemmer, ze werden vervangen door
stoomtrams. Personeel van de NTM nam deel aan de
spoorwegstaking, die op 17 september 1944 begon. Hierdoor
kwam het tramverkeer geheel stil te liggen totdat de
bevrijding kwam.

Tramstation Lemmer.

Tramstation Lemmer.
Tramstation Lemmer.
Na afloop van de oorlog moest voorlopig nog op grote schaal
gebruik worden gemaakt van de stoomlocomotieven door gebrek
aan vloeibare brandstoffen. Er werd nog een poging gedaan
het bedrijf te moderniseren met behulp van de overgenomen
motortrams van de "Gooise", maar dit kon niet voorkomen dat
de autobus het uiteindelijk won; het personenvervoer op het
baanvak Lemmer-Joure werd gestaakt op 5 oktober 1947. Vanaf
die tijd ging de NTM officieel verder als busbedrijf.
Op 1 januari 1960 namen de Nederlandsche Spoorwegen de
tramlijn Heerenveen naar De Lemmer over van de NTM. Vrij
snel hierna werd begonnen de bijna zeventigjarige trambaan
geschikt te maken voor het zwaardere spoorwegmateriaal.
Spoorwagons reden er al lang op, maar alleen tot maximaal
twintig ton. De nieuwe zogenaamde Eurowagons kenden echter
geen kleinere inhoud dan 25 ton en aangezien met die wagons
ook kolen werden vervoerd, betekende dat overladen in
Heerenveen, wat tijd en dus geld kostte. De kosten van de
verbetering van de baan bedroeg 2 ½ miljoen gulden. Bij
opheffing zouden de NS een groot deel van dat bedrag in de
vorm van materieel – rails, bielzen en dergelijke –
terugkrijgen.
In 1966 werd bericht dat de NS een beslissing zou nemen over
het al of niet voortbestaan van de spoorwegverbinding tussen
Heerenveen en Lemmer. Alleen in Lemsterland hoopte men dat
de baan zou worden gehandhaafd, maar in Doniawerstal en
Haskerland had niemand belang meer bij het bewuste
spoorlijntje, dat volgens hen een gevaar opleverde voor het
verkeer. In februari 1968 werd door de minister van Verkeer
en Waterstaat aan de NS meegedeeld, dat er geen bezwaar was
tegen opheffing van de spoorbaan tussen Heerenveen en
Lemmer. De NS was overigens al van plan geweest het vervoer
op dit baanvak op 28 mei 1967 te staken. Dit plan was echter
door de minister tegengehouden en zo bleef vijf keer per
week een goederentrein – een zogenaamde locomotor met
doorgaans enkele wagons – rijden tussen Heerenveen en Lemmer
en omgekeerd. In De Lemmer was men teleurgesteld over de
ministeriële beslissing. Het gemeentebestuur en vooral de
"Vereeniging Bedrijven Lemsterland" hadden sterk geijverd
voor handhaving van de goederenlijn, welke voor de
ontwikkeling van De Lemmer van groot belang werd geacht. De
gemeentebesturen van Haskerland en Doniawerstal hadden
daarentegen uit overwegingen van verkeersveiligheid steeds
aangedrongen op opheffing van de lijn. En dezelfde geluiden
kwamen ook uit Joure, Scharsterbrug, Haskerhorne en Oude- en
Nijehaske. In een adres aan Gedeputeerde Staten hadden die
op het gevaar gewezen, dat de rails langs en door de dorpen
vormden. Bovendien vond men dat de baan de dorpen ontsierde
en dat Oude- en Nijehaske niet op het aardgasnet konden
worden aangesloten zolang de spoorbaan nog bestond.
Hiertegen kon De Lemmer niet op. Bovendien stonden de NS op
het standpunt dat bij handhaving van de in hun ogen
onrendabele lijn grote bedragen moesten worden geïnvesteerd,
onder meer ten behoeve van een omlegging van de baan bij
Joure in verband met de aanleg van Rijksweg 38.
In maart 1968 werd er in de gemeenteraad van Doniawerstal
gepleit voor de aanleg van een – toeristisch – fietspad over
de trambaan tussen Lemmer en Joure. De burgemeester Cavaljé
beloofde deze zaak bij Gedeputeerde Staten van Friesland en
de NS aanhangig te maken. Het fietspad is er nooit gekomen.
In februari 1970 werd door de NS de ondergrond van de
trambaan Heerenveen-Lemmer aan de verschillende gemeenten te
koop aangeboden. In de loop van 1970 werden de rails
verwijderd en was het gedaan met de trambaan.
In 1971 werd de NTM één van de fusiepartners van de FRAM
(Friese Autobus Maatschappij). Omdat de NTM de meerderheid
van de aandelen in handen kreeg van de FRAM, was deze nieuwe
onderneming in feite een vergrote NTM, want om
rechtspositionele redenen bleef het personeel in dienst van
de NTM. De FRAM werd in 1995 VEONN en thans rijden er Arriva-
en Noordned-bussen op de voormalige FRAM-trajecten. Waarmee
het doek was gevallen over wat eens de grootste
vervoersmaatschappij van het noorden was geweest, de
Nederlandsche Tramweg-Maatschappij.
De tram van De Lemmer naar Joure is historie geworden.
Weinigen weten nog hoe de tram, met de typische vierkante
locomotieven, er uit heeft gezien. Van de trams en van de
gebouwen en emplacementen van de NTM is in Friesland, in het
gehele noorden trouwens, vrijwel niets meer over. De
stations zijn afgebroken of hebben een andere bestemming
gekregen. Het "nieuwe" station van Joure, eens een pronkstuk
van de NTM, werd een kleuterschool. Locomotieven en wagons
werden gesloopt en verschillende vrachtwagons gingen ergens
dienst doen als hokken voor vee. Slechts enkele exemplaren
van het NTM-materieel zijn bewaard gebleven als
museumstukken, zoals bij de Stoomtram Hoorn-Medemblik (SHM)
en het Nederlands Spoorwegmuseum te Utrecht.
Met de "tramboten" was het, met uitzondering van een
periode kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog,
redelijk goed gegaan. Hoewel elders op deze website al een
verhaal van mijn hand staat over de "Tramboten", zijn er
toch nog wat aardige bijzonderheden over deze – luxe –
schepen te vermelden. De dienst tussen Lemmer en Amsterdam
werd aanvankelijk uitgevoerd met de stoomschepen
"Heerenveen" en "Bolsward". Omdat de dienst niet meer zo
goed floreerde werden beide schepen in 1911 naar Turkije
verkocht. De dienst werd vervolgens met andere stoomschepen
(met enige bescheiden passagiersaccomodatie) van Verschure
onderhouden. Zo hebben op de lijn de "burgemeestersboten"
Van Marle en Heemskerk en het stoomschip "Zwolle" gevaren.
Omdat langzamerhand de situatie weer was verbeterd, werden
begin april 1924 voor rekening van Verschure en Co’s
Algemeene Binnenlandsche Stoomvaartmaatschappij op de
scheepswerf van Verschure & Co. in Amsterdam de kielen
gelegd voor twee nieuwe schepen , de "Friesland" en de
"Holland", die in de zomer een dag- en nachtdienst en in de
winter een nachtdienst zouden gaan onderhouden. Zij werden
nog luxer ingericht dan de "Heerenveen" en de "Bolsward".
De dubbeldeksalon-stoomschepen hadden 16 slaaphutten (met in
totaal 24 slaapplaatsen). De minder gelukkigen konden ’s
nachts een plaatsje vinden op de fraai gecapitonneerde
sofa’s in het deksalon, dat door de firma J.B. Hillen te
Amsterdam was gestoffeerd en in mahoniehout betimmerd, of ze
konden het zich in de rooksalon op het promenadedek
behaaglijk maken. Bij warm weer was het trouwens heerlijk om
buiten aan dek te zijn. Het promenadedek liep van de brug
tot geheel achteraan door. Daar en op het benedendek stonden
banken en gemakkelijke rieten stoelen, waarop men heerlijk
kon zonnen (althans als men met de dagboot ging!), genietend
van het steeds weer wisselend aspect van de zee en van het
schouwspel van de vele vissersschepen, tjalken en wat er
verder op de Zuiderzee (en later het IJsselmeer) heen en
weer voer. De tweede klasse beschikte over een ruime
voorkajuit, betimmerd in Amerikaans grenenhout en met
banken, voorzien van leren kussens. De machines konden een
capaciteit zouden ontwikkelen, waardoor het mogelijk was de
overtocht Lemmer-Amsterdam binnen 4 ½ uur te kunnen maken.
Eind mei werd een proeftocht met de "Friesland" gemaakt.
Met ingang van 30 mei 1925 werd naast de bestaande
nachtdienst een dagdienst ingesteld met de nieuwe
schepen("voorzien van slaaphutten"). De schepen vertrokken
vanuit en De Lemmer tegelijkertijd, namelijk om 9 uur ’s
morgens; aankomst in beide plaatsen om 14,00 uur. Dit alles
alleen op werkdagen. In die tijd kon men voor 2 gulden 70
van Leeuwarden naar Amsterdam reizen. Mijn ouders hebben op
hun regelmatige overtocht van Amsterdam naar De Lemmer en
terug altijd een grote voorkeur gehad voor de tramboten
boven de "Lemmerboot". Ik heb nooit begrepen waarom dat was,
maar later is mij dat duidelijk geworden: op de – luxe -
tramboten was het namelijk bijzonder aangenaam vertoeven.
De "Friesland" is een ongeluksschip geweest. Al in december
1925 kwam het schip op ongeveer 200 meter van de havenmond
van De Lemmer in het ijs te vast te zitten. De passagiers
verlieten over het ijs het schip, werden vervolgens per auto
naar Stavoren gebracht om via Enkhuizen hun bestemming te
bereiken. Op 31 augustus 1928 kwam de "Friesland" in de
haven van De Lemmer in aanvaring met de "Jan Nieveen",
waarbij de "Friesland" aan de voorsteven beschadigd werd en
een passagier door de schok tegen het dek werd geslingerd en
daarbij een arm verwondde. Een jaar later, eind maart 1929,
zonk de "Friesland" aan de steiger van De Ruyterkade, omdat
iemand van het machinepersoneel het asluik in de stookplaats
open had laten staan. Leegpompen kon niet omdat het asluik
nog steeds openstond. Pas nadat een duiker het open asluik
(en een open patrijspoort in de hut van de hofmeester) had
gesloten kon het schip weer boven water worden gepompt. De
lading meel in het ruim was bedorven. In januari 1940 zou de
"Friesland" zinken nadat het schip door het ijs op het
IJsselmeer in elkaar was gedrukt. Zie "De
ondergang van het stoomschip Friesland".
Van "ondergang" was géén sprake want nadat het wrak
wekenlang in het IJsselmeer had gelegen werd het gelicht en
naar Amsterdam gebracht, waar het zou worden hersteld. Eind
maart 1940 kwam het schip in het dok van de Amsterdamsche
Droogdok Maatschappij en na drie maanden werd de "Friesland"
weer in de vaart gebracht. Van de gelegenheid was gebruik
gemaakt belangrijke verbeteringen in de inrichting aan te
brengen. Zo werd de benedenkajuit 1e klasse
opnieuw ingericht met prachtig-glanzend hout en gerieflijke
zittingen. Bovendien was de kajuit iets groter gemaakt,
zodat er enkele tientallen passagiers meer in konden dan
vroeger. Ook het buffet was vergroot. De steile , smalle
trap, die naar het bovendek voerde, was vervangen door een
veel bredere, gerieflijke trap.
Op 25 juni 1940 kwam het schip, onder commando van J.
Bolhuis, na een afwezigheid van bijna een half jaar, weer
de tramhaven van De Lemmer binnenlopen. Op 13 februari 1942
schijnt het schip verkocht te zijn aan de N.V. Reederij
Koppe te Amsterdam en ingezet op de dienst
Enkhuizen-Stavoren. In hetzelfde jaar, op 21 oktober werd de
Friesland op weg naar Noord-Holland bij de Rotterdammerhoek
door Engelse jachtvliegtuigen beschoten. Er werden geen
passagiers geraakt, want die zaten benedendeks, maar de
kapitein en drie bemanningsleden werden gedood. Na de
oorlog, in 1947, werd de "Friesland" herdoopt in
"Waalstroom". In 1956 werd het schip op de werf "Vooruit" te
Zaandam verbouwd tot motorschip. Van 1963 tot 1965 voer zij
op de dienst Enkhuizen-Stavoren in de plaats van de
IJsselstroom, die toen werd verbouwd. Hierna, in 1966, werd
het schip opgelegd en begin 1969 verkocht aan Joh. Boele te
Krimpen aan de Lek. Later wilde men het als drijvend
watersportcentrum in Krimpen aan de Lek gebruiken. Om
financiële redenen ging dit plan niet door. Het schip had
toen al geen motor meer.

Youtube
filmpje over de opheffing van de tramlijn.
Home
|