|
Lemmer de
Lemsters, en Willem Toering.

Willem Toering.
De middelen van
bestaan in Lemmer, ” fornaemde haven oan ′e sudersé ”
en een belangrijke schakel tussen binnen en
buitenvaart,waren lange tijd voornamelijk gebaseerd op
de vrachtvaart, ook ter zee. Rederijen, scheepswerven,
toeleveringsbedrijven en overslag brachten in de 18 eeuw
een zekere mate van welvaart. Na de "Franse Tijd" liep
de bedrijvigheid terug.
Twee factoren hebben
bijgedragen tot het ontstaan van een belangrijke
visserij in de Lemmer. Dat was aan de ene kant het
teniet gaan van de turf winning in Zuid Oost Friesland,
in combinatie met een crisis in het agrarisch bedrijf,
waardoor veel werkkrachten uit deze sector zonder
middelen van bestaan raakte. Voor de veenarbeiders, die
in veel gevallen al neveninkomsten verwierven uit de
binnenvisserij, betekende een overstap naar de
Zuiderzeevisserij een tamelijk voor de hand liggende
stap, doordat dit bedrijf tegen het eind van de 19de
eeuw nog voldoende expansiemogelijkheden bood.
De introductie van
machinaal gebreid netwerk anderzijds bracht de vangst
van haring en ansjovis met staande netten binnen bereik
van beginners. Met een relatief klein vaartuig en weinig
ervaring konden goede besommingen gemaakt worden. De
weliswaar dure aanschaf van het netwant, werd mogelijk
gemaakt door dat de plaatselijke ” hangbazen ”
visrokers, kredieten verstrekten. De visserman
verplichte zich om zijn totale vangst aan de
geldschieter te leveren, en wel tegen de prijs die de
laatste naar eigen goeddunken vaststelde.
Een groot deel van de
Lemster vissers, raakten met handen en voetengebonden
aan hun hangbaas, een afhankelijkheid die nergens langs
de Zuiderzee zulke proporties aannam als hier. De
Lemster visserij had in feite kort de wind in de zeilen
om volledig uit te groeien. Kort na 1900, toen het
Zuiderzeevisserijbedrijf juist in de langdurige crisis
gedompeld was, bereikte de vloot zijn grootste omvang.
Tegelijkertijd namen plannen om de zes af te sluiten en
in te polderen steeds vastere vormen aan. Aan alle
onzekerheid kwam in 1918 een definitief einde. De
visserij zou tot verdwijnen gedoemd zijn en na een korte
periode van stilstand zette de aftakeling in.
Na het aanleggen van
de tweede grote IJsselmeer polder, de Noordoostpolder,
waarvan de bedijking in 1940 gereed kwam, werd de eerste
grote visserplaats van open water afgesloten en het was
Vollenhove dat deze twijfelachtige eer genoot. De Lemmer
ondervond veel nadeel van deze zelfde polder, maar
behield zijn ligging aan het IJsselmeer. Vandaar ook dat
er nog steeds visserij in deze plaats is, ook al gaat
het om slechts enkele schepen.
In de Lemmer haakte
men van het begin af aan bij het opkomende socialisme en
communisme en beleed zijn ideale met verve. De Lemmer
werd het enige′ rode nest ′ onder de vissersplaatsen. De
sterk met het socialisme verweven drankbestrijding vond
het fervente aanhangers, niet in de laatste plaats omdat
zovele anderen hun bedrijf en gezinsleven ruïneerde door
overmatig drank gebruik. Deze verschijnselen, mede het
niet respecteren van de zondag als rustdag, maakte de
Lemsters verdorven in de ogen van andere, meer streng
calvinistisch vissersgemeenschappen langs de Zuiderzee.
De Lemsters leefde bij de dag en kon zich ontpoppen als
fanatiek wedstrijdzeiler of uitbundig kermis vierder.

Zoals in alle
voorgaande delen van ′Van gaand en staand want′ is ook
nu weer het leeuwendeel van de informatie verzameld
middels gesprekken met oud vissers en ambachtslieden. In
dit geval is de oudste zegsman, Hendrik Bijma
(1900-1991), tevens degene waar ik de langste gesprekken
mee gevoerd heb. Dat hij het laatst van zijn leven in
Hoorn woonde, maakt het natuurlijk een stuk makkelijker
om met hem in contact te treden. Maar dat hij een
boeiend en niet aflatend verteller was, met een
uitstekend geheugen, vormde toch wel de voornaamste
reden.
Siebe Poepjes is van
1908 en daarmee de oudste nog in levende informant. Hij
woont in een prachtig oud huis naast de sluis in Makkum.
Siebe en zijn familie kwamen na de afsluiting naar deze
plaats toe omdat de bedrijfsuitoefening in deze omgeving
meer perspectief bood en ondermeer de kans bood om
wadden en IJsselmeer met elkaar te combineren. Meer
Lemsters families vooral grote gezinnen, deden het
zelfde. De huidige visserij van Makkum is dan ook
gegrondvest door deze migranten.
zie de
Poepjesen.
Willem Toering
interesseerde van jongs af aan sterk voor de historische
achtergronden van het bedrijf en speelde een
vooraanstaande rol in organisatie en verenigingsleven.
Vandaar dat hij in velerlei opzichten een bijdragen kon
leveren aan deze studie van de Lemster visserij. Voor de
huidige leden van de botterbond moet het heel
interessant zijn om te lezen hoe punctueel de Toerings
hun schip onderhielden, zelfs het scheerhoutje en de
knop op de mast werden verguld! Uit het hele relaas wil
ik één uitspraak van vader Toering (1891-1965) die
karakteristiek is voor hen en meerdere Lemsters, "Nou
hebben ze honderden jaren op de zeilen gevist en precies
nou ik er ben, beginnen ze met motors". Hij kon het maar
moeilijk verkroppen.
Willem Toering (geb.
1920)

Willem
Toering eerste seizoen aan boord met het botvissen
Voorgeslacht.
Willem Toering kwam
als knecht aan boord bij vader Arend (1891-1965) op een
moment dat de afsluitdijk al enige tijd dicht was. Het
schip was een botter LE 62 die al omstreeks 1900 door
grootvader Willem R. Toering (1863-1943) uit Bunschoten
was aangekocht. Van IJsselmeer visser werd onze zegsman
in de jaren zestig. Wadden en vervolgens Noordzee
visser. Hij interesseerde van jongs af aan sterk voor de
historische achtergronden van het bedrijf en speelde een
vooraanstaande rol in organisatie en verenigingsleven.
Vandaar dat hij in velerlei opzichten een bijdrage kan
leveren aan deze studie over de Lemster vissrij.
De Toerings zowel de
Koornstra′s, Willems familie van moeders kant, waren van
oorsprong binnenvissers. Ook grootvader Jelle Koornstra
behoorde tot degenen die rond 1890 naar Lemmer trokken
om Zuiderzeevisser te worden. De Toerings zijn zover als
je na kan gaan, altijd binnenvissers en rietsnijders
geweest. Soms was het tweeledig, maar overwegend hebben
ze hun brood met vissen verdiend.
De Koornstra′s zaten
nog niet zo lang in het vak. Pake Jelle had wel de
bijnaam Bargejager (op zijn Hollands is dat
varkensjager) Die zijn vader moet slager zijn geweest.
Die grootvader was in 1890 met m′n grootmoeder getrouwd.
D′r zijn vijftien kinderen geweest, dertien zijn d′r
groot geworden. Moeder heeft, en dat werd veel gedaan
door meisjes in Lemmer, jaren in Holland gediend. In
Bloemendaal, bij wat toenmalige rijkdom was.
Uit overlevering is
over de binnenvisserij het volgende bekend. Met de
winter lagen ze in Eernewoude, daar is vader nog
geboren. Waren ze met een stuk of tien twaalf
binnenaken, met de plecht zo anders om, en daar woonde
ze in. Met de plecht andersom doelt onze zegsman op een
constructie waar bij de plecht, uitgezonderd de
kantstukken, rond een vast punt voorin een eindje om
hoog kon klappen. De driehoekige openingen aan de
zijkanten waren met langs de randen vastgespijkerde
stukken zeildoek dichtgemaakt. Moest er gezeild worden
dan liet men het geheel weer op de mosselbank zakken.
De rest van het jaar
zwierven ze door heel Friesland heen. Op Dokkumer Nieuwe
Zeilen heeft grootvader jaren gevist, dat was toen een
heel goede stee. ′s Zomers visten ze met palingfuiken,
éénvleugels noemden ze dat. Hadden ze honderd tot
honderd twintig fuiken in het bootje, en die werden elke
dag weer uitgezet. In de herfst had je de
dicht-zetvisserij, als de schieren kwamen.
Bij deze typische
vorm van Friese binnenvisserij sluit men s 'nachts het
vaarwater af met een groot schutwand. De naar
zeetrekkende paling zoekt een doorgang en zwemt in
zijdelings geplaatste fuiken. In verband met de
doorgaande vaart is de dichtzet met lantaarns
gemarkeerd. Een naderend schip wekt met een
hoornsignaal, de vissersman die uit zijn kooi schiet om
het schutwant te laten zakken en de verplichten,
ongehinderd de doorvaart te verlenen.
Daar heeft mijn
grootvader het volgende opgevonden. Die spande aan
weerskanten van de dichtzet lijnen dwars over die naar
een bordje liepen waar een 50 ponder op stond. Voer er
nou een schip tegen de lijn aan, dan trok die de 50
ponder van het bordje af, Die viel met een ruk naar
beneden, trok de pal van het middelschut af en dat viel
dan vanzelf neer. Dat was een uitvinding van Roelof
Toering, geb in 1833. En als ik je nou vertel dat ik bij
iemand op schoot gezeten heb van 1833 dan zeg je dat
bestaat niet. Maar hij is 88 jaar geworden, dus is hij
in 1921 overleden, en ik ben van 1920. Ik heb vaak
genoeg van vader gehoord dat ik als heel klein jongetje
bij hem op de knie zat.

Schematische voorstelling van een dichtzet (naar een
maquette in de Oudheidkamer Lemsterland)
Grootvader was 'n
echte aalvisser met fuiken, die is toen zeevisser
geworden. De reden? Nou drie jongens. Meer mogelijkheden
om te vissen op de Zuiderzee. En ja, je had in 't laatst
van de vorige eeuw 'n paar van die geweldige ansjovis
jaren, toen kwamen ze overal vandaan, iedereen moest
toen vissen. Grootvader Willem Toering trok in eerste
instantie met een binnen aakje en gezin naar Staveren.
Daar heeft ie eerst
'n jaar geweest. Hebben ze 'n jol gehuurd en visten daar
haring en ansjovis mee. Maar de mentaliteit van de
mensen daar lag 'm niet. Die Staversen wisten 't
allemaal en pake was maar 'n beginneling, 'n beetje
minder als hen, dat lieten ze erg merken, hij had nog
gras tussen de tanden. Toen zijn ze met het hele spul
naar Lemmer gegaan. In de eerste jaren hield hij nog wat
binnenvisserij aan, want ja, je gooit geen ouwe schoenen
weg voordat je nieuwe hebt.
In 1899 hebben ze die
botter gekocht. Ook met dit schip hebben ze nog wel in
Friesland gevist, wat een aantal aanpassingen
noodzakelijk maakte. Verder stonden ze op diverse
plaatsen in de Zuiderzee met palingfuiken. Totaan de
eerste Wereld Oorlog hebben ze nog met fuiken gevist, op
't Roggebot, Kooizand, 't Hondennest. Toen is het zaakje
verkocht. Grootvader zette met bloedend hart de fuiken,
waar hij mee was opgegroeid, aam de kant. Als hij z'n
zin had gekregen had, hadden we niet in Lemmer gebleven.
Hij wou hebben dat
vader naar Makkum ging. Fuiken fuiken moeten d'r komen,
zei hij, want met de nieuwe werken komt daar aal! Dat
had hij goed bekeken, want er is eerst ontzettend veel
aal gevangen. Dat zag grootvader aankomen, want dat had
hij eerder in Friesland meegemaakt. D'r komt altijd veel
aal op zo'n groot werk. Toen heeft hij zelf nog in zijn
ogen grote fuiken gemaakt; die waren een goeie meter.
Later hadden ze bij de afsluitdijk fuiken, daar kon je
recht op in staan in de voorste hoep! Maar vader had
vroeger die hele fuikenvisserij bij hem meegemaakt en
dat was tanen en alles, ze waren dag en nacht in de
weer. Vader was meer 'n gaandwantvisser als 'n
staandwantvisser en die wou d'r niets van weten.
In de jaren twintig
was de visserij weinig florissant en probeerde de
Toerings het in de vrachtvaart. Toen hebben vader en
pake nog een skûtsje gehad. Ik kan me nog herinneren dat
ik daar achter in de kooi lag, met die raampjes. Ze
hebben er eerst heel best mee verdiend maar toen zakte
de boel in elkaar. Vader zei altijd: Die paar centen die
ik in m'n vrijgezellentijd heb verdiend. Hij was 27 jaar
toen ie trouwde, heb ik daar mee verspeeld, 't liefst
deden ze reisjes overzee, want die andere skûtjes deden
dat niet. Maar ja zij waren dat wel gewend.
Kleden d'r over en
dan hadden ze die kluver en kluverstok van de botter d'r
op. Een keer moesten ze 'n huisboeltje overbrengen, van
de schoolmeester uit Sondel, naar Zaandam. Dat moest
liefst zo vlug mogelijk. Ze gingen zaterdagsmorgens
Tacozeil uit met mooi weer stil weer. Ze hadden tot 's
nachts twaalfuur werk om bij Marken te komen en daar
gingen ze binnen. Grootvader wou er 's morgens naar de
kerk en 's nachts na twaalf uur ging het zeil er weer
op. Toen naar 't IJ toe en met 'n sleepje naar Zaandam.
Lagen ze daar 's morgens al heel vroeg voor de wal om te
lossen.
Toen zeiden ze daar;
Ja , maar schipper, je bent van je principes afgestapt!
Hoe bedoel je? Want grootvader had gezegd "Zondags word
d'r niet gevaren". Ze wouwen niet geloven dat ze zondags
in de haven gelegen hadden.
Gedurende de tweede
helft van de jaren twintig noopte slechte besommingen
tot het zoeken van andere oplossingen. Uit een brief van
Willem Toering aan het centraal comité, d.d. januari
1928 blijkt dat Arend, inmiddels getrouwd en vader van
vier kinderen, al vier jaar achtereen na de
ansjovisteelt op een IJmuider stoomtrawler was gaan
vissen ten einde in het onderhoud van zijn gezin te
kunnen voorzien. Knechtsgebrek dwong Willem tot het voor
de kant houden van zijn botter.
Verdere aantekeningen
in het dossier duiden er op dat dit knechtsgebrek in
1929 gedeeltelijk werd opgevangen door de combinatie te
vissen met Klaas J. Koornstra (LE 49, ex HK 106,
aangekocht op 18-03-1925) In de aangehaalde brief van
januari 1928 stelde Toering nog voor om de botter in te
richten voor de visserij op de Noordzee door hem van
rijkswege te laten vertimmeren, er een motor in te
plaatsen, enzovoorts. Daarmee zou Arend meer kansen
geboden worden om blijvend een bestaan in de visserij te
vinden.
Vader Arend had nog
twee oudere broers die al vroeg de visserij vaarwel
zegde. Vaders oudste broer was 'n op en top visserman.
Maar ja, hij had nooit zo veel verdiend om te kunnen
trouwen, die is bij de marechaussee gegaan. Zijn andere
broer ging dezelfde weg, maar ook voor Arend scheelde
het weinig of hij was visserman af geweest. Toen was het
zo slecht dat pake tegen mijn vader zei; "Jongen ik red
me wel, zie ook maar naar wat anders om".
Dat die schreef naar
'n neef van 'm ook 'n Willem Toering, die was
hoofdcommissaris van politie in den Haag. Dat die thuis
nog 'n jongen had en of ie daar bij de politie kon
komen? Pake kreeg een brief terug, "laat Arend maar
komen, hij kan hier direct terecht". Ze hebben een dag
afgesproken, en vader is 's morgens vroeg naar de tram
gegaan. Stond die daar op 't station, en dacht "Mijn
vader is visserman, mijn grootvader is visserman, zolang
ik kan terug kijken zijn ze altijd visserman geweest. Ze
hebben hele minne jaren meegemaakt. Maar zou ik dan niet
in leven blijven als visserman"? De tram is weggegaan en
hij is niet meegegaan. Komt ie thuis, grootmoeder zegt,
"wat nou was de tram al weg"? "Nee, zei hij ik doe het
niet". Hij had zich bedacht, wilde toch liever visserman
blijven. Later zei vader "ik heb er nooit spijt van
gehad".
Het visserijbedrijf
van Arend Toering week enigszins af van wat op De Lemmer
gebruikelijk was. Vader was de enigste dwarskuilder
vroeger op Lemmer, die heeft dat altijd gedaan. Hij
hield doodeenvoudig van de gaandwantvisserij. Toen na de
afsluiting de kuilen d'r in kwamen, moesten ze allemaal
van vader weten: "hoe hejje dit en hoe hejje dat"?
Botslepen deden ze ook wel en winterdag's spieringslepen
en spieringkuilen. Was van het dwarskuilen de
palingvangst het voornaamste doel, de bijvangst van
garnalen bracht ook geld op. De garnalen hielden ze wel
in leven voor de hoekers, die verkochten ze voor zoveel
per mand.
Als in 1932 opgave
over het bedrijf verstrekt moeten worden in verband met
geldelijke tegemoetkoming en waardevermindering, is
grootvader Willem Toering nog feitelijk eigenaar. In
zijn dossier lezen we dat hij nog wel deelnam aan
haring, en ansjovisteelt, doch in de zomer vischt zijn
zoon Arend met een knecht (Marten Vlig) samen (....)
visschen momenteel met de dwarskuil maar vangen heel
weinig. Gister 20 pond aal. Aan vistuigen en toebehoren
bezat Toering:
5 haringsleepnetten,
2 dwarskuils, 5 botnetten, 1 een grote of wonderkuil, 2
losse aatjes, 6 klaarzakken, 83 haringreepnetten, 37
wijde ansjovisnetten, 58 gewonen ansjovisnetten, 37 stel
simmen, 7 boven simmen, 6 spieringnetten, 10 hoepnetten
(garnalen en botbergnetten) 34 ankertouwen met
boeilijnen, 21 ankers, 13 boeistokken of jonen, 13
droogstokken, 4 schep of strijkbeugels met netten,
kuiltouwen en kuildraad met gewicht, 300 kilo zwaarte
(oude ketting), 1 taanketel, inhoud 225 liter, 8
vismandjes.
Naast de botter LE 62
was er ook nog een ijzeren vlet, in 1927 gebouwd te
Poppingawier. De geschatte waarde van dit alles f
4.967,--gulden, de werkelijke f 925,-- gulden De
waardevermindering werd derhalve op f 4.042,-- gulden
vast gesteld. In 1934 droeg Willem Toering het bedrijf
over aan zijn zoon Arend, en verkocht de botter voor f
900,--gulden, 'n half jaar later gaf grootvader honderd
gulden aan vader. Hij zei d'r wordt zo weinig verdiend,
dat je hebbe de botter eigenlijk nog te duur, dat kon ie
niet over z'n hart verkrijgen.
Het was allemaal
goedkoop in die tijd, maar je verdiende ook niks. Als je
nou na gaat dat we één keer in Enkhuizen de aal gelost
hebben voor 4 cent de pond! 's Avonds was d'r 'n klei
zuidoostelijk windje, 'n beetje aan de stille kant, toen
zei vader: nou we zeilen ook maar door naar Lemmer toe.
We waren om 'n uur of drie,vier in de haven. We lagen
goed en wel in kooi 't was nog te vroeg om moeder wakker
te maken, stapt d'r iemand de plecht op. Dat was die
aalkoopman Jan Zwarthoed, een oud Volendammer. Die zegt:
"Aant, hé je ook nog aal aan boord"? "Nee zegt vader".
"Hij zeid: "Ik zit dringend verlegen, ik kan een
dubbeltje geven". Nou ja zo was dat toen, zulke lage
prijzen. Als je 'n hele week viste, dag en nacht, kon je
honderd gulden maken, dan had je een hele beste week.
Meestal was het 50, 60, 70 gulden.

Aan boord
van de LE 62. Vooraan Willem Toering, achter hem zijn broer
Jelle en aan het roer vader Arend Toering.
Van IJsselmeer
naar Noordzee.
Toen Willem Toering
de leeftijd had om mee naar zee te gaan, zag het er niet
naar uit dat de visserij nog toekomst zou bieden.
Jongemannen van rond de twintig probeerden via de
Rijksdienst ander werk te vinden en wie nog op school
zat, koos voor een vervolg opleiding. Je kon 't diploma
ambachtschool halen, en ging je de andere kant op, dan
kon je onderwijzer worden. En dan moest je zien dat je
werk kreeg, dat ging ook al niet hard. Maar goed ik ben
aan boord gekomen, maar als ik 't nog 'n een moest over
doen deed ik 't weer.
't Heeft me nooit
verveeld. Ik kon wel heel goed leren, en de meester
heeft ook wel gezegd: je moet doorleren, tegen mijn
vader zei ze, ik snap het niet. Iedereen is bezig om die
jongens aan een baan te helpen, en jij laat 'm weer aan
boord komen. Nou ja, vader had zeker toch nog wel hoop
dat de visserij bestaan zou blijven.
Omdat hij
aanvankelijk veel last had van zeeziekte, kwam Willem Toering pas na afloop van het kuilseizoen 1933, aan
boord naast knecht Maarten Vlig. Ik was 15 maart dertien
jaar geworden en wie voor 1 april jarig was, mocht van
school af. Vader was met elf jaar aan boord, toen was
het nog twee jaar jonger. Die zomer moest ik netten
uitsnijden, en toen die kuil afgelopen was, ben ik met
de botnettenviserij meegegaan. Werd ik ook nog zeeziek,
daar niet van. Want als je dwars op 'e laag lag, moest
ik de ene keer de gaffel 'n stuk op trekken, en als ie
achteruit moest, 't zeil neer, en zo'n klein bootfokje
er even op.
Als je dan een beetje
zeeziek was, ach man, om dan dat gaffelzeil op te
krijgen! En dan die botten d'r uit halen eerst. O man
die hadden van die scherpen punten (bij de kieuwen) één
haal en je had helemaal de handen stuk. Zeien ze: "zo
moet je 't doen". Die dat konden knepen de botten
helemaal rond, dan is ie helemaal glad. Moet je wel
eerst leren hoor.
Diezelfde winter
sleepten ze nog korte tijd om spiering: aan de LE 25,
dat was toen nog 'n houtenaak, maar daar was ook niet
zoveel mee te verdienen. Het zou tevens de laatste keer
zijn dat de spieringnetten gebruikt werden. In de winter
van 1937-1938, maar ook al eerder, was Willem Toering
werkzaam in de binnenvisserij. Bij Andries fleer, LE 21,
dat was toen nog een botter. Die had 'n vergunning om in
Friesland te vissen, en die ging de winterdag met z'n
zoon wel naar binnen toe. Toen zei die tegen mijn vader,
die zoon van jou ken wel bij mij komen helpen.
Want je moest meestal
met de boot die (snoekbaarsnetten) halen en dan kon één
in de botter blijven, anders moest je zo'n eind roeien.
Vanuit deze binnenvisserij ontwikkelde zich de
nettenvisserij om snoekbaars op het IJsselmeer.
Willem Toering viste
17 jaar op een botter, overwegend met zijn vader. Ook
zijn één jaar jongere broer voer geruime tijd mee. In de
loop van de jaren dertig werkte deze een jaar of vijf
als zeilmaker bij M.F. de Vries. Toen ik in dienst was
is ie weer terug gekomen, en de hele oorlog aan boord
gebleven. Later is mijn broer eruit gestapt bij ons
vandaan, en is met de LE 3 was aanvankelijk een
ijzerenaakje waar mee de Toerings wel sleepten. Uit het
archief van de Zuiderzeesteunwet blijkt dat Jelle
Toering in 1946 in maatschap viste met Jilling Coehoorn
op de LE 3 wat toen een kottertje moest zijn geweest.
Volgens Willem
Toering accordeerde het niet tussen jelle en Jilling,
waarna de maatschap ontbonden werd, en de eerste zijn
aandeel van f 7.500,--gulden terug ontving. In 1947 en
1948 zou Jelle weer op de botter gevaren hebben en wel
tegen 1/10 deel van de besomming. In 1948 kocht hij een
kotter LE 73 (thans LE 63). Liet daar voor f 9.800,--
gulden een motor in plaatsen, en is daar mede in 1949
begonnen te vissen met de opstapper L. Zandstra,
vergunninghouder. Aldus een brief van de directeur van
's Rijksbelastingen en domeinen in eerder genoemd
archief, die vervolgd: Volgens hem (Jelle T.) zou vanaf
15 januari 1949 het visserijbedrijf van vader en beide
zoons op de botter LE 62 en de kotter LE 63 voor
gezamenlijke rekening zijn uitgeoefend.
Waarbij vader en W. Toering de LE 62 en Jelle de LE 63 in bracht. Winst
verdeling ieder 1/3. Deze voorstelling van zaken was
gunstiger in verband met het verkrijgen van een
tijdelijke vergunning voor Jelle. De belasting dienst
twijfelde aan de juistheid van deze verklaring en hield
het erop dat de jongens bij hun vader in loondienst
waren geweest.
Totdat in september
1952 de botter verkocht werd aan P. van Dijk in Kampen,
visten de Toerings afwisselend met de botter en de
kotter. Vader kon het niet verkroppen dat de botter aan
de wal lag. Die zei; "nou hebben ze honderden jaren op
zeilen gevist en precies nou ik er ben, beginnen ze met
motors te vissen"! Daar kon hij eigenlijk niet tegen,
dus deden we om beurten dwars en motorkuil. De
vergunning stond op naam van Willem, die deze op
1-7-1949 had verkregen van zijn vader.
Willem en Jelle
visten verder met de LE 63 tot 1961, waarna het
kottertje verkocht werd aan P. Karregat in Volendam (VD
172). Inmiddels hadden ze een plaatselijke werf van Geb.
de Boer opdracht gegeven, voor de bouw van een nieuw
schip, wat in vele jaren niet was gebeurd. De laatste
ijzeren aak was geloof ik in 1912 en mijn broer en ik
waren de eersten die sinds die tijd weer 'n nieuw
visserschip voor de Lemmer vloot lieten maken. De inhoud
van het vaartuig bedroeg 24 Ton en er werd een 88 pk
Kromhout in geplaatst.
Met de nieuwe LE 63
begonnen de Toerings aan de verwezenlijking van een al
langer gekoesterd plan: overschakeling naar de
waddenvisserij. In de herfst van 1961 werd het schip in
Termunterzeil gereed gemaakt voor de garnalenvisserij.
Wij hebben daar een paar dagen proef gevist en toen zijn
we hier naar Harlingen gegaan, zo zijn we hier dan
garnalenvisser geworden.
Hoewel ze in 1962 al
niet meer op het IJsselmeer visten, hielden ze de
vergunning aan. Toen op grond van de bevindingen van de
commissie Van der Zaal de Zuiderzeesteunwet werd
gewijzigd, ontstond er echter een nieuwe situatie. Deze
bestond er in dat vader bij inlevering van de vergunning
voor geldelijke tegemoetkoming in aanmerking zou kunnen
komen. Voorwaarde was wel dat hij niet te strek
betrokken bleef bij het zich ontwikkelde visserijbedrijf
van zijn zoons.
Er stonden op dat
moment namelijk al plannen om twee nieuwe
Noordzeekotters te laten bouwen en daarvoor waren twee
redenen. Wij waren 'n beetje te wild. 't Was maar 'n
klein kottertje, vijftien, zestien meter, en wij wouwen
daar te veel mee. Toen we één keer tongevisser waren,
buitenvisser waren, was dat scheepje met mooi weer wel
geschikt, maar wij zagen 't te lang aan. We hadden in de
gaten, willen we buiten visser wezen, dan moeten we 'n
beetje groter schip hebben,want dit loopt spaak.
Voor het idee om
meteen maar twee schepen te bestellen bestond een ander
motief. Ik had twee jongens die vissen wouen en m'n
broer ook. Toen zeien wij. Dit komt natuurlijk niet goed
met zoveel jongens. We zijn uit elkaar gegaan en hebben
ieder een nieuw schip laten bouwen in Hardinxveld, twee
dezelfde schepen. En ja 't werd al maar erger, toen
moest d'r weer een groter schip komen. De nieuwe
kotters, die in 1963 in de vaart kwamen, nummerde LE 61,
Wllem Toering en LE 62, Jelle Toering.
Toen we uit elkaar
gingen had ik altijd nog de vergunning. Toen hebben we
een verzoek ingediend om die vergunning in te trekken
ten behoeve van mijn vader, zodat die weer
Zuiderzeesteun kon krijgen. Dat heeft een goed jaar
geduurd voordat de heren daar uit waren. Dat was nog
nooit gebeurd dat een vergunning ingeleverd werd ten
gunste van iemand. Maar de minister heeft daar
goedwillend over beschikt. En toen kreeg vader in één
keer 'n stompe geld! van dát jaar en 't hele vorige,
vanaf 't moment dat wij de laatste trek op 't IJsselmeer
gedaan hadden.
Inspecteur Boor van
de Rijksdienst maakte in 1963 in verband met genoemde
toekenning van geldelijke tegemoetkoming aan de vader,
nog de navolgende notitie over het splitsen van het
bedrijf. Het vaartuig waar de Gebr. Toering momenteel
mee vissen op de waddenzee word verkocht. De vader heeft
in dat bedrijf een aandeel van f 9.000,--gulden. In de
nabije toekomst gaan de Geb. Toering apart vissen, voor
elk staat een nieuwe kotter op stapel van 49 ton.
aanschafprijs f 250.000,--gulden per schip (geld op
genomen bij de boerenleenbank). De vader zou in deze
bedrijven geen groter aandeel hebben dan f
10,000,--gulden in totaal.

Het nieuwe
tuig werd pas in de oorlog aangeslagen (opname 1943)
De LE 62.
Volgens zeggen kocht
grootvader Willem Toering in 1899 een botter. Diens
dossier in het archief van de Zuiderzeesteunwet vermeld
1902 als aankoopdatum. Poppe de Rook verleende het
benodigde krediet voor in het in 1886 in Spakenburg
gebouwde schip. "Er was in Bunschoten ik heb dat verhaal
zo vaak gehoord, 'n botter te koop. Daar voer Wybrand
Scheffer op, die was als jonge kerel naar Bunschoten
verdaagd en daar getrouwd; Liep in Bunschoter dracht.
Zodoende hadden ze 't zeker gehoord. Ik meen dat die
botter elf tot twaalfhonderd moest kosten".
Ze gingen met de
nachtboot naar Amsterdam en zo naar Bunschoten. Maar ja,
dan moest je door Amsterdam, en daar woonden veel
misdadigers, dat meenden ze zeker. Dat grootvader had op
z'n hemd 'n zakje dat had grootmoeder genaaid, daar zat
het geld in, het klepje werd dicht genaaid, dus ze
moesten 't stuk snijden, wouwen ze 't geld hebben! Ze
hebben die botter gekocht van de weduwe van 'n zekere
Hein Zijl, en toen is die Scheffer met z'n huishouden
ook naar Lemmer gekomen.
Die kinderen waren
eerst nog in Bunschoter dracht, maar later is dat
overgegaan. Scheffer was grootvader z'n eerste knecht en
die heeft 'm zo'n beetje weg wijs gemaakt met 'n botter.
D'r was nog 'n stokanker bij met losse stok, dat was
helemaal versierd eb d'r stond H.Z. 1825 op. Dat was van
de vorige botter nog. 't Lag altijd voor in de boeg,
want voorop lag altijd de dreg. Wat voor ijzer als dat
was, ik weet 't niet, maar roesten was er niet bij.
Elk jaar maakte vader
't glad en haalde vader net 'n scherp vijltje die
sierdingen open, was 't als zilver! Dan kwam 'r weer
lijnolie op. 't Heeft één keer anderhalf of twee jaar in
zee gelegen. Vader was toen in dienst, en op de botter
waren twee knechten. Met 'n verloop uit het noordwesten
raakte die voor anker boven de Kuinder, 'n Zee vol water
en 't spul knapte, toen zijn ze in de Kuinder gekomen.
Later liep er 'n span kuilders vast op dat anker, die
kregen 't binnen boord, en zo heeft grootvader 't weer
terug gekregen. Maar het was helemaal niet ingeroest!
Als grootvader
vroeger met de botter naar de dichtzet was, ging de dreg
van boord en kwam dat zilveren anker voor sier voorop te
liggen. Pake en Beppe woonden dan in de botter, en toen
heeft hij het vooronder laten vertimmeren, in het
kooischot kwamen twee deuren met daar achter weer
landinsplanken, circa 10 cm hoger liggend dan die
naast de kachel. Zo ontstond weer een leefruimte met
twee zijkooien. Vanwege het vervallen van de dwars kooi,
werd de bank aan deurtjeskant geschikt gemaakt om op te
slapen. Daar hadden we 'n plank op staan, daar lag 'n
bultzak achter en daar heeft vader altijd z'n kooi
gehad, kon hij zo naar buiten kijken.
De deurtjes naar het
vooronder sloegen, in plaats van naar binnen naar buiten
open. Want met zo'n dichtzet sluit je het vaarwater af
en als d'r dan 'n boot kwam, die gaf 'n stoot (op de
hoorn) liepen ze er meteen heen en de pal d'r af. Dat
konden ze vlugger als de deurtjes naar buiten draaiden.
Een aanpassing die
met de Zuiderzee te maken had, en op de meeste schepen
aangetroffen werd, was het verhogen van de
achterlaningen. 't Gebeurde vroeger een enkele keer dat
ze de ansjovis netten uit de botter lieten drijven en
dan stonden ze wat hoger. Toen 'n keer, we gingen altijd
in Harderwijk op de werf, zegt vader. We zijn eigenlijk
alleen nog maar sleper en dwarskuiler, we konden die
planken wel wat lager hebben, staan we wat luwer. 't Bot
vissen was ook over, dan is 't met halen ook niet
makkelijk als je zo diep staat. Met de kuil halen ga je
maar op de kneppel en dat netwant staan en kom je van
zelf hoger.
En met slecht weer
had je de klieverstok in de zij, kon je over de ene kant
gaan staan. Dus die planken naar beneden. Toen raakte
vader ziek en kreeg ik 'n knecht mee aan boord. Die
moest op een gegeven moment plassen en zegt: Nou loop ik
al 'n kwartier met dat ding in m'n hand en ik kan
nergens over boord pissen! Dat heb ik nou nog nooit
meegemaakt.
Ter bescherming van
het berghout werd op het gedeelte vóór de strijkklamp
wel plathalfrond aangebracht. In De Lemmer zag men dit
ook wel langs de achterstuit in verband met het aan
boord komen van de haring en ansjovis netten, vooral
toen deze later vaker van ijzer waren. De Toerings
hadden er bijvoorbeeld zo één. Als die mensen in de vlet
moesten, werd die vlet tegen 't schip aangehaald en
klapte die botter d'r wel es op natuurlijk.
't Was geen hard
zeiler de LE 62, niet zoals de LE 76 en LE 35, de LE 57
was ook niet zo snelle. Hij was te zwaar en te breed. We
hebben wel gesleept aan dat aakje LE 3, later was dat de
LE 50. 't Was wel 'n beetje een ongelijk span, maar dat
ding zeilde met mooi weer! 't Heb wel geweest dat die de
halve fok zette, en dan kon die nog wel om ons heen!
Urkers wouwen onze botter, toen die met motorkonten
begonnen, graag hebben. Er zat een prachtig gat achter
om daar zo'n ronde kont aan temaken. Ik weet niet hoe
vaak ze bij grootvader geweest zijn om de botter te
kopen! Hij zeilde wel goed, maar dan moest je eigenlijk
zoveel wind hebben dat 't nog net van top kon.
Ze hebben er wel een
langere mast op gekregen, 'n voet hijs meer; de laatste
mast is ook weer wat langer geworden, en de mast
voorover, konden ze ik- weet -niet groter zeil hebben.
Misschien had 'r nog wel groter tuig op gemoeten. 'n
Grotere kluiffok hebben we toen nog gekregen. Die
Lemsteraken hadden d'r kluiffokken op staan, die waren
wel een halve meter langer dan dat de hijs was. Dan kwam
'r 'n een boom in de leuver (aan de voorlijk) en werd
die helemaal vooruit gedrukt, 't lijntje om de bolder,
anders kwam de boom al maar tegen de stag aan.
Uit een opgave voor
de waardevermindering van 1932 komen we over de LE 62
nog het volgende aan de weet. De grote werd geschat op
20 ton. In 1928 plaatste de boer een motor type Ford,
die was omgebouwd en geleverd door, door de werf Fred J.
Kempers in Kralingen. Tot de verdere uitrusting hoorde,
drie span zeilen en stagfokken, waar van één nieuw. Twee
grote kluiffokken, twee kleine dito en één bazaan. Met
Anker en Dreg zoals alles compleet voor de visserij
gereed is, tot slot een kook en verwarmingskachel,
kompas, Zuiderzeekaart, reserve zeil en fokkeval, en
keuken gereedschap.

Aal lossen
1943. Vooraan Willem Toering.
In de tweede
Wereldoorlog haalden de Toerings, omdat er toch vrijwel
geen brandstof was te krijgen, het Fordje en de schroef
installatie uit de botter. We hadden 'n prop van voren
en van achter in 't gat geslagen. Wij waren toen met
zijn drieën, m'n broer was ook aan boord, dat scheelde
wel met al dat laveren. Na de oorlog werd de motor weer
terug geplaatst.
In het vooronder van
de botter bevonden zich enkele zaken waarvan Willem
Toering het betreurd, dat ze met de botter weg zijn
gegaan. We hadden een prachtige koperen lamp tegen de
mast aanstaan met 'n grote blaker er boven, dat was heel
oud spul, want dat hadden Pake en Beppe met hun trouwen
gekregen van 'n oud oom, en toen was 't al oud.
Onze botter is in
1952 naar Kampen gegaan. KP 2 heeft 'm gekregen. Vader
zegt tegen die Kamper, de botter die daar ligt kun je
kopen voor zo en zoveel. Toen we thuis waren zeiden we,
maar die lamp moet je er uit halen. Ja maar ik heb
gezegd zoals die daar ligt, 't speet hem wel, maar hij
wilde d'r niet op terug komen.
Vader had ook alles
bewaard zoals de botter vroeger was, met 't vuur op de
plaat, de stangen aan de bokken poten naast de kachel.
Al dat spul hadden wij op zolder, had die glad geschuurd
en in 't vet gezet. Want in die liggende plaat zitten
twee gaatjes, dan is er nog 'n een ijzer met twee
pennetjes, en dat zet je met 'n boog op die plaat, daar
bleef het vuur binnen liggen. We hadden 't nooit aan
boord gehad, maar we hadden 't allemaal nog.
Dan had je nog in
botters zo'n lange schoorsteen. Die van de Zuidwal
rookte daar, met botslepen in de zomer, wel dode bot in.
De LE 21 daar zat eerst nog zo'n schoorsteen in van
vroeger, die botter was van 1919 als ik 't goed heb. Van
vader Arend moest alles goed onderhouden worden. Die
stangen naast de kachel ook, alle weken schuren en weer
'n heel klein beet je vet d'r op. En met slecht weer
kwam 'r ook wel es oliegoed binnen, dus dat koper om de
kachel moest elke week gepoetst worden. Ik heb het wel
eens verwenst.
Waarschijnlijk tegen
de jaren 20 werd de botter gedeeltelijk overijzerd. Ze
onderhielden die botters altijd vrijgoed, maar toen dat
stort ijzer kwam, dat was goedkoper, kwam die botter
langzamerhand in 't ijzer. Ik hoor 't grootvader nog
zeggen. Nou heeft die zijn doodskleed aan. Want ja, de
afsluiting kwam er aan en dan was 't toch afgelopen. Toe
vader de botter over genomen heeft (1937) hebben we 'm
van boven weer helemaal uit het ijzer gehaald, en daar
zat ook niks meer onder. Boven 't berghout is ie
helemaal nieuw geworden, kropstuk en alles, bij Oost in
Harderwijk, daar gingen we altijd heen.
Naderhand hebben we
daar 'n nieuw zeilwerk d'r ingekregen, met nieuw spoor
en zitters en oplangers. Nieuw beschot en deken, we
onderhielden dat ding wel! Toen konden we rustig met
kalemast van Lemmer naar Amsterdam slingeren, bij wijs
van spreken. Toch had ik wel gewild dat in plaats van
die botter, dat grootvader toen 'n ijzeren aak had
gemaakt. Dan had je veel goedkoper klaar geweest, want
met 'n kwast cilinderolie kon je die schepen houwen en
die botters daar bleef je mee aan de gang, nou.
Toen met die grote
beurt hebben we een kwak gehuurd en daar was het
zeilwerk zo verrot dat, als we over bakboord lagen,
hadden we over stuurboord 'n half voet ruimte tussen het
schot! 't Was ook een oud beestje. de VD 58 van
Blauwtje, zo noemde ze 'm. Wij konden Zaterdagsavonds
laat pompen en dan Zondagsmorgens vóór de kerk weer
draven, was er alweer zoveel water in. Toen zij vader,
dat zal anders! Die naar de kolenboer om wat turfmot en
dat er onder, dan konden we de hele zondag rustig wezen.
Maar hij was nog niet
op zee of 't was weer raak. Jelle en ik visten d'r mee
en dan gingen we op laningen liggen, want als we es in
de tuk vielen met blakte en 't zou lang duren, werden we
in elk geval wakker. Wat waren we blij dat we ons eigen
bottertje weer hadden, je lag met 'n droog hussel
(hoosgoot), zo wij dan zeggen. Die kwakken waren anders
wel prachtige schepen op zee.
Als 'r 'n klein
koeltje en 't zeetje sting 'n beetje boven de wind uit,
nou ja, dan stapten die dingen er net zo mooi door. En
aan de kuil zeilde je zomaar vooruit, je ging door de
wind en je kwam ongeveer op 't zelfde uit. Dat je viste
wel mooi hoor!
Het laatste tuig dat
wij op de botter kregen was, met de oorlog in Abessinie,
daar kwam dat katoen zeker vandaan. Toen kwam de
zeilmaker bij vader en die zei, "als je nu nog nieuwe
zeilen hebben willen". Hij was bang dat het katoen duur
zou worden. Nou, toen kregen we nog een nieuw tuig, ik
weet dat 't goed tweehonderd gulden kosten. Iedereen
verklaarde vader voor gek om zoveel te investeren, want
ja, 't zou toch afgelopen zijn. 't Zal in zesendertig of
zevenendertig geweest zijn, want Jelle was nog bij de
zeilmaker; die heeft 't meest d'r aan genaaid. Het hand
genaaide tuig werd pas in de loop van de oorlog in
gebruik genomen.
Dat de Toerings veel
zorg besteden aan hun botter is al wel duidelijk
geworden; hier onder een paar voorbeelden. In één van de
besomming boekjes trof ik een post scheerhout verguld fl
3.50,-- aan en over die gewoonte was mij niet eerder ter
oren gekomen, dat was mooi een jongen, dat blonk in de
zon. Grootvader deed 't ook, dat was gewoonte bij ons.
En die knop d'r op was verguld. Boven de knop kwam nog
een in elkaar gedraaid draadje met een kwastje van
stopgaren aan het eind. Maar dat was roversgoed, want
als de voorjaars vogels die daar nestelen, dat in de
gaten kregen, dan zaten ze daar altijd aan te plukken.
Je moest dat kwastje wel eens vernieuwen.
Omdat de mast nooit
gestreken werd, alleen die ene keer toen er in
Harderwijk een nieuw zeilwerk in kwam, moest men voor al
het onderhoud omhoog. Twee potten verf in de puts. 't
Bovenste puntje, de trommelstok wit schilderen, dan
zwart. liet je je wit zakken, kreeg je de hanenpoten:
weer wit. Zo ging je de hele top langs, zelfs de mast
schrappen hebben we gedaan. Met drie planken om de mast
binden drie vallen d'r op maar ja, onder zitten de
planken wel stijf tegen de mast, en boven zwabbert ie
heen en weer. 't Eerste endje bovenin was het ergste om
te schrapen. Zo zakkende kwam je wel beneden.
Divers touwwerk werd
geregeld geteerd, lapzalven genaamd. Een
van de kabels die we bij de botter hadden was van
Russische hennep. Vreselijk wat was dat ongelukkig touw!
Als je die gebruikt had, werd ie gedroogd en moest je
dat ding opschieten. Nou dat was 'n gevecht voor daar
in! Daar lag ook nog een kokoskabel; we hadden er twee.
En als het in de zomer warm was en die kabel was dan
wit, kwam je in de zon, één 'm opdraaien en dan zette je
hem helemaal in de teer met 'n kwast, 't zeilval deden
we wel vaker, als dat in de zomerdag was, liep 't teer
d'r uit als je 't zeil opzette, moest je van die grote
wanten aan doen.
Enkele
artikelen uit: Stichting Digitaal
Archief Leeuwarder Courant.
LC-17-02-1996. SYMEN KINGMA.
De laatste
zeilvissers van de Zuiderzee.
PETER DORLEIJN.
Van gaand en staand want. De zeilvisserij voor
en na de afsluiting van de Zuiderzee.
Twee jaar dacht Peter Dorleijn nodig te hebben, toen hij in
1980 begon aan een onderzoek naar de Zuiderzeevisserij .
Maar pas vorige week en zestien jaren later was zijn werk
af. "De tijd heeft me ingehaald" verzuchtte de Hoornse
schrijver-tekenaar, bij de introductie van het vijfde en
laatste boek dat gewijd is aan de vissers van Vollenhove en
Lemmer. In de boekenserie over de visserij rond de oude
Zuiderzee, prijken nu ook de belangrijkste Overijsselse
visserplaats en die van Friesland Urk ontbreekt. Dorleijn
zegt dat hij op Urk geen enkele visser meer aantrof,
die
een goed verhaal over de vooroorlogse visserij kon vertellen.
"Op de Lemmer"(de schrijver
houdt de Friese spelling
consequent aan ook in de boektitel)
trof Dorleijn nog een handjevol
oud-vissers aan die diep in hun
herinnering doken en die trieste
en ook snaakse verhalen konden
vertellen over het leven op zee én
aan de wal. Dorleijn noemt ze "informanten".
Informant Hendrikus Bijma,
stierf vijf jaar geleden. Het duurde geruime tijd voordat in Van
Wijnen een nieuwe uitgever was
gevonden, die het nieuwste boek
in dezelfde geest liet uitvoeren
als de voorgaande vier, zodat een fraaie typografische
eenheid is ontstaan. De drie andere Lemster informanten zijn
Siebe Poepjes, Willem Toering en Henny Kingma, die na zijn
pensionering vanuit Amsterdam naar Lemmer terugkeerde.
Kingma wijdde een deel van z’n Lemster tijd aan het
verzamelen van gegevens over de visserij, zoals hij die zelf
ook nog enige tijd had meegemaakt.
Dorleijn weet
hoe hij z’n informanten aan de praat krijgt. Honderden uren
bandopnamen heeft hij inmiddels tot zijn beschikking. Met
sommige oud-vissers praatte hij in totaal wel vijftien uur
en reken er op dat dan ook alle wetenswaardigheden waren
vastgelegd. Dorleijn rustte niet voordat hij alle bekende en
ook onbekende paperassen over de visserij had laten kopiëren
of fotograferen.
Waar illustraties ontbraken terwijl hij ze toch onmisbaar
vond toog de tekenaar Dorleijn aan het werk. Tientallen
illustraties vormen een welkome toevoeging aan dit complete
eenpersoons visserij -onderzoek.
Dorleijn duidt in de serie van vijf boeken ook op de
kenmerkende verschillen tussen de vissersdorpen langs de
Zuiderzee het roomse Volendam het protestantse Vollenhove
het "rooie vissersnest" Lemmer. Hoe dat kwam? Verveners in
zuidelijk
Friesland in hun schaarse vrije tijd vaak ook binnenvissers,
togen tenslotte naar de zee om er hun brood te verdienen Ze
vormden een aanzienlijke groep op de Lemster vloot en Domela
Nieuwenhuis bleef ook op zee hun leidsman.
Dorleijn
vertelt over hangbazen die de vishandel in de vingers en de
vissers in hun macht hielden, over scheepswerven en de
beroemde Lemster aak uniek op de Zuiderzee en nu een begeerd
schip voor de toervaart. Gaandeweg groeit de bewondering
voor de auteur-tekenaar, die een belangrijk deel van zijn
leven heeft gewijd aan een bijzonder aspect van de
vaderlandse visserijrijen en sociaal-geografische
geschiedenis.

Een
sfeerfoto van de Lemster binnenhaven, met de LE 62 op de
voorgrond. Rechts op de wal staat Evert de Vries, die veel
heeft geschreven over het vissersleven in Lemmer.. midden
staand in de vlet is Marten Vlig. De persoon links is
onbekend.
LC-26-02-1977.
HARLINGEN -
Noordzeevisser Willem Toering, uit Harlingen is niet een man
die spoedig uit het veld lijkt te zijn geslagen. Hij is
voorzitter van de Harlinger vissersvereniging 'Ons Belang'
en maakt met zijn collega’s moeilijke tijden door. Toch
blijkt dat niet bij voortduring als je met hem spreekt "Wy
ha wolris bettere jierren hawn mar salang ast dyn brea hast,
hâld ik wol moed. Earmoede ha wy noch net wier net"
Enkele weken geleden heeft de heer Toering één van zijn
beide kotters in de sanering moeten doen. Die maatregel
hield slechts indirect verband met de toestand in de
visserij. In de eerste plaats ging het erom dat hij geen
genoeg bemanning voor twee kotters kon krijgen. Dat is een
probleem apart. De goede vissers zijn voor een deel
weggegaan naar bedrijven waar de sociale zekerheid groter
is. "As se dêr ûntslein wurde kormme se yn de WW. Dat is mei
de fiskerij net it gefal" De goede vissers die zijn
weggegaan hebben in 1976 echter minder verdiend dan de mannen die de kotters trouw zijn
gebleven. De heer Toering is daar
overtuigd van.
Voor die goede bemanning van
die tweede kotter kon hij niet
gelijkwaardige plaatsvervangers
vinden. Er waren wel gegadigden. Hij heeft hun namen zelfs in
in het boekje staan, maar als hij dat
doorloopt treft hij niemand aan
die kan bogen op ervaring als
Noordzeevisser. En dat juist is
wel nodig.
In het nog onbestorven verleden ging een kotter de haven van
Harlingen uit met vijf man bemanning. Toen de toestand in de
visserij minder werd, werd dat
aantal tot vier teruggebracht. Die
vier man moeten vakmensen zijn
anders is het karwei op zee niet
te klaren door een kwartet. Eén
van die vier kan dus niet een
halfwas zijn of iemand die het
vak nog moet leren. Dat neemt
veel te veel tijd van die andere
drie. Toen er nog vijf man waren
was er nog wel wat tijd om een
aankomende visser in te werken.
Keardels.
Er is nog een
aspect dat de keuze beperkt "Fiskjen op sé is wurk foar
jongkeardels" zegt de heer Toering. Iemand die veertig jaar
is en het vak nog moet leren hoeft er volgens hem niet meer
aan te beginnen. Dat is lichamelijk niet meer op te brengen.
Het is een kwestie van vijf etmalen achtereen werken,
volgens het stramien anderhalf uur op anderhalf uur af. "Froeger
leist simmerdei oerdei noch wolris in skoft op ’e koai" Die
tijden zijn veranderd toen het aantal pk’s werd opgevoerd en
de schepen duurder werden.
Sindsdien moest er dag en nacht gevist worden. Dat opvoeren
van de motorkracht heeft overigens wel de visserij als bron
van bestaan omlaag-getrokken. De heer Toering, herinnert
zich nog dat er in 1962 gevist werd, met boten die een motor
hadden draaien van 250 pk’s. Langzamerhand is dat vermogen
opgevoerd. In het begin van de jaren zeventig, toen "Ons
Belang" veertig jaar bestond waarschuwde de heer Toering,
tegen een voortzetting van de tendens van groter en sterker.
Zijn woorden werden toen welwillend aangehoord, maar er
volgden geen daden. Integendeel. Het opvoeren van het aantal
pk’s ging door. Er zijn nu al kotters van 1800 pk in de
machinekamer hebben en een enkeling zelfs al 2000 pk.
Destijds is de regering wel gevraagd een verdere opvoering
van de pk’s tegen te gaan, aldus de heer Toering maar de
overheid wilde niet in het vrije bedrijfsleven ingrijpen.
Onderling was de solidariteit van de vissers niet zo groot
om zelf grenzen te stellen. De heer Toering "As jo en ik
like goed fiskje kinne en ik fiskje mei 300 en jo mei 400 pk
dan ha jo elke wike mear as ik. As myn motor fan 300 pk
tonein is nim ik in nijenien mar dan fan 500 pk Sa is dat
gongen."
Door het
opvoeren van het vermogen - het verhaal mag bekend zijn -
werd er teveel vis uit zee gehaald. Om leegvissen te
voorkomen stelde de regering vast dat er een vangstbeperking
moest komen. In die fase zit de visserij nu "It wie in hiele
omskeakeling fan ûnbiperkt nei biperkt. Derom sjogge guon it
ek net mear sitten." Er zijn vissers naar Canada
geweest, er gaan er nu naar Zuid-Afrika en er zijn kotters
in de sanering gedaan of verkocht naar bijvoorbeeld
Engeland. Van de Harlinger vloot zijn dat er een stuk of
zes.
Niet erg
slecht.
De vissers die
gebleven zijn, hebben het niet erg slecht gehad vorig jaar,
vindt de heer Toering. Van zijn eigen jongens weet hij dat
ze vorig jaar - ook op de nu opgelegde kotter - een goed
stuk brood nebben verdiend. "Wy ha ûs halden oan de
quotering en doe’t wy fol wiene binne wy oergongen op
rondvis." De quotering per schip geldt namelijk de platvis
de tong en de schol. Voor rondvis (wijting en kabeljauw)
geldt ook een quotering maar niet per schip doch per land.
Die
omschakeling vergde overigens wel een nieuwe uitrusting op
Toerings kotter, waarvoor zestigduizend gulden betaald moest
worden.
Die wat omgebouwde kotter was het enige schip met HA op de
boeg, dit na het volvissen van de quotering op de rondvis is
overgegaan. De andere kotters zijn op de garnalenvisserij
overgeschakeld. En dat heeft zijn gevolgen
gehad voor de Waddenvissers.
Bij het onderwerp garnalen gaat de heer Toering, even
terug naar het begin van de jaren zestig, Harlingen kende
toen een garnalenvissersvloot van zestig tot zeventig
schepen, "It wie geweldich. As der doe sein wie dat de saek
overbevist waerd, hie men him dat yntinke kinnen." Er werden
toen zoveel garnalen aangevoerd, dat de prijs erg laag was.
Ook dat leidde tot vangstbeperkingen 300 kilo garnalen per
dag meer niet. "Dou gyngst fuort en wiest ek samar werom
hwant trijehûndert kilo hiest gau." Er kwam een sanering tot
er enkele tientallen garnalenvissers overbleven. Die schepen
gingen niet naar buiten, zoals hij net noemt. Daarmee geeft
hij aan dat die garnalenvissers op de Waddenzee bleven en
niet tussen de eilanden door de Noordzee op voeren. De
schepen zijn daar op een enkeling na - ook niet geschikt
schikt voor.
De kotters die
op garnalen zijn gaan vissen zijn wél geschikt voor buiten.
Zij nu vissen zo word beweerd, "boven" de eilanden de
garnalen weg, die op het punt staan naar de Waddenzee te
trekken. Het gevolg is dat de echte garnalenvissers op de
Waddenzee geen droog brood meer kunnen verdienen.
Net en stûr.
"Forline jier
ha dy garnalefiskers net in stür fórtsjinne. It wie in
striemin jier foar harren. Se ha wol by üs óan board west
als infaller. Elkenien hie hast hwat oars by de ein. Né de
klap foar harren wie great. Noch ien sa'n min jier en se
binne fan de kaert. Ik wol net sizze dat it allegear kommen
is om’t der bûten op garnalen fiske is. It waerme waer en
dêrtroch de hege temperatuer, fan it wetter ha der ek oan
meiholpen".
De zaak wat samenvattend, zegt hij dat vroeger een bepaalde
visserij in Harlingen ongeveer dertig jaar standhield, "mar
nou helje wy de helte net iens".
Hij vindt dat
jammer want Harlingen heeft zijn zaken wel klaar, een mooie
nieuwe visserijhaven en een mooie afslag, "mar der kinne se
aenst wol in dounstipte
fan meitsje" zegt hij niet helemaal serieus.
Wat in de Harlinger afslag ook
een rol speelt is dat alle "beschikbare" vis daar niet aangevoerd
wordt. Urker kotters leggen wel
aan in Harlingen, maar storten
daar hun vis over op een vrachtwagen, die de vis naar de afslag
in Urk brengt "Urk is Urk" zegt
de heer Toering, om de gemeenschapszin op dit voormalige eiland tot uitdrukking te brengen.
"Wy bisjogge it saekliker" voegt
hij eraan toe en dat houdt in dateen Harlinger visser weleens te
zien is bij de afslag van Lauwersoog, van IJmuiden en soms welvan Scheveningen.
Home
|