Lemmer in oorlogstijd.
Door Jaap van der Zwaag.
"Als dieven in de
nacht"
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd de
bevolking van De Lemmer wakker bij het geluid van overvliegende
vliegtuigen. In die tijd was het zeldzaam wanneer er een
vliegtuig over De Lemmer vloog en de Lemsters renden dan ook
naar buiten om te kijken wat er aan der hand was. Boven hen
vloog vrij laag een onafzienbare rij grijsgeschilderde
vliegtuigen vanuit het oosten, Duitsland, naar het westen van
Nederland.
Al gauw bleek dat het Duitse leger ons land
onverhoeds had aangevallen, zonder dat daaraan een formele
oorlogsverklaring vooraf was gegaan. Naast de Duitse vliegtuigen
die op weg waren naar de vliegvelden en bestuurscentra in het
westen stroomden Duitse soldaten met duizenden over onze
oostgrens Nederland binnen.
De militaire bescherming van deze grens
stelde niets voor. Het "ijle scherm" van de Nederlandse
grenstroepen was dan ook snel in Groningen doorbroken en na
snelle marsen door deze provincie en Friesland lukte het de
Duitse invallers bijna zonder slag of stoot de Wonsstelling
tussen Zurig en Makkum uit te schakelen en het begin van de
Afsluitdijk te bereiken. Een bekende anekdote is het verhaal
over de Nederlandse soldaten nabij Wons, die hun kameraden in
Hajum probeerden te ondersteunen met een kanon uit de tijd van
Napoleon!
De Duitse 1ste
Kavallerie-Division, (Rectificatie) bestaande uit 1 SS-divisie, 1 tankdivisie
en 2 SS-regimenten , had als taak, deze dijk te veroveren en
vanuit de IJsselmeerhavens, waaronder Stavoren en De Lemmer, de
landingsoperaties in Noord-Holland voor te bereiden. Tegen de
oprukkende Duitsers werd niet veel weerstand geboden; slechts
enkele bruggen werden door de Nederlanders opgeblazen. In
anderhalve dag was Friesland veroverd en werd de provincie
bezet.
Terwijl in de rest van het land nog zwaar
werd gevochten, keek de bevolking van Friesland met
verbijstering naar Duitse troepen die hun steden en dorpen
binnen marcheerden. Ook in De Lemmer was dit het geval. Hier
gingen de Duitsers direct door naar de haven, waar ze met nog in
beslag te nemen vissersschepen en andere vaartuigen het
IJsselmeer wilden oversteken. Heeft een Lemster iets geroepen
naar de binnentrekkende troepen? Ik denk het niet.
Waarschijnlijk was hier het beeld hetzelfde als overal in
Friesland. Nergens werd verzet gepleegd en dat is goed te
begrijpen. De mensen waren overrompeld door de gebeurtenissen,
ze voelden zich machteloos en vooral in de steek gelaten. De
koninklijke familie en de regering was naar het buitenland
gevlucht. De Nederlandse militairen, die de oostgrens hadden
moeten verdedigen waren op de vlucht naar de Afsluitdijk of
waren met boten al het IJsselmeer overgestoken. De Duitse opmars
verliep zee snel, maar niet snel genoeg om de vluchtende
Nederlandse militairen in te halen. Dat waren de feiten.
Het vluchtende Nederlandse leger had bussen
en auto’s gevorderd om naar de Afsluitdijk te komen. Bij de dijk
gearriveerd werden de bussen eenvoudigweg het water ingeduwd. De
soldaten werden met bussen uit naar de Wieringermeer gebracht.
In De Lemmer keken de Duitsers verlangend
naar de horizon, waar ergens hun nieuwe aanvalsdoel lag:
Noord-Holland. Op de Afsluitdijk was de opmars van de Duitsers
geblokkeerd door de verdedigingswerken bij Kornwerderzand. Toen
ze merkten dat de geplande snelle oversteek naar het westen via
de Afsluitdijk voorlopig onmogelijk was werd besloten de
oversteek dan maar te maken met boten (die de Duitsers niet
hadden) vanuit de Friese IJsselmeerhavens, waarbij vooral werd
gedacht aan Stavoren, waar de Duitsers de grote veerboten goed
konden gebruiken.
Het IJsselmeer werd bewaakt door de
zogenaamde IJsselmeerflottielje, bestaande uit de zeer oude
rivierkanonneerboot Hefring (gebouwd in 1879!), de 30 jaar oude
kanonneerboot Friso, de 23 jaar oude torpedoboot Z3 en een
achttal bewapende motorboten. Met deze schepen werden regelmatig
patrouillediensten op het IJsselmeer verricht. Tot elke prijs
moest worden voorkomen dat de Duitsers over zouden steken en
daarom werd in allerijl het IJsselmeerflottielje versterkt met
de Brinio, een zusterschip van de Friso, en twee zeer moderne
mijnenvegers, de Abraham van der Hulst en de Pieter Florisz.
Hoewel de schepen over een behoorlijke vuurkracht beschikten
zouden ze niet opgewassen zijn tegen aanvallen van de moderne
Duitse jachtvliegtuigen. In feite zaten de Nederlandse
marineschepen als ratten in de val. Als het mis zou gaan, was
ontsnappen niet meer mogelijk.
Op de derde oorlogsdag kreeg de Friso bevel
naar Stavoren op te stomen om daar de schepen te vernietigen die
de vijand zou kunnen gebruiken om de oversteek te maken. Het
schip kreeg de veerboot C. Bosman in het vizier, welke door de
Friso werd beschoten en zwaar werd beschadigd, ongeschikt verder
voor de Duitsers. Tegelijkertijd werd een Duitse batterij aan
wal uitgeschakeld. Nadat de Friso haar oude positie had
ingenomen werd het schip enkele uren later door Duitse jagers
aangevallen en vernietigd. De bemanning werd gered door de
Brinio, welke de positie van de Friso wilde overnemen. Maar nog
voordat dat gebeurde werd ook dit schip aangevallen door
vijandelijke vliegtuigen. Het lukt met het schip Enkhuizen te
bereiken waar het werd gerepareerd. Op 13 mei was de Brinio weer
vaargereed, maar zou niet meer aan de strijd deelnemen, want een
dag later was de oorlog afgelopen en het schip werd door de
eigen bemanning tot zinken gebracht bij Enkhuizen. Ook de andere
schepen ondergingen hetzelfde lot.
10-05-1940 De
C.BOSMAN
ligt te Stavoren, en krijgt een verbod om te haven uit te
varen. De haven wordt (onvolledig) verspert.
12-05-1940 De Nederlandse kanonneerboot FRISO arriveerd on
9.40 uur voor Stavoren. De commandant van het schip
constateerd dat de Duitsers bezig zijn de C.
BOSMAN
vaarklaar te maken. De FRISO opende het vuur op de C.
BOSMAN,
dit schip wordt twee maal getroffen, een maal in de
kettingbak aan bakboord terwijl de tweede granaat door de
stuurhut vliegt, en explodeert in de schoorsteen. Een derde
granaat vliegt, zonder te exploderen door een windscherm.
05-1940 Geborgen, hersteld en weer in de vaart.
12-02-1943 Het schip wordt door vliegtuigen beschoten.
28-02-1944 Het schip wordt met bommen bestookt.
01-03-1944 Het schip wordt voor de tweede maal met bommen
bestookt, waarna de gehele veerdienst wordt gestaakt.
01-04-1944 De veerdienst wordt weer hervat.
18-09-1944 De Spoorwegstaking begint, ook het veerdienst
personeel legt het werk neer, zulks nadat het de machines
van het schip onklaar zijn gemaakt.
11-1944 Naar Amsterdam gesleept voor verbouw, hetwelk ook
voor een deel is uitgevoerd.
19-06-1945 De
C.
BOSMAN arriveert te Enkhuizen, het wordt snel hersteld. Daarna
wordt het ingezet tussen Amsterdam en Lemmer.
Het dagelijkse leven.
Hoe was de situatie in De Lemmer? De orde,
voorzover die al was verstoord, was snel hersteld en het
"normale" leven kwam weer op gang. De mensen gingen weer aan het
werk, de winkels gingen weer open, men deed weer zijn
dagelijkse boodschappen en men deed weer de was.
Op 14 mei, de dag na Pinksteren, waren er
weer kranten verschenen. En de kinderen gingen weer naar school.
In de winkels en de magazijnen van de groothandel waren nog
genoeg voorraden aanwezig, maar omdat men schaarste vreesde,
werd er in de zomer van 1940 flink gehamsterd. Bij sommige
artikelen, zoals schoenen steeg de omzet met zelfs 80 procent.
Op het eerste gezicht leek alles hetzelfde gebleven, maar toch
was alles anders. Al snel kwamen er distributiemaatregelen door
de schaarste. Niemand wist waardoor deze schaarste werd
veroorzaakt, wel had men vermoedens, namelijk dat veel voedsel
richting Duitsland aan het verdwijnen was. Er kwamen
distributiekantoren waar distributiebonnen worden uitgereikt aan
de mensen. Er moet zuinig worden omgegaan met elektrische stroom
en gas. Er komen verduisteringsvoorschriften. Er mag geen licht
vanuit huizen en gebouwen naar buiten schijnen. Niet alleen
woningen en gebouwen moeten worden verduisterd, ook alle
voertuigen en zelfs fietsen vielen onder de luchtbescherming.
Lantaarns gingen ’s avonds uit en dan was het stikdonker buiten.
Er komt Sperr-tijd, dat wil zeggen dat men op bepaalde tijden
niet meer buiten mag zijn. Zij die zonder vergunning die
bepaling overtreden worden zonder meer doodgeschoten. Van een
gewoon, ongestoord gezinsleven was al gauw geen sprake meer.

Duitse oorlogspropaganda.

Distributiebonnen.
|
Hieronder wat van die maatregelen in 1940. |
|
| |
|
|
16 mei. |
Invoering Duitse zomertijd. |
|
1 juni.
|
Thee en koffie op de bon. |
|
15 juni. |
Brood en bloem op de bon. |
|
juli.
|
Boter, margarine en vetten op de
bon. |
| 12 aug. |
Textiel op de bon. |
|
14 sep. |
Vlees op de bon. |
|
31 okt.
|
"Sperr-tijd" tussen 0
en 4 uur. |
| nov. |
Eieren, koek en gebak
op de bon. |
|
15 dec.
|
Rantsoenering van gas en licht. |
Op de belangrijkste hoeken van straten
verschijnen witte verkeersborden met daarop aanwijzingen in het
Duits waar Duitse instanties zijn gevestigd, zoals bijvoorbeeld
de Ortskommandant, de plaatselijke commandant van de Wehrmacht,
die zijn intrek had genomen in het gemeentehuis. Op 12 augustus
wordt de gemeenteraad naar huis gestuurd en op 1 september 1940
werden alle gemeenteraden en provinciale staten opgeheven. De
burgemeesters, al of niet NSBer werden de baas (althans onder
Duits toezicht) in de gemeente. De ambtenaren blijven op hun
post.
Dat de Lemsters rustig bleven is niet
verwonderlijk. Al op 16 mei 1940, een dag na ondertekening van
de capitulatieovereenkomst, werd in een dagorder aan de
bevolking bekendgemaakt "dat elke vijandelijke handeling
tegen het Duitse leger, zijn personeel, zijn materieel en zijn
inrichtingen verboden is en dat de rust en de orde
onvoorwaardelijk moet worden gehandhaafd." En in een
"Tweede oproep aan de bevolking van Nederland" stond in de
laatste zin:"Daartegenover zal de Duitse weermacht ieder
vernietigen die rust en vrede stoort."
In de eerste dagen van de oorlog bleven de
Lemmerboten aan de wal liggen, omdat het veel te gevaarlijk was
om te varen. Maar al snel na de capitulatie werd de dienst
hervat.
De NTM zag al op 15 mei kans de tramdienst te
hervatten en op 21 mei werden de eerste zogenaamde boottrams
ingelegd tussen De Lemmer en Groningen in aansluiting op de
Lemmerboot. Door gebrek aan dieselolie verschenen er geen
motortrams meer, ze werden vervangen door stoomtrams. In juli
1940 werd er door de Duitsers een vergunningenstelsel voor het
verstrekken van dieselolie en benzine ingesteld. Omdat de
uitgifte van deze vergunningen maar mondjesmaat gebeurde en het
feit dat er slechts een klein deel van de gevorderde bussen aan
de ondernemers was teruggegeven (een groot deel lag in het water
bij de Afsluitdijk), kwamen de autobusdiensten slechts langzaam
op gang. Er kwamen nu ook bussen op de weg die op gas konden
rijden. Achter of op de bussen kwamen gasgeneratoren. Deze
werden gestookt met hout, kolen en zelfs turf. Op 17 februari
1941 verscheen de eerste NTM-bus met generator. Het jaar 1941
verliep gunstig voor de NTM en ook in 1942 floreerden de
tramlijnen van de NTM als nooit tevoren. De bus als concurrent
was zo goed als uitgeschakeld door schaarste aan brandstof,
onderdelen, banden etc.
De vissers.
Hoe ging het met de Lemster visserij in de
eerste jaren van de oorlog? Zoals ik hierboven beschreef waren
de Duitsers van plan met gevorderde (vissers)schepen het
IJsselmeer over te steken. Ook in De Lemmer gebeurde dat. De
Duitsers zaagden de masten af, een paar meter boven het dek. In
de ochtend van 15 mei verlieten vier boten met Duitse militairen
de haven van De Lemmer. Ook de gevorderde botter van Lambert
Poepjes was daarbij. Bij het uitvaren liep deze botter op een
strekdam van Noordoostpolder, waarbij door de schok vier
Duitsers over boord sloegen en er twee verdronken. De andere
drie boten met 40 Duitsers voeren door naar Noord-Holland. Na de
capitulatie kregen de vissers hun gevorderde schepen terug, maar
ze moesten uit hun eigen zak nieuwe masten laten maken.
Het eerste oorlogsjaar verliep voor de
Lemster vissers erg goed. De besommingen waren in dat jaar veel
beter dan in de jaren daarvoor. ("voor onze visschers rijk
aan gebeurtenissen, maar ondanks alle wederwaardigheden toch nog
een goed vischjaar", uit een verslag van de
"Visschers-Vereeniging Lemmer").Deze resultaten waren echter
abnormaal gezien de tijdsomstandigheden. Aan de afslag van De
Lemmer werd in 1940 voor een totaal bedrag van 127,5 miljoen
gulden (in Euro’s omgerekend ongeveer 58 miljoen) aangevoerd.
De werkzaamheden aan de Noordoostpolder waren
weer hervat en op 13 december 1940 kon het laatste gat in de
dijk van deze polder worden gesloten. Hierdoor verloren de
Lemsters een belangrijk visgebied en kwam het dorp in een
uithoek te liggen, moeilijk gelegen ten opzichte van de
heersende windrichtingen. In de eerste oorlogsjaren werd
begonnen met het droogmalen van de polder. De Lemster vissers
kregen toestemming de laatste vis eruit te halen.
Personeelsleden van de Lemster afslag hadden aan het eind van
het kanaal voor het gemaal, een ontvangstpunt voor de op deze
wijze aangevoerde vis. Deze werd daar gewogen en vervolgens in
korven van 100 pond poer paard en wagen naar de afslag in De
Lemmer gereden.
Langs de dijk van de N.O.polder bleek in het
voorjaar veel spiering samen te scholen en er ontstond een
korte, maar intensieve visserij door enkele Lemster vissers
daarop met behulp van palingfuiken, Deze visserij gebeurde
altijd omstreeks Pasen en duurde nooit langer dan vier weken. De
spieringen bevonden zich voornamelijk langs de dijk tussen De
Lemmer en de hoek die aanvankelijk bekend stond als "de twaalf
kilometer" en later de "Rotterdamse Hoek" werd genoemd omdat
hier het overgebleven puin was gestort van het bombardement op
Rotterdam in mei 1940.
In de oorlogsjaren waren de vissersschepen
verplicht bij ’s nachts een lantaarn te voeren die alleen over
de horizon licht uitstraalde; daarmee waren de schepen voor de
geallieerde vliegtuigen moeilijker op te merken. Naar voren
scheen de lamp door twee gleuven, naar achter door een enkele
gleuf.
Er werden noodvergunningen uitgereikt. Wie
opnieuw ging vissen ontliep een eventuele tewerkstelling in
Duitsland en hielp bovendien mee de voedselsituatie te
verbeteren.
De omstreeks 1894 opgerichte
belangenorganisatie "Visschers-Vereeniging Lemmer" moest zich in
1942 aansluiten bij de door de bezetter in oktober 1941
opgerichte "Landstand". Alle boeren, tuinders en vissers werden
geacht daar deel van uit te maken. De leden van de "Lemmer"
voelden daar niets voor en door deze beslissing met meerderheid
van stemmen (20 tegen 5) te nemen hield de "Lemmer" officieel op
te bestaan (om in oktober 1945 opnieuw tot leven te komen).
Voorzitter was in 1942 L.J. Poepjes; secretaris P. Meijer;
penningmeester A. Toering. Het aantal leden bedroeg toen
ongeveer 80.
Het roven gaat door
Op 18 juni 1941 werd inlevering geëist van
alle voorwerpen, die geheel of overwegend bestonden uit koper,
nikkel, tin, lood of legeringen daarvan, zoals asbakken,
bloempotten, emmers, blikken, kannen, ketels, schalen,
rookgarnituren en presenteerbladen. Dit was nodig omdat de
Duitsers die metalen nodig hadden voor de productie van munitie
en ander oorlogstuig. De meeste mensen deden aan de inzameling
niet mee en verborgen hun spullen.

Wat gebeurde er nog meer in 1941. Op 1 april
verschenen bordjes voor de ramen van cafés waarop "Voor Joden
verboden" stond. Op 19 april ging melk op de bon, 7
dagen later aardappelen. En op 5 juli werden alle politieke
partijen verboden.
Samenscholingen op straat werden al sinds 18
mei 1940 niet meer geaccepteerd. Postzegels met afbeeldingen
van de koningin (Wilhelmina) werden uit de handel gehaald en
vervangen door exemplaren met zeehelden als Michiel de Ruyter.
Maar er werden ook maatregelen ingevoerd waarmee we nu nog
leven, zonder te weten waar de oorsprong ligt: de kinderbijslag,
het ziekenfonds en de zomer- en wintertijd.
In De Lemmer hadden de aanwezige Duitse
militairen te maken met de eerder genoemde Ortskommandant; hij
vorderde woonruimte en andere lokaliteiten die zij nodig hadden,
liet de verkeersborden plaatsen en had toezicht op de
discipline. Met deze man moest iedereen rekening houden, Duitse
militairen èn de Lemsters.
Op den duur was bijna alles "op de bon". Er
werden zogenaamde stamkaarten uitgegeven. Alleen met een
stamkaart kon iemand distributiebonnen krijgen. Om aan een
stamkaart te kunnen komen moest men zich melden op een
distributiekantoor (in De Lemmer is dat waarschijnlijk het
postkantoor geweest) met een officieel identiteitsbewijs, het
"persoonsbewijs", met pasfoto. Door dit ingewikkelde systeem
werden onderduikers van voedsel afgesneden. Althans wanneer ze
geen vals persoonsbewijs hadden. Er waren wel bonnen, maar niet
altijd goederen. Door een tekort aan grondstoffen werd er
overgegaan tot de productie van surrogaatmiddelen. Zeep
bijvoorbeeld bestond op den duur uit klei en zand ("kleizeep").
Munten waren niet meer van zilver, maar van zink, schoenen van
karton (!) en hout, koffie van gemalen eikels. De schaarste
manifesteerde zich vooral in het vervoer. Er was steeds minder
olie en benzine beschikbaar, alles ging naar het Duitse leger.
Verreweg de meeste particuliere auto’s en motorfietsen kregen
geen benzine meer, maar de brandstof voor autobussen werd al in
1940 gerantsoeneerd. Van de ruim 12.000 benzinepompen in ons
land was eind 1940 al bijna 9000 gesloten.

Koffie gemaakt van gemalen en
gebrande eikels.

De Lemmerboot: levenslijn
In de loop van 1944 werd de Jan Nieveen
gevorderd door de Duitsers. Het schip kwam bij de Oranjesluizen
in Amsterdam te liggen met de bedoeling er een logementschip van
te maken voor het bewakingspersoneel van de sluizen. Met veel
overredingskracht lukt het het schip terug te krijgen. De
Lemmerboot heeft overigens de gehele oorlog doorgevaren en menig
onderduiker, niet of wel joods, is het gelukt met deze boot het
westen te ontsnappen en een onderduikadres te vinden ergens in
Friesland, Groningen of Drenthe. En gedurende de oorlog gingen
ook veel mensen uit het westen met de boot naar De Lemmer om
vandaar voedsel te kopen elders in de provincie. Buiten het
distributieapparaat was het verboden om voedsel te kopen, dat
werd als "clandestien" gezien. Controleurs van de Centrale
Crisis Controledienst, de CCCD, maar ook wel Duitse militairen
controleerden bij de boot, in Amsterdam om te kijken of er geen
onderduikers aan boord gingen en in De Lemmer of passagiers geen
voedingsproducten aan boord probeerden te smokkelen. ("Op
hetzelfde ogenblik draaide de heer met de bolhoed het hoofd
zijwaarts en lispelde:"S.D.-controle. Persoonsbewijzen.
Doorgeven") Bij aankomst van de Lemmerboot in De Lemmer
stonden meestal Duitsers bij de sluis te wachten totdat het
schip in de sluis stillag. Ze gingen vervolgens aan boord om
naar onderduikers te zoeken. ("Bij de loopplank stonden twee
Duitsers, die met zaklantaarns de gezichten en de handbagage der
reizigers belichtten"). De citaten zijn uit boek "Nachtboot
naar Lemmer" van Age Scheffer.
De onderduikers, die het lukten aan wal te
komen zonder ontdekt te worden (en dat waren er veel!) bleven
niet in De Lemmer, maar gingen verder Friesland in of nog
verder.
Tijdens de hongerwinter zou de Lemmerboot
baby’s en kinderen uit het westen vervoeren, die in De Lemmer in
een school werden opgevangen, waar ze eerst brood en pap kregen
alvorens ondergebracht te worden bij Friese pleeggezinnen.
De Lemmerboot voer ´s nachts nagenoeg geheel
verduisterd, wat niet zonder risico was. In de nacht van 8 op 9
januari 1945 botste de Jan Nieveen dan ook op de Groningen IV,
waarbij het laatste schip zonk en veertien mensen verdronken.
Overdag varen was zeer gevaarlijk omdat voortdurend schepen op
het IJsselmeer werd beschoten door Britse jachtvliegtuigen. Op
21 oktober 1942 werden er luchtaanvallen gedaan op de Groningen
IV en de Friesland. De Groningen IV had nog nauwelijks de haven
van De Lemmer verlaten toen het werd aangevallen. Stuurman Jaap
Stienstra werd levensgevaarlijk gewond. De Jan Nieveen, komende
uit Amsterdam nam de Groningen IV op sleeptouw naar De Lemmer.
In de Lemster sluis zou Stienstra sterven. Dat de Groningen een
typisch ongeluksschip was bleek in 1945 toen het schip aanvaring
kwam met de Jan Nieveen en zonk.
Dat de Jan Nieveen altijd heeft kunnen varen
was het volg van een afspraak met de Duitsers. Die wilden het
schip hebben als hospitaalschip, maar ze namen er genoegen mee
dat het schip pas zou worden gevorderd als de Duitsers dat nodig
vonden. Er werd zelfs gratis brandstof beschikbaar gesteld.
Op 21 januari 1943 werd het vlees- en
melkrantsoen verlaagd. Op 13 april volgde het bevel alle radio’s
in te leveren, wat een groot deel van de bevolking niet deed. En
in augustus gingen groeten en fruit op de bon.
In 1943 werd intensief begonnen met het
beschieten van treinen. Mustangs, Spitfires en Hurricanes kregen
op hun patrouilles vrije jacht en vonden betrekkelijk
gemakkelijk prooi in de onbeschermde (goederen)treinen. Ook de
tram werd herhaaldelijk beschoten. Dat gebeurde bijvoorbeeld op
5 augustus 1944 met de tram Joure-Lemmer even voorbij de brug
over de Follegasloot. Hierbij werd de reserve-conducteur gedood
en raakten de machinist en de conducteur gewond. Meestal werd de
locomotief met boordvuur doorzeefd. Het was een goed gebruik dat
geallieerde jachtvliegers de machinist waarschuwden door eerst
om de trein te cirkelen voordat zij het vuur openden. De
machinist liet dan onmiddellijk de trein stoppen en zocht samen
de eventuele passagiers dekking in de omgeving. Dat liep niet
altijd goed af. Op 10 april 1943 werd een passagierstrein op weg
naar Stavoren bij IJlst tot stoppen gedwongen. Toen zelfs na
twee lage scheervluchten over de trein de passagiers niet
vluchtten en op het station geboeid bleven kijken wat er ging
gebeuren, dook de Mosquito voor de derde maal met denderend
geraas over de nieuwsgierigen. Het vliegtuig vloog echter te
laag, raakte de boomtoppen en sloeg tegen de grond te pletter.
In 1943 had de Duitse bezetter zijn ware
gezicht laten zien. Hele spoorlijnen met bielzen en al werden
naar Duitsland overgebracht. Ook de tramlijnen van de NTM kregen
steeds meer problemen. En in 1944 werd het nog slechter. De
Duitsers roofden alles wat maar los of vast zat. Hele garages
werden leeggehaald en sommige busondernemers besloten toen hun
wagenpark te verstoppen, wat niet erg was want er kon toch niet
meer wegens brandstofgebrek worden gereden.
In september 1944 vanuit Londen opdracht werd
gegeven tot een algemene spoorwegstaking. De staking bij de tram
Joure-Lemmer leidde tot de executie van drie gevangenen uit de
Leeuwarder gevangenis op 19 september 1944 in St. Nicolaasga
(omdat daar de staking was begonnen). De NSB heeft nog
geprobeerd het trambedrijf van de NTM tot exploitatie te
brengen, maar dat lukte niet.

Strepen aan de hemel
De routes vanuit Engeland naar Duitsland
liepen voor veel geallieerde vliegtuigen over het IJsselmeer.
Dat had namelijk als voordeel dat het zo gevreesde Duitse
luchtafweergeschut enigszins kon worden vermeden. De Duitse
luchtdoelartillerie )FLAK’ bevond zich nu eenmaal hoofdzakelijk
boven land. Wel leidde deze route de vliegtuigen regelrecht de
fuik binnen die vanuit de grote nachtbases Leeuwarden, Bergen
(NH), Twente en Delen was opgezet, maar dat risico namen de
vliegers op de koop toe. Was men eenmaal het IJsselmeer over,
dan brak de hel los en ook boven het IJsselmeer vonden veel
luchtgevechten plaats.
In 1943 werden de bombardementen op Duitsland
geïntensiveerd. Elke nacht bromden de bommenwerperstreams van de
RAF over Nederland op weg naar bijvoorbeeld het Ruhrgebied en
terug. Op 27 januari 1943 overdag was de Amerikaanse luchtmacht
voor het eerst boven Duits gebied verschenen. Op die dag zag men
in De Lemmer op grote hoogte een formatie van 23 Liberators
voorbijtrekken als witte condensstrepen hoog in de lucht. Het
waren verdwaalde Amerikaanse bommenwerpers die trachtten de weg
naar huis (Engeland) terug te vinden door richting zee te
vliegen. Sommigen kwamen tot een noodafworp in de akkers bij De
Lemmer. Kort daarop werd de formatie aangevallen door Duitse
jagers van het vliegveld Leeuwarden. Acht dagen later, toen een
Amerikaanse formatie weer terugkeerde over Friesland werden de
vijftig vliegende forten massaal aangevallen door de Duitsers:
drie bommenwerpers werden toen neergeschoten.
Het aantal vliegtuigen (geallieerde èn
Duitse) dat tijdens de oorlog in ons land neerstortte is niet
precies bekend, waarschijnlijk tussen de 7000 en 8500. Veel van
deze vliegtuigen kwamen in het IJsselmeer terecht. Op de
Algemene Begraafplaats liggen 44 bemanningsleden begraven van
neergestorte vliegtuigen: 29 Britten, 1 Tsjech, 2 Canadezen, 4
Australiërs, 5 Nieuw-Zeelanders en 3 Polen.
Ik heb het nog niet gehad over de omgekomen
verzetstrijders en de joden van Lemsterland.. Over die mensen
is op deze site genoeg te vinden, ik beperk mij daarom tot een
kort overzicht. Als kapitein van de Holland-Friesland IV van de
rederij Stanfries had Gerben Bootsma in 1943 een
Nederlands geheim agent (Pieter Roelof Gerbrands) in Enkhuizen
helpen ontsnappen, nadat hij hem (en zeven Engelse vliegers) had
gered op het IJsselmeer na het neerstorten van hun vliegtuig.
Bootsma werd later gearresteerd (op 3 april 1943) door de
beruchte Joseph Schreider en tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld. Hij werd via het beruchte Oranje Hotel in
Scheveningen weggevoerd naar Duitsland, waar hij drie dagen na
zijn bevrijding door Amerikaanse troepen stierf, namelijk op 2
april 1945 in Bustabach. Drie personen uit Echtenerbrug (plus 7
anderen) werden op 17 maart 1945 in Doniaga door de Duitsers
doodgeschoten., namelijk Wiepke Hof, 29 jaar oud,
Albert Koopman, 28 jaar oud en Wim Reinders. Wim
Reinders was de centrale figuur in het verzet in Lemsterland.
Luit Mulder, geboren in 1918, werd op 8 januari 1945 in
Heerenveen doodgeschoten na twee dagen lang gemarteld te zijn.
Zijn lichaam werd met ijzer verzwaard in het water gegooid onder
de brug over de Tammenrakken, in de weg Sneek-Joure en later
gevonden door een schipper. Jacob de Rook, lid van de
communistische partij en verspreider van de illegale bladen "De
Waarheid" en "Het Noorderlicht" stierf op 14 april 1942 in
Buchenwald. Hij was toen 43 jaar oud. En tenslotte F. van der
Wal, ook 43 jaar oud, stierf op 18 april 1943 in Vught. Van
der Wal was actief in het verzet, vanaf het eerste uur en vader
van een groot gezin.
Toen de oorlog uitbrak woonden er nog drie
joden in Lemsterland: de ongehuwde Jantje Jacobs, en de
eveneens ongehuwde Sarah en Jozeph Blok. Als broer
en zus vormden Sarah en Jozeph een huishouden aan de Nieuwburen.
Jantje was een zeer gerespecteerde wijkzuster in de afdeling
Oosterzee-Echten van het Groene Kruis. Ze werd op 19 november
1942 vermoord in Auschwitz. Op diezelfde datum werden in
Auschwitz ook Sarah en Jozeph Blok omgebracht. Op de Joodse
begraafplaats in Tacozijl werd in 1990 een gedenkplaat
geplaatst, dat herinnert aan de periode 1940-1945, waarin de
laatste drie joodse bewoners van De Lemmer werden vermoord.Drie
gingen weg en kwamen niet weerom. Verdwenen, alsof ze nooit
hadden bestaan.
|
 |

Britse Lancaster bommenwerper. |
Jongen in De Lemmer
Als 11-jarige jongen merkte ik niet zoveel
van de oorlog in De Lemmer. Ik zag af en toe wel eens een Duitse
militair, maar het zei me niets. Iedereen ging zijn gang, mijn
grootmoeder stond nog net als voor de oorlog gezellig op de
"bakkers’hoek" met andere vrouwen te kletsen. En ook mijn
grootvader en andere vissers trokken zich weinig aan van het
zogenaamde samenscholingsverbod. Het afweergeschut op de toren
van het stationsgebouw vond ik wel interessant, maar verder zag
ik weinig van de oorlog. Toch gebeurde er van alles. Er werd
verzet gepleegd, er werden joodse medeburgers opgehaald om
voorgoed van de aardbodem te verdwijnen, ik wist dat niet. Ik
zag ook de strepen aan de hemel van de vliegtuigen op weg naar
Duitsland, maar elke dag voeren net als vroeger de vissersboten
de haven binnen en ging ik met mijn grootvader naar de afslag.
In De Lemmer was geen gebrek aan voedsel. Er was bijna altijd
wel vis op tafel en er waren genoeg aardappelen en groenten.
Géén sinaasappelen natuurlijk en ook niet genoeg chocolade. Ik
luisterde met mijn vader, die een radio had verborgen, elke dag
naar Radio Oranje. En door de illegale bladen wist ik precies,
hoever de geallieerden waren opgeschoten na de landingen op de
kust van Frankrijk. Ik hield dat nauwkeurig bij in tekeningen.
En net als de meeste Nederlanders geloofde ik dat we gauw weer
bevrijd zouden zijn van de gehate Duitsers. Uit die berichten
wist ik dat de geallieerden steeds dichterbij kwamen. Ook de
Duitsers wisten dat en ze begonnen voorbereidingen te treffen om
de oprukkende Canadezen tegen te houden. Het voortbestaan van de
NO-polder stond daarbij ook op het spel. Bij De Lemmer hadden de
Duitsers zes vaten met springstof in de dijk geplaatst om
eventueel de polder onder water te kunnen laten lopen. Dankzij
drie Polen in Duitse dienst werd de inundatie niet ten uitvoer
gebracht. Leeuwke Zandstra , die opzichter was op de dijk
Lemmer-Urk en Theo Prins demonteerden de vaten, hoewel ze
helemaal niet deskundig waren op dat gebied. En zo werd de
NO-polder behouden, dankzij drie Polen en twee ondeskundige
Friezen.
De bevrijding van De Lemmer
De Canadese troepen konden in het algemeen op
bijna maximum snelheid Friesland veroveren, de Duitsers voor
zich uit jagend in de richting van de Afsluitdijk. De "Vesting
Holland was voor de Duitsers, cynisch genoeg, nog de enige –
ijdele – hoop. Naar Duitsland vluchten kon niet meer, omdat die
weg afgesneden was door de geallieerde troepen.
De Canadezen wilden vanuit Sneek proberen De
Lemmer te bereiken, maar dat lukte niet, maar via Joure en Sint
Nicolaasga konden ze hun doel bereiken. Toch lukte het de
Duitsers nog bij Woudsend de brug op te blazen, maar de
Scharsterbrug tussen Joure en Sint Nicolaasga bleef behouden
nadat de Canadezen met steun van de artillerie de Duitsers in de
late avond van 16 april met succes in de richting van De Lemmer
hadden laten vluchten. Op 17 april werd De Lemmer ingenomen; de
Duitsers waren toen al over het IJsselmeer gevlucht. En daarmee
was voor het dorp de oorlog afgelopen.