|
In en om de kerk, te Lemmer en Lemsterland.
Als men in de oude kerkboeken rondsneupt, begint men
ongemerkt een vergelijk te maken met de
tegenwoordige tijd. Wat is alles anders geworden,
hoe anders de instelling van de mensen. Hoe anders
de functie van de kerk nou in het leven inneemt, een
hoop taken die vroeger aan de kerk toehoorden, zijn
nu door de burgerlijke gemeenten overgenomen.
De kerk van de Lemmer was één gemeente met Follega
en Eesterga, al heeft Follega een aparte kerk gehad.
In 1683 staat erin dat Follega in ouderling
bevestigd is:
"Sonder eenige opspraak bevestigd in syn dienst"
Maar het was niet na te gaan of dat in Follega
gebeurd is of in de Lemmer. Het zal wel zo zijn dat
Follega en Eesterga een eigen inbreng in de gemeente
van Lemsterland hadden. De kerk had in Follega ook
de plicht de brug te onderhouden, althans voor de
helft, de andere helft was voor de grietman en zo
zal het ook wel met de tol geweest zijn. Zo is erop
10 mei 1825 geschreven:
"Ontvangen van Korn,v.d. Pol de helft van de
dorpstol, van den 1 november tot den 1 mei 1825
waarin door den j.l watervloed gekort is 100 gulden
dus f 284,35".
De watervloed van 1825 is best erg geweest, het hele
Gea heeft onder water gestaan, wat ook te merken was
aan de opbrengsten van de tol. Om zo'n tol te
pachten moest men inschrijven, telkens voor een jaar
de hoogste bieder was de man. De kerken hadden ook
de zorg voor het onderwijs, de meester moest betaald
worden en ook het onderhoud van het schoolgebouw
hoorde daarbij.
In het kerkvoogdijboek Follega 1753-1817 staat:
" Ontfangen by my uyt handen van Cornelis Sjoerds
als administrerende kerkvoogd van Follega, een somma
van drie en dertig gulden aan schooltractement op
alderheilgen 1757 verscheene zijn een half
jaartractement"
Het is haast wel zeker dat de man daarvoor ook de
kachel brandend moest zien te houden.
De kerk die in Eesterga heeft gestaan, is echter
rond 1740 is afgebroken. Op de begraafplaats staat
nog wel een klokkenstoel uit 1617 met wit helmdak
met geschulpte rand en weerhaan. De klokkenstoel is
gemaakt is van bilinga. (is een houtsoort, met een
bijna gouden kleur. Het hout is kruisdradig. Het is
geneigd tot haarscheurtjes. Het wordt soms nog
gebruikt voor zware constructie's in molens en voor
constructies die weer en wind moeten doorstaan zoals
sluisdeuren en palen waar schepen tegenaan kunnen
varen (dukdalven, remmingwerken e.d.). De klok is in
1617 gegoten door Henricus van Meurs.
Een mooi beeld geven de inkomsten en uitgaven - er
was een levende handel van certificaten 1836:
"Verkocht een Russische certificaat van f 1000,-
voor f 947,50,-" Een andere post was het innen van
boete, als ze een boete kregen door één of andere
overtreding dan kwam dit ook aan de kerk ten goede:
"Den 17 februari 1790 van den Heer Andringa wegens
boete bekomende van Oege Anskes" ..." Ao 1711
ontfangst van een schuitenvoerder van booten dat
geld van de officier geordineert was omdat hij op
een zondag hadde gewerkt....."
Verdere inkomsten: Huren van enkele huizen en van
een arm ackertje te Eesterga. Van huur fan het
armelaken of lijkleed. 4 september 1850 ontvangen
van M. R.. Rinkema wegens verhuurde bleekvelden over
1849. Ook de regenwaterbak bij de kerk werd
jaarlijks verpacht: Van Johannes Boulion voor een
jaar pacht de kerkebak, f 31.- in 1806 f 36.5.- in
1807 was in een goed jaar wel f 50.5.-
Het scheen zo te wezen dat arme lui die door de kerk
onderhouden moesten worden, het weer terug moesten
betalen zodra ze weer wat verdiend hadden. Dit was
in 1726: Ontvangen de somma van één honderd twintig
carolius guldens wegens een jaar arbeidsloon,
verdient bij Jan en Claas Geerts op de Lijnbaan.
"Den 25 dito van den Heer Andringa de Oortjesgelden
ontvangen 15.-" De belastingpachters moesten van
elke gulden pachtgeld 1½ cent afdragen aan de kerk
voor de armen, deze 1½ cent cent noemde men een
oortje.
 
Friesland Dubbel duit of oord.
Maar het waren niet alleen maar inkomsten, heel wat
werd uitgegeven aan brood voor de armen. Er moet
destijds een ontzettende armoede hebben geweest, in
1700: "Gegeven aan een arme man, die zijde dat syn
frou tot Oosterzee in de Craam lage, Hij kon
blijkbaar bij de kerk in Oosterzee niet terecht.
Maar er waren ook andere motieven om aan geld te
komen: "Aan een arme man die een monnick geweest was
so hij voorgaf, er stond bij zo hij voorgaf" Het
vertrouwen was blijkbaar niet zo heel groot.
Ook in 1711 werd er al gesproken over moffen: "Van
Jorrit Murks (Joryt Murks afkomstig van Folsgare
gehuwd met Claesjen Jentjes afkomstig van Lemmer)
voor 't gebruik van 't armelaken voor een mof die in
die Lemmer is overleden" Ook in de Lemmer zelf heeft
de overstroming van 1825 veel schade toegebracht:
"18 februari 1825 aan onkosten wegens het herstellen
van graven der kerk behoorende, welke door den
watervloed waren ingestort f 20.55.-", " 15 augustus
1823 uitbetaald aan H. D. Fortuin te Lemmer voor het
maken van een nieuwe kraak in het noorden van de
kerk door hem op 26 maart j.l. bij besteding
aangenomen voor f 659,-".
De heren kerkvoogden waren niet altijd even vlot met
betalen: "15 augustus 1823 de rekening over 1820
betaald voor het maken van twee nieuwe ramen in de
kerk". Voor een predikbeurt " Op de Broek" werd f
8,- betaald ( met de broek werd de preekstoel
bedoelt) Maar "Toontje" krijgen voor het klokluiden
f 8.- dat zal wel niet per keer zijn geweest.
Mr. R. v.d. Berg kreeg voor het "catechiseren met
kinderen op zaterdagavond" f 30.-. 26 augustus 1868
een verzoek van de kerkeraad aan de kerkvoogden om
een consistoriekamer aan de kerk te bouwen. In 1876
een advies naar de gemeente te sturen met het
verzoek om de kermis af te schaffen. Broeder Luiking
antwoord dat dit jaar de kermis wordt beperkt van 8
tot 3 dagen. Dan krijgen wij te maken met doleantie,
het ontstaan van de Gereformeerde kerk
" De predikant had eene kenisgeving van Sipke Idses
Koster, ontvangen dat hij zich van de
kerkgenootschap afscheide en deelde zulks thans ter
vergadering mede. Men nam zulks voor notificatie aan
hopende dat deze eerste afscheiding hier geen
verdere navolging vindt. Maar die wens is niet in
vervulling gegaan, want in 1889 wordt aan kosten
inzake en tijdens de doleantie f 150,- uitgegeven:
Mr. H. Binnerts te Heerenveen ter voldoening van
salarissen en voorschotten wegens de procedure voor
de Arrondissementsrechtbank te Heerenveen inzake de
doleantie.
(De Doleantie is de benaming voor een kerkscheuring
die in 1886 plaatsvond onder leiding van dominee
Abraham Kuyper. Een aantal kerkraden (in totaal zo'n
tachtig personen) braken met het bestuur van de
Nederlandse Hervormde Kerk. Ze noemden zich de
Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerende), hiermee
aangevend dat zij zich zagen als de voortzetting van
de kerk die door koning Willem I de naam Nederlandse
Hervormde Kerk had gekregen)

Dat heeft heel wat problemen gegeven, maar ook de
kleinere problemen hadden de aandacht in 1892: Door
sommige gemeenteleden is de vraag gedaan of het ook
mogelijk zou zijn bij de Hervormde gemeente een
kachel in de kerk te hebben evenals in het naburige
Oosterzee. De felle koude in verband met de
heerschende ziekte doet de behoefte daaraan zeer
gevoelen het kan moeilijk tot verheerlijking Gods
worden geacht zich door kerkbezoek eene
ongesteldheid op de hals te laden.
Maar wat een schril contrast bovenstaande redenatie
is de opgaaf van de kosten van een plek in de kerk.
|
Een mannenplaats |
1e rang |
f 10,- |
|
Een vrouwenplaats |
2e rang |
f
8,- |
|
Een vrouwenplaats |
3e rang |
f 8,- |
|
Een vrouwenplaats |
1e rang |
kwam niet voor |
Dan staat in het boek van 1849 een hele hoop
artikels met instructies voor de organist,
voorzanger, koster en blaasbalgtreder. Zo is er voor
elk kind wat gedoopt wordt een dubbeltje voor de
koster.
"Art. 5. Verder zal de voorzanger na deszelfs
voorlezen en het eerste voorzingen volgens gebruik
de deur van het doophekje moeten digtdoen en wanneer
er voor de predikstoel komen moeten hetzij ter
doopsbediening, hetzij ter huwelijksinzegening,
hetzij eindelijk ter bevestiging in het lidmaatschap
zal hij verpligt zijn de deur van het hekje open te
doen"
"Art. 9. Instructies voor de kerkelijke deurwaarder.
Bij het opsteken, uitdoen en bewaren is hij verpligt
de meeste oplettendheid te gebruiken en het zuinige
daarvan word hem te uiterste aanbevolen en alleen
die kaarsen voor zich te houden, die zelfs achter in
de kerk niet meer kunnen worden gebruikt.
"Art. 4. Hij zal al verder in overeenstemming met de
organist zorgen dat er om en bij het orgel geen
tabak of sigaren worden gerookt en ook zoveel
mogelijk het tabakspruimen trachten te beletten.
Tot besluit een stukje wat bewijst dat de jeugd in
1898 ook al kwajongens streken had
"Aan de Jongelingsvereeniging van de N.H. Gemeente
te Lemmer: Door uw bestuur is niet voldaan aan het
verzoek van de kerkvoogden vervat in hun schrijven
d.d. 2 december wegens vergoeding voor vuur en licht
ten bedrage van f 12.-. Om welke reden kerkvoogden
geen vuur en licht verschaft word. Voor nog tijdens
Uwe vergaderingen in de consistoriekamer ." "Als
gevolg van bovenstaand schrijven is voldaan f 6,-
met de belofte de rest te zullen voldoen, om welke
regel de maatregel tijdelijk is ingetrokken.
De kerk en de floreenplichtigen.
Voordat de scheiding tussen kerk en dorp in 1795
plaats vond, had de kerk een grote invloed op het
dagelijkse leven. De grietman was hoofd der
grieternij doch daarnaast was er de kerk die heel
veel invloed had.
De floreenplichtigen van Lemmer, Eesterga en Follega
b.v. dat waren de bezitters van onroerende goederen,
hadden het beheer over openbare lichamen zoals de
Zeesluis, de Zijlroede en de begraafplaatsen en
scholen te Follega en Eesterga en tevens over het
voet en wagenpad, thans Rijksstraatweg, langs
Follega en Eesterga naar Doniawerstal.
Uit de floreenplichtigen werden de kerkvoogden
benoemd omdat deze vaak zeer nauw verwant waren aan
het grootgrondbezit.
De familie van Andringa de Kempenaer hier in Lemmer
heeft in de eerste helft van de de 19e eeuw bijna
alle grond tussen Zijlroede Lemster Brekken,
Folfegasloot en de Rien in bezit gehad en had
daarmee een overwégende invloed in de kerkelijke
aangelegenheden.
Het stemrecht was bepaald naar de grootte van het
eigendom en zo is het te verklaren, dat thans nog de
begraafplaatsen van Eesterga en Follega onder beheer
staan van de kerkvoogden van Lemmer, Eesterga en
Follega. Ook de school in laatst genoemd dorp is
eens onder beheer der kerk geweest, eveneens de
Lemsterzijl later Lemstersluis en de tolheffing
daarop met die door en over de Follegabrug. De
Lemsterzijl als doorvaartsuis is meer dan twee
eeuwen in beheer geweest bij de floreenplichtigen,
die door het heffen van tollen inkomsten verkregen,
waardoor de onder het beheer van kerkvoogden staande
goederen konden worden onderhouden.
Bij eventuele tekorten moesten floreenplichtigen
bijspringen. Dit zal uitzondering zijn geweest,want
de leden van de familie van Andringa de
Kempenaer zijn steeds grote voorvechters geweest
voor het behoud van de Lemsterzijl.
Ruim een eeuw geleden heeft de provincie alles in
het werk gesteld om de Zijl in handen te krijgen en
daardoor meer toezicht op onderhoud en beheer omdat
het hier een zeewerend waterschap betrof. Ook wilde
men graag enig inzicht hebben in de opbrengst der
tollen Dit is een grote moeilijkheid geweest,want de
baten gingen naar de floreenplichtigen, die allen
particulieren waren en daardoor kreeg de provinciale
overheid geen inzicht.
De algemene begraafplaats, te Lemmer heeft tenslotte
uitkomst gebracht. De familie van Andringa de
Kempenaer werd als eigenaar van deze grond een zeker
bedrag uitgekeerd.

Dit sloeg men om en men berekende naar de grootte
van de totale oppervlakte de netto opbrengst van de
tollen.
Dit is aanleiding geweest, dat de provincie heeft
ingegrepen. De floreenplichtigen gingen hiermee niet
akkoord en het gevolg was dat tegen een besluit van
Prov. staten protest werd aangetekend. De Staten
wilden meer zeggenschap omdat het recht van
tolheffing bij Koninklijk Besluit was verleend. De
staten eisten meer zeggenschap in de winstdeling en
daarom moesten kerkvoogden als vertegenwoordigers
van de floreenplichtigen hun rechten overdragen aan
een college, waarin Ged. Staten hun zienswijze
konden doen gelden.
Bij besluit van Prov. Staten werd een waterschap in
het leven geroepen, doch de onderhoudsplichtigen
gingen tegen dit besluit in beroep bij de rechtbank.
Het recht van beheer over de voormalige
patroonsgoederen bovengenoemd is toen tot in
hoogste instantie uitgevochten en tenslotte hebben
de floreenplichtigen zich bij de nieuwe beheersvorm
moeten neerleggen.
Omstreeks 1870 is het verzet der floreenplichtigen
opgeheven, en het waterschap De Lemstersluis tot
stand gekomen. Met medewerking van Rijk, Provincie,
Gemeente en de waterschappen. De Lemstersluis en De
Zeven Grietenij en Stad Sloten is in l884 een geheel
nieuwe doorvaartsluis gebouwd in de strijd tegen het
zeewater en tevens een nieuwe beveiliging om Lemmer
gelegd. Tot 1952 is het waterschap De Lemstersluis
een zelfstandig waterschap geweest, toen werd het
opgeheven en onder beheer van de gemeente gesteld.
Het waterschapsbestuur heeft tegen deze opheffing
geprotesteerd en het heeft nog enkele jaren geduurd
aleer de gemeente het beheer kon overnemen. Dat was
eerst in het voorjaar van 1958. De gemeente was met
deze overname niet bepaald gelukkig, doch haar bleef
geen kans.
Het onderhoud was de laatste jaren verwaarloosd en
er zijn belangrijke kosten nodig geweest om sluis en
havenwerken in een zodanige staat te brengen, dat
het geen schande voor Lemmer als zeehaven aan het
IJsselmeer zou zijn.
Bij de instelling van Lemstezijl tot Lemstersluis
hebben de floreenplichtigen één winstpunt behaald.
Ze hebben bij de overdracht bedongen, dat de
toekomstige ingelanden van het waterschap geen
lasten zouden behoeven op te brengen om onderhoud
e.d. te bekostigen. Dit is hun toegekend waarbij men
is uitgegaan van het principe, dat alle kosten uit
de opbrengst der tollen moest worden bekostigd.
Dat is de reden dat eigenaars van onroerende
goederen, welke gelegen zijn in het vroegere gebied
van de floreenplichtigen van Lemmer, Eesterga en
Follega van het heffen van waterschapsbelasting zijn
vrijgesteld geworden.
Vanzelfsprekend geldt deze vrijstelling niet voor
ingelanden van het boezemwaterschap de
Lemsterpolders, dat in 1877 tot stand is gekomen en
o.m. belast is geworden met de waterkeringen rond
deze polder.
Tevens zijn als gevolg van de scheiding tussen dorp
en kerk ook andere onderhoudswerken overgedragen. Zo
is het onderhoud van het Dok, Zijlroede en
Follegasloot aan de gemeente overgegaan met inbegrip
van het recht tot verpachting van het viswater in
dit gebied.
Met de aanleg van de Straatweg langs Eesterga en
Follega in 1845 is de verplichting tot onderhoud van
het voorheen daarliggend voetpad door het Rijk
overgenomen en eveneens het onderhoud, van de
Follega-brug benevens het recht van tolheffing dat
voordien berustte bij de kerkvoogden van Follega
voor de ene helft en voor de andere helft bij de
erven van de familie van Andringa de Kempenaer.
De invloed van de fam van Andringa, later van
Andringa de Kempenaer is in de aangelegenheden der
kerk zeer groot geweest. Dit geslacht heeft rond
twee eeuwen in de gemeente de scepter gezwaaid als
grietman en had tevens in Follega en Eesterga veel
gronden in bezit.
De floreenplichtigen benoemden kerkvoogden en de
president kerkvoogd was doorgaans de grietman die
als de grootste stemgerechtigde Kerk en samenleving
naar zijn hand kon zetten.
Het benoemen van een predikant bijv dat tot de taak
van Heren kerkvoogden behoorde, kon geen voortgang
vinden aleer de douairière van Andringa haar oordeel
had uitgesproken, waartoe de te benoemen predikant
zich bij haar diende te presenteren. Zo geschiedde
het in ieder geval bij het benoemen van ds. Lorgion
in 1805 die van Lunteren naar Lemmer kwam. Voor het
overbrengen van de beroepsbrief werd iemand
aangezocht die dagen onderweg is geweest. Voor
overnachtingen en andere kosten werd 30 goudgulden
betaald terwijl het predikantstraktement 60
goudgulden per jaar bedroeg.
Deze predikant overleed in 1821 en ligt met zijn
vrouw op de begraafplaats te Eesterga begraven. Hij
was tevens oprichter van het plaatselijk
nutdepartement
 
Friesland Goudgulden.
Willem Muurling werd den 27sten April 1805 geboren
te Bolsward. Zijne ouders, Jochem Muurling en
Wiepkje de Haas, behoorden tot den eenvoudigen
burgerstand. Omtrent den vader zijn mij geene
bijzonderheden bekend; hij stierf op jeugdigen
leeftijd, den 26sten October 1808. De moeder was
eene degelijke en vrome vrouw, innig gehecht aan
hare kinderen, gelijk dezen aan haar. Toen zij een
tweede huwelijk had aangegaan, met den Heer Deinum,
werd haar zoon Willem opgenomen in het huis zijner
grootouders, Willem Muurling (overl. 20 Januari
1827) en Anna Oosting (overl. 29 Juli 1826), die aan
de Lemmer gevestigd waren. Hij toonde al vroeg meer
dan gewonen aanleg en zou daarom worden opgeleid
voor onderwijzer. Doch de toenmalige predikant van
de Lemmer, J.J. Lorgion - vader van den lateren
Groningschen hoogleeraar E.J. Diest Lorgion -
ontdekte in hem den lust en de geschiktheid om
Evangeliedienaar te worden, en verklaarde zich
bereid hem daarin behulpzaam te zijn. Straks, het
was in 1819 of in de eerste maanden van 1820, begon
hij hem les te geven in het Latijn en ging daarmede
regelmatig voort. Doch op den duur was dat onderwijs
niet voldoende. In 1821 werd dus de jonge Muurling
opgenomen onder de leerlingen van de Latijnsche
school te Bolsward, welker toenmalige Rector S.W.
Schippers een zeer bekwaam man was. Weldra werd het
hem duidelijk, dat zijn nieuwe discipel onder de
leiding van Ds. Lorgion aanvankelijk goede
vorderingen had gemaakt en met grooten ijver bezield
was. Het werd daarom onnoodig gekeurd, dat hij zijn
tijd op de school uitdiende: in het voorjaar van
1823 had hij het zóo ver gebracht, dat de Curatoren
en de Rector besloten, hem nog in datzelfde jaar tot
de Academische lessen te bevorderen. Doch om te
kunnen studeeren moest hij, bij gemis van eigen
middelen, worden geholpen. De Curatoren en de Rector
deden wat zij konden, om Muurling's pogingen bij de
Beheerders van theologische studiebeurzen te laten
slagen.
Eesterga-Fries: Jistergea.

Kerk in Eesterga 1703.
De Herv., die hier ruim 110 in getal zijn, behooren
tot de gem. Lemmer-Follega-en-Eesterga, welke hier
eertijds eene kerk had, ruim 1/4 u. van de Lemmer af
staande. De juiste tijd, wanneer dit gebouw werd
afgebroken, is niet met zekerheid bekend, doch
waarschijnlijk is dit geschied in 1740 of eenige
jaren later. Het kerkhof, hetwelk nog aanwezig is,
dient bij voortduring tot begraafplaats. Men vindt
daarop eene overdekte klok (uit 1617 die gemaakt is
van bilinga), een zoogenaamd klokhuis, gelijk men
meer op kleine plaatsen in de provincie Friesland
aantreft, waarmede gedurende de
begrafenisplegtigheid geluid wordt. De R. K., van
welke men er 16 aantreft, worden tot de stat. van de
Lemmer gerekend.
Zo schrijft A.E. Klijnsma in zijn boek; in kuijerke
troch it forliene, (1975) er het volgende over.
.....In de bocht van de Straatweg staat de
klokstoel, met een kerkhof. Ook heeft hier tot in
het laatst van de 18e eeuw een kerkje gestaan, dat
met het kerkhof het centrum van het dorpje is
geweest. De zegswijze: waar een kerk wordt gebouwd,
zet de duivel er een "zuiphuisje" naast, gaat ook
voor Eesterga op. Naast het kerkhof staat het Hof
van Holland, dat nog in de eerste jaren van deze
eeuw een herberg was. In de Franse tijd wordt de
herberg, met dezelfde naam ook al genoemd. Toen liep
er nog een voetpad langs, dat in 1845 een verharde
rijweg werd. De kerk wordt in 1773 nog gebruikt voor
een stemming voor de landdag, terwijl in 1804 de
stemming voor twee volmachten voor " De zeven
Grietenijen en stad Sloten" voor de dorpen Eesterga
en Follega. Hieruit zou men haast mogen afleiden,
dat de kerk tussen 1773 en 1804 is afgebroken. In de
klokstoel hangt een klok met het opschrift:
Soli Deo Gloria.
Henricus Meurs me fecit 1617
(Aan God alleen de eer Henricus Meurs heeft me
gemaakt)

Klokkenstoel met helmdak voor een noodzakelijke
restauratie op de begraafplaats van Eesterga.
Klokkenstoel Eesterga, Gemeente: Lemsterland. Adres:
Kerkhof aan de Straatweg tussen nummer 1 en nummer
3, 8534 WB Eesterga Eigenaar: Ned. Herv. Gemeente
Lemmer
Monumentennummer: 25777
Materiaal stoel: Bilingahout
Kleuren stoel: Stoel groen met witte kap
Type kapvorm: Helmdak met weerhaan
Dakbedekking: Gepotdekselde planken
Bouwjaar stoel: Eerste vermelding voor 1720
Fundering: Betonklippen
Luidsysteem: Vliegende klepel
Wordt geluid bij: Begrafenissen en hoogtijdagen
Gietjaar klok: 1617
Gegoten door: Henricus Meurs
Diameter klok: 65 cm
Gewicht klok: 200 kg
Afgaande op dat jaartal heeft deze klok ongetwijfeld
vroeger in de kerktoren gehangen. Ook het kerkhof
getuigd van een hoge ouderdom. Aan de westkant ervan
liggen vier grafzerken uit de eerste helft van de
17e eeuw (Volgens opschriften uit 1608, 1623, 1633
en 1638). Voorts vindt men op het kerkhof nog een
grafsteen die dateert van 1821 en die het graf dekt
van Johannes Jacobus Lorgion, gestorven op 10
december 1821 in de ouderdom van 49 jaar. (Joh. Jac.
Lorgion was gehuwd met Jacoba Diest , die ook in
1821 overleed. Zij zijn beiden begraven te Eesterga.
Hun zoon Evert Jan Diest Lorgion, hier geboren, was
hoogleraar in de Theologie te Groningen.)
Daarnaast ligt de steen van zijn vrouw Jacoba Diest,
gestorven op 2 juli 1821 in de ouderdom van 53 jaar
en vier maanden. Deze Lorgion was Hervormd predikant
te Lemmer. Hij was medeoprichter van het departement
Lemmer van de Mij tot nut van het Algemeen, en was
de eerste voorzitter. Een zoon van deze dominee
noemde zich later Diest Lorgion Diest Lorgion, Evert
Jan (1812-1876), Hoogleraar Geschiedenis en Kritiek
van de boeken van het Ouden en Nieuwe Testament,
Bijbelse Godgeleerdheid, Patristiek, Kerkelijke
Geschiedenis van Nederland en Christelijke Zedeleer
1860-1876 )
Het kerkhof is aanvankelijk in onderhoud geweest bij
de floreenplichtigen van de kerk van Eesterga en
later bij die van Lemmer, Eesterga en Follega. Heden
ten dage ligt de onderhoud plicht nog bij de Lemster
kerk, die het graf van ds. Lorgion geregeld
verzorgt. Naar mij is verteld, wordt ook het graf
van Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer door de
Lemster kerk verzorgd. Jhr Wilco was tot 1851
grietman van Lemsterland en stierf op 20 februari
1873. Hij was de eigenaar van een aantal boerderijen
in Eesterga en Follega en had een groot aandeel in
de Lemstersluis en de kerk.
Zijn laatste wens was om op het kerkhof tussen zijn
boeren de eeuwige rust in te gaan. In het graf
ernaast ligt Tjallinga Aurelia Wilhelmina Camstra
baronesse thoe Schwartsenberg en Hohelansberg,
douairière R.L. van Andringa de Kempenaer, die op
10 februari 1857 in Leeuwarden is overleden. Zij was
de grootmoeder van Jhr. Wilco van Andringa de
Kempenaer.
Ook is op het kerkhof de laatste rustplaats van
Folkert Johannes Witteveen, geboren te Metslawier,
die samen met Bauke Poppes garde d'honneur
(erewacht) is geweest onder Napoleon. ( Kortestreek
27/ 28 Lemmer: Het is in de vorige eeuw bewoond
geweest door de huisarts Folkert Witteveen, die in
1811 tot de gard'honneurs behoorde van Napoleon. Ook
woonden in het huis enkele kantonrechters.)
Jarenlang was hij arts in Lemmer en hij is daar
gestorven op 12 oktober 1886.
Echtenerbrug-Echten-Ychtenbrêge-Ychten.

Kerk te Echten. De pastoor van Echten heer Nicolaas,
ging in 1580 in ballingschap.
De Herv., die hier nagenoeg 700 in getal zijn,
bezitten eene eigene kerk, met spitsen toren, en
hebben met het nabijgelegene d. Oosterzee eenen
Predikant. In de kerk aldaar ligt begraven Jonkheer
Antoon Anne van Andringa de Kempenaer, in der rijd
Grietman van Lemsterland, en Lid van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, † te 's Gravenhage, in Junij
1825. - De R. K., van welke men er ongeveer 30
aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer.
GESCHIEDENIS VAN DE
NED. HERV. KERK TE ECHTEN.
(Korte geschiedenis
van het dorp)
In de oude kronieken
wordt Echten al in de 13e eeuw (1245) genoemd. Het
kwam voor onder de naam Aatne. Later, in de 14e
eeuw, wordt het Echene genoemd. Nog weer een eeuw
later, in 1511, is het Echtna geworden. Ook wordt
het dan wel Echtelen genoemd. Om een verklaring voor
deze naam te geven is tamelijk moeilijk, daar men
niet goed weet of men de achtervoegsels, de e of de
a, met de waternaam ee of ie in verband moet
stellen. Vermoedelijk zullen deze letters verband
houden met het water of het veen, omdat in Drente
een gelijke dorpsnaam voorkomt, n.1. in het
veengebied bij Ruinen. Het voorste deel wil men,
volqens bepaalde bronnen van Duitse oorsprong,
zoeken in de persoonsnaam Aegt of Egt, hetgeen trouw
betekent. De een of andere familie zou dus zijn naam
aan dit dorp gegeven kunnen hebben. Het uitgestrekte
Echterveld en het Oostzingerveld, dat later
tientallen jaren lang de veenarbeider een schamele
boterham verstrekte, zijn door de tijden heen door
de boeren ontgonnen. Dit land werd op oude kaarten
aangegeven als "altemaal laag hooiland". Het was
slechte grond, daar het dikwijls door het zoute
zeewater overstroomd is geweest.
Zo wordt in de kronieken vermeld, dat het
westelijker gelegen dorpje Bant door de zee geheel
werd verzwolgen toen in 1702 de zeedijk bij de
monding van de Tjonger en Linde door brak en de zee
het zuidelijkste deel van het Echter- en Oosterzeese
veld in bezit nam, omdat het jarenlang aan hoge
getijen bloot lag. Schotanus à Sterringa vermeld op
zijn kaart "een verlaaten land" en "een
doorgebroocken dijk ..... nu verlaaten", en geeft
tevens de nieuwe dijk aan, welke dit gebied tot
buitendijks land maakte. Een jaartal dat vooral
berucht is geworden is het jaar 1825, toen de
februari-stormvloed op drie plaatsen tussen Lemmer
en Schoterzijl door de dijk brak en met geweld over
de lage landerijen stormde. Veel ingezetenen van
Echten hadden toen geen onderkomen meer. De bewoners
van de Z.g. turfketen waren alle dakloos, omdat deze
door de vloed waren weggevaagd.
Deels zijn deze mensen
toen bij particulieren en in kerk en school
ondergebracht. A"een in de kerk te Echten al, vonden
63 personen onderdak. Het turfgraven begon omstreeks
1800 en omvatte een gebied dat ten noorden werd
begrensd door het Tjeukemeer, ten zuiden door de
Tjonger, ten westen door de zeedijk naar Kuinre en
ten oosten door de Pier Christiaansloot. Aan dit
vaarwater is geleidelijk aan de kern Echtenerbrug
ontstaan. De Pier Christiaansloot, in werkelijkheid
de Pier Kerstenssloot, is genoemd naar de vader van
de vroegere grietman Kerst Pierz, die grietman was
van de gemeente Lemsterland, omstreeks 1540. Deze
vaart, welke de verbinding vormt met Overijssel en
Drente, zal gegraven zijn voor de turfvaart en
tevens als scheepvaartverbinding. Voor de turfafvoer
was de kop van Overijssel van zeer groot belang. De
brug over deze vaarweg is steeds een tolbrug geweest
en in onderhoud bij de kerkvoogden van Echten. Later
is ze overgegaan aan de gemeenten Lemsterland en
Schoterland, nu Haskerland, welke gemeenten
momenteel ieder voor de helft het onderhoud en
dergelijke dragen. Het toltarief was: "ieder schip
van het meer in de Kuinder was een halve stuiver
verschuldigd en van de Kuinder in het meer
anderhalve stuiver. Die er onder door konden varen
dezelfde tollen, na zonsondergang dubbele tol. De
tol van paarden en vee ieder een stuiver, de honderd
schapen 16 stuivers, de honderd varkens 16 stuivers
en van ganzen 2 penningen". Deze tollen zullen vrij
wezen voor de ingezetenen van Delfstrahuizen,
Echten, Oosterzee, De Lemmer en het oosteinde van
Sloten.
De veenderij is, zoals
al eerder genoemd, de vorige eeuw een belangrijke
bestaansbron geweest. Het waren niet alleen de eigen
arbeiders, die hier hun boterham verdienden, maar ze
kwamen ook van elders, zoals onder anderen uit
Westfalen. Reeds in 1767 is men begonnen een deel
van het veengebied "aan te steken". Uit een in 1809
op verzoek van de overheid gevraagde inlichting,
werden de eigenaren van aangestoken veengronden
genoemd, in totaal 38 klein en groot, terwijl
daarnaast er nog 14 personen eigenaar van klein land
waren. De prijs van Sponturf was in 1819 per ton 7
stuivers en baggelaar 8 à 81/2 stuiver. Deze turf
werd het meest naar Amsterdam verscheept. Het ging
in de veenderijen niet altijd even gemoedelijk toe.
Er was veel ontevredenheid, omdat met hard werken en
lange dagen een zeer sobere boterham kon worden
verdiend. Bovendien gaf de veenderij maar een deel
van het jaar werk, zodat men 's winters andere
bezigheid moest zoeken. Daarin slaagde men doorgaans
zeer slecht en de nachtbedelarij door mensen ook van
buiten de gemeente, heeft meer dan eens
ontzaggelijke vormen aangenomen. Ook werkstakingen
bleven niet uit en deze stakingen, o.a. in 1874 en
1881, toen beter bekend onder de naam "bollejeijen",
heeft meer dan eens geleid tot het zenden van
militairen, om de rust te handhaven of te doen
wederkeren. Uit een officieel schrijven is bekend
dat in 1886 in deze gemeente werkzaam waren 104
Nederlanders en 22 vreemdelingen. Het arbeidsloon
bedroeg toen per dag f 1,75.
DE KERK.
Over het kerkgebouw in
Echten is weinig te vertellen, daar in de nog
bestaande kerkelijke archieven weinig of niets is te
vinden. Bekend is dat de kerk voor het eerst in het
jaar 1245 in de historische bronnen voorkomt en men
kan dus stellen, dat Echten reeds in de 13e eeuw een
kerk bezat. Over de juiste bouwdatum is niets
bekend. De kerk was gewijd aan de Heilige St.
Laurentius en was waarschijnlijk een zusterkerk van
die van Oosterzee. Opvallend is dat het kerkje, dat
geen toren bezat, maar wel een klokketoren, één van
de weinige gebouwen is die aan de zuidkant van de
weg is gebouwd. Deze weg ligt op een soort rug en
gaf aan de bewoners een natuurlijke bescherming. Op
zeer oude kaarten komt deze weg al voor en wordt op
die van 1698/1718 "rydwech na 't Heerenveen en de
Joure" genoemd. Langs deze weg en dan voornamelijk
aan de noordkant vestigden de mensen zich. De kerk
gaf, door zijn hogere ligging, onderdak aan heel wat
mensen en vee in geval van overstromingen enz ..
In de 17e eeuw, wellicht met geldelijke steun van
het kerkelijk centrum in Haarlem, kreeg de kerk een
grondige restauratie en werd enigszins veranderd. De
muren werden omgemetseld en men bracht
pilasterstellingen aan. De kerk schijnt in de 18e
eeuw voorzien geweest te zijn van ramen met
gebrandschilderd glas, wat blijkt uit een
advertentie in de Leeuwarder Courant van 29 juli
1758. Hierin beveelt een Thomas Gongrijp te Sneek
zich aan voor glasschilder-brandkunde. In dezelfde
courant van 16 augustus d.a.v. attendeert een IJpe
Staak te Sneek hierop en zegt, dat de advertentie
van Gongrijp een misleiding inhoudt, omdat de aloude
glas- en schilderbrandkunst bij zijn voorouders meer
dan 100 jaar hebben geëxcerseert, waarvan 20 jaar
bij hem. Zijn werk kan worden bezichtigd o.a. aan
een kerkraam te Echten. Tot in de 1ge eeuw is de
kerk zonder toren gebleven. Volgens een steen in de
huidige toren is deze gebouwd in 1876. De onderbouw
is vierkant en opgetrokken van baksteen. De stenen
voet is afgedekt door een overstekende natuurstenen
lijst. Hierna volgt een achtkantige houten
bovenbouw, bekleed met leien, waarna de toren zich
toespitst. Deze is ook met leien bekleed.
Architectenbureau F.
Kroes Lemmer. 1978.
LC-01-02-1954:
Geref. kerk te
Echtenerbrug werd door brand verwoest.
Door nog niet met
zekerheid vast te stellen oorzaak, brak in de nacht
van Zaterdag op Zondag brand uit in de
Gereformeerde kerk te Echtenerbrug. Het gebouw stond
in een minimum van tijd in lichter laaie en de
spoedig ter plaatse zijnde brandweerploegen van
Echten en Lemmer waren dan ook niet meer in staat
het voor een totale verwoesting te behoeden. Goed
werk hebben ze echter wel gedaan. De kerk staat
namelijk in de kom
van het dorp en het overslaan van het vuur op de
dichtbij gelegen huizen was verre van denkbeeldig.
Dat dit niet is gebeurd is te danken aan ’t resolute
optreden van de gemeentelijke brandweer. Trouwens
het feit dat er vrijwel geen wind stond speelde de
mannen in de kaart.
Ook de brandweer van
Heerenveen verscheen ter plaatse met een
hoge-druk-mistspuit en een ladderwagen. De mistspuit
deed voortreffelijk werk. Men vermoedt dat het vuur
is ontstaan in de rookleidingen van de pas in
gebruik genomen hete-lucht-verwarming. De juiste
oorzaak is echter nog niet bekend. Het gebouw was
verzekerd. Na de brand die half vier ’s nachts
uitbrak en ’s morgens half negen was bedwongen
leverde de kerk een troosteloze aanblik op.
Grote IJspegels hingen
aan de geblakerde balken en de gebroken ruiten. Het
haantje van de torens lag als een stuk oud roest
tussen de as van de weggebrande vloer, die op het
half bevroren bluswater dobberde. Boven de kale nog
rechtopstaande muren, welfde zich een helder blauwe
lucht het dak was verdwenen. Een verwoest bedehuis;
een dakloze gemeente....
Eigenlijk heeft
Echten-Echtenerbrug, twee dakloze gemeenten want ook
de
Nederlands Hervormden vergaderden tijdelijk in dit gebouw. Hun kerk wordt namelijk opgeknapt en is dus niet geschikt om
voor de diensten te worden gebruikt. Vandaar dat de mensen van Echtenerbrug,
Zondag niet ter kerke togen overigens in
tegenstelling met de verwachtingen, want
het was een zeer bijzondere dag. De Gereformeerde predikant ds M. Vlaming zou
namelijk in verband met z’n vertrek naar
Gouda een afscheids-predikatie houden.
Het ging niet door, zoals het vertrek zelf
voorlopig ook niet zal doorgaan. Dominee
Vlaming blijft nog een poosje in Echtenerbrug, om alle moeilijkheden die door de
brand zijn ontstaan mee uit de weg te
ruimen.

Na de brand een
troostelijke ruïne.

Kerk te Echten.

Kerk te Echten.

Kerk te Echten.

Foto
van
Hillebrand Visser: Echten,
St. Laurenskerk.

Kerk te Echtenerbrug.
Bantega-Bantegea.
V.E.G. Bantega - Geschiedenis

Klokkenstoel Bantega. In Bantega dat ontstond als de
veenkoloniale nederzetting Echtenerpolder is het
kerkhof met de nog jonge klokkenstoel (1923,
gerestaureerd in 1973), met een klok uit 1948 en een
weerhaan op het schilddak.
Oosterzee-Eastersee.

Kerk in Oosterzee. In 1543 werd de vicarus Frans van
Oosterzee verbannen.
De Herv., die hier 900 in getal zijn, behooren tot
de gem. van Oosterzee-en-Echten, die hier eene kerk
heeft. Dze kerk, die eenen fraaijen spitsen toren
plagt te hebben, welke reeds van overlang vervallen
is, staat landwaarts in, aan den westkant van den
rijweg, van Heerenveen naar de Lemmer, waar langs
ook bijna alle de huizen aan den noordkant zijn
gebouwd. De kerk zelve, een langwerpig vierkant
gebouw, 22 ell. 6 palm. lang, en 9 ell. 4 palm.
breed, is in 1706 gebouwd, nadat de vorige, welke
van eenen geheel anderen bouwtrant was, door eenen
harden wind was ingestort. De predikstoel staat in
het midden, hoewel hij beter aan het oosteinde zoude
geplaatst zijn. De nette koepelvormige toren is in
1798, ter vervanging van eenen klokkenstoel, welke
er destijds bestond, op de kerk geplaatst. De
eerste, die in deze gemeente het leeraarambt heeft
waargenomen, is geweest Antonius Nicolai, die hier
spoedig na de Hervorming was, en welligt niet in
vaste dienst, maar ter leen.
De Doopsgez., die er 4 in getal zijn, behooren tot
de gem. van Joure. - De 16 R. K., die er wonen,
behooren tot de stat. van de Lemmer. - De school
wordt gemiddeld door een getal van 90 leerlingen
bezocht.

Kerk te Oosterzee.

Kerk te Oosterzee.
Delfstrahuizen-Dolsterhuzen.
De Herv.,die hier wonen, behooren tot de gem. van
St. Jansga-en-Delfstrahuizen, welke ook hier eene
kerk heeft. - De R. K., die men er aantreft, worden
tot de stat. van Heerenveen gerekend. De eerste, die
alhier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest
Theodorus Johannes de Bever (de Beveren), die voor
het jaar 1619 herwaarts kwam, en in het jaar 1625
naar Noordwoude, in Groningerland vertrok.
(Hy heeft eerft te Groningen, en vervolgens te
Leyder geftudeert, daar hy zig voomamentfyk aan het
onder wys van den beroemden Weffelms overgav. Zyne
eerfte ftandplaats was Schellinghout onderde Claffis
van Hoorn, daar hy in 't Jaar 1729. in de plaats van
zyn Broeder Antonius Wilhelmus beroepen, en door
Zynen Vader beveftigt wiert. Van daar wiert hy in
Mey ï 731. beroepen te Schip luyde, onder de Claflis
van Delvt. Daar hy mede door Zyn Vader beveftigt
wiert. Van daar wiert hy 17 Oótober 1734. beroepen
te Vlissingen in de plaats van Jacobus Andriesen, er
den 12 December daar aan beveftigt. Hy is by groot
en kleyn onder ons Zeer bemind geweeft. Zyn talent
was toen zeer kort, maar klaar, te prediken, 't geen
hy met zeer aangename gaven)
Op 4 mei 1908 is de eerste steen gelegd voor de
hervormde kerk in Delfstrahuizen. Vier maanden later
op 6 september is de eerste kerkdienst gehouden in
de nieuwe kerk. Dit is zondag 18 mei gevierd met een
feestelijke herdenkingsdienst.
De kerk in Delfstrahuizen die altijd viel onder de
Hervormde Gemeente St.Johannesga werd tot ca. 1945
geleid door een godsdienstonderwijzer. Van 1945 tot
1972 was er zelfs een eigen predikant. Er is nog
steeds elke zondag een dienst voor een 35-tal
kerkgangers. Met vier kerkenraadleden is
Delfstrahuizen nog steeds ‘zelfvoorzienend’ binnen
de hervormd gemeente St. Johannesga. Voormalig
godsdienstleraar Jan Dokkum ligt begraven op de plek
waar de preekstoel van de oude kerk zich bevond. Hij
overleed in 1913, maar zijn grafsteen is nog intact.

Interieur kerk Delfstrahuizen.

Foto's boven en onder van
Hillebrand Visser:
Hervormde kerk
Delfstrahuizen. Deze kerk heeft de overgrootvader
van Hillebrand Visser gebouwd.


Bron: LC.
Follega-Follegea.

De Herv., die hier 200 in getal zijn, behooren tot
de gem. van Lemmer-Eesterga-en-Follega. Zij hadden
er vroeger eene kerk, doch deze is in de zeventiende
eeuw afgebroken, zoodat er thans niet meer dan een
klokkenstoel bestaat. (In Follega heeft tot in de
18de eeuw een kerk gestaan waar nu, wat achteraf
gelegen, het kerkhof (met een baarhuisje met
sierlijke dakranden) met een klokkenstoel (vernieuwd
in 1984) en een klok uit 1596 (Peter van den Ghein)
die hangt onder het witte helmdak met weerhaan. In
1548 leerde de pastoor van Follega zijn gemeente dat
men geen heiligen moest aanroepen en dat het 'geestelycke
hourerye' was om kaarsen voor heiligen in de kerk te
ontsteken, zonder met de naaste verzoend te zijn. De
pastoor van Follega Sixtus Bauckonis werd in 1549
veroordeeld tot een studieverblijf aan de
universiteit van Keulen of Leuven).
De R. K., van welke men er 25 aantreft, worden tot
de stat. van de Lemmer gerekend. Er schijnt in de
nabijheid der Follegabrug vroeger ook eene R. K.
kerk te hebben gestaan, welke voor ruim 80 jaren
moest zijn afgebroken. De dorpschool wordt gemiddeld
door een getal van 70 leerlingen bezocht.

Klokkenstoel te Follega.

De Gereformeerde Kerk te Lemmer.

De Gereformeerde Kerk te Lemmer.

Het kerkje "op 't Ein" op 't Turfland te Lemmer.
‘It lytse tsjerkje op it ein’. Het is een begrip in
Lemmer. Het is het gebouwtje van de Gereformeerde
Gemeente. Maar sinds 8 september 2002 zijn de deuren
zondags dicht. De kerkelijke gemeente is na 123 jaar
opgeheven. In tien jaar tijd daalde het ledental van
de strengreformatorische gemeente van 176 naar 41
nu. Er waren bij de laatste telling nog 29 leden en
12 doopleden. Een eigen predikant had de gemeente
sinds 1909 niet meer. Gastpredikanten, studenten en
ouderlingen gingen sindsdien voor in de gemeente.
Minne Brouwer was tot het laatst de enige ouderling
van de gemeente. 35 jaar zat Minne Brouwer in de
kerkenraad als ouderling en daarvoor was hij ook
diaken. Over de uiteindelijke opheffing is drie keer
vergaderd door de gemeente. De eerste keer was in
2000. Twee maal besloten de leden om door te gaan,
ondanks het kleine ledental. ,,Bij de derde keer was
de meerderheid vóór opheffing. Een moeilijk besluit
omdat daarmee een stuk geschiedenis zou verdwijnen.
Op 8 september zat het kerkje ‘op it ein’ voor de
laatste keer vol. Ds Vreugdenhil preekte over de
tekst uit Hebreeën 13:14: ‘Want wij hebben hier geen
blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende’. Het
Woord gaat verder, God is niet aan een plaats of
tijd gebonden, was de bemoedigende boodschap. De
oude boeken van de kerk, zoals bijbels,
catechismusboeken en preekgeschriften zijn onder de
gemeenteleden verdeeld. De collectestokken werden
verloot. Verder is de kerk nog geheel in oude staat.
Het doopvont en het avondmaalsstel staan er nog.
Home |