Terug
Kantongerecht.
Vervolg:
Jacob H. schippersknecht en
Lammert D. timmerknecht, beiden te Idskenhuizen,
maakte op Zondag 12 Juli een rijwieltochtje naar
Huisterheide. In die omgeving in de bosschen te
vertoeven is een werkelijk genot, waar ook
beklaagden wenschten te genieten. Echter is het
verboden en door waarschuwingsborden duidelijk
aangegeven, per rijwiel door de bosschen te
gaan.
Toen dan ook de boschwachter het tweetal op
overtreding van dit verbod betrapte, volgde een bekeuring. Bkl. D. beroept zich er op, dat hij aan het verbod niet
gedacht had en aan de andere kant van het bosch waren geen
borden geplaatst. H. is niet verschenen.
Het O.M. eischt tegen bekl. H.
f 2,- boete
sub. 2 dagen hechtenis; tegen D. die nog minderjarig is f
2,- of 7 dagen tuchtschool. Overeenkomst deze eisch worden
beklaagde door den kantonrechter veroordeeld.
_o_
Menze ten W. van
een boerenbedrijf te Ruigahuizen verschijnt als beklaagde; zijn buurman A. J. van
der Meer eveneens van een boerenbedrijf, als getuige. Deze beide
buren hebben een verschil met elkaar, daar een koe van ten W. op 26 Juli het erf van getuige had betreden en daar
schade heeft aangericht. Voor deze schade eischt van der
Meer een vergoeding van f 2.50
Op den vraag van den kantonrechter aan W. of
deze bereid is de gevraagde schadevergoeding te betalen,
antwoord deze een beetje diplomatiek, dat hij, indien hij
daartoe verplicht wordt, die vergoeding wel wil betalen. De
rechter door dit antwoord niet ten volle voldaan geeft beide
buren de gelegenheid tezamen deze zaak nog eens te
bespreken.
Nadat ze weder in de rechtzaal zijn
wedergekeerd, zegt W. de schadevergoeding wel te willen
betalen, maar hij heeft geen rijksdaalder bij zich.
Tenslotte blijkt dat hij wel de beschikking heeft over een
blauw briefje van 10 gulden en nadat dit gewisseld is, kan
van der Meer de vergoeding worden uitbetaald. Nu kan dan tot
de eigenlijke behandeling van de zaak worden overgegaan.
Beklaagde beweerd dat zijn koe, voor hij 's
avonds om ongeveer 7 uur ging brood eten, nog in zijn land
was. Om kwart na 7 bevond ze zich op het erf van de buurman.
Bekl. is er toen direct naar toe gegaan om de koe weer in
zijn eigen land te brengen. De kantonrechter wijst er op dat
bekl. heeft te zorgen dat zoo iets niet gebeurd. Maar als
het stek dan niet in orde is? vraagt bekl. Wie moet daarvoor
zorgen. Get. van der Meer verklaart dat, toen hij de koe op
zijn erf zag, hij die weder terug gejaagd heeft. Bij die
gelegenheid was het, dat de koe het stek vernielde.
De kantonrechter wijst er op, dat bekl.
heeft zorg te dragen, dat de koe op zijn eigen terrein
blijft en veroordeeld W. er rekening mee houdend, dat de
schade vergoeding betaald is geworden, overeenkomstig den
eisch tot f 3,- boete of 3 dagen hechtenis.
_o_
Sjerp W. veehouder te Ruigahuizen en Y.
Ykema, aldaar, hebben een dergelijke kwestie met elkaar te
verhandelen. Ook van deze beklaagde had een koe het maar
goed gevonden, en liefst niet minder dan tot drie maal toe,
in buurmans weide te grazen. Ykema eischt een vergoeding van
f 10,-.
Ook deze beide
buren krijgen de gelegenheid in de gang de zaak nog even te
bespreken. Na terugkeer in de rechtzaal, wordt medegedeeld
dat goed gevonden is f 2.50
schadevergoeding te geven. De kantonrechter meent, dat Ykema
zijn schade dan ook wel heel hoog had geschat. Uit verder
verhoor blijkt, dat ten gevolge de droogte de koe in het
land van de buurman kon komen.
De ambtenaar van het O.M. eischt tegen de
beklaagde 3 x f 1,- boete sub. 3 dagen hechtenis. De
aanmerking nemend, dat de schadevergoeding reeds betaald is,
veroordeeld de rechter overeenkomstig den eisch.
_o_
Jan N. boerenknecht te Follega, staat
terecht wegens het op 30 Mei jl. slachten van een koe zonder
hiervoor een vergunning te hebben aangevraagd en verkregen.
Bekl. bekent het ten laste gelegde. Getuige E. Keulen,
veehouder te Follega, bij wien de koe geslacht werd, deelt
mede, dat reeds eenigen tijd dit beest ziek was en men het
graag vóór a.s. Zondag wilde "opruimen". De vader van de
getuige gaf aan beklaagde opdracht de koe te slachten.
De kantonrechter zegt, dat dan toch eerst
een vergunning moest worden aangevraagd. Getuige zegt, dat
van de agenten van de verzekering bericht was ontvangen de
koe te kunnen slachten en dat daar geen vergunning nodig
was.
De kantonrechter
oordeelt hier anders over
en veroordeeld beklaagde, overeenkomstig de eisch tot f 4,-
boete, sub. 4 dagen hechtenis.
_o_
Maarten B. van boerenbedrijf te Oosterzee
staat terecht wegens een overtreding der politieverordening.
Op 25 Juni was bekl. n.l. aan het mest rijden volgens het
procesverbaal van den rijksveldwachter F.G. Kok te Echten,
werd de weg over een afstand van ongeveer 300 meter met gier
bevuild.
Beklaagde ontkent dat de weg bevuild werd
door het uit de wagen lopen van gier. Deze was echter
tengevolge den gevallen regen en het gedurende eenige tijd
rijden, slikkerig geworden. Als getuige á decharge,
bevestigd
veehouder W. Martens, veehouder te Oosterzee, de verklaring
van den beklaagde.
De tweede getuige á decharge, de veehouder
Fr. de Jong, zegt dat de weg nat was en door het rijden dan
onwillekeurig drassig wordt. Hem is echter niet gebleken dat
de weg door de gier bevuild werd. De ambtenaar van het O.M.
verzoekt de zaak aan te houden tot de volgende zitting, om
ook den rijksveldwachter te kunnen hooren. Beklaagde vraagt
dan tevens den werkgever H. Luik te willen dagvaarden.
_o_
Kerst K. aannemer te Echten, kwam op 28 Mei,
op zijn motorrijwiel van de overhaal het dorp Oosterzee
binnen rijden. Volgens de voorschriften had hij bij de
wegkruising in de buren van Oosterzee, geluidssignalen
moeten geven, daar ter plaatse het uitzicht ook nog
belemmerd is. Beklaagde heeft aan dit voorschrift geen
gevolg gegeven en heeft zich, daar dit door de marechaussee
werd opgemerkt, daar voor nu te verantwoorden.
Beklaagde bekent in gebreke te zijn
gebleven, doch de weg waarover hij reed, is zoo slecht, dat
men beide handen wel noodig heeft om het stuur recht te
houden. Overigens wijst beklaagde er op, dat hij heel kalm
reed.
De ambtenaar van het O.M. vordert
f 5,-
boete sub. 5 dagen hechtenis. De kantonrechter neemt in
aanmerking dat er geen ongelukken zijn gebeurd en
veroordeeld beklaagde tot f 3,- boete of 3 dagen hechtenis.
_o_
Haemen K. slager te Oosterzee had een
varkentje geslacht en een zijner cliënten had veel trek in
een carbonaatje. Niets gemakkelijker dan het begeerde stukje
af te snijden en goed te verkoopen. Zoo geschiede het dan
ook. Maar K. beging hierdoor een overtreding der
vleeskeuringwet, daar het vleesch van het geslachte varken,
alvorens daarvan mocht afgeleverd, nog gekeurd moest
worden.
En toen de veearts B. de Vries zich ten
huize van K. vervoegde om die 2e keuring te verrichten,
bleek het, dat een gedeelte reeds was afgeleverd.
Procesverbaal moest toen volgen.
Overeenkomstig de eisch wordt beklaagde
veroordeeld tot f 3,- boete sub. 3 dagen hechtenis.
_o_
Hendrik Sch. arbeider te Lemmer, heeft niet
gezorgd dat zijn nog leerplichtige jongen Jan de school
geregeld bezocht. Althans op 8,13,15, en 20 Juni en 2 Juli
werd de school verzuimd.
Beklaagde beweerd dat het hoofd hem had
medegedeeld, dat zijn kind niet meer leerplichtig was. Dit
zal echter een vergissing zijn. Want uit het proces blijkt
anders.
Eisch f 2,- boete sub. 2 dagen hechtenis.
Vonnis f 1,- of 1 dag hechtenis, met de waarschuwing dat het
nu niet meer moet gebeuren. Beklaagde zal er voor zorg
dragen.
_o_
Het is nu een oud grijs mannetje, met
gebogen houding leunend op een stokje, dat nu als beklaagde
voor den kantonrechter verschijnt. Van Balk is de 71 jarige
Jacob loopende naar hier gekomen. Om zich voor de rechter te
verantwoorden. Door deze wandeling wel wat vermoeid, vlijt
de oude man zich behaaglijk in een hoekje in de wachtkamer
languit neder, om zo zijn beurt af te wachten. Maar de
vermoeidheid heeft zeker niet veel invloed op zijn humeur
gehad, want als de kantonrechter vraagt naar zijn beroep,
deeld V. mede dat hij zonder beroep te boek staat, maar
eigenlijk een man is van 12 ambachten en 13 ongelukken. De
kantonrechter geeft echter te kennen, dat dergelijke
aardigheden hier niet gewenscht worden.
Deze bekl. wordt ten laste gelegd dat hij de
politieverordening heeft overtreden, door de asch op de
openbare straat uittestrooien, in plaats van in een
aschemmer of vat te deponeeren, waardoor de buren, in de
zelfde steeg als beklaagde woonachtig, last ondervonden.
Bekl. bekent, maar vraagt of ze dan zoo zijn eigen emmer van
zijn erf mogen afhalen. Je hebt hier niets te vragen; alleen
maar vragen te beantwoorden, maakt de kantonrechter
beklaagde duidelijk.
De ambtenaar van het O.M. eischt een boete
van f 6,- of 6 dagen hechtenis, waar toe bekl. door de
rechter wordt veroordeeld. Deze begrijpt er niets van, hoe
dat mogelijk is en verlaat de zaal, iets mopperend over een
hooger beroep.
Terug