Terug

Kantongerecht.

Vervolg:

Van de drie volgende beklaagden, t.w. Wisse Sl. fabrieksarbeider, Folkert S. timmerknecht en Johannes de N. slager allen te Oosterzee woonachtig, is alleen de eerstgenoemde verschenen; voor beide andere beklaagden word verstek verleend. Deze beklaagde wordt ten laste gelegd het plegen van baldadigheid op 24 April j.l. Ofschoon de veldwachter Kok hen reeds een keer had gewaarschuwd, bleven deze beklaagden op de brug over de Gietersche vaart verblijven, en hebben we het goed verstaan, dan hebben ze daar vernielingen aangericht.

Op den vraag van de kantonrechter hoe de jongens bekend staan, deelt de rijksveldwachter mede, dat hij van hen niet de meeste last heeft. Overeenkomstig de eisch wordt Wisse veroordeeld tot f 3,- Boete subs. 7 dagen tuchtschool ; de beide anderen elk f 5,- boete subs. 5 dagen hechtenis.

_o_

Ook de volgende beklaagde, t.w. Hans St.timmerknecht, (niet verschenen) Douwe P. Bootknecht, Dirk W. timmerknecht, Albert Kl. leerling eener kweekschool Siebold de B. boerenbedrijf, (niet verschenen) Heins B. (niet verschenen) Jan R. (niet verschenen) en Bartele K. schippersknecht, hadden zich te verantwoorden wegens het plegen van baldadigheid. Het betreft hier ook alweder de Gieterschebrug. Volgens het procesverbaal hadden beklaagden op de ijzeren brugleuning gehangen en deze te hebben geschommeld, doch de brugleuning verbogen hebben zij niet. Beklaagde K. is gulhartiger met zijn bekentenis en geeft alles toe. Op de vraag hoe de jongens bekend staan, antwoord de rijksveldwachter dat er wel enkele bij zijn waarvan het tijd wordt dat ze het eens afleren.

Overeenkomstig den eisch worden St., W., De B., B., R,. en K. allen veroordeeld tot een geld boete van f 5,- of 7 dagen tuchtschool ; Kl. tot een straf van berisping. deze laatste kan die, na afloop der openbare zitting, in ontvangst nemen.

_o_

Tegen het, in de vorige zitting tegen hem gewezen vonnis is Lijkele M. koopman te Balk, in verzet gekomen, zoodat de zaak opnieuw wordt behandeld. M. werd ten gelasten gelegd dat hij op 12 April (2e Paasdag) des namiddags om 2˝ uur, op zijn motorrijwiel gezeten, in Nijemirdum een scherpe bocht nam, zonder dat hij geluidssignalen gaf. Beklaagde werd hiervoor veroordeeld tot f 50,- boete of 1 maand hechtenis. Beklaagde is nu in verzet gekomen om dat deze straf hem te zwaar voorkomt. Hij verklaart tevens dat er door het niet geven van geluidssignalen er geen gevaar op de weg ontstond, daar er geen mens op de weg was en dat hij bovendien langzaam reed.

Getuigen H de Jong gemeenteveldwachter, verklaart echter anders. Het was die dag druk op de weg en bij bedoelde bocht moet men zeer voorzichtig zijn, omdat het uitzicht daar door een huizenrij belemmerd wordt. Verder zijn er nog schriftelijke verklaringen van een paar oogetuigen, waaruit blijkt dat Bekl. met een groote snelheid, genoemd minstens 50 Km reed.

DE ambtenaar van het O.M. vraagt bekrachtiging van het vonnis, de kantonrechter vindt ook geen enkele reden aanwezig om het vonnis te wijzigen.

_o_

Het heeft velen teleurgesteld dat enkele gedeelten der Gaasterlandsche bosschen voor het publiek zijn afgesloten, waardoor dit niet meer, als te voren, verschillende mooie plekjes kon bezoeken. De café houder Gerhardus J. te Rijs wilde waarschijnlijk gaarne weten of de afsluiting dier gedeelten bosch wel rechtmatig was en begaf zich der halve op 16 Mei j.l. op verboden terrein.

De gemeenteveldwachter Schiere maakte hiervan procesverbaal op. Bekl. J. bekent het hem ten lasten gelegde, doch beroept zich er op dat bij overdracht van bosschen in maart 1912 door de "Mooi Gaasterland" aan de maatschappij "Mooi Nederland" in de stukken uitdrukkelijk is bepaald, dat de Mirnserlaan en de Enkhuizerlaan steeds open moesten blijven. Bekl. legt hiervan de bewijsstukken voor aan de kantonrechter.

Na inzage hiervan vordert de ambtenaar van het O.M. schorsing der zaak, daar het hier een geschilpunt van burgerlijke recht betreft. De kantonrechter deelt deze mening en zegt dat de zaak tot onbetaalde tijd wordt geschorst.

_o_

Douwe de J. koopman te Oudemirdum is reeds eerder en wel op 13 Januari j.l. hier wegens dronkenschap veroordeeld. Dit heeft hem blijkbaar niet voldoende tot leering gestrekt, want in den avond van 21 April j.l. werd hij wederom in kennelijke staat van dronkenschap bevonden.

Beklaagde ontkent dit hem ten laste gelegde. Wel had hij een paar glaasjes bier gedronken en ook zong hij een liedje, toen hij over de weg reed, doch luidruchtig was hij niet en ook niet dronken. Getuigen H. de Jong gemeenteveldwachter, verklaart evenwel het tegenovergestelde. Beklaagde is bovendien een lastig persoon volgens de politie.

Overeenkomstig den eisch wordt Bekl. veroordeeld tot f 15,- boete, subs. 15 dagen hechtenis. Hiermede is de J. blijkbaar niet erg ingenomen, want na geďnformeerd te hebben of hoger beroep mogelijk is, waarop hij een toestemmend antwoord ontvangt, verlaat hij mopperend de raadzaal.

_o_

Bernardus Sd. te Joure (niet versch.) en Willem E. bakkersknecht te Finkenga, bevonden zich op 18 Mei onder Broek in een roeiboot en bewogen zich op zoodanige wijze tusschen het riet, dat dit de aandacht der surveillerende veldwachters trok. Vermoedelijk bevonden de Bekl. zich op dit terrein met het doel te zoeken naar de eieren der de daar nestelende watervogels. Bekl. geeft van het geval neen andere lezing. Hij was met zijn vriend  Sp. te zwemmen geweest en bij het teruggaan zaten ze elk aan een der riemen te roeien. Daar Sp. echter niet goed kon roeien, geraakte ze in het riet. Naar eieren werd echter niet gezocht.

De ambtenaar van het O.M. neemt met deze verklaring echter geen genoegen en eischt tegen Sp. f 7,- boete of 7 dagen hechtenis ; tegen E. f 7,- boete of 7 dagen tuchtschool. Den kantorechter veroordeeld beide Bekl. overeenkomst de eisch.

_o_

Benjamin St. timmerknecht te Wijckel was in Maart in het bezit van een buks, doch hij had van de burgermeester hiervoor geen vergunning, weshalve hij, daar het wapen niet tijdig werd ingeleverd, in conflict met de vuurwapenwet kwam.

Bekl. zegt niet te hebben geweten dat hij het vuurwapen niet in zijn bezit mocht hebben. Hij heeft het naderhand aan zijn patroon Johs. Visser verkocht. Deze deelt mede de buks van zijn knecht te hebben gekocht. Dat zal echter ongeveer begin April geweest zijn.

De ambtenaar van het O.M. eischt tegen beklaagde een boete van f 5,- of 5 dagen hechtenis met verbeurd verklaring van de buks. De kantonrechter veroordeeld beklaagde hiertoe.

_o_

Hendrik K. te Noed, moest bij Jelle Bangma, veehouder te Follega, een koe slachten. Evenwel was voor de slachting geen aangiften gedaan bij de keuringveearts, waarvan het gevolg was een procesverbaal.

Bekl. zegt dat hij in de mening verkeerde dat de veearts het wel wist, dat er geslacht zou worden; het bleek echter dat Bangma geen aangiften had gedaan. Er was dus een misverstand. Getuige Bangma zegt dat hij geen vergunning had aangevraagd.

De ambtenaar van het O.M. eischt f 4,- boete of 4 dagen hechtenis. Daar echter beklaagde zooiets niet eerder is overkomen, maakt den kantonrechter hiervan f 2,- boete of 2 dagen hechtenis..

Terug


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.