Terug
Kantongerecht.
Vervolg:
F.D. chauffeur te Joure is op 28 Juli 1925 met
zijn Fordauto den overweg nabij Joure gepasseerd
ofschoon de tram nabij was, terwijl bij die
gelegenheid een aanrijding heeft plaats gehad
waarbij geen persoonlijke ongelukken plaats
vonden doch de auto ernstig werd beschadigd.
Bekl. bekent het ten laste gelegde.
Verb.
Hoekstra, inspecteur van politie te Joure verklaart dat bekl.
als een zeer goed en serieus rijder bekend staat. Get is overtuigd
dat hij alle moeite gedaan heeft om het ongeluk te
voorkomen. 2e get. Langeberg machinist bij de Ned. Tram,
verklaart dat hij 's morgens 9.19 van het station Joure was
vertrokken. Hij reed klam tot de overweg en heeft op 40
meter afstand signaal gegeven. Hij kon echter een aanrijding
niet meer voorkomen.
De
kantonrechter veroordeeld beklaagde, met in achtneming van
het zeer gunstig rapport hem betreffende overeenkomstig den
eisch tot f 5,- boete sub. 5 dagen hechtenis.
_o_
Vervolgens
staat terecht Ale v.d. G. te Wijckel. Hem wordt ten laste
gelegd dat hij zittende op een wagen met klei een
voorbijgaande wielrijder met een stuk klei heeft geworpen.
Beklaagde ontkent dit feit, hij heeft niet naar de
wielrijder geworpen, doch uit gekheid naar een kameraad die
op den wagen voor hem zat.
In deze zaak
worden gehoord het slachtoffer, den heer IJme de B. en mej,
Grietje de Boer. Na verhoor van deze getuige eischt het O.M.
wegens straatschenderij f 7,- boete sub. 7 dagen hechtenis,
tot welke straf den rechter Bekl. veroordeeld.
_o_
Dan wordt als
beklaagde voorgeroepen Willem de Vr. Verlofhouder te Sloten
wegens een overtreding van de drankwet. Bij een huiszoeking
bij bekl. op 25 Juni 1925 door den wachtmeester der
Marechaussee verricht, kwam uit een linnenkast in de keuken
te voorschijn 1 flesch Brandewijn. Waar in een verlofzaak nog
in de verloflokaliteit nog in een vertrek hetwelk met de
lokaliteit binnenshuis in verbinding staat, sterke drank
aanwezig mag zijn, was een procesverbaal het gevolg.
Voor deze
overtreding staat beklaagde heden terecht. Het ten laste
gelegde wordt door beklaagde bekend, doch het lag volgens
hem niet in de bedoeling, de drank te verkoopen, hij had ze
voor een visite ingeslagen.
Get. de
wachtmeester antwoordt op een desbetreffende zaak van den
kantonrechter, dat bekl. reeds eerder verdacht werd omreden
bekl. wel eens vaker misbruik maakte. Dit wordt door bekl.
ten stelligste ontkent.
De
kantonrechter acht het feit bewezen en veroordeeld bekl.
waar deze voor de tweede maal binnen een jaar wegens een
overtreding van de drankwet terecht staat, tot een hechtenis
van 5 dagen.
_o_
De zelfde
bekl. staat dan wederom terecht en weer is het een
overtreding der drankwet, die hem ten laste wordt gelegd. Nu
was door den zelfde wachtmeester in de verloflokaliteit de
aanwezigheid geconstateerd van een kistje het welk twee
flessen boerenjongens bleek bevatten. Bekl. bekent ook dit
feit, hij beweerd echter dat er altijd 2 flesschen in zijn
buffet stonden en dat moet den wachtmeester ook wel gezien
hebben.
Beklaagde
heeft hieromtrent geheel ter goeder trouw gehandeld, om
reden dat hij niet wist dat dit artikel niet voorradig mocht
zijn. Ook nu heeft bekl. met zijn verdediging weinig succes
want den kantonrechter acht ook dit feit bewezen en
veroordeeld beklaagde tot 7 dagen hechtenis.
_o_
Vervolgens
nog een drankwet overtreding in Sloten.
Daar de bekl.
in deze zaak de heer Petrus B. verlofhouder te Sloten niet
aanwezig was werd de zaak bij verstek behandeld. Bij deze
beklaagde werd den 28e Juli een huiszoeking verricht en ook
hier had de wachtmeester der marechaussee succes, want een 5
tal fleschen sterke dranken werden opgesnord.
DE ambtenaar
van het O.M. acht het feit voldoende bewezen en eischt f
50,- boete of 50 dg. hechtenis. Waartoe de kantonrechter
veroordeelt.
_o_
Die dagen
stond het stadje Sloten in het teeken van drankwet
overtredingen. Op den 24e Juli 1925 nl. Was het G. v.d. W.
aldaar die een bekeuring opliep ook al weer wegens een
overtreding van de drankwet.
"Verkopen van
sterkedrank zonder vergunning" luid het procesverbaal.
V.d.W. die nu als beklaagde is voorgeroepen bekent het feit.
Als getuige wordt gehoord mej. A.v.d. M. te Trekgaast die
bevestigd dat bekl. haar een flesch sterken drank heeft
thuis bezorgd.
Het O.M.
eischt wederom f 50,- boete of 50 dagen, waartoe den
kantonrechter bekl. veroordeelt.
_o_
Vervolgens
een nieuw genre.
Thans wordt
Fr. V. te Idskenhuizen opgeroepen, doch blijkt niet aanwezig
te zijn. De zaak wordt bij verstek behandeld. Deze bekl.
heeft in de week van 7 tot 14 Augustus 2 koeien gedurende 2
dagen in het land van de buurman B. laten loopen. Ondanks
dat zij tweemaal gewaarschuwd was, werd op 14 Augustus
nogmaals de overtreding geconstateerd door
gemeenteveldwachter Jaarsma, waarop procesverbaal volgde.
Door B. wordt
de schade geschat op f 10,- per koe. Het feit wordt bewezen
geacht, en den kantonrechter veroordeelt bekl.
overeenkomstig den eisch tot f 8,- boete of 8 dagen
hechtenis.
_o_
OP DEN 19 Aug.
d.a.v. werd de vorige bekl. nogmaals bekeurd. Deze maal
hadden de koeien in het land van buurman Siebesma geloopen.
Ook nu werd bekl. veroordeelt tot f 8,- boete sub. 8 dagen
hechtenis.
_o_
Vervolgens
moet Jacobus H. schippersknecht te Idskenhuizen zich
verantwoorden vanwegen een overtreding van het
aanvaringsreglement van de binnenvaart. Bekl. heeft op 5
Augustus in de Idskenhuizer vaart, met een motorboot door
hem zelf bestuurd een visschersboot aangevaren, waardoor die
visschersboot vrij wat beschadigd werd.
Als eerste
getuige wordt gehoord G.D. uit Idskenhuizen eigenaar van de
boot. Getuige verklaart dat bekl. in het geheel niet uitweek
nog achteruit sloeg terwijl hij op dat moment nergens heen kon,
hetgeen aan de hand van een tekening der situatie ook
werkelijkheid bleek te zijn, getuige bekwam aan de boot een
schade van f 23,38,- Op den vraag van de kantonrechter of Bekl. deze schade wenscht te betalen antwoord deze
ontkennend.
Verder
verklaarde get. reeds vroegtijdig aan Bekl. geroepen te
hebben om toch te stoppen. Uit het verhoor van andere
getuige blijkt dat Bekl. een zeer onbesuisd varensman is,
die zich om niemand in het vaarwater bekommert.
Rijksveldwachter de Vries heeft de aanvaring niet gezien,
doch beweert dat Bekl. met opzet heeft gehandeld. Zij menen
daar de baas te moeten spelen.
Het O.M. acht
het feit genoegzaam bewezen en eischt f 25,- boete subs. 25
dagen hechtenis, benevens tot betaling der schade f 23,38,-.
_o_
M.M. venter te
Echten is de volgende beklaagde. Deze bekl. is op 13 mei
1925, terwijl hij met zijn kar langs den smalle weg in den
polder reed niet genoeg uitgeweken toen hij den heer F. R.
uit Lemmer met de auto tegen kwam. Hoewel Bekl. volgens zijn
eigen lezing, genoegzaam uitgeweken was werd de fiets, die
hij achter aan de wagen had gebonden, hem noodlottig.
De auto raakte
de fiets waardoor beide enigszins beschadigd werden. M.M.
meende echter dat de schuld bij de auto bestuurder lag en
zond nog een kras schrijven om schadevergoeding naar de
bestuurder der auto de heer F.R. uit Lemmer. Een en ander
heeft echter minder aangename gevolgen gehad voor Bekl.
Wijl hij nu
zelf als Bekl. moet verschijnen. Ook hier beweerd Bekl. dat
hij zoover mogelijk was uitgeweken. Als hoofd getuigen wordt
gehoord, de heer F.R. uit Lemmer. Get. deelt mede dat hij
onmogelijk met zijn auto meer kon uitwijken dan dat hij
gedaan had. Hij was nl. geheel door de berm gereden. Het is
echter onverantwoordelijk op zoo'n smalle weg nog een fiets
achter een wagen te binden, die met het geheele wiel ver
buiten steekt.
De
gerechtigheid is het geheel met get. eens, wat blijkt uit de
veroordeeling tot f 10,- boete subs. 10 dagen hechtenis.
_o_
Schaduwzijde van de kermis.
Zekere K. te
St. Nicolaasga heeft in den avond van 3 September door de
straten van St.Nicolaaga geloopen terwijl hij met een mes
zwaaide, roepende wie zal ik dit mes in zijn d.......steken?
Het gebeurde in dronkenschap meneer zegt Bekl. Den
kantonrechter veroordeelt beklaagde tot f 25,- boete sub. 25
dagen overeenkomstig den eisch, Bekl. gaat in hooger beroep.
_o_
Wie is de
eigenaar?.
Thans verschijnen 2
beklaagden H. en M. beide uit Echten voor de balie. Ze hebben
zonder vergunning gevischt met baarsnetten in de zg.
ondergronds kanaal in Echterner Veenpolder. Onder de getuige
is ook M.H. te Echten die als den eigenaar van het kanaal
wordt beschouwd.
Is U de
eigenaar? vraagt den kantonrechter aan get. ik weet het
niet, edelachtbare, antwoord getuige. Het blijkt echter dat
de Veenpolder van Echten destijds dit water heeft gekocht,
dat is nimmer overgeschreven. Getuige M.H. heeft aan
niemand permissie gegeven. Volgens verbalisant Kok is
getuige M.H. de eigenaar. Verbalisant zegt verder dat bekl.
wellicht ter goeder trouw hebben gehandeld.
Het O.M. acht
echter het feit op zichzelf bewezen en eischt voor elk f
10,- boete sub. 10 dagen hechtenis met verbeurdverklaring
der in beslag genomen netten, waartoe de kantonrechter hen
veroordeelt.
_o_
De bekl. H.K.
visscherman te Mirns is op 31 Aug.1925 om de versperring van
de Mirnsterlaan heen gelopen, zich niet storende aan het
bordje "verboden toegang" Veldwachter Schiere maakte
procesverbaal.
Beklaagde komt
echter goed beslagen ten ijs, want hij heeft een koopakte in
de zak, waarin beschreven staat dat hij recht heeft om
bedoelde laan langs te loopen. Aan de hand van deze gegevens
wordt bekl. overeenkomstig het requisitoir van het O.M. door
den kantonrechter vrijgesproken.
_o_
Jac. St te
Wijckel werd door de gemeenteveldwachter van Gaasterland op
2 Aug.1925. in jagende houding met een dubbelloopjachtgeweer
op den openbare weg aangetroffen. Toen hij de politie
bespeurde liep hij haastig op een nabij zijnd erf dat zijn
vader toebehoorde. Hiermee meende hij de hand der wet te
ontgaan. Beklaagde ontkent hier dan ook het hem ten laste
gelegde.
Hij wierp toen
hij op het erf kwam volgens de verbalisant het geweer achter
een privaat en dit was volgens de kantonrechter voldoende
bewijs van schuld. Het O.M. eisht f 25,- boete sub. 25 dagen
hechtenis, benevens verbeurd verklaring van het in beslag
genomen geweer, waartoe bekl. wordt veroordeeld.
_o_
Thans nog de
zaak Maarten B. Welke vorige zitting is verdaagd om nog
enige getuige te kunnen hooren.
Volgens het
procesverbaal van rijksveldwachter F.G. Kok was beklaagde op
25 Juni aan het mest rijden geweest, waarbij de weg over een
lengte van ongeveer 300 meter met gier bevuild werd. Bekl.
ontkent wederom het hem ten laste gelegde en beweerd verbaal
dat F. Kok onmogelijk gezien kan hebben, dat er
voordurend gier uit den wagen liep, omreden dat Kok met de
rug naar Bekl. toe stond. Terwijl hij in gesprek was met een
broer van Bekl.
2e Getuige
J. Stampel bevestigd hetgeen in het procesverbaal vermeld
staat. Ook deze getuige heeft opgemerkt dat de weg vrij wat
met gier bevuild was.
3e Getuige J.
Verbeek heeft eveneens de vervuiling van de weg
geconstateerd. Als getuige á decharge beweerd H. Luik,
wegwerker, dat toen hij de weg opdat tijdstip passeerde,
niet kon zeggen dat die weg met gier bevuild was.
Getuige had 's avonds de weg wel op sokken kunnen passeeren. Getuigen
Wierdam heeft volgens beklaagde gezegd, dat bedoelde weg in
het geheel niet bevuild was. Op den vraag van den
kantonrechter ontkent getuige dit gezegd te hebben. Getuige
kan onmogelijk hieromtrent iets verklaren.
H. Tijdsma,
als 2e getuige á decharge beweerd eveneens dat de weg niet
bevuild was. Op de vraag hoe laat getuige den weg had gezien
had antwoorde deze om 12¾ uur. Waar de bekeuring om 1¼ uur plaats had,
achtte den kantonrechter deze verklaring negatief evenzo de
verklaring van de derde getuige á decharge, den heer F.de
Jong.
Het O.M. acht
de overtreding van de politieverordening der gemeente
Lemsterland hier bewezen en eischt f 5,- boete sub. 5 dagen
hechtenis. De kantonrechter veroordeelde beklaagde echter
tot f 15,- boete sub. 15 dagen.
Terug