Kantongerecht,
te
Lemmer
op
Dinsdag
8 juni
1926.
Na eenige kinderzaken zijn behandeld, neemt
de openbare zitting een aanvang, en worden als beklaagde
voorgeroepen: Harmen J. zuivelarbeider te Nijega, hij blijkt
evenwel afwezig te zijn. Volgens proces-verbaal heeft deze
beklaagde op 5 April op verboden terrein loopen eierzoeken.
Op sommatie van verb. Walda weigerde bekl. tot 3 maal toe
zijn naam op te geven.
De zaak heeft evenwel een eigenaardig cachet
omreden er eigenlijk twee personen waren waarvan er één op
verboden terrein ging door met een polstok over een sloot te
springen. Toen nu verb. Walda met veldwachter de Boer uit
Oudega een onderzoek instelde naar den naam van den
overtreder en hiertoe den tweede persoon Leenstra hoorde,
bleek dat het Harmen J. moet zijn geweest.
Deze ontkende ten stelligste in het land te
zijn geweest, terwijl Leenstra op zijn beurt zulks ontkende
en bovendien niet wist dat Bekl J. in 't land was geweest.
Nu wordt Leenstra als getuige voorgeroepen. De kantonrechter
meent dezen Bekl. te moeten wijze op de zware straf die er
op meineed staat.
Deze getuige verklaart thans dat niet Harmen
J. doch hij zelf over de sloot is geweest. Het O.M. is van
oordeel dat getuige nog liegt en dat hij in het land is
geweest en eischt f 15,- subs 15 dagen.
De kantonrechter veroordeelt Bekl.
overeenkomstig de eisch terwijl hij getuige Leenstra
mededeelt dat hij op het kantje af de meineed is ontloopen.
-0-
Vervolgens staat terecht Lijkele Br.
Stoombootdienst ondernemer te Balk. Deze wordt ten laste
gelegd dat hij op 8 April v.m. 9 uur 2 koeien aan boord
heeft geladen aan de z.g. Oosterstreeken, der halve op een
andere plaats dan die daar voor is aangewezen.
Beklaagde zegt dat hij zulks niet heeft
gedaan, omreden dat hij bij de zuivelfabriek aan het kaas
laden was. Dit blijkt waarheid te zijn. De verbalisant
erkent zijn vergissing. Beklaagde stond er buiten, de dader
was namelijk een compagnon. Op deze grond spreekt de
kantonrechter Bekl. vrij.
-0-
Tenslotte nog een overtreding van de
verordening op de vleeschkeuring. Als beklaagde verschijnt
voor de bali Andries K. slager te Lemmer, die volgens het
proces-verbaal op 30 April een hoeveelheid uitgebeend
kalfsvleesch in de winkel voorradig had, het welk niet van
het vereischte goedkeuringsmerk was voorzien.
Bekl. geeft een reelaas van het gebeurde; op
28 April had bekl. een nuchtere kalf ontvangen hetwelk
teekenen van flauwte vertoonde. Bekl. heeft het toen doen
slachten en het op 29 April als noodslachting aangeven. De
30ste d.a. nadat de 24 uur na aangifte voor de keuring
verloopen waren meende Bekl. dat het vleesch noodig weg
moest en is er mee begonnen.
Het O.M. vraagt of Bekl. het wilde verkoopen
waarop deze antwoordde dat hij het voor eigen verbruik wilde
aanwenden. Als getuigen deskundige wordt nu gehoord B. de
Vries veearts te Lemmer. Getuigen die belast is met de
keuring, zegt het feit te hebben geconstateerd op 30 April,
v.m. tusschen 9 en 10 uur. De noodzakelijkheid door Bekl.
genoemd was z.i. nog niet aanwezig, afgezien van het feit,
of het werkelijk wel een noodslachting was.