|

Kantongerecht
te Lemmer,
op Dinsdag
14 September
1926.
Na
afhandeling
van eenige
kinderzaken
wordt in
openbare
zitting
voorgeroepen
Jan B. te
Echten, die
evenwel niet
aanwezig
blijkt te
zijn. Het
gevraagde
verstek
wordt
verleend.
Aan den
beklaagde
wordt ten
laste
gelegd, dat
hij in den
avond van 25
Juni j.l.
zonder
permissie
een
andermans
erf heeft
betreden en
van de daar
staande
vruchtboomen
peren heeft
afgeplukt.
Als getuigen
is
gedagvaard
de heer S.
Beeksma
aldaar. Deze
getuige
verklaart,
dat hij op
den bewuste
avond van
Leeuwarden
kwam en zich
per rijwiel
naar huis
begaf.
Hij bracht
zijn rijwiel
in huis en
ging
vervolgens
naar een
zijner buren
om deze van
de toestand
zijner vrouw
( die
namelijk te
Leeuwarden
in het
ziekenhuis
lag ) op de
hoogte te
stellen. Na
circa een
halfuur
aldaar te
hebben
vertoefd,
ging hij
huiswaarts.
Op den
terugweg
bemerkte
getuige dat
er aan de
vruchtboom
geschud werd
en hoorde
stemmen.
Getuige
heeft toen
gekucht en
geroepen
"wat moet
dat daar"
waarop de
nachtelijke
bezoekers de
vlucht
namen. Later
bleken het
beklaagde
met een
drietal
makkers te
zijn
geweest.
Het O.M.
acht het
feit bewezen
en eischt
een
geldboete
van f 15,-
subs 15
dagen
overeenkomstig
welken eichs
de
kantonrechter
Bekl.
veroordeeld.
Op de vraag
van de
kantonrechter
blijkt
niemand uit
echten
aanwezig te
zijn, waarop
de
kantonrechter
zegt zulks
te betreuren
en deelt
vervolgens
mede dat met
op het oog
op de
talrijk
voorkomende
dergelijke
gevallen te
Echten, een
volgende
keer
gevangenisstraf
zal worden
opgelegd.
Lees verder
>>>>
|