Ien ālder kin better seis bern ūnderhālde, as seis bern ien ālder.

 

 

• LEMSTERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Zevenwouden (3 k. d., 12 m. k., 7 s. d.); palende N. W. aan Doniawarstal, O. en N. O. aan Schoterland, waarvan zij door de Tjonger of Kuinder, de Pier-Chistiaansloot en eene scheidlinie, die met eenen hoek door het Tjeukemeer loopt, wordt afgescheiden, Z. O. aan het graafs. de Kuinre, nu tot de prov. Overijssel behoorende, Z. aan de Zuiderzee, W. aan Gaasterland, bestaande de scheiding gedeeltelijk uit wateren en voorts uit scheidliniėn. Zij is de zesde griet. van Zevenwouden, en bevat 5 dorpen, zijnde: de Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten. Vroeger behoorden er nog twee dorpen onder, met name Bandt en Bantega en Lemsterhoek, waarvan het eerste eene prooi der Zuiderzee is geworden, terwijl het laatste te vuur en te zwaard verwoest is. Er waren dus zeven dorpen in deze griet.; doch Oosterzee en Echten maakten toen eene bijzondere streek uit, onder den naam van Oostzimgerland of Oostzingerland, zoodat de beide vernietigde dorpen tot de zoogenaamde Lemster-Vijfga, naam, onder welken men vroeger de vijf dorpen van Lemsterland verstond, zijnde destijds Bandt, Eestergaa, Follega, de Lemmer en Lemsterhoek schijnen behoord te hebben.

• EESTERGA, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4 1/2 u. Z. van Sneek, kant. en 1/2 u. N. ten O. van Lemmer.

Men telt er 15 fraaije boerenwoningen en 10 andere kleine gebouwen of huizen, gezamelijk bewoond door ongeveer 150 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt.

De Herv., die hier ruim 110 in getal zijn, behooren tot de gem. Lemmer-Follega-en-Eesterga, welke hier eertijds eene kerk had, ruim 1/4 u. van de Lemmer af staande. De juiste tijd, wanneer dit gebouw werd afgebroken, is niet met zekerheid bekend, doch waarschijnlijk is dit geschied in 1740 of eenige jaren later. Het kerkhof, hetwelk nog aanwezig is, dient bij voortduring tot begraafplaats. Men vindt daarop eene overdekte klok, een zoogenaamd klokhuis, gelijk men meer op kleine plaatsen in de provincie Friesland aantreft, waarmede gedurende de begrafenisplegtigheid geluid wordt.

De R. K., van welke men er 16 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend.

Er bestaat ook geen dorpschool meer; terwijl de kinderen de scholen te Follega en te Lemmer bezoeken.

De landerijen van dit d. zijn uitmuntend, vrij uitgebreid en loopen tot aan de Groote Brekken; doch de huizen en de boerderijen staan in eene rij, van het Zuiden naar het Noorden, ter zijde van den rijweg naar de Lemmer, en zijn weinig in getal. Ten westen van den rijweg naar Heerenveen zag men vroeger nog het oude kerkhof van het voorm. dorp Bandt of Bantega, welks landen zich zuidwaarts zeer verre uitstrekten, doch die van overlang door de zee zijn weggespoeld. Thans vindt men daarvan geene sporen meer, alleen worden nog ten huidigen dage eenige stukken lands, daaraan de Band-Akkers genaamd. Ook moet hier vroeger een huis of plaats, met name de Brandende put geweest zijn. In dit huis werd, in het laatst der zeventiende eeuw, eene put gegraven, welke geen water wilde geven, waarom men een man met een touw om den middel, daarin nederliet, om, wanneer het water, bij het verder uitdelven, te spoedig mogt opkomen, ras wederom te kunnen worden opgetrokken; doch, toen hij door het welzand henen was, kwam er geen water, maar wel eene zwavelvlam, welke, niettegenstaande men den arbeider ras omhoog haalde, hem het haar en de kleederen verzengde, ja, tot boven de put uitsloeg, doch waarna het opkomend water ras de vlam uitdoofde. Buiten twijfel loopt hier in den grond een ader van aluinachtige zwavelaarde, die, zoo als later genoegzaam, door proeven met den Hombergiaanschen pyrophorus, gebleken is, vuur vat, zoo ras zij aan de open lucht wordt blootgesteld. Van deze brandende put, weet men echter met geene zekerheid de juiste plaats meer aan te wijzen.

De meertjes: het Groote-Wiel, het Kleine-Wiel, de Kleine- Brekken en een gedeelte der Groote-Brekken, benevens een gedeelte van den stroom de Rijn, behooren tot dit dorp.

In en om de kerk Lemmer, Lemsterland.

 

 

School te Eesterga.


Op 1 mei 1605 was Denijs Ridde schooldienaar in Eesterga. Op 1 nov. 1609 was hij hier nog; in 1612 was hij te Sloten. Op 28 nov. 1613 en op 28 april 1614 was hier mr. Jan als schoolmeester en op 14 nov. 1618 werd mr. Gepcke Lambertsz genoemd als schoolmeester.
In 1622 en 1624 was mr. Tiebbe Wijtzes te Eesterga. In april 1638 was Johannes Thijssen schoolmeester in Eesterga. Zijn vrouw heette Jantien Thijssensdr. Hij was hier in juli 1643 nog als schoolmeester en in 1645 ging hij naar Lemmer.
In 1645 trouwde Timannus Nicolai, schoolmeester te Eesterga, met Swaentien Clasesdr. van Nijelamer.
In nov. 1651 was Arent Meynesz schooldienaar in Eesterga. Hij was hier reeds op 21 febr. 1651, toen hij hier trouwde met Stijn Paulusdr van Twellingerga. Hij was in febr. 1657 te Kortezwaag; waarschijnlijk was hij vandaar naar Eesterga vertrokken.
Op 20 nov. 1670 kwam met attestatie van Akkrum: Tjepko Sannis, schoolmeester te Eesterga.
Hij vertrok reeds op 1 mei 1671 met attestatie naar Offingawier. Op 12 aug. 1694 trouwde Anthonij Kalsbeek, schooldienaar te Eesterga, met Grietje Meinesdr. van Kuinre. Ze vertrokken nog in datzelfde jaar naar Lemmer. Op 11 nov. 1694 trouwde Klaas Willems, schoolmeester in Eesterga, met An Nolles van Lemmer.
Op 20 febr. 1718 was de huwelijksproclamatie van Simon Elingh, schoolmeester te Eesterga, en Yk Fogelis te Wijckel; ze zijn te Lemmer getrouwd. Op 5 dec. 1716 was Sijmen Elings, schoolmeester te Eesterga, 28 jaar oud.
Op 7 juli 1736 was Johannes Hendriks, schoolmeester te Eesterga, 22 jaar oud. Op 23 nov. 1754 was Jaan Tijmens huisman en schoolmeester te Eesterga. Hij was toen 64 jaar oud; zijn vrouw Tjeb Piers was 63 jaar.
Op 1 mei 1783 zat Jan Cuperus, schoolmeester te Eesterga, op het Blokhuis te Leeuwarden gevangen en verzocht om ontslag uit zijn detentie. Op 3 juni werd hem dat ontslag verleend.
In 1792 werd Pieter Hendriks Buisma hier onderwijzer; in 1796 vertrok hij naar Oudehaske.
In de Bijdragen van het Onderwijs 1804/1805 staat: "Eesterga. Hier was oudtijds een zomerschool: alleen 's zomers werd les gegeven; vast inkomen f 50,- aantal leerlingen ruim 20.
De meester was des winters ondermeester te Lemmer of elders, of winterschool-houder hier of daar."
In 1803 vertrok Jacob Gerrits Deuker naar Follega. In 1804 kwam hier de 18-jarige T. Buma, maar reeds in 1805 werd hij ondermeester te Bolsward. Jentje Jollis Wiarda nam toen provisioneel de school waar, maar in 1805 vertrok hij reeds naar Follega. In 1806 kwam Jacob Annes Visser, ondermeester aan de tweede school te Lemmer. Het traktement voor deze zomerschool bedroeg f 50,- plus de schoolpenningen. Bovendien mocht hij 's winters in één van de scholen te Lemmer als ondermeester voor vrij kost en drank fungeren. In 1808 vertrok hij naar Oosterzee.
In 1814 stond hier Wiebe Annes Visser, een derde ranger. Hij was te Oudeschoot geboren als zoon van Anne Jacobs en Akke Jans. In okt. 1816 vertrok hij naar Scherpenzeel. In 1817 werd de school als 'vacant' opgegeven en in 1818 werd de school niet meer genoemd.

 

Klokkenstoel Eesterga uit 1617.

• FOLLEGA of Vollega, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4 u. Z. ten O. van Sneek, kant. en 1 u. N. ten O. van de Lemmer, aan den rijweg van de Lemmer naar Leeuwarden. Het is het noordelijkste d. der grietenij, en bestaat uit eenige verstrooid liggende boerderijen. Men telt er 38 h. en ruim 230 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt, waartoe men er lage hooilanden aantreft; ook is er veel doorvaart uit de naar het Tjeukemeer en Slooten, langs de Follegasloot of Woudsloot en de Tweede Follegasloot, waarover hier eene groote valbrug ligt.

De Herv., die hier 200 in getal zijn, behooren tot de gem. van Lemmer-Eesterga-en-Follega. Zij hadden er vroeger eene kerk, doch deze is in de zeventiende eeuw afgebroken, zoodat er thans niet meer dan een klokkestoel bestaat.

De R. K., van welke men er 25 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend. Er schijnt in de nabijheid der Follegabrug vroeger ook eene R. K. kerk te hebben gestaan, welke voor ruim 80 jaren moest zijn afgebroken. De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 70 leerlingen bezocht.

Dit d., is de geboorteplaats van den Geschiedschrijver Martinus Hamconius, geb. in 1551, † in 1620.

De Groote Brekken, de Kleine Brekken en het Brandemeer behooren gedeeltelijk onder dit d.

 

Mevr Hettinga uit Follega, werd verblijd met de geboorte van 'n tweelingveulen.

 

 

Klokkenstoel te Follega.

 

FOLLEGA-BRUG of Follegaster-Brug, brug, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, ten O. van Follega, over de Follega-sloot; bij deze brug, van welke men een schoon uitzigt op het groote Tjeukemeer heeft, staat eene herberg, aan welker bewoners de tol betaald wordt.

De 2 October 1799 wilden de Engelschen, die toen in Friesland geland waren, bij deze brug eene batterij opwerpen, doch het gelukte eene bende gewapende burgers, naar de Lemmer opgetrokken, met oogmerk om de stellingen des vijands op te nemen, bij twee herhaalde aanvallen, der Engelschen deze stelling te doen ontruimen, bij welke gelegenheid drie stukken geschut, en onder deze een achttienponder, in hunne handen vielen.

A.J. van der Aa in "Het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden" uitgave 1849-1859, vermeldt Follegabrug als gelegen ten oosten van Follega als de brug over de Follegasloot; bij deze brug, van welke men een schoonuitzigt op het groote Tjeukemeer heeft, staat eene herberg aan welke bewoners de tol betaald wordt. Er is daar aan de straatweg met nummer 40 nog steeds een restaurant gevestigd met de naam "De Wijde Blik" maar het is niet bekend of dit de oorspronkelijke herberg is.

 

 

 

FOLLEGA-SLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, tusschen het Tjeukemeer en de Groote Brekken.

FOLLEGASTER-BRUG, brug, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Follega-Brug.

 

 

FOLLEGASTER-SLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Follega-Sloot.

De Follega molen is een in 1857 in het Friese Follega gebouwde spinnenkopmolen. De molen is in 1969 volledig opgeknapt om de molenkolk van de watermolen van Laag-Keppel op te malen. Door kanalisatie van de Oude IJssel was het verval te gering geworden voor de watermolen om nog te kunnen werken en het kunstmatig verlagen van het peil in de molenkolk met ca. 1,5 m. was een mogelijkheid om de watermolen weer gangbaar te maken zonder deze te verplaatsen. De Follega molen is uniek omdat het de enige windmolen is die wordt gebruikt om een watermolen te kunnen laten draaien. De molen is echter te klein om de watermolen van Laag-Keppel optimaal te laten functioneren. Het gevlucht heeft het systeem Fauel op beide roeden.

 

De Follega molen.

 

Hamconius, Martinus. (1551-1620) Katholiek en koningsgezind Fries geschiedschrijver. Follega (prov. Friesland), (1550?) - ?, 1620

Hamconius koos de zijde van de Spaanse koning en de katholieke kerk en moest daarom, toen de opstandelingen in Friesland de overhand kregen, zijn functies van substituut-grietman van Lemsterland en grietman van Doniawerstal opgeven. Hij vertrok naar het nog door de Spanjaarden beheerste gedeelte der Nederlanden, maar moest met dezen vesting na vesting verlaten (Steenwijk, Groningen, Lingen, Doetinchem). Misschien maakte hij van het Twaalfjarig Bestand gebruik om naar zijn geboorteland terug te keren. Anderzijds heeft hij zijn boek in 1609 opgedragen aan aartshertog Albertus van Oostenrijk en hoopte hij mogelijk zo voor een betrekking in de koninklijke Nederlanden in aanmerking te komen.

Marten Hamkes, Marten Hamckema of Martinus Hamconius, rond 1550 geboren in Follega, hoort ook tot een groep die wel die van de apocriefe historieschrijvers wordt genoemd. Er worden in zijn werk nog al wat folkloristische aspecten aangetroffen. In het kader van dit artikel wordt voor dit type geschiedschrijving het adjectief "spekulatief" brūkt. Het is een aanduiding van Waterbolk, waarmee een type beschouwing wordt bedoeld, die boven het feitelijke of logisch bewijsbare uitgaat. In It Beaken 56 (1994) blz. 124 spreekt Waterbolk overigens niet langer van spekulatief, maar gebruikt hij het woord "fantastisch". Een dergelijke aanduiding kan licht tot misverstanden aanleiding geven.

 

School te Follega.

Op 19 dec. 1674 kwam hier met attestatie van Echten binnen: Meine Kersten schoolmeester. Zijn vrouw heette Wopck Annesdr. Hij was hier in 1649 nog en is hier later ook overleden. In aug. 1670 was mr. Claas Jansen hier schooldienaar. Hij vertrok op 14 mei 1671 met
attestatie naar Oosterwolde. In 1672 was Harmen Jans hier als schoolmeester met Wyts Johannis zijn huisvrouw. Ze kwamen van "St. Liecklesga", waarheen ze op 3 april 1675 weer met attestatie vertrokken.
Op 7 mei 1681 werd op belijdenis van het geloof aangenomen tot lidmaat: Foppe Klaases schoolmeester in Follega. Hij was hier in 1683 nog. Vermoedelijk is hij is hier nį dat jaar gestorven, want zijn weduwe vertrok later naar Terband.
Op 3 nov. 1689 werd op belijdenis van het geloof aangenomen: Klaas Willems, schoolmeester in Follega. Hij was hier in 1691 nog, doch in nov. 1694 was hij schoolmeester te Eesterga. Op 17 juli 1707 trouwde Abel Posthumus, schoolmeester te Follega, met Aaltje Johannis van
Heerenveen. Ze vertrokken omstreeks 1 nov. 1709 naar De Knijpe.
In aug. 1714 was Jan Els schoolmeester te Follega. Op 7 juli 1736 was Sake ten Wolde, schoolmeester te Follega, 34 jaar oud. In 1744  was hier als schoolmeester: Jan Jansen Knol.
Zijn vrouw heette Pijttertie Attes. Hij was hier in 1765 nog.
In 1802 werd de school vacant, maar in 1803 werd Jacob Gerrits Deuker van Eesterga provisioneel benoemd.

Het traktement bedroeg f 135,- plus vrij wonen en het gebruik van de "polle" land rondom de school en het kerkhof. In 1805 was hij in Hommerts. Nog in 1803 of in 1804 kwam Wijtze Uilkes Boonemmer. Hij trouwde op 13 mei 1804 te St. Nicolaasga met Elske Jochems van Doniaga. Hij werd in 1805 vereerd met een boekgeschenk namens de voormalige Raad van Binnenlandse Zaken. Hij is waarschijnlijk eind 1805 naar Birdaard vertrokken, want in de Leeuwarder Courant worden sollicitanten opgeroepen tegen 23 sept. 1805 samen te komen in de kerk. In 1806 kwam Jentje Jollis Wiarda, van Eesterga. Het inkomen bedroeg toen f 135,- plus de schoolgelden van 35 leerlingen ą f 1,20 en een vrije woning. Hij vertrok in 1810 naar Tjerkgaast.
In 1814 stond hier Harke Martens Koopmans, derde rang. Hij bedankte in het najaar van 1818.
Op 1 febr. 1819 kwam Elert Arjens Kuiper, derde rang. In de zomer van 1822 is hij hier overleden. Op 23 jan. 1823 kwam Wiebe Annes Visser, tweede rang, van Scherpenzeel. Hij was geboren te Oudeschoot op 1 okt. 1795. Zijn inkomen bedroeg f 235,- plus de
schoolpenningen en een woning. Hij trouwde op op 1 juni 1831 te Lemmer met Minke Halbertsma, die op 21 maart 1808 te Gorredijk was geboren. In 1831 werd het schoolgebouw vergroot. Wiebe Annes Visser is te Follega gestorven op 13 maart 1845.
Op 6 okt. 1845 kwam Izaäk Poutsma, ondermeester te Gorredijk. Hij vertrok op 1 okt. 1854 weer naar Gorredijk. Op 15 maart 1855 kwam Tjibbe S. Velsing, tweede rang. Het traktement bedroeg toen f 235,- van de kerk, f 50,- van de gemeente, plus de schoolpenningen van 40 leerlingen ą f 3 per kwartaal en vrij wonen. Hij vertrok op 23 juli 1861 naar Tjalleberd.
Op 1 jan. 1862 kwam Andle S. Andringa van Kooisloot. Hij ging in 1894 met pensioen. Op 1 maart 1894 kwam Nanne van der Weg, onderwijzer te Wolvega. Hij kreeg op 1 juli 1931 eervol ontslag, doch bleef tot 1 sept. 1931 voorlopig in functie wegens gebrek aan een
opvolger. Hij is te Velp gestorven op 26 nov. 1935, oud 68 jaar.
In sept. 1931 werd K.T. Jansma tijdelijk aangesteld en op 1 febr. 1932 kwam P.C. Hofman, onderwijzer aan de ULO te Lemmer. Op 19 okt. 1933 besloot de gemeenteraad tot opheffing van deze school met ingang van 1 jan. 1934. Dit besluit werd goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Friesland.

 

• OOSTERZEE, oudtijds Oosterse, in het Oud-Friesch Aesterzee, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 5 u. Z, van Sneek, kant. en 1 u. N. O. van de Lemmer, Z. van het Tjeuke-meer.

Dit d., is het grootste der grietenij, hoewel niet zeer bevolkt, naar zijne uitgestrektheid, tellende men er slechts 360 h. en nagenoeg 920 inw., die meest bestaan van den landbouw. Ook heeft men er eenen houtzaagmolen en eenen oliemolen. Oosterzee is wel voorzien van schoone riviervisch.

De landen van dit d., ten N. aan het gemelde meer palende, strekken zich zuidwaarts wel 1 1/2 uur uit, en zijn bekend onder den naam van Oostringer-land. Zie dat woord.

De Herv., die hier 900 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oosterzee-en-Echten, die hier eene kerk heeft. Dze kerk, die eenen fraaijen spitsen toren plagt te hebben, welke reeds van overlang vervallen is, staat landwaarts in, aan den westkant van den rijweg, van Heerenveen naar de Lemmer, waar langs ook bijna alle de huizen aan den noordkant zijn gebouwd. De kerk zelve, een langwerpig vierkant gebouw, 22 ell. 6 palm. lang, en 9 ell. 4 palm. breed, is in 1706 gebouwd, nadat de vorige, welke van eenen geheel anderen bouwtrant was, door eenen harden wind was ingestort. De predikstoel staat in het midden, hoewel hij beter aan het oosteinde zoude geplaatst zijn. De nette koepelvormige toren is in 1798, ter vervanging van eenen klokkestoel, welke er destijds bestond, op de kerk geplaatst.

De Doopsgez., die er 4 in getal zijn, behooren tot de gem. van Joure. - De 16 R. K., die er wonen, behooren tot de stat. van de Lemmer. - De school wordt gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht.

Te Oosterzee plagt ook een regthuis te wezen, gelijk mede twee aanzienlijke staten, beide den naam voerende van Oosterzee, naar twee Grietmannen uit het geslacht, welke hier hebben gewoond, en insgelijks eene Roorda-state, doch die allen reeds voor vele jaren verdwenen zijn. - Opsommige kaarten van Friesland ziet men bij dit d. eenen heerlijken aanleg van eene groote uitgestrektheid, het Huis-ter-Velde genaamd, doch deze bestaat slechts uit eenige beplante lanen, en dient voorts tot eene volgelkooi.

Oosterzee is de geboorteplaats van den Godgeleerde Menso Poppius, † na 1567. Hij was de Schrijver van het register der Roomsche Priesters, die wegens hunne Hervormde gevoelens in 1567 uit Friesland gevlugt zijn, en in Oost-Friesland eene schuilplaats gezocht en gevonden hebben.

In den jare 1196 kwam Jonkheer Willem, zoon van Floris III, Graaf van Holland, hier in het land, hetwelk toen in oorlog was met Hendrik Kraan, Graaf van de Kuinder, hebbende de eerste, om dezen twist, die van zeer langen duur was, uit te houden, hier een sterk slot gebouwd.

In 1198 had Willem geluk zijne vijanden te verslaan; ook kreeg hij, eenigen tijd later, den Bisschop van Utrecht, die de Friezen met onregtvaardige afpersingen kwelde, gevangen, hoewel hij echter, naderhand, door beleid van eenige Monniken werd losgelaten. ten jare 1521 werd Oosterzee, door den Bisschop van Utrecht, geheel verbrand.

School te Oosterzee.

Van 1614 tot 1617 werd de school te Oosterzee bediend door Focke Jacobs, zoon van de predikant te Oldeberkoop. Hij was van 1604 tot 1611 op de triviale school te Joure en van 1611 tot 1614 op de Academie te Franeker. Van 1617 tot 1619 bediende hij de school te Spanga.
In 1621 was Mijntije Jattijesz schooldienaar in Oosterzee. In 1642-1643 trad Abraham Pieters, schoolmeester tot Oosterzee c.a., op als getuige. In juni 1654 werd Abraham Pijtters Stelma, van Oosterzee, aangesteld als schoolmeester te Marssum. Hij was hier in Oosterzee
blijkbaar ook schoolmeester geweest.
In febr. 1742 vertrok mr. Hendrik Martens Kleynhouwer van Oosterzee naar Sloten. In 1749 was mr. Jan Pijtters schoolmeester in Oosterzee. In april 1774 was hier Jan Westerhof als schoolmeester. Zijn vrouw heette Aaltje Egberts. Op 13 mei 1781 trouwden hier Jolle
Roelofs, jongman en Frouckjen Jentjes, jonge dochter, beiden van Oosterzee. Het is niet zeker of hij ook schoolmeester was, maar zij waren hier in 1795 beiden nog. Volgens de Leeuwarder Courant was de school in aug. 1796 vacant. Op 18 juli 1797 trouwden hier Harmen Egberts Kluiver, schoolmeester te Oosterzee en Lolkje Sjoerds van Joure. Hij heeft na 16 maart 1808 afstand gedaan van zijn post. Op 23 mei 1863 is te Echten overleden:
Harmen Egberts Kluwer, oud 90 jaar en 3 maanden, man van Margje Vaartjes.
In 1808 kwam meester Jacob Annes Visser, derde ranger en afkomstig van Eesterga. Zijn inkomen werd in 1808 van f 100,- op f 200,- gebracht, plus de schoolpenningen. In 1818 werd de school vergroot. J.A. Visser is gestorven op 19 jan. 1823, oud 33 jaar en twee maanden. Hij was op dat moment 8½ jaar getrouwd geweest met Gotsche Hartmans Bakker.
In 1824 kwam K.H. Kluiver, derde rang. Zijn vrouw heette Saakje Hillebrands de Jong (in 1829). Zijn traktement zag er als volgt uit: f 200,- en f 50,- als koster, plus de schoolpenningen van 80 leerlingen ą 40 centen per kwartaal, tevens een vrije woning en f 15,- voor het beluiden van de doden. Hij kreeg eervol ontslag in het voorjaar van 1854.
Op 12 mei 1854 kwam zijn opvolger: Lambertus Kreeft Jzn, tweede rang, van Doniaga. Hij is op 29 april 1855 getrouwd met Ida Katharina Cuperus van Sneek. Op 4 mei 1865 werd de bouw van een nieuwe school aanbesteed. In 1888 kwam C.E. Keilholz, die in nov. 1890 naar
Beneden-Knijpe vertrok.
In 1890 kwam O. Broersma als hoofd van deze school. Op 16 febr. 1895 kwam S. Vogelzang, eerder onderwijzer te Ureterp en te Tzummarum. In 1907 kwam er een nieuwe school.
Vanwege ziekte ging hij op 1 juli 1932 met pensioen. Op 1 juni 1932 kwam G.H. Scholten, onderwijzer te Vaassen en op 1 juli 1932 kreeg hij een vaste aanstelling. Hij was hier in 1950 nog als hoofd, Bijzonder onderwijs.
In 1912 is te Oosterzee een school voor chr. nat. onderwijs gesticht met twee lokalen; op 30 november 1912 vond de opening plaats. Het eerste hoofd werd toen A.R. Koster, onderwijzer te Garijp. In 1920 is hij naar Zwammerdam vertrokken. In april 1920 kwam zijn opvolger: P.
Pruiksma, onderwijzer te Woudsend. Op 1 jan. 1931 vertrok hij naar Makkum.
In 1930 werd hij opgevolgd door D. Zuiderveld, onderwijzer in Rotterdam. Op 1 mei 1938 werd hij hoofd van de Jan van Nassauschool te Sneek. Zijn opvolger was in dat jaar J. Boeijenga, onderwijzer te Woudsend. In 1946 werd hij hoofd van de christelijke school te Workum. In 1946 kwam M. Fokkema, onderwijzer te Lemmer. In 1955 werd hij hoofd van de christelijke school te Broek op Langedijk. Zijn opvolger werd toen J. van Gorcum, onderwijzer te Amsterdam.
Er was nog een bijzondere (CVO) school onder Oosterzee, in de Echtener-Polder. In 1920 werd R. Nooitgedagt hoofd van deze school. In 1926 werd hij opgevolgd door A.B. Renema, die omstreeks 1 jan. 1930 naar Oudemirdum vertrok. In 1930 kwam B.G. Zinkweg, die op 1 april 1932 naar Akkrum vertrok. In 1932 kwam B. van Elswijk, onderwijzer te Benthuizen.

 

School te Oosterzee.

 

School te Oosterzee.

 

 

Kerk te Oosterzee.

 

 

Zuivelfabriek te Oosterzee.

 

Zuivelfabriek te Oosterzee.

 

 

 

 

 

OOSTERZEE-SLOOT, water in Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, dat, 1/4 u. N. O. van Echten, uit het Tjeukemeer voortkomt, met eenen zuidoostelijken loop langs het geh. Echtenburg loopt, en zich in de Kuinder ontlast.

 

• ECHTEN of Echtelen, Echtenerbrug/ Delfstrahuizen., in de uitspraak Iechten, in het oud-Friesch Achtelum genoemd, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 3 u. Z. W. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u. N. O. van de Lemmer, aan het Tjeukemeer. Men telt er 160 h., meestal boerderijen, welke zeer uit elkander gebouwd zijn, en ongeveer 800 inw., die meest hun bestaan vinden in de veenderijen.

De Pier Christiaansloot loopt door de kern van dit dorp (c.a. 1100 inwoners) en is belangrijk vaarwater. Deze vormt namelijk de verbinding tussen de Kop van Overijssel met onder andere de Weerribben en de toegang tot de Friese meren. In Echtenerbrug vind je meerdere jachthavens.

Elk jaar vinden tijdens de zomermaanden de Dolle Donderdagen plaats. Op de donderdagavonden worden er dan activiteiten rond het water georganiseerd, zoals zakslaan, spijkerbroekhangen, kano-racen, live muziek en veel meer. Ook is er elk jaar het IFKS skūtsjesilen, met in het dorp onder andere een braderie, muziek op het water en muziek in de feesthal. De feestweek in Echtenerbrug (in de tweede week van september) is een jaarlijks terugkerend iets.

In 1511 wordt Echten geschreven als Echtna, liggende in de grietenij van Lemster fyfgea. Dat het dorp oud is, blijkt wel uit oude stukken van het jaar 1200 woonden toen 23 gezinnen. De kerk heeft echter een rijke historie en is genoemd naar de heilige Lourentius anno 1597. In begin 1825 is de kerk een schuilplaats en redding geweest voor veel mensen, want in dat jaar was er een grote overstroming als gevolg van dijkdoorbraken. Het water stond op veel plaatsen 1.50 meter boven maaiveld. Van de 182 woningen die destijds in Echten stonden, zijn er meer dan 150 deels zwaar beschadigd en verdwenen. Juist in die tijd waren de verveningen nog in volle gang. De op het veld staande voorraden turf spoelden weg en het vee verdronk, waardoor ook de armoede daarna groot was.

In het gebied van Echten zijn in de 19e eeuw enkele vaarten gegraven voor de afvoer van turf. Een voorbeeld hiervan is de in zuidoostelijk gebied gelegen Klijnsmavaart. Verder de Middenvaart en de Gietersevaart, welke meer op het gebied van Oosterzee ligt. Oorspronkelijk een gebied met veel bos afgewisseld met stukjes weidegrond. Later na 1750 is dit gebied voor een groot deel vergraven voor turfwinning en heeft het gebied in de loop der jaren grote veranderingen ondergaan. Rond 1840 is men begonnen de uitgeveende plassen droog te malen en in cultuur te brengen. Enkele percelen die herinneren aan de vorige periode zijn nog terug te vinden in het gebied, ook de drie sluisjes die voor de afvoer zijn gebruikt zijn nog terug te vinden. Waar eens de veengravers werkten kwamen nu de boeren. Land was water geworden en water werd weer land.

Het Tjeukemeer is met zijn 2116 Ha het grootste meer van Friesland. In 1856 is men druk bezig geweest om het meer droog te maken. De plannen waren helemaal rond. Zo moesten er 6 watermolens worden gebouwd, een sluis, enkele kilometers vaart worden gegraven, alsmede wegen worden aangelegd. De totale kosten werden geraamd op fl. 459.165,00 of omgerekend fl. 218,65 per Ha. Dat het plan niet is uitgevoerd, had als reden dat er niet voldoende geld kon worden aangetrokken en ook de grondsoort was niet van de beste kwaliteit. Gelukkig hebben we een van onze grote Friese meren kunnen behouden.

Aan het Tjeukemeer staat het gemaal Echten dat het water loost op de Friese boezem. Hier staat ook het standbeeld van Tsjūke en March. Bij dat standbeeld wordt een tekst vermeld, dat het ontstaan van het Tsjūkemar verklaart. Deze kleine legende is genaamd De held en de draek.

(Tsjūke en March, boerinnen hadden op de boerderij allerlei dieren waaronder ook een paar koeien, die koeien moesten elke dag gemolken worden. Deze dag was anders dan andere dagen.  De boerinnen kwamen net terug van het melken, de ene boerin had een emmer melk en de ander droeg geen melk. Opeens ontdekten ze een brandje dichtbij de boerderij, maar op een ander stuk land.
Hoe dit brandje ontstaan is, zijn ze nooit achter gekomen.

De boerin zonder melk riep naar de andere: "Je moet je melk erin gooien, zodat het vuur niet harder gaat branden!". Maar de andere boerin zei: "Je bent niet wijs, dan ben ik al mijn melk kwijt! Laat maar branden, het is toch ons land niet".
Omdat deze boerin haar melk niet als blusmiddel wilde gebruiken, wakkerde het vuur snel aan.
De andere boerin keek het angstig aan, maar riep vervolgens: "O Tsjūke, o Tsjūke, hier zul je spijt van krijgen!"

Volgens deze legende is met de naam Tsjūke uit dit verhaal, de naam van het meer ontstaan.  Anderen denken dat het i.p.v. boerinnen twee zusjes waren: Tsjūke en March genaamd.

Dit verhaal vertelt dat deze twee zusjes elkaar door de rook tijdens de brand kwijtraakten.
Toen zij elkaar tijdens deze brand riepen, is dit de mensen uit de omgeving tot op de dag van vandaag bijgebleven. "Dat is Tsjūkemar," zeggen ze dan.
Maar in alle gevallen wakkerde het vuur aan en is er toen een gat in het land ontstaan waar water in stroomde. Langzaamaan is daar het meer ontstaan, het Tsjūkemar).

Voor de watersporter zijn er een paar eilanden in het meer gemaakt met de toepasselijke namen van Tsjūkepolle en Marchjepolle. De namen heeft men ontleend aan de legende van het Tjeukemeer.

Delfstrahuizen vormt samen met Echtenerbrug één woonkern. Het dorp is gesplitst geraakt doordat tot 1984 de gemeentegrens met Haskerland door de Pier Christiaansloot liep. Bij de gemeentelijke herindeling in 1984 werd Delfstrahuizen aan de gemeente Lemsterland toegevoegd. Voorheen lag het dorp in de gemeente Haskerland en tot 1934 in de gemeente Schoterland, welke gemeente nu voor een groot deel de gemeente Heerenveen is. Delfstrahuizen heeft een lange historie, het is een laagveengebied en heeft een oppervlakte van 1145 Ha. De naam zou volgens taalkundigen afgeleid van het oud-friese woord ‘delva’ wat afgraven of afgegraven grond betekent. De huizen aan de ‘delf’ dus Delfstrahuizen.

Het dorp was gelegen in Zevenwouden. Dit gebied was in de eerste helft van de vijftiende eeuw ontstaan uit een verbond van zeven delen, namelijk; Utingeradeel, Aengwirden, Oosterzeesterland, Mirderland, Haskerland, Schoterland en Doniawerstal. De verveningen die in omliggende plaatsen al een grote omvang hadden aangenomen, zijn hier pas veel later op gang gekomen. Hier en daar was een klein begin (graverijtje), maar de echte vervening kwam pas op gang in de tweede helft van de 19e eeuw. Het gebied van Delfstrahuizen heeft hierdoor een metamorfose ondergaan. Dat in Delfstrahuizen in vroeger tijden veel bos is geweest bewijzen de stobben en stronken die bij de landontginning en droogmaking van veengaten aan het licht zijn gekomen.

De Herv., die hier nagenoeg 700 in getal zijn, bezitten eene eigene kerk, met spitsen toren, en hebben met het nabijgelegene d. Oosterzee eenen Predikant. In de kerk aldaar ligt begraven Jonkheer Antoon Anne van Andringa de Kempenaer, in der rijd Grietman van lemsterland, en Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, † te 's Gravenhage, in Junij 1825. - De R. K., van welke men er ongeveer 30 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend.

Dit d. heeft, bij den watersnood van Februarij 1825, zeer veel geleden, zijnde aldaar meer dan 22,000 roeden turf weggedreven. Sommige huizen waren er weggespoeld, anderen ingestort en van de 160 geen 25 onbeschadigd gebleven, terwijl vele hoornbeesten, schapen, varkens en paarden bij deze ramp omkwamen.

De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 130 leerlingen bezocht.

School te Echten.

Op 1 jan. 1647 trouwde Meyne Kersten, schoolmeester te Echten met Wopck Annesdr. van Follega. Hij vertrok eind 1647 naar Follega. In dec. 1655 ontving een mr. Claes Joannes (waarschijnlijk te Echten) schoolpenningen voor een weeskind. In 1712 werd Jildert Claesen
hier schoolmeester; hij noemde zich later naar dit dorp "Van Egten". Hij vertrok in 1716 naar
Wanswerd.
In 1744 was Jan Rommerts hier als schoolmeester. Hij vertrok in 1745 naar Steggerda en vandaar in 1746 naar Hindeloopen. In 1749 was Reyn Teunisz hier als schoolmeester. Hij ging in 1756 naar Witmarsum. In 1786 was de weduwe van wijlen meester Nanne Jans te Echten.
In de herfst van 1811 kwam Merk Tjidsgers Oosterhof, 3de rang, van Nijesloot (Opst.). Zijn traktement bedroeg f 150,- plus de schoolpenningen. In 1814 trouwde hij met Annigje E. Boersma; zij is te Echten overleden op 25 april 1858, oud 63 jaar. Meester Oosterhof is te Echten overleden op 17 mei 1861, oud 68 jaar.
Op 15 nov. 1861 werd Sikke Tillema van Bovenknijpe als zijn opvolger benoemd. Omstreeks 1 jan. 1862 trad hij in dienst. Als hulponderwijzer fungeerde in 1861 A. Lenstra en in 1865 was dat Marten Jans Bakker. Op 15 nov. 1867 werd er een nieuwe school ingewijd. In 1874 was Alle Kooistra hier als hulponderwijzer. Sikke Tillema is gepensioneerd in 1903. Zijn zoon was de bekende Indiė-kenner H.F. Tillema.
In 1903 werd T. Zwart hoofd van deze school. In 1924 werd hij opgevolgd door S. Koopmans.
Deze werd op 1 juni 1930 hoofd van de openbare lagere schippersschool te Sneek. In 1930 kwam A. Rengersen, onderwijzer te Elspeet. Hij vertrok op 1 jan. 1953 naar Wissekerke (Zld.). In 1953 werd hij opgevolgd door J.A. Vooren, onderwijzer te Rotterdam.

Bijzonder onderwijs.

In 1912 werd te Echten (Echtenerbrug) een bijzondere school voor christelijk onderwijs gesticht met als hoofd W. van der Meulen. In 1915 kwam A. van der Ploeg en op 1 jan. 1922 werd G. Ham van Vlagtwedde (Gr.) benoemd. Hij was eerder onderwijzer te Ten Boer, Hendrik Ido Ambacht en Bergum en werd op 1 nov. 1919 hoofd te Vlagtwedde. Hij ging op 1 okt. 1950 met pensioen. Hij werd toen opgevolgd door F. de Vlas, die op deze school reeds als onderwijzer werkzaam was.

 

Christelijke school te Echtenerbrug in 1915.

 

Openbare school te Echten met geheel op den achtergrond de toren der Hervormde Kerk.

 

Echtenerbrug 1927.

 

Echtenerbrug 1915.

 

Echtenerbrug, Zuivelfabriek.

 

Frico, Echtenerbrug 1955.

 

Gezicht op Echtenerbrug en het Tjeukemeer.

 

Middenvaart te Echten, op de voorgrond een wagen van een z.g. melkrijder.

 

De Tweede brug te Echten.

 

Zuivelfabriek, Echtenerbrug.

 

Meerzicht, Echtenerbrug.

 

 

Van Fryske Groun. Ontginnen in Lemsterland. Eenige jaren geleden was deze streek één en al riet en veenplas. Nu is zij omgetoverd in een bewoonbaar landschap, waar reeds een nijvere bevolking zich is gaan vestigen. Hierboven een boerderij, pas gebouwd.

 

Ontginningen in Lemsterland. Hoe de streek in Nieuw-Echten vooruit gaat, kan men zien aan dit complex nieuw huizen.

 

Slootje in Echten.

 

Van de te Echten gehouden volksfeesten vormde de ring-rijderij de hoofdschotel. Het moment waarop de ringen moeten worden opgepikt wordt met groote belangstelling gevolgd.

 

Het bestuur en de feestcommissie der Vereeniging voor Volksvermaken te Echten.

 

Straatmuzikant in Echten.

 

 

Dorpsweg Echtenerbrug.

 

 

 

 

 

 

Gemaal te Echten.

 

Delfstrahuizen.

 

 

Zuivelfabriek Echtenerbrug.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tjeukermeer.

 

 

 

• BANDT, Band, Bant, Bandega of Bantega, voorm. d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, van hetwelk men ten W. van den rijweg van de Lemmer naar Heerenveen nog het oude kerkhof ziet, en onder den naam van Bandster-akker bekend is. De landen van dit dorp moeten zich zuidwaarts zeer ver uitgestrekt hebben, doch zijn van overlang door de zee weggespoeld.

Bantega is het jongste dorp van Lemsterland. Na de Tweede Wereldoorlog werd de buurtschap Echtenpolder omgedoopt tot het dorp Bantega. De naam is afgeleid van Bandt, een plaats die jaren eerder was weggespoeld door de Zuiderzee. Uit archeologisch onderzoek bleek dat tussen 8000 - 4000 voor Christus drie jagers een kampement hadden op de plaats waar nu Bantega ligt. Op de begraafplaats staat ook één van de klokkenstoelen in Friesland.

V.E.G. Bantega - Geschiedenis

Archiefnet

 

School te Bantega

Te Kooisloot, gelegen onder Oosterzee en onder Echten, is onder het beheer van Echten in 1854 een armenschool opgericht. Het eerste gebouw was van hout. Als eerste hoofd werd toen Jelte Klazes Post, derde ranger en ondermeester te Lemmer, aangesteld. Het inkomen bedroeg f 200,- en werd betaald door de gemeente. Op 1 okt. 1859 kwam Andle Andringa, tweede ranger en tijdelijk hulponderwijzer te Lemmer. Hij is op 1 jan. 1862 naar Follega vertrokken.
Op 31 okt. 1863 werd Klaas H. Kluwer benoemd. In 1874 werd de school naar het noorden verplaatst en daar in steen opgetrokken en werd de school te Middenvaart of Echtenerpolder genoemd. In 1875 kwam A. Kooistra als hoofd en in 1877 werd hij opgevolgd door K. Kramer.
Op 1 mei 1883 kwam D. Wijma, die sedert 1 nov. 1879 onderwijzer te Moddergat was geweest. Hij was eerder als kwekeling werkzaam te Drogeham, Kooten, Gerkesklooster (omstr. 1870), daarna onderwijzer te Hantum, Hardegarijp en Gerkesklooster, Oostrum en dus Moddergat. In 1880 is hij getrouwd met Tietje Tamminga. Op 20 febr. 1921 vierde hij zijn 50-
jarig jubileum in het onderwijs. Op 1 juli 1922 ging hij officieel met pensioen. Hij is gestorven op 20 juli 1922, terwijl hij nog in een tijdelijke functie werkzaam was.
In 1925 kwam S.A. Beeksma; hij werd op 1 april 1929 onderwijzer te Amsterdam. In 1929 kwam J. Hazelhof van Goļngarijp, die op 16 febr. 1932 naar Ilpendam vertrok. In 1932 werd H.H. van Limburg tijdelijk aangesteld. Op 16 juni 1932 kwam D. Bun van Etten; hij werd op 1 jan. 1935 hoofd van de RK-school te Steggerda.
In 1935 werd G. Bosma benoemd; hij was waarschijnlijk van Nijehorne afkomstig. Hij werd op 1 april 1947 onderwijzer te Assen. Het dorp Echtenerpolder (Middenvaart) is in jan. 1947 omgedoopt tot Bantega. In 1947 kwam K. Jansma van Drogteropslagen (Dr.) als hoofd. Hij vertrok op 1 maart 1952 naar Tjalleberd. Zijn opvolger werd toen J. Bethlehem, onderwijzer
te Vollenhove.

Bijzonder onderwijs.

Begin 1952 werd A.J. Klijnsma, hoofd van de christelijke school te Bantega, benoemd tot hoofd van de christelijke school te Brunssum (Limb.). Op dat moment had hij een diensttijd van 22 jaar; hij was hier dus sedert 1930 als hoofd geweest. In juni 1952 kwam R. Jagersma, onderwijzer te Blokzijl, als zijn opvolger.

 

School te Bantega.

 

Een groep personen voor de -oude- boerderij van Willem Westerbeek te Bantega. (Toen nog geheten Echten Veenpolder). v.l.n.r.: Willem Willems Westerbeek sr. (geb. te Amsterdam 1850), zijn stiefzoon en stiefdochter Dirk en Gerritje van Manen, zijn kleindochter Corry / Cornelia Hielkema (dochter van zijn zoon Reitse Hielkema en wijlen Lijsje Westerbeek), zijn zoons Willem jr. en Maurits Westerbeek en zijn dochter Neel Westerbeek. Bantega, Bandsloot 40.

 

Poldermolen, type Monnikmolen, in de Grote Veenpolder bij Schoterzijl onder Bantega.

 

Poldermolen, type Monnikmolen, in de Grote Veenpolder bij Schoterzijl onder Bantega.1930.

 

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.