LEMSTERLAND, griet.,
prov. Friesland, kw. Zevenwouden (3 k. d., 12 m. k.,
7 s. d.); palende N. W. aan Doniawarstal, O. en N.
O. aan Schoterland, waarvan zij door de Tjonger of
Kuinder, de Pier-Chistiaansloot en eene scheidlinie,
die met eenen hoek door het Tjeukemeer loopt, wordt
afgescheiden, Z. O. aan het graafs. de Kuinre, nu
tot de prov. Overijssel behoorende, Z. aan de
Zuiderzee, W. aan Gaasterland, bestaande de
scheiding gedeeltelijk uit wateren en voorts uit
scheidliniėn. Zij is de zesde griet. van
Zevenwouden, en bevat 5 dorpen, zijnde: de Lemmer,
Eesterga,
Follega,
Oosterzee en
Echten. Vroeger
behoorden er nog twee dorpen onder, met name
Bandt
en Bantega en Lemsterhoek, waarvan het eerste eene
prooi der Zuiderzee is geworden, terwijl het laatste
te vuur en te zwaard verwoest is. Er waren dus zeven
dorpen in deze griet.; doch Oosterzee en Echten
maakten toen eene bijzondere streek uit, onder den
naam van
Oostzimgerland of Oostzingerland, zoodat de beide
vernietigde dorpen tot de zoogenaamde Lemster-Vijfga,
naam, onder welken men vroeger de vijf dorpen van
Lemsterland verstond, zijnde destijds Bandt,
Eestergaa, Follega, de Lemmer en Lemsterhoek
schijnen behoord te hebben.
EESTERGA, d., prov. Friesland, kw.
Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4
1/2 u. Z. van Sneek, kant. en 1/2 u. N. ten
O. van Lemmer.
Men telt er 15 fraaije
boerenwoningen en 10 andere kleine gebouwen
of huizen, gezamelijk bewoond door ongeveer
150 inw., die meest hun bestaan vinden in de
veeteelt.
De Herv., die hier ruim
110 in getal zijn, behooren tot de gem.
Lemmer-Follega-en-Eesterga, welke hier
eertijds eene kerk had, ruim 1/4 u. van de
Lemmer af staande. De juiste tijd, wanneer
dit gebouw werd afgebroken, is niet met
zekerheid bekend, doch waarschijnlijk is dit
geschied in 1740 of eenige jaren later. Het
kerkhof, hetwelk nog aanwezig is, dient bij
voortduring tot begraafplaats. Men vindt
daarop eene overdekte klok, een zoogenaamd
klokhuis, gelijk men meer op kleine plaatsen
in de provincie Friesland aantreft, waarmede
gedurende de begrafenisplegtigheid geluid
wordt.
De R. K., van welke men
er 16 aantreft, worden tot de stat. van de
Lemmer gerekend.
Er bestaat ook geen
dorpschool meer; terwijl de kinderen de
scholen te Follega en te Lemmer bezoeken.
De landerijen van dit d.
zijn uitmuntend, vrij uitgebreid en loopen
tot aan de Groote Brekken; doch de huizen en
de boerderijen staan in eene rij, van het
Zuiden naar het Noorden, ter zijde van den
rijweg naar de Lemmer, en zijn weinig in
getal. Ten westen van den rijweg naar
Heerenveen zag men vroeger nog het oude
kerkhof van het voorm. dorp Bandt of Bantega,
welks landen zich zuidwaarts zeer verre
uitstrekten, doch die van overlang door de
zee zijn weggespoeld. Thans vindt men
daarvan geene sporen meer, alleen worden nog
ten huidigen dage eenige stukken lands,
daaraan de Band-Akkers genaamd. Ook moet
hier vroeger een huis of plaats, met name de
Brandende put geweest zijn. In dit huis
werd, in het laatst der zeventiende eeuw,
eene put gegraven, welke geen water wilde
geven, waarom men een man met een touw om
den middel, daarin nederliet, om, wanneer
het water, bij het verder uitdelven, te
spoedig mogt opkomen, ras wederom te kunnen
worden opgetrokken; doch, toen hij door het
welzand henen was, kwam er geen water, maar
wel eene zwavelvlam, welke, niettegenstaande
men den arbeider ras omhoog haalde, hem het
haar en de kleederen verzengde, ja, tot
boven de put uitsloeg, doch waarna het
opkomend water ras de vlam uitdoofde. Buiten
twijfel loopt hier in den grond een ader van
aluinachtige zwavelaarde, die, zoo als later
genoegzaam, door proeven met den
Hombergiaanschen pyrophorus, gebleken is,
vuur vat, zoo ras zij aan de open lucht
wordt blootgesteld. Van deze brandende put,
weet men echter met geene zekerheid de
juiste plaats meer aan te wijzen.
De meertjes: het
Groote-Wiel, het Kleine-Wiel, de Kleine-
Brekken en een gedeelte der Groote-Brekken,
benevens een gedeelte van den stroom de
Rijn, behooren tot dit dorp.
In
en om de kerk Lemmer, Lemsterland.

School te Eesterga.
Op 1 mei 1605 was Denijs Ridde schooldienaar in
Eesterga. Op 1 nov. 1609 was hij hier nog; in 1612
was hij te Sloten. Op 28 nov. 1613 en op 28 april
1614 was hier mr. Jan als schoolmeester en op 14
nov. 1618 werd mr. Gepcke Lambertsz genoemd als
schoolmeester.
In 1622 en 1624 was mr. Tiebbe Wijtzes te Eesterga.
In april 1638 was Johannes Thijssen schoolmeester in
Eesterga. Zijn vrouw heette Jantien Thijssensdr. Hij
was hier in juli 1643 nog als schoolmeester en in
1645 ging hij naar Lemmer.
In 1645 trouwde Timannus Nicolai, schoolmeester te
Eesterga, met Swaentien Clasesdr. van Nijelamer.
In nov. 1651 was Arent Meynesz schooldienaar in
Eesterga. Hij was hier reeds op 21 febr. 1651, toen
hij hier trouwde met Stijn Paulusdr van Twellingerga.
Hij was in febr. 1657 te Kortezwaag; waarschijnlijk
was hij vandaar naar Eesterga vertrokken.
Op 20 nov. 1670 kwam met attestatie van Akkrum:
Tjepko Sannis, schoolmeester te Eesterga.
Hij vertrok reeds op 1 mei 1671 met attestatie naar
Offingawier. Op 12 aug. 1694 trouwde Anthonij
Kalsbeek, schooldienaar te Eesterga, met Grietje
Meinesdr. van Kuinre. Ze vertrokken nog in datzelfde
jaar naar Lemmer. Op 11 nov. 1694 trouwde Klaas
Willems, schoolmeester in Eesterga, met An Nolles
van Lemmer.
Op 20 febr. 1718 was de huwelijksproclamatie van
Simon Elingh, schoolmeester te Eesterga, en Yk
Fogelis te Wijckel; ze zijn te Lemmer getrouwd. Op 5
dec. 1716 was Sijmen Elings, schoolmeester te
Eesterga, 28 jaar oud.
Op 7 juli 1736 was Johannes Hendriks, schoolmeester
te Eesterga, 22 jaar oud. Op 23 nov. 1754 was Jaan
Tijmens huisman en schoolmeester te Eesterga. Hij
was toen 64 jaar oud; zijn vrouw Tjeb Piers was 63
jaar.
Op 1 mei 1783 zat Jan Cuperus, schoolmeester te
Eesterga, op het Blokhuis te Leeuwarden gevangen en
verzocht om ontslag uit zijn detentie. Op 3 juni
werd hem dat ontslag verleend.
In 1792 werd Pieter Hendriks Buisma hier
onderwijzer; in 1796 vertrok hij naar Oudehaske.
In de Bijdragen van het Onderwijs 1804/1805 staat: "Eesterga.
Hier was oudtijds een zomerschool: alleen 's zomers
werd les gegeven; vast inkomen f 50,- aantal
leerlingen ruim 20.
De meester was des winters ondermeester te Lemmer of
elders, of winterschool-houder hier of daar."
In 1803 vertrok Jacob Gerrits Deuker naar Follega.
In 1804 kwam hier de 18-jarige T. Buma, maar reeds
in 1805 werd hij ondermeester te Bolsward. Jentje
Jollis Wiarda nam toen provisioneel de school waar,
maar in 1805 vertrok hij reeds naar Follega. In 1806
kwam Jacob Annes Visser, ondermeester aan de tweede
school te Lemmer. Het traktement voor deze
zomerschool bedroeg f 50,- plus de schoolpenningen.
Bovendien mocht hij 's winters in één van de scholen
te Lemmer als ondermeester voor vrij kost en drank
fungeren. In 1808 vertrok hij naar Oosterzee.
In 1814 stond hier Wiebe Annes Visser, een derde
ranger. Hij was te Oudeschoot geboren als zoon van
Anne Jacobs en Akke Jans. In okt. 1816 vertrok hij
naar Scherpenzeel. In 1817 werd de school als
'vacant' opgegeven en in 1818 werd de school niet
meer genoemd.

Klokkenstoel Eesterga uit 1617.
FOLLEGA of Vollega, d., prov.
Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland, arr. en 4 u. Z. ten O. van
Sneek, kant. en 1 u. N. ten O. van de
Lemmer, aan den rijweg van de Lemmer naar
Leeuwarden. Het is het noordelijkste d. der
grietenij, en bestaat uit eenige verstrooid
liggende boerderijen. Men telt er 38 h. en
ruim 230 inw., die meest hun bestaan vinden
in de veeteelt, waartoe men er lage
hooilanden aantreft; ook is er veel
doorvaart uit de naar het Tjeukemeer en
Slooten, langs de Follegasloot of Woudsloot
en de
Tweede Follegasloot,
waarover hier eene groote valbrug ligt.
De
Herv., die hier 200 in getal zijn,
behooren tot de gem. van
Lemmer-Eesterga-en-Follega. Zij hadden er
vroeger eene kerk, doch deze is in de
zeventiende eeuw afgebroken, zoodat er thans
niet meer dan een klokkestoel bestaat.
De R. K., van welke men
er 25 aantreft, worden tot de stat. van de
Lemmer gerekend. Er schijnt in de nabijheid
der Follegabrug
vroeger ook eene R. K.
kerk te hebben gestaan, welke voor ruim 80
jaren moest zijn afgebroken. De dorpschool
wordt gemiddeld door een getal van 70
leerlingen bezocht.
Dit d., is de
geboorteplaats van den Geschiedschrijver
Martinus Hamconius, geb. in 1551, in 1620.
De Groote
Brekken, de Kleine
Brekken en het
Brandemeer behooren
gedeeltelijk onder dit d.

Mevr Hettinga uit Follega, werd verblijd met de
geboorte van 'n tweelingveulen.


Klokkenstoel te
Follega.

FOLLEGA-BRUG of
Follegaster-Brug, brug, prov.
Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland, ten O. van Follega,
over de Follega-sloot; bij deze
brug, van welke men een schoon
uitzigt op het groote Tjeukemeer
heeft, staat eene herberg, aan
welker bewoners de tol betaald
wordt.
De 2 October 1799
wilden de Engelschen, die toen in
Friesland geland waren, bij deze
brug eene batterij opwerpen, doch
het gelukte eene bende gewapende
burgers, naar de Lemmer opgetrokken,
met oogmerk om de stellingen des
vijands op te nemen, bij twee
herhaalde aanvallen, der Engelschen
deze stelling te doen ontruimen, bij
welke gelegenheid drie stukken
geschut, en onder deze een
achttienponder, in hunne handen
vielen.
A.J. van der Aa in "Het Aardrijkskundig woordenboek
der Nederlanden" uitgave 1849-1859, vermeldt
Follegabrug als gelegen ten oosten van Follega als
de brug over de Follegasloot; bij deze brug, van
welke men een schoonuitzigt op het groote Tjeukemeer
heeft, staat eene herberg aan welke bewoners de tol
betaald wordt. Er is daar aan de straatweg met
nummer 40 nog steeds een restaurant gevestigd met de
naam "De Wijde Blik" maar het is niet bekend of dit
de oorspronkelijke herberg is.


FOLLEGA-SLOOT, water, prov.
Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland, tusschen het Tjeukemeer
en de
Groote Brekken.
FOLLEGASTER-BRUG, brug, prov.
Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland. Zie Follega-Brug.

FOLLEGASTER-SLOOT, water,
prov. Friesland, kw. Zevenwouden,
griet. Lemsterland. Zie
Follega-Sloot.
De
Follega molen is een in 1857 in het
Friese Follega gebouwde spinnenkopmolen. De molen is
in 1969 volledig opgeknapt om de molenkolk van de
watermolen van Laag-Keppel op te malen. Door
kanalisatie van de Oude IJssel was het verval te
gering geworden voor de watermolen om nog te kunnen
werken en het kunstmatig verlagen van het peil in de
molenkolk met ca. 1,5 m. was een mogelijkheid om de
watermolen weer gangbaar te maken zonder deze te
verplaatsen. De Follega molen is uniek omdat het de
enige windmolen is die wordt gebruikt om een
watermolen te kunnen laten draaien. De molen is
echter te klein om de watermolen van Laag-Keppel
optimaal te laten functioneren. Het gevlucht heeft
het systeem Fauel op beide roeden.

De Follega molen.
Hamconius, Martinus.
(1551-1620) Katholiek en koningsgezind Fries
geschiedschrijver. Follega (prov. Friesland),
(1550?) - ?, 1620
Hamconius koos de zijde
van de Spaanse koning en de katholieke kerk en moest
daarom, toen de opstandelingen in Friesland de
overhand kregen, zijn functies van
substituut-grietman van Lemsterland en grietman van
Doniawerstal opgeven. Hij vertrok naar het nog door
de Spanjaarden beheerste gedeelte der Nederlanden,
maar moest met dezen vesting na vesting verlaten (Steenwijk,
Groningen, Lingen, Doetinchem). Misschien maakte hij
van het Twaalfjarig Bestand gebruik om naar zijn
geboorteland terug te keren. Anderzijds heeft hij
zijn boek in 1609 opgedragen aan aartshertog
Albertus van Oostenrijk en hoopte hij mogelijk zo
voor een betrekking in de koninklijke Nederlanden in
aanmerking te komen.
Marten Hamkes, Marten
Hamckema of Martinus Hamconius, rond 1550 geboren in
Follega, hoort ook tot een groep die wel die van de
apocriefe historieschrijvers wordt genoemd. Er
worden in zijn werk nog al wat folkloristische
aspecten aangetroffen. In het kader van dit artikel
wordt voor dit type geschiedschrijving het adjectief
"spekulatief" brūkt. Het is een aanduiding van
Waterbolk, waarmee een type beschouwing wordt
bedoeld, die boven het feitelijke of logisch
bewijsbare uitgaat. In It Beaken 56 (1994) blz. 124
spreekt Waterbolk overigens niet langer van
spekulatief, maar gebruikt hij het woord
"fantastisch". Een dergelijke aanduiding kan licht
tot misverstanden aanleiding geven.
School te Follega.
Op
19 dec. 1674 kwam hier met attestatie van Echten
binnen: Meine Kersten schoolmeester. Zijn vrouw
heette Wopck Annesdr. Hij was hier in 1649 nog en is
hier later ook overleden. In aug. 1670 was mr. Claas
Jansen hier schooldienaar. Hij vertrok op 14 mei
1671 met
attestatie naar Oosterwolde. In 1672 was Harmen Jans
hier als schoolmeester met Wyts Johannis zijn
huisvrouw. Ze kwamen van "St. Liecklesga", waarheen
ze op 3 april 1675 weer met attestatie vertrokken.
Op 7 mei 1681 werd op belijdenis van het geloof
aangenomen tot lidmaat: Foppe Klaases schoolmeester
in Follega. Hij was hier in 1683 nog. Vermoedelijk
is hij is hier nį dat jaar gestorven, want zijn
weduwe vertrok later naar Terband.
Op 3 nov. 1689 werd op belijdenis van het geloof
aangenomen: Klaas Willems, schoolmeester in Follega.
Hij was hier in 1691 nog, doch in nov. 1694 was hij
schoolmeester te Eesterga. Op 17 juli 1707 trouwde
Abel Posthumus, schoolmeester te Follega, met Aaltje
Johannis van
Heerenveen. Ze vertrokken omstreeks 1 nov. 1709 naar
De Knijpe.
In aug. 1714 was Jan Els schoolmeester te Follega.
Op 7 juli 1736 was Sake ten Wolde, schoolmeester te
Follega, 34 jaar oud. In 1744 was hier als
schoolmeester: Jan Jansen Knol.
Zijn vrouw heette Pijttertie Attes. Hij was hier in
1765 nog.
In 1802 werd de school vacant, maar in 1803 werd
Jacob Gerrits Deuker van Eesterga provisioneel
benoemd.
Het
traktement bedroeg f 135,- plus vrij wonen en het
gebruik van de "polle" land rondom de school en het
kerkhof. In 1805 was hij in Hommerts. Nog in 1803 of
in 1804 kwam Wijtze Uilkes Boonemmer. Hij trouwde op
13 mei 1804 te St. Nicolaasga met Elske Jochems van
Doniaga. Hij werd in 1805 vereerd met een
boekgeschenk namens de voormalige Raad van
Binnenlandse Zaken. Hij is waarschijnlijk eind 1805
naar Birdaard vertrokken, want in de Leeuwarder
Courant worden sollicitanten opgeroepen tegen 23
sept. 1805 samen te komen in de kerk. In 1806 kwam
Jentje Jollis Wiarda, van Eesterga. Het inkomen
bedroeg toen f 135,- plus de schoolgelden van 35
leerlingen ą f 1,20 en een vrije woning. Hij vertrok
in 1810 naar Tjerkgaast.
In 1814 stond hier Harke Martens Koopmans, derde
rang. Hij bedankte in het najaar van 1818.
Op 1 febr. 1819 kwam Elert Arjens Kuiper, derde
rang. In de zomer van 1822 is hij hier overleden. Op
23 jan. 1823 kwam Wiebe Annes Visser, tweede rang,
van Scherpenzeel. Hij was geboren te Oudeschoot op 1
okt. 1795. Zijn inkomen bedroeg f 235,- plus de
schoolpenningen en een woning. Hij trouwde op op 1
juni 1831 te Lemmer met Minke Halbertsma, die op 21
maart 1808 te Gorredijk was geboren. In 1831 werd
het schoolgebouw vergroot. Wiebe Annes Visser is te
Follega gestorven op 13 maart 1845.
Op 6 okt. 1845 kwam Izaäk Poutsma, ondermeester te
Gorredijk. Hij vertrok op 1 okt. 1854 weer naar
Gorredijk. Op 15 maart 1855 kwam Tjibbe S. Velsing,
tweede rang. Het traktement bedroeg toen f 235,- van
de kerk, f 50,- van de gemeente, plus de
schoolpenningen van 40 leerlingen ą f 3 per kwartaal
en vrij wonen. Hij vertrok op 23 juli 1861 naar
Tjalleberd.
Op 1 jan. 1862 kwam Andle S. Andringa van Kooisloot.
Hij ging in 1894 met pensioen. Op 1 maart 1894 kwam
Nanne van der Weg, onderwijzer te Wolvega. Hij kreeg
op 1 juli 1931 eervol ontslag, doch bleef tot 1
sept. 1931 voorlopig in functie wegens gebrek aan
een
opvolger. Hij is te Velp gestorven op 26 nov. 1935,
oud 68 jaar.
In sept. 1931 werd K.T. Jansma tijdelijk aangesteld
en op 1 febr. 1932 kwam P.C. Hofman, onderwijzer aan
de ULO te Lemmer. Op 19 okt. 1933 besloot de
gemeenteraad tot opheffing van deze school met
ingang van 1 jan. 1934. Dit besluit werd goedgekeurd
door Gedeputeerde Staten van Friesland.
OOSTERZEE, oudtijds Oosterse, in het
Oud-Friesch Aesterzee, d., prov. Friesland,
kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en
5 u. Z, van Sneek, kant. en 1 u. N. O. van
de Lemmer, Z. van het Tjeuke-meer.
Dit d., is het grootste
der grietenij, hoewel niet zeer bevolkt,
naar zijne uitgestrektheid, tellende men er
slechts 360 h. en nagenoeg 920 inw., die
meest bestaan van den landbouw. Ook heeft
men er eenen houtzaagmolen en eenen
oliemolen. Oosterzee is wel voorzien van
schoone riviervisch.
De landen van dit d., ten
N. aan het gemelde meer palende, strekken
zich zuidwaarts wel 1 1/2 uur uit, en zijn
bekend onder den naam van
Oostringer-land. Zie
dat woord.
De Herv., die hier 900 in getal zijn,
behooren tot de gem. van Oosterzee-en-Echten,
die hier eene kerk heeft. Dze kerk, die
eenen fraaijen spitsen toren plagt te
hebben, welke reeds van overlang vervallen
is, staat landwaarts in, aan den westkant
van den rijweg, van Heerenveen naar de
Lemmer, waar langs ook bijna alle de huizen
aan den noordkant zijn gebouwd. De kerk
zelve, een langwerpig vierkant gebouw, 22
ell. 6 palm. lang, en 9 ell. 4 palm. breed,
is in 1706 gebouwd, nadat de vorige, welke
van eenen geheel anderen bouwtrant was, door
eenen harden wind was ingestort. De
predikstoel staat in het midden, hoewel hij
beter aan het oosteinde zoude geplaatst
zijn. De nette koepelvormige toren is in
1798, ter vervanging van eenen klokkestoel,
welke er destijds bestond, op de kerk
geplaatst.
De Doopsgez., die er 4 in
getal zijn, behooren tot de gem. van Joure.
- De 16 R. K., die er wonen, behooren tot de
stat. van de Lemmer. - De school wordt
gemiddeld door een getal van 90 leerlingen
bezocht.
Te Oosterzee plagt ook
een regthuis te wezen, gelijk mede twee
aanzienlijke staten, beide den naam voerende
van Oosterzee, naar twee Grietmannen uit het
geslacht, welke hier hebben gewoond, en
insgelijks eene Roorda-state,
doch die allen reeds
voor vele jaren verdwenen zijn. - Opsommige
kaarten van Friesland ziet men bij dit d.
eenen heerlijken aanleg van eene groote
uitgestrektheid, het
Huis-ter-Velde
genaamd, doch deze bestaat slechts uit
eenige beplante lanen, en dient voorts tot
eene volgelkooi.
Oosterzee is de
geboorteplaats van den Godgeleerde Menso
Poppius, na 1567. Hij was de Schrijver van
het register der Roomsche Priesters, die
wegens hunne Hervormde gevoelens in 1567 uit
Friesland gevlugt zijn, en in Oost-Friesland
eene schuilplaats gezocht en gevonden
hebben.
In den jare 1196 kwam
Jonkheer Willem, zoon van Floris III, Graaf
van Holland, hier in het land, hetwelk toen
in oorlog was met Hendrik Kraan, Graaf van
de Kuinder, hebbende de eerste, om dezen
twist, die van zeer langen duur was, uit te
houden, hier een sterk slot gebouwd.
In 1198 had Willem geluk zijne vijanden te verslaan; ook kreeg hij, eenigen tijd later, den Bisschop van
Utrecht, die de Friezen met onregtvaardige
afpersingen kwelde, gevangen, hoewel hij
echter, naderhand, door beleid van eenige
Monniken werd losgelaten. ten jare 1521 werd
Oosterzee, door den Bisschop van Utrecht,
geheel verbrand.
School te Oosterzee.
Van 1614 tot 1617 werd de school te Oosterzee
bediend door Focke Jacobs, zoon van de predikant te
Oldeberkoop. Hij was van 1604 tot 1611 op de
triviale school te Joure en van 1611 tot 1614 op de
Academie te Franeker. Van 1617 tot 1619 bediende hij
de school te Spanga.
In 1621 was Mijntije Jattijesz schooldienaar in
Oosterzee. In 1642-1643 trad Abraham Pieters,
schoolmeester tot Oosterzee c.a., op als getuige. In
juni 1654 werd Abraham Pijtters Stelma, van
Oosterzee, aangesteld als schoolmeester te Marssum.
Hij was hier in Oosterzee
blijkbaar ook schoolmeester geweest.
In febr. 1742 vertrok mr. Hendrik Martens
Kleynhouwer van Oosterzee naar Sloten. In 1749 was
mr. Jan Pijtters schoolmeester in Oosterzee. In
april 1774 was hier Jan Westerhof als schoolmeester.
Zijn vrouw heette Aaltje Egberts. Op 13 mei 1781
trouwden hier Jolle
Roelofs, jongman en Frouckjen Jentjes, jonge
dochter, beiden van Oosterzee. Het is niet zeker of
hij ook schoolmeester was, maar zij waren hier in
1795 beiden nog. Volgens de Leeuwarder Courant was
de school in aug. 1796 vacant. Op 18 juli 1797
trouwden hier Harmen Egberts Kluiver, schoolmeester
te Oosterzee en Lolkje Sjoerds van Joure. Hij heeft
na 16 maart 1808 afstand gedaan van zijn post. Op 23
mei 1863 is te Echten overleden:
Harmen Egberts Kluwer, oud 90 jaar en 3 maanden, man
van Margje Vaartjes.
In 1808 kwam meester Jacob Annes Visser, derde
ranger en afkomstig van Eesterga. Zijn inkomen werd
in 1808 van f 100,- op f 200,- gebracht, plus de
schoolpenningen. In 1818 werd de school vergroot.
J.A. Visser is gestorven op 19 jan. 1823, oud 33
jaar en twee maanden. Hij was op dat moment 8½ jaar
getrouwd geweest met Gotsche Hartmans Bakker.
In 1824 kwam K.H. Kluiver, derde rang. Zijn vrouw
heette Saakje Hillebrands de Jong (in 1829). Zijn
traktement zag er als volgt uit: f 200,- en f 50,-
als koster, plus de schoolpenningen van 80
leerlingen ą 40 centen per kwartaal, tevens een
vrije woning en f 15,- voor het beluiden van de
doden. Hij kreeg eervol ontslag in het voorjaar van
1854.
Op 12 mei 1854 kwam zijn opvolger: Lambertus Kreeft
Jzn, tweede rang, van Doniaga. Hij is op 29 april
1855 getrouwd met Ida Katharina Cuperus van Sneek.
Op 4 mei 1865 werd de bouw van een nieuwe school
aanbesteed. In 1888 kwam C.E. Keilholz, die in nov.
1890 naar
Beneden-Knijpe vertrok.
In 1890 kwam O. Broersma als hoofd van deze school.
Op 16 febr. 1895 kwam S. Vogelzang, eerder
onderwijzer te Ureterp en te Tzummarum. In 1907 kwam
er een nieuwe school.
Vanwege ziekte ging hij op 1 juli 1932 met pensioen.
Op 1 juni 1932 kwam G.H. Scholten, onderwijzer te
Vaassen en op 1 juli 1932 kreeg hij een vaste
aanstelling. Hij was hier in 1950 nog als hoofd,
Bijzonder onderwijs.
In 1912 is te Oosterzee een school voor chr. nat.
onderwijs gesticht met twee lokalen; op 30 november
1912 vond de opening plaats. Het eerste hoofd werd
toen A.R. Koster, onderwijzer te Garijp. In 1920 is
hij naar Zwammerdam vertrokken. In april 1920 kwam
zijn opvolger: P.
Pruiksma, onderwijzer te Woudsend. Op 1 jan. 1931
vertrok hij naar Makkum.
In 1930 werd hij opgevolgd door D. Zuiderveld,
onderwijzer in Rotterdam. Op 1 mei 1938 werd hij
hoofd van de Jan van Nassauschool te Sneek. Zijn
opvolger was in dat jaar J. Boeijenga, onderwijzer
te Woudsend. In 1946 werd hij hoofd van de
christelijke school te Workum. In 1946 kwam M.
Fokkema, onderwijzer te Lemmer. In 1955 werd hij
hoofd van de christelijke school te Broek op
Langedijk. Zijn opvolger werd toen J. van Gorcum,
onderwijzer te Amsterdam.
Er was nog een bijzondere (CVO) school onder
Oosterzee, in de Echtener-Polder. In 1920 werd R.
Nooitgedagt hoofd van deze school. In 1926 werd hij
opgevolgd door A.B. Renema, die omstreeks 1 jan.
1930 naar Oudemirdum vertrok. In 1930 kwam B.G.
Zinkweg, die op 1 april 1932 naar Akkrum vertrok. In
1932 kwam B. van Elswijk, onderwijzer te Benthuizen.

School te Oosterzee.

School te Oosterzee.


Kerk te Oosterzee.


Zuivelfabriek te Oosterzee.

Zuivelfabriek te Oosterzee.




OOSTERZEE-SLOOT,
water in Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland, dat, 1/4 u. N. O. van Echten,
uit het Tjeukemeer voortkomt, met eenen
zuidoostelijken loop langs het geh.
Echtenburg loopt, en zich in de Kuinder
ontlast.
ECHTEN of Echtelen,
Echtenerbrug/
Delfstrahuizen., in de uitspraak
Iechten, in het oud-Friesch Achtelum
genoemd, d., prov. Friesland, kw.
Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 3
u. Z. W. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u.
N. O. van de Lemmer, aan het Tjeukemeer. Men
telt er 160 h., meestal boerderijen, welke
zeer uit elkander gebouwd zijn, en ongeveer
800 inw., die meest hun bestaan vinden in de
veenderijen.
De Pier
Christiaansloot loopt door de kern van dit
dorp (c.a. 1100 inwoners) en is belangrijk
vaarwater. Deze vormt namelijk de verbinding
tussen de Kop van Overijssel met onder
andere de Weerribben en de toegang tot de
Friese meren. In Echtenerbrug vind je
meerdere jachthavens.
Elk jaar vinden tijdens de zomermaanden de
Dolle Donderdagen plaats. Op de
donderdagavonden worden er dan activiteiten
rond het water georganiseerd, zoals zakslaan,
spijkerbroekhangen, kano-racen, live muziek
en veel meer. Ook is er elk jaar het IFKS
skūtsjesilen, met in het dorp onder andere
een braderie, muziek op het water en muziek
in de feesthal. De feestweek in Echtenerbrug
(in de tweede week van september) is een
jaarlijks terugkerend iets.
In
1511 wordt Echten geschreven als Echtna, liggende in
de grietenij van Lemster fyfgea. Dat het dorp oud
is, blijkt wel uit oude stukken van het jaar 1200
woonden toen 23 gezinnen. De
kerk heeft
echter een rijke historie en is genoemd naar de
heilige Lourentius anno 1597. In begin 1825 is de
kerk een schuilplaats en redding geweest voor veel
mensen, want in dat jaar was er een grote
overstroming als gevolg van dijkdoorbraken. Het
water stond op veel plaatsen 1.50 meter boven
maaiveld. Van de 182 woningen die destijds in Echten
stonden, zijn er meer dan 150 deels zwaar beschadigd
en verdwenen. Juist in die tijd waren de verveningen
nog in volle gang. De op het veld staande voorraden
turf spoelden weg en het vee verdronk, waardoor ook
de armoede daarna groot was.
In
het gebied van Echten zijn in de 19e eeuw enkele
vaarten gegraven voor de afvoer van turf. Een
voorbeeld hiervan is de in zuidoostelijk gebied
gelegen Klijnsmavaart. Verder de Middenvaart en de
Gietersevaart, welke meer op het gebied van
Oosterzee ligt. Oorspronkelijk een gebied met veel
bos afgewisseld met stukjes weidegrond. Later na
1750 is dit gebied voor een groot deel vergraven
voor turfwinning en heeft het gebied in de loop der
jaren grote veranderingen ondergaan. Rond 1840 is
men begonnen de uitgeveende plassen droog te malen
en in cultuur te brengen. Enkele percelen die
herinneren aan de vorige periode zijn nog terug te
vinden in het gebied, ook de drie sluisjes die voor
de afvoer zijn gebruikt zijn nog terug te vinden.
Waar eens de veengravers werkten kwamen nu de
boeren. Land was water geworden en water werd weer
land.
Het
Tjeukemeer is met zijn 2116 Ha het grootste meer van
Friesland. In 1856 is men druk bezig geweest om het
meer droog te maken. De plannen waren helemaal rond.
Zo moesten er 6 watermolens worden gebouwd, een
sluis, enkele kilometers vaart worden gegraven,
alsmede wegen worden aangelegd. De totale kosten
werden geraamd op fl. 459.165,00 of omgerekend fl.
218,65 per Ha. Dat het plan niet is uitgevoerd, had
als reden dat er niet voldoende geld kon worden
aangetrokken en ook de grondsoort was niet van de
beste kwaliteit. Gelukkig hebben we een van onze
grote Friese meren kunnen behouden.
Aan
het Tjeukemeer staat het gemaal Echten dat het water
loost op de Friese boezem. Hier staat ook het
standbeeld van Tsjūke en March. Bij dat standbeeld
wordt een tekst vermeld, dat het ontstaan van het
Tsjūkemar verklaart. Deze kleine legende is genaamd
De held en de draek.
(Tsjūke en March, boerinnen hadden op de boerderij
allerlei dieren waaronder ook een paar koeien, die
koeien moesten elke dag gemolken worden. Deze dag
was anders dan andere dagen. De boerinnen
kwamen net terug van het melken, de ene boerin had
een emmer melk en de ander droeg geen melk. Opeens
ontdekten ze een brandje dichtbij de boerderij, maar
op een ander stuk land.
Hoe dit brandje ontstaan is, zijn ze nooit achter
gekomen.
De boerin zonder melk riep naar de andere: "Je moet
je melk erin gooien, zodat het vuur niet harder gaat
branden!". Maar de andere boerin zei: "Je bent niet
wijs, dan ben ik al mijn melk kwijt! Laat maar
branden, het is toch ons land niet".
Omdat deze boerin haar melk niet als blusmiddel
wilde gebruiken, wakkerde het vuur snel aan.
De andere boerin keek het angstig aan, maar riep
vervolgens: "O Tsjūke, o Tsjūke, hier zul je spijt
van krijgen!"
Volgens deze legende is met de naam Tsjūke uit dit
verhaal, de naam van het meer ontstaan.
Anderen denken dat het i.p.v. boerinnen twee zusjes
waren: Tsjūke en March genaamd.
Dit verhaal vertelt dat deze twee zusjes elkaar door
de rook tijdens de brand kwijtraakten.
Toen zij elkaar tijdens deze brand riepen, is dit de
mensen uit de omgeving tot op de dag van vandaag
bijgebleven. "Dat is Tsjūkemar," zeggen ze dan.
Maar in alle gevallen wakkerde het vuur aan en is er
toen een gat in het land ontstaan waar water in
stroomde. Langzaamaan is daar het meer ontstaan, het
Tsjūkemar).
Voor de watersporter zijn er een paar eilanden in
het meer gemaakt met de toepasselijke namen van
Tsjūkepolle en Marchjepolle. De namen heeft men
ontleend aan de legende van het Tjeukemeer.
Delfstrahuizen vormt samen met Echtenerbrug één
woonkern. Het dorp is gesplitst geraakt doordat tot
1984 de gemeentegrens met Haskerland door de Pier
Christiaansloot liep. Bij de gemeentelijke
herindeling in 1984 werd Delfstrahuizen aan de
gemeente Lemsterland toegevoegd. Voorheen lag het
dorp in de gemeente Haskerland en tot 1934 in de
gemeente Schoterland, welke gemeente nu voor een
groot deel de gemeente Heerenveen is. Delfstrahuizen
heeft een lange historie, het is een laagveengebied
en heeft een oppervlakte van 1145 Ha. De naam zou
volgens taalkundigen afgeleid van het oud-friese
woord delva wat afgraven of afgegraven grond
betekent. De huizen aan de delf dus Delfstrahuizen.
Het
dorp was gelegen in Zevenwouden. Dit gebied was in
de eerste helft van de vijftiende eeuw ontstaan uit
een verbond van zeven delen, namelijk; Utingeradeel,
Aengwirden, Oosterzeesterland, Mirderland,
Haskerland, Schoterland en Doniawerstal. De
verveningen die in omliggende plaatsen al een grote
omvang hadden aangenomen, zijn hier pas veel later
op gang gekomen. Hier en daar was een klein begin (graverijtje),
maar de echte vervening kwam pas op gang in de
tweede helft van de 19e eeuw. Het gebied van
Delfstrahuizen heeft hierdoor een metamorfose
ondergaan. Dat in Delfstrahuizen in vroeger tijden
veel bos is geweest bewijzen de stobben en stronken
die bij de landontginning en droogmaking van
veengaten aan het licht zijn gekomen.
De
Herv., die hier nagenoeg 700 in getal
zijn, bezitten eene eigene kerk, met spitsen
toren, en hebben met het nabijgelegene d.
Oosterzee eenen Predikant. In de kerk aldaar
ligt begraven Jonkheer Antoon Anne van
Andringa de Kempenaer, in der rijd Grietman
van lemsterland, en Lid van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, te 's Gravenhage, in
Junij 1825. - De R. K., van welke men er
ongeveer 30 aantreft, worden tot de stat.
van de Lemmer gerekend.
Dit d. heeft, bij den
watersnood van Februarij 1825, zeer veel
geleden, zijnde aldaar meer dan 22,000
roeden turf weggedreven. Sommige huizen
waren er weggespoeld, anderen ingestort en
van de 160 geen 25 onbeschadigd gebleven,
terwijl vele hoornbeesten, schapen, varkens
en paarden bij deze ramp omkwamen.
De dorpschool wordt
gemiddeld door een getal van 130 leerlingen
bezocht.
School te Echten.
Op 1 jan. 1647 trouwde Meyne Kersten, schoolmeester
te Echten met Wopck Annesdr. van
Follega. Hij vertrok eind 1647 naar Follega. In
dec. 1655 ontving een mr. Claes Joannes
(waarschijnlijk te Echten) schoolpenningen voor een
weeskind. In 1712 werd Jildert Claesen
hier schoolmeester; hij noemde zich later naar dit
dorp "Van Egten". Hij vertrok in 1716 naar
Wanswerd.
In 1744 was Jan Rommerts hier als schoolmeester. Hij
vertrok in 1745 naar Steggerda en
vandaar in 1746 naar Hindeloopen. In 1749 was Reyn
Teunisz hier als schoolmeester. Hij
ging in 1756 naar Witmarsum. In 1786 was de weduwe
van wijlen meester Nanne Jans te
Echten.
In de herfst van 1811 kwam Merk Tjidsgers Oosterhof,
3de rang, van Nijesloot (Opst.). Zijn
traktement bedroeg f 150,- plus de schoolpenningen. In
1814 trouwde hij met Annigje E.
Boersma; zij is te Echten overleden op 25 april
1858, oud 63 jaar. Meester Oosterhof is te
Echten overleden op 17 mei 1861, oud 68 jaar.
Op 15 nov. 1861 werd Sikke Tillema van Bovenknijpe
als zijn opvolger benoemd. Omstreeks
1 jan. 1862 trad hij in dienst. Als hulponderwijzer
fungeerde in 1861 A. Lenstra en in 1865
was dat Marten Jans Bakker. Op 15 nov. 1867 werd er
een nieuwe school ingewijd. In 1874
was Alle Kooistra hier als hulponderwijzer. Sikke
Tillema is gepensioneerd in 1903. Zijn
zoon was de bekende Indiė-kenner H.F. Tillema.
In 1903 werd T. Zwart hoofd van deze school. In 1924
werd hij opgevolgd door S. Koopmans.
Deze werd op 1 juni 1930 hoofd van de openbare
lagere schippersschool te Sneek. In 1930
kwam A. Rengersen, onderwijzer te Elspeet. Hij
vertrok op 1 jan. 1953 naar Wissekerke
(Zld.). In 1953 werd hij opgevolgd door J.A. Vooren,
onderwijzer te Rotterdam.
Bijzonder onderwijs.
In 1912 werd te Echten (Echtenerbrug) een bijzondere
school voor christelijk onderwijs
gesticht met als hoofd W. van der Meulen. In 1915
kwam A. van der Ploeg en op 1 jan. 1922
werd G. Ham van Vlagtwedde (Gr.) benoemd. Hij was
eerder onderwijzer te Ten Boer,
Hendrik Ido Ambacht en Bergum en werd op 1 nov. 1919
hoofd te Vlagtwedde. Hij ging op 1
okt. 1950 met pensioen. Hij werd toen opgevolgd door
F. de Vlas, die op deze school reeds als
onderwijzer werkzaam was.

Christelijke school
te Echtenerbrug in 1915.

Openbare school te Echten met geheel op den
achtergrond de toren der Hervormde Kerk.

Echtenerbrug 1927.

Echtenerbrug 1915.

Echtenerbrug,
Zuivelfabriek.

Frico, Echtenerbrug
1955.

Gezicht op
Echtenerbrug en het Tjeukemeer.

Middenvaart te
Echten, op de voorgrond een wagen van een z.g.
melkrijder.

De Tweede brug te
Echten.

Zuivelfabriek,
Echtenerbrug.

Meerzicht,
Echtenerbrug.


Van Fryske Groun. Ontginnen in Lemsterland.
Eenige jaren geleden was deze streek één en al riet
en veenplas. Nu is zij omgetoverd in een bewoonbaar
landschap, waar reeds een nijvere bevolking zich is
gaan vestigen. Hierboven een boerderij, pas gebouwd.

Ontginningen in Lemsterland. Hoe de streek in
Nieuw-Echten vooruit gaat, kan men zien aan dit
complex nieuw huizen.

Slootje in Echten.

Van de te Echten gehouden volksfeesten vormde de
ring-rijderij de hoofdschotel. Het moment waarop de
ringen moeten worden opgepikt wordt met groote
belangstelling gevolgd.

Het bestuur en de feestcommissie der Vereeniging
voor Volksvermaken te Echten.

Straatmuzikant in Echten.


Dorpsweg Echtenerbrug.






Gemaal te Echten.

Delfstrahuizen.


Zuivelfabriek Echtenerbrug.








Tjeukermeer.


BANDT,
Band, Bant, Bandega of Bantega, voorm. d.,
prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet.
Lemsterland, van hetwelk men ten W. van den
rijweg van de Lemmer naar Heerenveen nog het
oude kerkhof ziet, en onder den naam van
Bandster-akker bekend
is. De landen van dit dorp
moeten zich zuidwaarts zeer ver uitgestrekt
hebben, doch zijn van overlang door de zee
weggespoeld.
Bantega is het jongste dorp van Lemsterland. Na de
Tweede Wereldoorlog werd de buurtschap
Echtenpolder omgedoopt tot het dorp Bantega.
De naam is afgeleid van Bandt, een plaats die jaren
eerder was weggespoeld door de Zuiderzee. Uit
archeologisch onderzoek bleek dat tussen 8000 - 4000
voor Christus drie jagers een kampement hadden op de
plaats waar nu Bantega ligt. Op de begraafplaats
staat ook één van de klokkenstoelen in Friesland.
V.E.G.
Bantega - Geschiedenis
Archiefnet
School te Bantega
Te Kooisloot, gelegen onder
Oosterzee en onder Echten, is onder het beheer van
Echten in
1854 een armenschool opgericht. Het eerste gebouw
was van hout. Als eerste hoofd werd toen
Jelte Klazes Post, derde ranger en ondermeester te
Lemmer, aangesteld. Het inkomen bedroeg f 200,- en werd betaald door de gemeente. Op 1 okt.
1859 kwam Andle Andringa, tweede
ranger en tijdelijk hulponderwijzer te Lemmer. Hij
is op 1 jan. 1862 naar Follega vertrokken.
Op 31 okt. 1863 werd Klaas H. Kluwer benoemd. In
1874 werd de school naar het noorden
verplaatst en daar in steen opgetrokken en werd de
school te Middenvaart of Echtenerpolder
genoemd. In 1875 kwam A. Kooistra als hoofd en in
1877 werd hij opgevolgd door K.
Kramer.
Op 1 mei 1883 kwam D. Wijma, die sedert 1 nov. 1879
onderwijzer te Moddergat was
geweest. Hij was eerder als kwekeling werkzaam te
Drogeham, Kooten, Gerkesklooster
(omstr. 1870), daarna onderwijzer te Hantum,
Hardegarijp en Gerkesklooster, Oostrum en dus
Moddergat. In 1880 is hij getrouwd met Tietje
Tamminga. Op 20 febr. 1921 vierde hij zijn 50-
jarig jubileum in het onderwijs. Op 1 juli 1922 ging
hij officieel met pensioen. Hij is
gestorven op 20 juli 1922, terwijl hij nog in een
tijdelijke functie werkzaam was.
In 1925 kwam S.A. Beeksma; hij werd op 1 april 1929
onderwijzer te Amsterdam. In 1929
kwam J. Hazelhof van Goļngarijp, die op 16 febr.
1932 naar Ilpendam vertrok. In 1932 werd
H.H. van Limburg tijdelijk aangesteld. Op 16 juni
1932 kwam D. Bun van Etten; hij werd op
1 jan. 1935 hoofd van de RK-school te Steggerda.
In 1935 werd G. Bosma benoemd; hij was
waarschijnlijk van Nijehorne afkomstig. Hij werd
op 1 april 1947 onderwijzer te Assen. Het dorp
Echtenerpolder (Middenvaart) is in jan. 1947
omgedoopt tot Bantega. In 1947 kwam K. Jansma van
Drogteropslagen (Dr.) als hoofd. Hij
vertrok op 1 maart 1952 naar Tjalleberd. Zijn
opvolger werd toen J. Bethlehem, onderwijzer
te Vollenhove.
Bijzonder onderwijs.
Begin 1952 werd A.J. Klijnsma, hoofd van de
christelijke school te Bantega, benoemd tot
hoofd van de christelijke school te Brunssum (Limb.).
Op dat moment had hij een diensttijd
van 22 jaar; hij was hier dus sedert 1930 als hoofd
geweest. In juni 1952 kwam R. Jagersma,
onderwijzer te Blokzijl, als zijn opvolger.

School te Bantega.

Een groep personen voor de -oude- boerderij van
Willem Westerbeek te Bantega. (Toen nog geheten
Echten Veenpolder). v.l.n.r.: Willem Willems
Westerbeek sr. (geb. te Amsterdam 1850), zijn
stiefzoon en stiefdochter Dirk en Gerritje van
Manen, zijn kleindochter Corry / Cornelia Hielkema
(dochter van zijn zoon Reitse Hielkema en wijlen
Lijsje Westerbeek), zijn zoons Willem jr. en Maurits
Westerbeek en zijn dochter Neel Westerbeek. Bantega,
Bandsloot 40.

Poldermolen, type Monnikmolen, in de Grote
Veenpolder bij Schoterzijl onder Bantega.

Poldermolen, type Monnikmolen, in de Grote
Veenpolder bij Schoterzijl onder Bantega.1930.

Home