Lemster
vissersvloot met naam en bijnaam, omstreeks 1915.
Roelie
Spanjaard Visser heeft dit alles bijeen gebracht ter
nagedachtenis aan haar Vader, Sake (Reade)Visser. Met hulp
van Jan Wouda, die de namen van de boten, aan Sake ( Reade
Sake ) Visser heeft gegeven. En Anne en Saakje Visser.
|
1|
2 |3
|4
| 5
|
6
| 7
| 8
|
Inleiding
|
|
Pier de boer 1837-1904 |
Harm de Boer 1869-1939 |
Klaas de Boer 1873-1950 |
|
Hendrik de Boer 1885-1972 |
Dirk de Boer 1877-1961 |
Arie de Boer 1900-1978 |
|
De
Lemsteraak in aanbouw.
◊ Het ontstaan van
De Lemsteraak en Lemsterschouw
Niettegenstaande de aanwezigheid van een aantal werven op de
Lemmer komen de bij het vissen gebruikte vaartuigen niet van
deze hellingen. Uit de werfboeken van "Eeltjebaes" - Eeltje Holtrop van der
Zee (kopieën van deze werfboeken zijn aanwezig in het Fries
Scheepvaart Museum in Sneek - en de snij en zeilboeken ,van
Folkert de Vries en de fa. Molenaar, beide aanwezig in de
particuliere archieven van het rijksarchief in Leeuwarden),
blijkt dat de nieuwe vissersschepen aken en boten voor de
Lemster vissers niet op de Lemmer worden gebouwd; wel bij
Eeltje-baes, eerst in IJlst en later op de Joure. Pas in
1877 komen we in het gemeenteverslag over dat jaar voor het
eerst de melding. tegen dat er vissersschepen binnen deze
gemeente te water zijn gelaten: twee aken van resp. 10 en 12
ton. (GVL 1877)
Eén van deze aken is
met zekerheid door Pier de Boer gebouwd: Volgens de familie
overlevering een 36- voetsaak botaak. (Als er in het vervolg
sprake is van voeten dan zijn er Friese voeten van ongeveer
28 cm bedoeld). Dit is zijn eerste als zelfstandig
scheepsbouwmeester vervaardigde aak. Over hem en de door
zijn gebouwde aken zullen we het hieronder hebben. In 1904 wordt het stoffelijk overschot van Pier Klaas de
Boer in Woudsend, zijn geboorteplaats, ter aarde besteld. In
hetzelfde graf waar vele tientallen jaren eerder zijn eerste
echtgenote samen met haar pasgeboren kind werden begraven.
Beiden hebben de bevalling niet overleefd. Pier vertrekt uit Woudsend en vestigt zich in Lemmer. Naar
de redenen ervan kunnen we slechts gissen.. In de jaren
voorafgaande aan zijn komst op de Lemmer is hij
met,zekerheid op een (de) helling in Woudsend werkzaam als
knecht. In 1867 trouwt hij voor de tweede keer, met een Lemster
vrouw: Sjoerdje Visser. Op 24 december 1874 koopt hij samen
met zijn compagnon Thijs van de Vaart met ingang van 1
januari 1875 een groot stuk tussen de Zeedijk en de Rien
gelegen land van het waterschap De Zeven Grietenijen en de
Stad Sloten. (Kadaster en openbare registers, Leeuwarden).
Beiden worden in de koopakte als scheepstimmer-knechten
aangeduid. Van Van der Vaart horen we al spoedig niets meer.
Samen met zijn vrouw Sjoerdje sticht Pier op het aangekochte
terrein een scheepshelling die in 1876 begint te draaien.
In de jaren dat hij op de Lemmer woont, voorafgaande aan
deze stichting werkte hij op een helling in Echtenerbrug
(Bos) en zeer waarschijnlijk ook nog op een werf in de
Lemmer (Bakker).
In 1877 laat bij zijn
eerste vissersaak te water een 36-voets botaak voor Jan de
Blauw. Het vaartuig wordt getuigd met een grootzeil
(gaffeltuig), fok, kluiffok en bezaan. Over de vorm van het
het model is niet veel met zekerheid te zeggen. Nu komt een scheepsmodel niet uit de lucht vallen. Zoals we
hebben gezien heeft Pier de Boer bij andere scheepsbouwers
gewerkt voordat hij op bijna veertigjarige leeftijd voor
eigen rekening schepen begon te bouwen. Daarnaast kan hij
alle dagen door andere, zowel Friese als van de Zuidwal
afkomstige, scheepstimmerlieden, vervaardigde schepen in de
haven zien liggen. Het lijkt redelijk aan te nemen dat de
eerste aken die Pier de Boer bouwt niet al te veel van de in
die tijd gangbare afweken. Pas in 1882 laat hij weer aken te water: twee van elk 40
voet. Een aak voor Jan de Blauw en één voor Andries de
Blauw. Of hij in de periode 1877-1882 geen vissersschepen heeft
gebouwd valt niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk is
het wel. Behalve dat er in de zeil- en snijboeken van
Folkert de Vries geen melding wordt gemaakt van
nieuwgebouwde aken of botters, wordt er ook In de
gemeenteverslagen over deze, periode geen melding gemaakt
van te water gelaten vissersschepen.
Pas in 1882 is dit weer
het geval, nl. twee aken en een botter. (GVL 1882) De op de Lemmer gebouwde aken worden evenals de schepen
waarmee de Lemsters vissen met botaken aangeduid. Daarnaast
komen visaken en aken voor. Het onderscheid tussen botaken
en visaken zit hem in de bun en daarmee in de visserij die
ermee beoefend wordt. Botaken hebben een bun met grote gaten
omdat anders de bot, een platvis, de gaten van de bun
afdekt. Visaken, die dus kleinere gaten in de bun hebben worden
voornamelijk door binnenvissers. gebruikt Ook de door
Eeltjebaes voor 1900 gebouwde aken, o.a. ten behoeve van de
''Poepen" zijn voor de binnenvisserij gebouwde schepen. Ze
dienen om er op te wonen en fungeren tevens als bewaarplaats
voor de gevangen paling, etc. Ze worden aIs moederschip
gebruikt bij het vissen. Het eigenlijke vissen gebeurt met
boten, vletten, punters, enz. Dit geldt ook voor de botaken.
Ook hiermee werd niet gevist, pas als de Lemster vissers
gaan slepen en of kuilen werd er effectief met de botaken
gevist. De botaken deden dienst aIs jagers om de gevangen
vis snel aan de markt te brengen. Daarnaast werden er vanaf
1887 aken voor vissers uit Wieringen en Enkhuizen gebouwd,
behalve dat ze de 36 voet niet te boven gaan zijn ze in
verhouding met de andere aken breder en steken minder diep. Vanaf 1890 gingen er ook door de Boer gebouwde
vissersschepen naar Zeeland. De benaming Lemsteraak kwam voor het eertst voor in een1898
gebouwd plezierschip van 48 voet ten behoeve van ene Gustaaf
Steurbout uit Gent. In het archief van de zeilmaker Molenaar
uit Grouw, aanwezig in het rijksarchief te Leeuwarden,
bevindt zich een bestekboek waarin melding wordt gemaakt van
een tuig, gemaakt in 1899 voor een "Lemster aak of boeier"
van Steurbout. Daarnaast wordt in de werfboeken van E.H.
van der Zee, de bouw van een stalen "Lemsteraak" ten behoeve
van Wouter Hoekstra in 1904 vermeld. De afmetingen van de
aken nemen in de loop der tijden toe. In 1885 wordt er al
een aak van 42 voet gebouwd. De aken die De Boer bouwde zijn van twee types. Het
onderscheid schuilt in de verhouding tussen de lengte en de
breedte. Het ene type is breder dan het andere in verhouding
tot de lengte. De bredere schepen zijn merendeels voor de
export bestemd. Daarnaast werden er vanaf 1895 Friese
boten, een klein model aak dat de 28 voet niet te boven
gaat, gebouwd.
Door de loop der jaren
is er sprake van een zekere vervolmaking van het
scheepsmodel. Bij deze ontwikkeling hebben naast Pier ook
zijn zijn vrouw Sjoerdje en zijn zonen een rol gespeeld.
Sjoerdje had een timmermansoog. Niet enkel werkte zij,
evenals haar kinderen mee in het bedrijf: als er bijv. een
schip op de helling moet worden getrokken stond ze met haar
kinderen en later ook de vele kleinkinderen aan het grote
spil te draaien. Maar Sjoerdje hielp mee bij het uitzetten van het schip. Ze
hield samen met Pier de lijntjes om de huidgangen op de
juiste plaats te krijgen, gaf aan waar de zwaarden geplaatst
moeten' worden, etc. Ook bij de aflevering van het schip
controleerde zij de aftimmering. Het lijkt onontkoombaar te
concluderen dat de uiteindelijke vorm van de aak voor een
deel op haar rekening moet worden geschreven. Ondanks de
twaalf kinderen die uit het huwelijk worden geboren en de
samenwerking op de helling, is er geen sprake van een
gelukkig huwelijk. Naar aanleiding van een paar
gebeurtenissen, die er verder niet toe doen, wordt het
huwelijk ontbonden. De helling wordt door de beide
echtgenoten in tweeën gedeeld. Pier wordt al gauw door zijn
zonen uitgekocht en vertrekt naar Holland.
Zijn zonen zetten op
zijn gedeelte van de helling het bedrijf voort. Sjoerdje
zette op haar gedeelte van de helling een tijdlang het
bedrijf voort. Er werden door haar nog een paar aken
gebouwd, maar ook zij laat zich door haar zonen uitkopen. In 1899 is men op de helling begonnen met de bouw van een
tweetal ijzeren aken. In 1890 komen ze gereed Willem van der
Bijl en Steven Visser kopen ze. Het bleken slechte zeilers
te zijn, bovendien lagen ze veel te stabiel op het water.
Een van deze aken viel tijdens de bouw van de stoelen en
toen hij er weer op werd getakeld bleek er geen deukje in te
zitten. Overigens waren er al meerdere ijzeren aken op de Lemmer. De
eerste is vermoedelijk die van de later naar de Verenigde
Staten vertrokken Siemen Spaan. In 1898 bij Crolis in IJlst
te water gelaten en voor zeilmaker Folkert de Vries en mast-
en blokmaker Siebolt de Vries. getuigd en uitgerust. De
tweede ijzeren aak volgde een jaar later: een 45-voets aak
bij Bos in Echtenerbrug gebouwd voor Andries de Blauw. In 1901 openen de gebroeders De Boer naast de al bestaande
"houten helling een nieuwe ijzeren ''helling". Harmen
(1869-1939) werd baas op de houthelling, Klaas (1873-1950)
op de ijzer helling en Dirk (1877-1961) kwam op het kantoor:
In 1902 kwam Hendrik (1885-1972) in de zaak als tekenaar.
Hij was bij zijn zuster Geertje die met Johannes Meijer, een
scheepsbouwer uit. Leidschendam, of Woubrugge, in de kost geweest en heeft er
het scheepstekenen geleerd. De eerste door hem getekende aak is de 41-voets aak "de vier
broers" van Auke Bakker. Deze nu nog bestaande aak is
zonder overdrijving, een van de mooiste, zo niet de mooiste,
door de De Boers gebouwde aken. "Het schip staat nergens
stil. De kop is net een appel". In 1912 werd er door hen ook nog een ijzeren schouw gebouwd
voor Joh. Poepjes. Tot de eerste, wereldoorlog werden er nog
een groot aantal aken gebouwd zowel voor Lemster vissers als
voor anderen. In de twintiger jaren nog twee of drie voor
Zeeuwse vissers en dan is het wat het bouwen van aken
betreft gebeurd.
Behalve de aken die de
De Boers bouwden zijn er ook aken van andere scheepsbouwers
bij Lemster vissers in gebruik geweest. De bekendste bouwers
waren Zwolsman van Workum, Holtrop van der Zee uit de Joure,
Crolis uit IJlst en Bos uit Echtenerbrug. Van alle bouwers
kan gezegd worden dat ze zowel goede als minder goede
schepen bouwden, minder goed is hier niet slecht ,wat
betreft zeilkwaliteiten, zeewaardigheid. Met betrekking tot de Workumer aken is het grote onderscheid
dat de inhouten van deze aken uit twee op elkaar gepende
stukken bestonden en deze constructie was iets minder sterk,
de aken waren wat slapper. Maar de schepen konden zo
goedkoper worden gebouwd. Afsluitend kunnen we zeggen dat direct na de stichting van
de helling Pier de Boer met de bouw van aken begon. Hij had
daarbij behalve zijn eigen ideeën ook voorbeelden in de uit
Workum Joure, enz. afkomstige,vissersschepen. Behalve
hijzelf, hebben ook zijn vrouw Sjoerdje en zijn zonen, in
het bijzonder Hendrik de Lemsteraak; vervolmaakt. Pas met het toenemen van de haringen ansjovisvisserij in de
tachtiger jaren werden de aken in grote getale gebouwd en
werden ze tevens groter. Botters werden er nagenoeg niet
gebouwd, wel kleine aakjes of Friese boten. En al was De
Boer niet de eerste van de scheepsbouwers die aken in ijzer
bouwde, hij (zijn zonen) bouwden er verreweg de meeste. Is er wat betreft de Lemsteraak nog wat nieuwe informatie
aangedragen, met betrekking tot de Lemsterschouw is dit in
veel mindere mate (niet) het geval. Behalve met aken,
botters, Friese boten werd er in Lemmer ook met "skûtsjes"
veelal uit de Kuinre en van Vollenhove afkomstig gevist.
Daarnaast kwamen er omstreeks 1900 ook zeeschouwen bij de
Lemster vissers in gebruik. Ze waren voornamelijk afkomstig
uit Poppingawier.
In de Lemmer begon de
wagenmaker Gerrit Wierda, later geassisteerd door zijn zoon
Atte en een of meerdere knechten met de bouw van schouwen.
De eerste schouw dateert omstreeks 1914.
Zie de Werven
|
1|
2 |3
|4 | 5
| 6
| 7
| 8
|
Home
|