Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Ballade van de Zuiderzeehaven-Ballade op Hollands water.

 

 

 
 

De sluiting van de Zuiderzee 28 mei 1932. Tekening van J.H. van Mastenbroek.

 

Ballade van de Zuiderzeehaven-1954-G.R. Kruissink.

Wie eenmaal in den vreemde was
En tot de reis gereed,
Hij weet hoe nooit de wond genas,
De wond, die Holland heet;

En zit hij 's avonds op een plein
Bij staf en ransel neer,
Dan staart hij in zijn beker wijn,
Dan ziet hij Holland weer.

Dan tuurt hij door dien droom bezocht
Achter een groene ruit,
Op een der grachten in de bocht
Van Hollands hoofdstad uit;

Hij nipt aan zijn jeneverglas
En zet het stil weerom:
De maan drijft in den waterplas
Als in een glazen kom.

Dan ziet hij plotseling de zee,
De kleine Zuiderzee;
De botter op den horizon
Verdwijnt van lieverlee;

De golven worden grauw als asch,
Het waterveld vergrijst:
Antiek gelijk een spiegelglas,
Dat niemand meer polijst.

Dan vriest het eensklaps dat het kraakt,
Op Frieslands helder meer;
De schaats, die nauw den ijsvloer raakt,
Grift een verwaaide veer;

De schaduw met den ronden rug
IJlt langs het dorre riet
En van de ijsschol zingt terug
Een onverstaanbaar lied.

En komt de lente in het land,
Dan fonkelt de rivier,
De visch springt naar den overkant
En zedig wuift het wier.

En nergens is natuur zo frisch,
Waar twee verzameld zijn,
Als tusschen madelief en lisch
In Hollands springfontein.

Wie eenmaal in den vreemde was
En tot de reis gereed,
Hij weet hoe nooit de wond genas,
De wond, die Holland heet;

En zit hij 's avonds op een plein
Bij staf en ransel neer,
Dan staart hij in zijn beker wijn
En ziet z Holland weer.

 
BERTUS AAFJES, (Geb. 1914) DE ZUIDERZEE.

De golven graven eindeloos op zee
Elkanders graf, bloeien op en vervagen,
gelijk ook de kleine botters opdagen
Om weer te verdwijnen, van lieverlee.

Water en lucht bouwen grootsch een allee
Waarin de rukwinden de meeuwen schragen,
Achteloos gelijk de golftoppen dragen
Hun makkers op de wateren bene.

Maar bij windstilte lijkt het waterveld
Soms een antiek spiegelglas dat, vergrijsd,
Al sinds eeuwen niet meer werd gepolijst;
En de meeuwen krijten eens zo ontsteld,

IJlend als verschietende sterren voort,
Elk naar hun eigen rampzalig oord.

-Lambertus Jacobus Johannes (Bertus) Aafjes (Amsterdam, 12 mei 1914 Swolgen, 22 april 1993) was een Nederlands schrijver en dichter die ook publiceerde onder het pseudoniem 'Jan Oranje'.

 
BERTUS AAFJES, LOFDICHT VAN ENKHUISEN.

Van Enkel'huisen is groot Romen opgegroeit,
En ik van enkele: groot Romen heeft gegloeit,
En ik ben plat gebrandt: groot Romen is herboren,
En ik van nieuws herbouwt, bey beter dan te vooren:

Groot Romen heeft sijn jok den Spanjaerdt opgedrukt,
En ik mijn' vrijen hals het Spaensche jok ontrukt.
Noordthollandt, hebt uw' deel in d'eere van uw' vrijheit:
Maer weet dat d'eerste steen van 't groote werk in mij leit,

En, quam de heele buirt te deinsen tot den val,
Weet dat ik daer toe nooit den laetsten leggen sal.
CONSTANTIJN HUYGENS (1596-1687)
Sou ook mijn Lofgedicht van uwen lof niet singen

Gij kloek ENKHUISEN, die de woeste see kont dwingen,
Die magtig sijt door stael, door helden sonder tal,
Door schepen wijds en sijds? die in uw ruime wal
Uw groote stadt besluit, bekent in vremde landen,

Daer Indiaen en Moor de sterke son voelt branden,
Ja 't heele aerdtrijk door, soo ver het open staet,
Soo ver uw visscherij, soo ver uw handel gaet?
In uwe ketels werdt het graeu tot wit gesoden,
Die sieden nacht en dagh.

De naam Enkhuizen zou afgeleid zijn van Enkel huizen In 1356 verenigt Willem van Beieren de bannen van Enkhuizen en Gommerkarspel (Boerenhoek) en geeft de inwoners stadsrechten naar voorbeeld van Medemblik.

 
GEERAERDT BRANDT (1626-1685, remonstrants predikant te Amsterdam) naar het Latijn van Doctor Dirk Velius (1572-1630) NA-GEDACHTENISSE VAN DEN XXI. MAY DES JAARS MD LXXII.

Wanneer de stad Enkhuizen zich verklaarde voor Willem den 1ste Prins van Oranje roemruchtiger gedachtenisse tegens den Hertog van Alva.
Op of kort na welken Dach de Eerste Leerreden der Hervormden in het Openbaar is gedaan, over de Lening van het Stads Excys-Huis op de Vismarkt aldaar.

Aanschouwer! zie de Plaats, t daar God der Heyrscharen.
In Vryheid wierd gedient voor twemaal hondert Jaren:
Hier is die held're Zon voor Zin opgegaan,
Hier zaagt ge o Burgers! 't eerst uw vryn Leeraar staan.

O BUISKES! O SEMEINS! O BROUWERS!O ENKHUIZEN!
Kan ooit uw Mannenmoedt uit iemands Ziel verhuizen.
Gy hebt den eersten Steen aan 't vry Gebouw gelegt,
Waar aan gantsch Nerlands Heil bestendig blyft gehegt.

Wanneer tot Alva's spyt, ten trots van 't fiere Spanjen,
Het Vaandel wiert geplant voor WILLEM VAN ORANJEN,
Wiens KROOST, waar van 't volk de zoeten vrugten smaakt,
Ook nog met tedre zorg voor Kerk en Vryheit waakt.

Komt BURGERS! zet een toon vol Blydschap op uw snaren.
Viert plechtig dezen Dach! na viermaal vyftig Jaren.
Verheugt n in den Heer, die door geduchte macht,
Gewetensdwang verdreef, us Stad in Vryheid bracht.

Dankt met een nedrig hart, in Jezus Tempelkooren,
Den grooten God voor 't goed, door hem uit u geboren,
Toen hy in 't Burgerhart een heldenvuur ontstak,
En 't Onverdraaglyk Juk van Dwinglandy verbrak.

Bidt dat het Nageslagt van hen, door wien de Vryheit,
En Godsdienst wierd herstelt, lang leve in Gods nabyheit.
Wie Roemt naar eisch en plicht ENKHUIZENS WIJZEN RAAD,
Wien d-eez' Gebeurtenis zo zeer ter harten gaat,

Dat hy van u begeert in Dankbaarheit te denken,
Aan deez' Hervormingsdach, befaamt door twee Geschenken.
Een Dach waar op de Kerk noch heden Zegenpraalt,
Zelvs nu de ENKHUIZER MAAGD een ruimen adem haalt.

Bron Wikipedia: GerardBrandt (Amsterdam, 25 juli 1626 - aldaar, 12 oktober 1685) was een Nederlandse predikant. Van 1667 tot 1685 was hij predikant in Amsterdam. Hij was een bekende schrijver in zijn tijd en schreef onder andere een Leven van Michiel Adriaanszoon de Ruyter en een Geschiedenis van Enkhuizen. Het roemruchte verhaal van de ontsnapping van Hugo de Groot werd door de publicatie van Brandt, uit Elselina's mond opgetekend, een van de klassiekers van de Nederlandse geschiedschrijving.

 
1732 CLAAS BRUIN, ENKHUIZEN.

Het carillon zingt helder door den regen, den bleeken regen van mijn vaderland, de kleine grijze golven breken tegen de leege schepen aan den waterkant, en als het stil wordt nemen allerwegen de oude dagen weder overhand: hier hebben schepen uit den Oost gelegen, het regent en de haven is verzand, de lichte jaren zijn voorbij gevlogen, nog wachten huizen in een smalle rij, zij staren over zee met moede oogen: de hoop laat niets, geen mensch, geen ding, meer vrij, zij wachten en wat zingt de hoop? Een logen, want 't regent zacht en 't is voorgoed voorbij.

 

Zoon van doopsgezinden leraar Cornelis Claasz. Bruin, geboren te Amsterdam in 1671, overleden aldaar in 1732.

 
ERIC VAN DER STEEN, (Pseud.; geb. 1907)

Ze zijn geboren in Enkhuizen, in 't stadje aan de Zuiderzee, daar speelden zij hun kinderspelen met zon en wind en water mee.

Haar wieg stond aan 't Handvastwater, de zijne op de oude Dijk, en 't is of dat op beider leven zijn stempel zette als levend ijk.

Hm trokken lucht en wind en water, de haven en de botters aan, dat wat het hart is van Enkhuizen: de vissers en hun zilt bestaan.

Maar ook de oude klokketorens en de huisjes uit die gouden tijd toen 't land vol was van grote schilders en schepen uitzond, wijd en zijd.

Haar trokken weiden en landouwen, het vruchtb're land, met sloot en schuit, de groene Vest met 't wijde uitzicht, die als een moeder 't stadje omsluit.

Maar over beider jonge jaren klonk uur aan uur eenzelfde lied: het klokkespel der Drommedaris zij hoorden 't, maar beseften 't niet.

Toch hebben zij dat ongeweten verborgen in hun hart bewaard: dat reine klink-klank van de klokken als hemelboodschap naar de aard.
In 't stadje zijn ze niet gebleven, zij trokken saam de wereld in.... maar soms, in al te bittere uren, grijpt hen de hunkering naar 't begin.

Dan gaan zij naar de Drommedaris en luis'tren naar dat zuiver lied, dat nog, als in hun kinderjaren, van uur tot uur zijn zegen giet.

Want wat ook in dit schrik'lijk heden het hart verbijstert en verwondt, 't wordt door die reine, oude klokken getroost, geheeld en weer gezond.

Want 't is een lied uit alle tijden, ja, niet gebonden aan De Tijd: die klokketonen zijn een boodschap van Oods serene Eeuwigheid.

Kijk voor meer info op: www.schrijversinfo.nl

 
JOOST VAN VONDEL, (1587-1679) HOORN.

Ben ick de Moeder Stadt van soo veel moedigh bloed,
Dat soo veel' wond'ren d, en so veel wond'ren doet,
Van Mannen die, vermant, voor mannen noyt en weken,
Van Zeilers, die verzeilt, voor Zeilers noyt en streken;

Heb ick van allen eerst 't groot Haringh-net gebreidt,
Van allen eerst gespreidt, van allen eerst verbreidt;

Ben ick de Zuyvel-mouw van voor en achter Stav'ren,
Ben ick, soo verr ick sie, de Vrouwe van de Klav'ren,
En vraeght men hoe ick Hoorn van ouds herr heeten moet?
En heet ick anders recht als Hoorn van overvloed?

Joost van Vondel, geboren te Keulen op 17 november 1587, overleden te Amsterdam op 5 februari 1679.

 

De Haringvisscherij van M.de Sallieth 1749-1791.

 

CONSTANTIJN HUYGENS, HOORN.

De Stadr, wier aangenaame lucht
Men schept, is wegens d'ouden zeegen
Des Albestierders noch berucht,
En op West-vrieslandts grondt geleegen:

d'Aloudtheidt schonk aan haar den naam
Van HOORN, zinspeelende geheeten
Op de Overvloedt, die hier te zaam'
Met heuren schat was neer gezeeten:

Een Stadt in 's weereldts rol en boek
Bekent voor Hollandts Zuivelhoek.
Dus roldt haar' naam langs bergh en zee:

Wie zoude niet heur' landtstreek pryzen?
Die daaglyks met haar melkryk Vee,
En akkers Neederlandt kan spyzen:

Wil je ons met vruchten Kastiljaan
Tweemaal des jaars geteelt verbaazen?
Zeer wel, myn Zangster toont U aan
Tweemaal des daags heur' vette kaazen,
Heur room en melk, als teek'nen van
Een overvloejend Kanaan.

Zy was maar eerst een groote Sluis,
En Overtoom tot dienst der Schuiten,
Of Scheepen ver van landt of huis
Hier koomende om te ruilebuiten:

Daar liep een Kil langs lis en riedt
Versiert met kreupelbosch en boomen,
Die hunnen kristallynen vliedt
Quam storten in de zoute stroomen:

Een KIL, doch Hoorenswys gekromt,
Waar door misschien haar' titul bromt.
Men trok van rondtom hier naer toe
(Gelyk een drom van nyv're mieren)

Met zuivel, dat ooit Schaap of Koe
Hen schonk: hier was een markt van bieren
Door drie Hamburgers vast gesteldt,
Die, wen zy hunne winst beschouden,

Hier elk n huys in 't ruime veldt
Tot hun verblyf en neering bouden,
Alwaar een ieder t' allen stondt
Voor zich en goed'ren herberg vondt.

Hoe dikwils heeft Zy haaren kring
Tot dienst der noeste Handelaaren,
Wien ook de drift en lust beving,
Om boukonst met de winst te paaren,
Vergroot! dus wierdtze een handelsplaats,

Een Stadt, daar vreemde en steedelingen,
Zoo wel bejaarde, als jongemaats
Met hunne Waer ter markte gingen;

't Welk noch tot heden toe geschiet,
Waar van men daaglyks vruchten ziet.
Als de Eendracht nu haar' zitplaats hadd'
In 't midden van dit volk genoomen;

Zoo koos Westvrieslandt deeze Stadt
Ten Hooft aan zyne Pekelstroomen:

Hier was een wakk're Burgery,
De Zuivelwaagh, en 't Hof der Staaten,
Een Raadthuys zonder vlek, daar by
De Trou, 't sieraadt der Onderzaaten:

Rechtvaardigheidt de grooten stap;
Dus bloeide Konst en Wetenschap.
De welgesteltheidt van de Lucht,
Die Lent- en Zoomer Oogst verzelde,
Bekroonde Boom- en Akkervrucht:

Men roemde op Mannen, Oorlogshelden,
En Vloten, die den Oceaan
Doorsneeden met hunn' scherpe kielen,
Zoo ver de heldre Zon en Maan
Bescheen des Aardtkloors As, en Wielen:

Dus droeg dat oude Volk door een
Den roem op 't Hooft van hunne steen.
Dat Volk uyt zulk een strydtbaar bloedt
Van Batavieren voort gekoomen,
Wier onverschrokte Heldemoedt

Ontzachlyk was by 't oude Romen,
Bragt dach by dach noch Helden voort.
Die voor geen Spaansche koegels bukten,
Maar klampten Graaf Bossu aan boordt,
Wiens Vlag Ze in 't Hop van steng afrukten,
En vlug des Amstels Ammiraal

Veroverden door vuur, en staal.
O Drietal broeders! die alhier
Den waaterkant wel eerst bewoonde
In huyzen zonder steen of swier,

En U zoo vergenoegt betoonde;
Staakt Gy eens Uw' Hamburger kop
Ter grafsteede uir, hoe zoud' Gy schrikken!
Wen Gy daar gevels hoog in top
Zaagt praalen voor uw' flaauwe blikken,
Gy riept in een' verbaasden schyn,
Dit moet een and're Weereldt zyn.

Waar eertyds stonde een Hut van riet,
Daar staan nu huizen als kasteelen,
Die men aan een getimmert ziet
Tot daar de brakke golven speelen:

Zoo prykt nu onze aloude Stadt
In grootheidt en in bousieraaden,
Daar ik myn eerste leeven hadd',
En myne jonkheidt zich verzaade
In heuren fraaien standt en staat
Bestiert door wyzen burgerraadt.
Dat geen uitheemsch gewaadt en praal

Uw' oude defrigheidt vertreeden,
Noch dat een vreemde bastardtaal
U ooit ontaarde in deugt en zeeden;

Dat trots gezach noch ledigheidt
Den drempel van uw' huyzen naad'ren;
Maar dat de Godtsvrucht u geleidd'
En brenge op 't voetspoor van uw' Vaad'ren,
Wier kloeke geest, wier deugtzaame aart
Ging met de needrigheidt gepaart.


Constantijn Huygens, geboren te Den Haag in op 4 september 1596, overleden te Den Haag op 28 maart 1687.

 
R. WESTEROP. Fragment uit Hoorns Buitensingel in Rym beschreven" (1728). OCHTEND IN HOORN.

Geluiden waar de wereld mee ontwaakt,
Maken mij stiller nog dan ik al ben,
Een hond die blaft, een kind op klompen en
Een man die fluitende een schuit losmaakt.

Dat is het leven, simpel en volmaakt,
Waar 't rhythme der oneindigheid in fluistert,
Waaraan dit hart zoo hevig is verkluisterd,
Dat het verzaakt maar nooit geheel verzaakt.

Geluiden waar de wereld mee ontwaakt,
Waar ik zoo grensloos graag naar lig te luist'ren,
Laat mij ze hooren tot het laatste duist'ren,
Wanneer dit hart zijn stillen maatgang staakt.

Dichter uit het begin der 18de eeuw. De in Hoorn geboren dichter Roelof Westerop, beschrijft in bijna 250 tien-regelige coupletten in 1728 Hoorns buitensingel, het gebied buiten de stadswallen.

 

't Slot te Medemblik, van de Noordzijde, 1726.

 

HAN G. HOEKSTRA, (Geb. 1906)

't Sterke Medenblicker Slot,
Wierd eens van 't Oorlogs-rot
Ingenomen, niet door kragt
Van de Wap'nen, maar men bragt

Vrouw en Kind'ren voor en aan,
Van, die men te keer woud' gaan,
Met dees voortogt drong men voort,
Tot de Gragten, tot de Poort,

Van dees sterkte. Al 't geschut,
Quam de Burgers niet te nut,
Want zoo iemand schieten wouw,
Hy ontsag zyn Kind of Vrouw,

En dewyl hy die ontzag,
Most hy komen tot verdrag,
Met zyn Vyand, 't welk zoo niet,
Buyten d'Egt zou zyn geschiet.

Han Gerard Hoekstra (Den Haag, 4 september 1906 - Amsterdam, 15 april 1988) was een Nederlands dichter die ook veel gedichten voor kinderen schreef.

 
PETRUS EGGES, EDAM

Het oud-eeuwsch stadje met zijn reine keitjes, waartusschen schamel gras omhoog komt sprieten, droomt in de zomer-zon zijn droomerijtjes van macht en praal, die het sinds lang verlieten.

Zijn vreed'ge grachtjes, vol van hoovardijtjes op trotsch verleen, en knusjes in 't genieten van luwte en loover-schaw der boomen-rijtjes, zijn thans niet meer dan spiegel-lege vlieten.
Hoor 't carillon klingelt zijn klare tonen, die sidd'ren door de heete middaglucht...

En 't stadje luistert, luistert als in droomen een grijsaard doet, die (op vervallen koonen een stille lach van onbewust genucht) zijn doode liefste in jeugd-schoon weer ziet komen.

Petrus Egges, geboren in 1684 te Medemblik, overleden in oktober 1749 te Schagen.

 
HENDRIK MULDER, ELBURG IN MDCCCXXXIX

'k Bewoon een kleine stad, maar 't puikjen van het land:
Men leeft er, zoo 't betaamt, op nieuwerwetschen trant;
Ze is vierkant, of ze met een passer waar gemeten,
En (dat dees zaal getuig'!) vol reednaars en poten.

Er heerscht verscheidenheid van levenswijs en taal:
Dees s p r e e k t als r o y a l i s t , en die als l i b e r a a l ,
En, door den walm omhuld van pijpen en sigaren,
Zweert dees bij d'Avondb, en die bij Thiemes blaren.

Men wikt er Bulwers, Scotts, en prijst Van Lenneps werk,
Heeft meestal rust in huis, soms tweespalt in de kerk;
En als, bij 't dwarlend licht der winteravondlampen,
In de opgevulde Club de punskom staat te dampen.

En 't viertal Matadors begroet wort met geschal,
Of Maingaud's ranke staf den elpenbeenen bal
Doet langs den groenen disch in 't hangend netwerk glijen,
Dan heeft het schoon geslacht zijn koffijfeestpartijen.

Die van de zesde klok, tot dat men tien hoort slaan,
De schoonste mondjens als een ratel rond doen gaan.
Want nooit ontbreekt er stof aan die bespraakte lippen:
Wat zou het Argus-oog der vrouwen ooit ontglippen?

Al 't nieuw, dat in de buurt, in huis of op de straat,
Of in de fantazie der schoonen slechts bestaat,
Wat de oogen hier of daar slechts zagen of niet zagen,
't Wordt al met waarheidsliefde en kieschheid voorgedragen;

Terwijl het geurig vocht van Mokka's bruine boon,
Door 't stovenrijk vertrek, zijn geuren spreidt ten toon;
Terwijl. .. maar, Zangster, zwijg! wat zoudt gij u vermeten?
Hier schiet de kracht te kort van Hellas puikpoten.

't Is vruchtloos wat ge poogt, en Huigens zingt te recht:
Wie schiklijkst van mij zwijgt heeft allerbest gezegd."
En wat r e s s o u r c e s ook van wintersche vermaken
Het scheeprijk Y verleen', van al die fraaye zaken.

Heeft in geen kleene maat mijn stadjen ook zijn deel.
Vaak treedt hier Melpomeen op 't statig schouwtooneel,
En zwaait met dolk en kroon, gelijk in vroeger jaren
Haar evenbeeld Wattier, aan Y- en Amstelbaren.

Vaak stort Thalia hier haar geestigheden uit,
Of Polyhymnia verrukt ons door haar luit,
En niemand, die zich ooit verstouten zal te geeuwen,
Wanneer de Othello's hier met bulderstemmen schreeuwen.

Of 't Attisch keukenzout van Duitschlands hoofdpoet
(Niet ik, o Kotsebue, wie immer u vergeet!)
De lever keer op keer der saamgevloeide kudden
(Vergeeft dit woord om 't rijm) doet van verrukking schudden.

Maar dit's nog alles niet: men heeft concert en bal,
Het dichterlijke Nut, en 't Nanut bovenal.

 

De Stad Muyden en baer Slot, van de Zee-dyk af te slen" Gravure van A. van der Laan, naar A. de Lairesse. Uit: De Zegepraalende Vecht", Amsterdam, 1719

 

MR. A. W. ENGELEN Uit: Dichterlijke Nutsvoorlezing" (1839)

Verschooven, kleene en arme Stad,
Moet gy den mond der Vecht bewaaren!
Die, van de Zuiderzee bespat,
Steeds bloot staat voor haar woeste baaren!

Doch, schoon de Dichter van het Y
Dus zingt: Een ander mag beklyven,
(Door een Meerminne profecy)
Maar MUIDEN zal wel MUIDEN blyven.

Zinspeelende op uw nedrigheid,
Een deugd die zelden word verbreid:
'k Heb echter reeden om te boogen
Op uw aloud en aad'lyk Slot,

Gebouwt door Floris groot vermoogen,
't Geen namaals zyn gevangenkot
Versterkte, om Velsens haat te koelen,
Niet blusbaar dan door zyne dood.

O Vorsten! dien 't hoogmoedig woelen
Behaagt, die eer en deugd verstoot
Door eedbreuk, moord, en vrouwenschenden,
Leert hier, hoe 't rad van Staat kan wenden.

't Is waar, uw held're glans verdooft,
Wanneer men 't oog slaat op uw muuren;

Maar, om uw nooitvolpreezen' HOOFD,
Zal uw vermaardheid eeuwig duuren:
Dat dierbaar Hoofd, Geleerdheids Licht,
Doet Oosten, Westen, Noorden, Zuiden,

Door kracht van taal en maatgedicht,
Reikhalzen naar 't Kasteel van Muider,
Daar 's Drossarts Letterschat, geacht
Van 't ryp vernuft, is voortgebragt.

MR. A. W. ENGELEN Uit: Dichterlijke Nutsvoorlezing" (1839) (De dichter was, na zijn studie in de rechten en de letteren te Groningen, o.a. rector van het Instituut Van Kinsbergen te Elburg. In 1843 werd hij kantonrechter te Tiel. Van 1848 tot 1853 was hij lid van de Tweede Kamer). MUIDEN.

 
CLAAS BRUIN. Fragment van het gedicht Speelreis langs de Vechtstroom op de uitgegeevene gezichten van de Zeegepraalende Vecht". (1719). HARNS (Harlingen)

Me f oer hjir by aids al nei fierlizzende oarden,
Om walfisk gyng me ut nei 't iiskalde noarden,
Ek de oanfier fen hout is hjir lang al yn swang;
Sa wier Harns al ringen in std fen bilang.

Hwet seach ik as bern hjir wol faek nei it skrippen
By 't lossen fen balken ut houtene skippen;
Ho'n ein stieken se ut boppe it heechste gebou,
Dy bosken fen mesten, fen stingen en tou!

Gjin houtene barken mear sjugge myn eagen,
De leste, de Laura" forgyng yn 'e weagen.
En for 't alde houtene sskippersfak
Kaem geandewei hjir ek de stoomfeart yn 't plak.

Mar binn' se ek oan kant, dy aldmoadrige klompen,
Hwerby me gds seach mei in mounle for 't pompen,
Aid Harns hat syn rom fen in sstd yet wol;
Fen drokte en fortier binn' syn havens yet fol.

't Gemaek fen s lan, yn 'e pkbste soarten,
Giet wykliks hjir 't lan ut mei Ingelske boaten;
Drfor stjrr John Buil, hy is net sa dom,
Syn stienkoal en bokkens en potsmoar werom.

En as we de std fen 'e lanskant biskgje,
Den sjucht me, ho'n grften fol hout hjir omtgje,
Den sjucht me febriken for hout en for stien,
For kalk en for pannen, ja hndert is ien.

De skipfeart, it nije kanael lans, haw 'k mirken,
Hat frijhwet mear wille as alear troch de Wirken".
De Fryske lokael fen Tsjommearum en Stiens
Sa faek nije beweging en fleur hjir mei-iens.

De ald' stiennen man hat yet krekt as alearen
Syn oanwenst en brkme, dy't net is to kearen;
Hy draeit mei de holle en swaeit mei de pet
Sa faek er it slaen fen 'e toerklok mar heart."

Yn 'e ald Harnser tsjerke, sa lies ik langlsten,
Dr leit fen Tsjerk Hiddes it oerskot to resten;
Oer 't grf hie me dellein in flier for 't gemak
Mei banken, dat wier de dyakens hjar plak.

Ik ha 'r gjin forstan fen, mar woe dochs wol witte:
Ho kin dochs s lan sa syn shelt forjitte?
Hwent sjuch, like goed as safollen, woe 'k ha,
Kaem ek s Tsjerk Hiddes in earestien ta.

Bruin (Claas) geboren den 20 februarij 1671 te Amsterdam, alwaar zijn vader leeraar was bij de Doopsgezinde gemeente, en aldaar gestorven den 28 December 1732

 
TJIPKE POSTMA, (1956) STAD AAN DE WADDEN.

Drie eilanden staan aan den horizon,
Als 't niet zeer nevelt. Jongens komen kijken,
Wanneer de postboot keert, die langs de dijk een
Rookpluim doet strijken, licht-bruin voor de zon.

De winter duurt hier lang; het spaarzaam groen
Bevat een stillen winter in zijn takken.
En in de binnentuintjes, kalme vakken,
Zou zelfs geen moordenaar een moord gaan doen.

Het drievuldig plaveisel, gele klinkers,
Gekleurde keien, blauwe, bolle steenen:

Zij dragen jaren reeds dezelfde beenen,
Want 's avonds, in hun pas van stille drinkers,
Slenteren mannen rookend naar het dok
De haven langs en weer terug naar 't dok.

TJIPKE POSTMA, volksdichter 1866-1956. Tsjipke Postma was naast schipper ook schrijver en dichter, en bestuurder. Zijn gedichten (vaak over het varen) zijn o.a. verschenen in de Hepkema's krante en o.a. in Frysk en Fry. Ook schreef hij veel in de Schuttevaer en was o.a. secretaris van de Fryske Federaasje van Skippersverienigingen. www.skutsjehistorie.nl

 
SIMON VESTDIJK, (Geb. 1898)

Wie vanuit zee het stadje ziet, verliest op slag zijn hart.
Hij ruilt het nooit, voor Makkum niet voor Koudum noch Bolsward.
't Is of een schilder van 't palet op 't doek voor zijne neus een kostlijk plaatje heeft gezet als speelgoed voor een reus.

De daken rood, de wolken wit in 't wijde hemelblauw, 't Is of er Neerlands vlag in zit, de vlag van mij en jou.
Maar is die vlag dan wel compleet?
Daar moet een wimpel bij.

Maak 'm Oranje, lang en breed.
De zon, die moet er bij.
Die zon moet boven Hielpen staan, het Friese land, de zee, dan is 't of er de vrijheid aan 't geheel haar plichten dee.

Hoor, in de verte holleblokt de jeugd over de straat, 't Is of een tamboer hokkeplokt en forse roffels slaat.
En van de scheve toren klinkt de slag ons tegemoet.
O, toren waar een lied in zingt, o, baken, vast en goed.

De huisjes kijken over dijk en ka' nieuwsgierig naar dat onbesuisde golvenrijk waarop ik huiswaarts vaar.
En wat ze denken, weet ik dra. 't Is dit, of die meneer, met kale kop, die Sikkema wel echt is in de leer.
Wat doet die vent hier in de buurt?
Wat doet ie op een schuit?

En heel het stadje kijkt en gluurt, wat of dat al beduidt.
Het is een dichter uit de stad, het grote Amsterdam, die van de hele wereld zat hierheen gezworven kwam.
En opgelucht van steedse stank, met open oog en oor, aan Hielpen bij de leugenbank voorgoed zijn hart verloor.

Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romanschrijver, dichter, essayist, vertaler, muziekcriticus en arts.

 
HAJE SIKKEMA: HET VROUWEZAND.

Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat nietig graan!"
Zoo sprak een weduwe, in sameet,
Met paarlen overstikt, gekleed,

Vergramd een zeeman aan.
Niet n in 't schatrijk Staveren,
Zoo maatloos rijk als zij;
Haar schepen ploegden elke zee,

En voerden van de verste re
Steeds nieuwe schatten bij.
Nu breng" beval ze eens grillig, trotsch
Nu breng, van 't Noordsche strand,

Mij 't edelst wat uw oog aanschouw'!
Geen dure prijs, die 't mij onthou
Ga, dien mij met verstand!"
Toen had de scheepsvoogd lang gewikt

Bij onbeslist besluit;
In 't end wat zou er boven 't graan,
De glorie van 't Noordoosten, gaan?"
Zijn weifelen had uit.

Hij keert; zij komt; hij toont den schat,
Die proef geeft van zijn trouw;
Maar zij, ontkleurd van woede en waan:
Wat scheepszij hebt ge 't ingelaan?"

Aan bakboord, eedle vrouw!"
Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat kaf, in zee!
Is dat het uitverkoren deel,

Mij toegedacht? 't is mij te veel!
Weg met dat kaf, in zee!"
Neen!" roept al 't scheepsvolk, neen, mevrouw!
Dat wierp te zwart een blaam,

Alsof gij, in vermeetlen spot,
De giften smaaddet van uw God,
Voor eeuwig op uw naam!"
En trillend: wie betaalde 't goed,

Waarover ik beschik?
Wie ben ik? uwe meesteres?
Wie vraagt, wie duldt uw zedeles?
In zee! 'k gebied het, ik!"

Ach, vrouwe, een deel... aan ons een deel!"
Krijt 's armen luide toon;
Wie de armoe bijstaat in haar nood,
Wint zich, voor 't mild geschonken brood,

Des Heeren gunst ten loon!"
Des Heeren gunst? ... 'k behoef ze niet;
'k Ben met het mijn te vree
En 'k deel, wie mij een aalmoes vraagt,

wanneer en z als 't mij behaagt,
Maar nooit om gunsten me!"
Boet, vrouwe!" klinkt een achtbre stem
Boet af die schrikbre schuld!

Uw trotschheid raakt ten wissen val
Vrees, dat de dag eens dagen zal,
waarop gij beedlen zult!"
Ik beedlen? Priester! als dees ring,

Die in mijn vingren blinkt,
Weer uit de golven opgedoemd,
Uw leugentaal mij waarheid noemt!
Niet eer! "... 't juweel verzinkt.

En nauw verving ten tweeden maal
Weer 't licht de duisternis,
Daar toont, bestorven als de dood,
De kok haar 't vonkelend kleinood,

Gevonden in een visch.
De roede trof n zee n vuur
En rampen zonder tal,
Bewezen aan de snoode vrouw,

Die 's Heeren gunsten derven wou,
Hoe hoogmoed komt ten val.
Nu was in 't schatrijk Staveren
Niet n zoo arm als zij;

Nu smeekte zij, in bittren nood,
In 't snakken naar een stukjen brood:
Erbarm u over mij!"
't Was of de vloek haars euvelmoeds

Zich stortte op heel de stad;
Het blinkend Staveren verviel
Het wrekend zand weerde elke kiel,
Die eens heur waatren mat.

Nog ziet men, tot op dezen dag,
Aan 't woest en eenzaam strand,
Een veld van looze halmen staan,
Zij spreken van 't verworpen graan,
Den vloek van 't Vrouwezand.

Kijk ook: www.schrijversinfo.nl

 

Marker vrouwen.

 

PETRUS JOHANNES KOETS. MONOLOOG VAN EDWARDA UIT DE VLIEGENDE HOLLANDER"

Windomwaaid vaderland, van alle zijden rept zich
Genade naar uw veld, en gij wordt overstrooid
Met weelde, o land, geen klein land meer, sinds gij uw bodem
Vrij opent voor het goud van 't overstelpend zonlicht

En ge uw verzadigdheid breed in het zilver baadt
Der moeiteloos u binnenstroomende rivieren.
Zoo, dierbaar volk, daalt op uw onverflauwden ijver,
Uw goede trouw, uw gelijkmoedigheid, uw eenvoud,

De zegen overvloedig neer, waar gij met minder
Nederigheid geen deel aan hebben zoudt: want ziet;
De holle hand kan meer bevatten dan de vuist.
Is zoo niet uw vorstin? Mijn doorzicht is deemoedig,

Mijn trots is arm te zijn; gelooft niet het gerucht,
Dat ik mijn hand warm in den gloed die uit het goud stijgt.
Want, schoon ik recht had op al 't nieuwgerooide land
En 't aan mijn kroondomeinen toe kon voegen, heb ik

Der vaderen gebruik gevolgd, en het als meent
U toevertrouwd, slechts plukkend uit gezamenlijk
Beploegden grond, n tiende als pacht. Maar ik ging verder,
En met die penningen schonk ik aan u uw vloot.

Schip na schip liep van stapel, dank zij d'admiraal,
Dien ik betaalde; en Lothar hier, den steun mijns harten,
Heb ik van mij vandaan gestuurd naar verre steden,
Om handelsboodschap aan te binden. Hoort,

Ik geef die vloot weer in gemeenzaam eigendom.
't Zij Frieslands tweede meent; de wijdvertwijgde vriendschap
Worde aller winst; mij kome slechts als wettig tolrecht
Een tiende toe. Maar ik ga verder. Luistert, volk,

Mijn laatsten stap. Thans heb ik heel mijn havenvoordeel,
Al de onbeknepen opbrengst mijner landerijen
Bijeengebracht met wat in Stavorens kasteel
Aan Keizerlijke munt, aan Byzantijnsche steenen,

Ivoor, goud, paarlemoer, aanwezig was; kortom
Ik nam mijn gansche schat ziet hier en scheep het in.
Straks streeft de vloot, met Lothar's brieven, de overzeesche
Besremming tegemoet. De leuze dezer brieven

Zij tevens topstander van lading en bemanning:
Groet men u, groet terug. Maar twintig maal zijn waarde
Brenge het goud weerom, waarom gij welkom waart.
Laadt in! Nooit werd een vloot zoo zwaar bevracht. Laadt in!

Ginds volk, staat Stavo's Staf, de stut der stad, de stok
Waar, Friso, treurende bij Troje's vuur, op steunde;
Waar hij mee reisde in zijn ruw bootje, en mee aan land sprong,
Toen hij hier schipbreuk leed, om Stavoren te stichten;

Vroom volk, bid, dat die Staf ons sterke, en zijner zonen
Schepen bescherme, die van zilver zwaar, en trotsch,
Thans tienmaal verder dan tot Troje's puinhoop varen;
Bidt, bidt, dat zij, schoon goudbevracht, straks onvertraagd

De Zeven Frieslanden behouden weer bereiken.
Laadt voort! Er is nog meer. Mijn tijd is niet ten einde.
Ik ga de volle winst die binnenvloeit besteden
Aan een groot werk, waarvan het nageslacht zal roepen:

Het heeft Friesland gered. Maar geld, geld eerst is noodig,
Geld, geld. Ik ben voornemens merkt toch, hoe mijn hart
Openligt als uw land om ons bezit met muren
Veilig te stellen. Bij het Flie, bij Ameland,

Bij Texel, Alkmaar, Witla, slaat zee door het duin heen,
Daar moet de vloed geweerd, versterking aangebracht.
Langs Rijn en IJssel zal ik dijken laten leggen
Die 't wassen binnenklemmen. Geen woest water zal

Uw akkers voortaan deren, en geen weerloos volk
Tuurt 's winters, op de terpen, in het blazend schuim,
Naar de vernielzucht van den grauwen vijand; neen,
Ik droom een droog, diep land, waar het warm is en groen,

Omgeven door begroeide hooge randen; land,
Gevrijwaard tegen goden en hun wangunst; tuin,
Met zon binnen zijn muur, met water blauw doorspoeld.

O land, o droom. O volk, daar is uw voorspoed veilig,
Uw schat beschermd, uw arbeid onbedreigd. Laadt sneller!

Petrus Johannes Koets (Groningen, 02-06-1818 / Katwijk, 11-02-1868).

 
MARTINUS NIJHOFF, (1894-1953) De dichter heeft in dit water feest spel", dat hij in 1930 voltooide ter viering van het 71ste Lustrum der Leidse Universiteit, de legenden van de Vliegende Hollander en van het Vrouwtje van Stavoren dooreen geweven. Hij dateerde de gebeurtenissen op Paasmorgen 754 en stelde de figuur van de Hollander voor als schipper in dienst van Edwarda, vorstin te Stavoren en nicht van de grote Friezenkoning Radbod. MOLKWAR (Molkwerum)

Doe, boppe't lan, noch yn't Sdwestep
It jongfolk naem de s foar kar,
Seach men oeral in Swantsje waeijen:
Ir wapen fan it doarp Molkwar.

Mar meastal gong it om'e Noard,
Om rogge, hout of tar,
Dan wien' hja, foei de winter yn,
By honk wer to Molkwar.

Om Krysttiid lein' dy skippers op,
Wee dan in oar noch farre,
Hja bleauwen ths by wiif en bern,
Hwant soks mocht har wol barre.

Om't bernefeest dan mei to fieren
Wien' hja om Krysttiid noch op tiid,
Krekt as to Warns, der't jamk by inklen
Noch aldjiersjoun de Skimmel ried.

By't winter wie 't oars stille doarp
Fol fleur, fol tier en libben,
Dan helle elts syn skea wer yn
By freonen en by sibben.

Mar ringen fleach dy tiid foarby,
Men makk' de skippen r
En alles hwat mar farre koe,
Gong foarjiers wer nei s.

Dan bleauwen inkeld froulju, bern
En wrakke manlju oer.
En foei wer 't doarp yn simmersliep
Om d'alde knobske toer.

Joech sa de s yn 't doarp alear
Oan folie in bistean,
Lyk oare plakken seach Molkwar
Syn woltier tel forgean.

En fluit en koffe en galjoat
Binne al snt lang forgien
En nearne sjocht men Swantsje-yn-'t-wyt
As yn in gevelstien.

Net ien, dy't nou noch btefart,
Gjin jonges, dy't it weagen.
Oft op de s, dy wolfeart joech,
Hja nou de divel seagen.

Martinus Nijhoff (Den Haag, 20 april 1894 aldaar, 26 januari 1953) was een Nederlandse dichter, toneelschrijver, vertaler en essayist.

 
SJOERD MEINESZ, (1850-1938) IT URKER FJR (Het Urker vuur)

Dat bernlik fanke mei dy blauwe eagen,
Hwat wie hja lokkich mei har sofsier;
Syn han, dy't skippen stjrde oer fiere weagen,
Dy wie nou sft en streakjend op har hier.

En 't hie gjin noed, al waerd it let en letter,
't Wie hjir sa goed oan 't stille en dnk're wetter
Fan fierren twink'le myld it Urker fjr:
Hja joech oan't frjemde lok har herte oer.

Dat bernlik fanke mei dy blauwe eagen,
Hja stie alline op 't utein fan'e daem.
Hoe lang al snt de skippen wer forteagen
Snt hy har trou nthiet en fskie naem?

Hy folge de alde rop fan wyn en wetter
Wie 't oan'e wal by har net folie better?
Fan fierren twink'le earnstich 't Urker fjr:
Hoe is dat fiskersfanke sa oerstjr?

Dat bernlik fanke mei dy 'blauwe eagen,
Hja doarme rstleas troch de jountiid om;
Har blide hope en trouwe moed forfleagen:
To ninter kaem har sofsier werom.

N, dizze wrede woun wurdt nea wer better;
Yn dnk're joun stiet hja oan't stille wetter
Fan fierren twink'let stil it Urker fjr:
Soks komt oan bern mei blauwe eagen oer.

Kijk ook: www.anp-archief.nl

 
(Lemmer) FEDDE SCHURER, TUSKEN DYK EN PEALLEN.

Tusken dyk en peallen fynt eltsenien fortier,
Lytse berntsjes boartsje, krite fan plezier;
Hearen stappe steatlik efter har segaer,
Alde grize mantsjes prate oer it waer.

As de s oerstjr is, 't waergls stoarm oanwiist
En in glwyn twjirjend oer de weagen bliest,
Swalkje, hwant oan houtsjes is dan gjin gebrek,
Tusken dyk en peallen jutters mei de sek.

Tusken dyk en peallen eltse simmersnein
Rinne memkes laitsjend mei de bernewein,
't Jongfolk tref inoarren en yn skimerjoun
Wurde namkes lustre, wurde ttsjes jown.

Beppe breidet sokken ut grau wollen jern,
Mem yn bnte skerldoek kuijert mei de bern,
Pake krom' en wilich, sobjend op'e piip
Kuijert troch de blomkes, praet hwat tsjin de skiep.

Der is altyd frede, wille en fortier
Tusken krab en kikkert, tusken kroas en wier,
't Is in park foar minsken, 't paradys foar f
Tusken dyk en peallen, tusken lan en s.

 
(Maklcum) WIBREN ALTENA, (Geb. 1917) DE DYKHSKES.

De hskes stean sa hjir en dr
As delstruid oan'e dyk;
Hja haww'it dr sa rom en f rij,
Elts op himsels in ryk.

En as men by it paedtsje op rint,
By dyk op, nest it hs.
Dan leit dr d'alde wide s
Mei it trouwe weachgebrs.

De s jowt mannichien it brea,
Dy't mi syn krft bitwong,
Dy't wrotte oan'e hege dyk,
Hwerop't gewelt forgong.

De s jowt wille yn wintertiid,
As dkers komm' oan't haed.
As 't wetter oerfljocht, bt oandriuwt,
Dan libbet wer 't ald-fryske aerd.

Dan mei heak of gewear d'r op ut,
O, 't moaije rouwe bistean!
In man is noch allinne hwat wur'ch
Der't heech de weagen gean!

Ik sjoch sa'n hske, it stiet der sa lij,
Sa nochlik op't eigen st;
De keamer hwat swart birikke, mar smout,
It efterhs rukt nei de s.

En lit it nou wze in nije tiid,
Dy't fan frijheit en rjochten praet,
Dy't hjir wennet wol syn rjocht ek ha,
Mar net fan syn dykhske skaet!

Dichter en foardrachtskeunstner Wibren Altena (1917-1987) groeide op as soan fan in binnenskipper yn it Suderseestedsje Makkum. Hy begong as tweintiger mei it publisearjen fan gedichten yn blden as It Heiteln. Nei de oarloch oppenearre er him as in stikeljende foardrachtskeunster. Yn syn gedichten spilet it libben yn en om de haven fan Makkum in foarname rol. www.frieschdagblad.nl

 
DR. OBE POSTMA.

Hier ziet gy Hem, Hoogkarspel en daar ginder
Venhuizen, door den tyd dien alverslinder
Byna gesloopt door 't breidelloos geweld
Van 't oorlog, 't geen het all' ter neder velt,

En niemand, hoe onschuldig, zal verschoonen.
Sta stil: hier moet ik u wat nieuws vertoonen
In deeze laan, hetgeen ge nooit misschien,
Weetlust! in uw reizen hebt gezien.

Wat wilt ge my, Waarmond! toch doen weeten?
Zie daar een rei van vrouwen, neergezeten
In de avondlucht, een vreemde snoepery
Gebruiken; elk heeft eene doos op zy'

Van zilver, met tabak gevult, zy dampen
Met vrolykheid, en weeten van geen rampen;
Daar staan zy op en springen heen en weer.
Is 't mogelyk? Zulks zag ik nimmermeer

Van vrouwen, die 't zich billyk moesten schaamen.
Zeg, Waarmond, zyn dit dingen, die betaamen?
Zacht, zacht: geeft toch aan 's lands gewoonte en zeen
Wat toe, eer gy door uw voorbaarighen

Een oordeel velt, 't geen u wel mogt berouwen:
Waarom toch dit niet toegestaan aan vrouwen,
Daar gy het duld in 't mannelyk geslagt.
Is ooit een wet daar tegen ingebracht?

Welvoeglykheid moest haar een voorschrift weezen,
Die zou haar haast van dat gebrek geneezen.
Welvoeglykheid moest dan die kunne ook ran,
Om zich van pracht en ydele eer' te ontslaan,

En alles wat de waereld steekt in de oogen,
Wanneer ze zich verrykt ziet met vermogen,
Dit zien wy aan met onverschilligheid,
Ja dikwils word' er noch wel voor gepleit,

Waarom? om dat in 't land dat wy bewoonen
Die mode haar voor opspraak kan verschoonen:
Veroordeel dan hier dees gewoonte niet
Om dat ge die nooit in uw woonplaats ziet:

Want elk Gewest heeft zyn byzondre zeden,
't Geen hier misstaat, word elders aangebeden.

Obe Piters Postma (Koarnwert Cornwerd, 29 maart 1868 - Ljouwert Leeuwarden, 26 juni 1963) was een vooraanstaand Fries dichter in de 20e eeuw.
Postma bleef ongetrouwd. Hij overleed op 95-jarige leeftijd in het ziekenhuis in zijn woonplaats. Hij werd begraven op het kerkhof van de Nederlands Hervormde Kerk in zijn geboortedorp. Op zijn zerk staat te lezen "Dichter fan it Fryske ln".
Obe Postma

 
CLAAS BRUIN. Fragment uit: Noordhollandsche Arkadia" (1732) HUIZER VROUWEKES.

Als zwijgt zijn bellestemmetje dan stappen Huizer vrouwekes van 't hijgend Gooische tremmetje.
De schortjes net in vouwekes geplooid op het japonnetje, met op de mouwtjes poffekes, gaan ze voorbij 't stationnetje heur voetjes vast in sloffekes.

CLAAS BRUIN. (1732) BOTTERWENSEN.

Visschers, vischt steeds ongestoord
Hopend op Gods zegen voort
Laat uw vangst 't zij groot of klein
Steeds voor U Gods Zegen zijn,

Geeft voor al uw vangst den Heer,
Altijd dank, geef Hem de eer!
(op de Marker Botter 134).
U, sterre der zee, mijn botter gewijd
Wees onze geleidster, bestralend altijd

Den weg op de zee en den weg in het leven,
Wil ons in den arbeid God's zegening geven.

Claas Bruin, zoon van den doopsgezinden leeraar Cornelis Claasz. Bruin, geboren te Amsterdam in 1671, overleden aldaar in 1732.

 
BERT VAN REEST. ZAANSCH LIEDEKEN.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
De meisjes zijn er net gekleed
Zooals voor honderd jaren;

Haar oogen blauw en blank haar vel:
Ik mag de Zaansche meisjes wel.
Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?

Men vindt er molens bij de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bezoeken?
Czaar Peter droeg er 't ambachtskleed
En at er pannekoeken;

Maar 't heeft hem levenslang berouwd,
Dat hij geen Zaansche had getrouwd.

  

BERT VAN REEST, schreef voornamelijk kinderboeken.

 
NICOLAAS BEETS, (1814-1903) UIT: AAN DE ZAAN.

Czaar Peter kwam hier aan de Zaan,
Dat is wel lang geleden;
Maar als hij kwam op heden,
Of hij bevredigd heen zou gaan?

Waar vond hij, als hij deed weleer,
Die kloeke handelaren,
Wier schepen, jaar op jaren,
De driekleur vierden heinde en veer?

Waar vond hij, als hij vroeger vond,
De Oostinje- en Groenlandvaarders,
Dat tal van schattengaarders,
Dat eens op Zaansche werven stond?

Uw scheepvaart zonk, uw handel slonk,
O, Zaan! Wat welvaartbronnen
Door andren afgewonnen!
Wie die voor de oude u nieuwe schonk?

Toch schoon er hier een bron verliep
En daar een moest verdrogen,
Zou oopning iets vermogen,
Zoo de oude geest nog rustte en sliep?

Zoo wie dan op 't verleden staar,
't Doe hem niet werkloos klagen;
Het moet, het zal weer dagen,
Toont maar de wil in 't werk zich klaar.

Elke ader klopp', elke ader trill',
De spoorfluit, in onze ooren,
Doe 't elk verneembaar hooren:
Word wakker, wie er voorwaarts wil!"

Welop dan, mannen van de Zaan!
De handen uit de mouwen,
Coeragie en vertrouwen!
Zij onze en aller leus voortaan!

Bron Wikipedia: Nicolaas Beets (Haarlem, 13 september 1814 Utrecht, 13 maart 1903), ook bekend onder het pseudoniem Hildebrand, was een Nederlandse auteur, dichter, predikant en hoogleraar.

 
VOLENDAMMER VOLKSRIJMPJE, (op de Volendammer botter 162).

Op den hoogen dijk,
Daar binne ze rijk,
Daar eten ze broeder met krenten.
En waarom zouden ze dat niet doen?
Ze leven er van hun renten!
 
KAMPER VOLKSRIJMPJE.

Schokker, Schokker, ga naar boord,
Je hebt je vaar en moer vermoord!
 
URKER VOLKSRIJMPJES.

De dominee van Urk, die moest op Schokland preeken, maar door het razen van de zee was hij zijn preek vergeten.
Skokker beer, wat waeit 'et weer, wat vliegen de kraeien, wat zal 'et nog waeien.
Toatse komt teus van de Sleus, (van Zwartsluis) brengt dan koekjes en krakertjes teus.
Gooi ze maar over het ekkien vlak in onze Kloasien zijn bekkien.
Gooi het niet mis, gooi het niet mis dat het in Kloasien z'n boezeltjen is.

(Schoolliedje)

Entrez, entrez, wie gaat er mee naar 't end jen van de Zuiderzee?
Wie zal 'et wezen, ik of jij, jij of ik?
Juffrouw jantje loopt over de dijk.
Zie daar gaat ze strijken, strikkies op d'r mouwen, gouwen ringen trouwen.
Dat doet ze maar om d'r lieven man die ze vanavond zoenen kan.
 
WIERINGER VOLKSRIJMPJE.

Oosterklief en Westerklief
Daar eten ze kool met krenten.
En waarom zouden ze dat niet doen,
Daar leven ze van d'r rente.

(Sint Pieter 22 februari was vroeger in het sociale leven van Wieringen een belangrijke dag. Dan werden namelijk de landerijen opnieuw verhuurd en de pacht betaald. Op Wester- en Oosterklief was dit aanleiding tot het vieren van de Kliever kermis).
 
ER ZOU EEN SKUITJE NAAR WIERINGEN VAREN.

Er zou een skuitje naar Wieringen varen,
's Morgens vroeg al door de dauw,
Met een mooi meisje van achttien jaren,
Dat er zo garen naar Wieringen wou.

Vader, ik hoor de haan al kraaien;
Moeder, ik hoor de klok al slaan;
Stuurman, laat je vlagje maar waaien,
Wij zullen welhaast an Wieringen staan.

Als wij dan straks op Wieringen komen.
Zien wij zoveel boeren daar staan,
Die er het spek bij lepels vol eten,
Je zou er wel om naar Wieringen gaan.

Vader, ik hoor de haan al kraaien;
Moeder, ik hoor de klok al slaan;
Stuurman, laat je vlagje maar waaien,
Wij zullen welhaast an Wieringen staan.

Straks in de herberg 't Vergulde Poortje".
Daar verkopen ze brandewijn;
n potje vol al om n oortje,
Suiker en kaneel erbij.

Vader, ik hoor de haan al kraaien;
Moeder, ik hoor de klok al slaan;
Stuurman, laat je vlagje maar waaien,
Wij zullen welhaast an Wieringen staan.

 
WIERINGER VOLKSRIJMPJE.

Strude, met jouw teerde schuren,
Met je lage, witgekalkte muren,
Met je schepen an 't zeletouw,
Oude, grijze Strude, ik hou van jou.

(Strude is de oude Middeleeuwse naam van het dorp Stroe)

 
V. B. THOLEN, (1860-1931)

's Namiddags zwervende in drukke pret, schooljongens die liefst rond de haven dolen ontdekten wij hem soms, ietwat verscholen gedoken op zijn lage taboeret.
Wij waagden stappen op getipte zolen, als door een stilte tijdens het gebed.
Zacht bevend om de kleuren van 't palet waren de vingeren de droom bevolen.

Gestorven.

In de middagstille zalen, oplichtend even in wat voorjaarszon, heurt wat hij van mijn stadje heeft gedicht.
o Weemoed dezer scheemrende verhalen.
Het leven herbegint waar het begon: binnen de klaarte van het Havenlicht.

 
AQUATINTA.

Ik zie de stad weer in het voorjaarslicht, het water ribbelt door de havenmond, de zee is, om het goed te zeggen: blak, van kleur en glans gelijk de leien daken, de rode nokken rimp'lend als het water.

Ik zoek al weer niet naarstig naar de reden waarom drie botters aan de kade bleven; zij liggen juist zo prachtig uit elkander alsof zij louter dienden ter versiering, en daaraan had mijn lust altijd genoeg.

En bovendien, zo blijft er open ruimte om zonder hinder over de beschoeing en langs het randje van de muur te lopen,
Om in een halve meter zicht in 't water uit te kijken naar een griez'lig zeedier.

 

PIET PAALTJENS, (Ds. Francois Haverschmidt; 1835-1894). DE FRIESCHE POET

De Harlinger stoomboot schommelt
Al over de Zuiderzee
Van Stavoren naar Enkhuizen.
Een dichter schommelt mee.

Kwijnend rust op de verschansing
De zangerige elleboog.
Glazig staart naar Friesland
Het bleekblauw potenoog.

Soms ook is 't, of een klaaglied
De schampere lippen ontstijgt.
De hofmeester denkt, dat mijnheer dan
Een aanval van zeeziekte krijgt.

Och, de hofmeester is niet onmooglijk
Een mensch met een edel hart,
Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen
Verstand van dichterssmart.

En ik denk, dat is maar goed ook;
Want kende de man die pijn,
Hoe zou hij nog voor zijn betrekking
Van hofmeester bruikbaar zijn?

Vaarwel!", ruischt het van de verschansing,
Naar het langzaam wegblauwend strand,
Vaarwel!", mijn diepverbasterd,
En toch mijn vaderland!

Wat al waatren rolden grimmig
Uw vernederde terpen voorbij.
Sinds in eigen taal uw kindren
Konden zeggen: wij, Friezen, zijn vrij!

Naar ploeg en koestal vluchtte
Uw taal, eenmaal Hollands schrik.
Om uw steden te zien verzinken
In allerlei vreemde kwik.

Uw adel ligt op sterven;
Dat prachtige, koppige ras,
Dat, om voor een koning te buigen,
Te stijf eens van knien was.

En begraven zijn ze op een paar na
Uw dochters van edel bloed
Met het oorijzer om den schedel
En de schaatsen onder den voet.

Friesche jonkers solliciteeren
Om een postjen als ambtenaar
En nemen zich tot vrouwen
Friezinnen met los haar!"

Een ontzaglijk-hoonende tandknars
Bezegelt het slotaccoord,
En help!" gilt de man aan het stuurrad,
Een passagier overboord!"

Te laat! De poet is verdwenen
In de diepte van 't dansende meer.
Slechts zijn pet vindt men acht dagen later
Op de kust van Wieringen weer.

Lithografisch portret van de dichter in de eerste druk van zijn dichtbundel Snikken en Grimlachjes (1867)

Piet Paaltjens was het pseudoniem van de Nederlands dichter en predikant Franois Haverschmidt, ook wel geschreven als Franois HaverSchmidt (Leeuwarden, 14 februari 1835 Schiedam, 19 januari 1894).

 
PIET PAALTJENS, (Ds. Francois Haverschmidt; 1835-1894) EEREPENNING. Tot erkentenis voor de edelmoedige redding.

Komt burgers, juicht nu, want uw doel,
Uw heldenmoed doet zich thans horen,
Daar gij hadt menselijk gevoel,
Anders was schipper Mud verloren.

Met knecht en vrouw en dierbaar kroost,
Een zevental mensen was verdronken,
Wijl men aan wal veel zuchten loost,
En stond in diep gepeins verzonken.

Twee schepen waren in 't zicht,
Naar Amsterdam bestemd voor beide,
De zware storm maakt het tot plicht,
Zich tot een schuilplaats te bereiden.

De eerste kwam bijtijds aan wal,
Want Dokkums beurtman licht en slanker,
Het tjalkschip dat ook komen zal,
Moest in het Krabbersgat ten anker.

De storm verhief zich meer en meer,
De vloed brak in, het water waste,
Men bad tot God zo menig keer,
Wijl 't vaartuig op en neder plaste.

Het vaartuig hield zich blijkbaar goed,
De storm verdubbelde zijn krachten,
Wijl schipper Mud met mannenmoed,
Bleef hulp van God en wal verwachten.

De ketting brak, het schip dreef af,
Een noodkreet klonk in ieders oren,
De schipper dacht: Hier is ons graf,
Nu zijn wij reddeloos verloren.

Wijl men aan boord een noodvlag hees,
Ging schipper Blom uit met gevaren,
Daar men zijn koene daad steeds prees,
Doorkliefde hij de woeste baren.

Hij komt bij 't schip met vissersschuit,
Ofschoon de storm vreeslijk woedde,
Een noodkreet breekt op 't strand thans uit,
O God, neem hen toch in uw hoede.

De kabel breekt, de botter drijft,
wordt over 't Leidam heen geslagen,
Wie is er die de angs: beschrijft,
Van allen die dit schouwspel zagen?

Daar steekt de schuit van Lub in zee,
Ook hij tracht mensen te behouden.
Maar Blom met schuit gaat koen ook mee,
Wijl men aan wal hun daad beschouwde.

God dank! Hun moed was niet vergeefs.
Zij redden zeven thans het leven,
Wijl men hun heldendaad steeds prees,
Daar zij op 't werk van God steeds wezen.

Enkhuizen, neen, er kleeft geen smet
Meer op uw fiere stadgenoten,
Was Anne Pot hier niet gered
Door uwe ranke vissersboten?

Aan moed ontbrak het u toch niet,
Dat hebt ge duidlijk thans bewezen,
Wijl Nederland u hulde biedt,
Wordt uwe daad geroemd, geprezen!

 

SCHIPBREUK EN REDDING, voor Enkhuizen van zeven personen bij de ontzettende storm
van de achtste Maart 1878
.

 

FEDDE SCHURER. (Muziek van Laurens de Rook, uit Lemmer).

Een nauwkeurig verhaal, ofte een rymgedigt over de skrikkelyke ende de veelverslindende brant die is voorgevallen op het dorp genaamt Colhorn. Gelegen in Noord-Holland, onder de vrije heerlijkheid van Schagen, gepasseert in het jaar 1788 op den 15 September, naar door en in den tijd van 5 a 6 uren 24 huizen, een Geriffemeerde kerk, alsmede een Menoniete kerk zijn in de asse gelegd.

Jesaja, 64, vers 11

Ons heiligh en ons heerlijk huis, daar onse vaderen u loofden is met viere verbrandt en als onse gewenste dingen sijn tot woestheid geworden.
Hoort aan al wie gij sijt, gij jong of oud van dage
Tot dichten heb ik lust, een wonder groot behage.

Ik vat de penne op en vang mijn reden aan
Maar dit is van geen man van veel vernuft gedaan.
Maat 't geen ik dichten sal, dat is geen blijde mare
Geen aangenaam verhaal, 't geen ik u sal verklare.

Maar jammer, ach en wee, een droevig treurgeval,
't Is van een felle brand, daar ik van melden sal.
Colhorn hiet het dorp, het legt beoosten Schagen,
Daar is de brand geschied, wat wij met droefheid sagen

Al in Septembermaand op den vijftienden dag
De klok had nog geen vijf, maar even op het slag
Doe sat ik bij mijn haart in stilheid en gedagte
Ik hoord' een naar geween, een droef en jammerklagte.

Ik hoord' een geroep met ijselijk geschreij,
Daar's brand, een felle brand, al in de bakkerij.
Ik heb op dit geroep mij gans niet lang berade
Ik quam daarbij om mee te dempen dese schade.

Wij quame met de spuijt o wonder klein verstant
En hebben hem geplaatst beneden wind en brand.
Daar waren wij confues en stonden haast verlegen
Wij hadden wind en brand en rook en alles tegen:

Wij moesten achterwaarts en wijke voor de brant,
De brant die had in kort, een verre overhant.
De brand liep heftig voort, het brande aan bijde seije
't Liep in de windwaarts op, o ijselijke teije.

Tot aan het derde huijs, dit huijs stond op de hoek
Doe had de brand sijn loop, o eijselijk besoeck.
Het brand' van huijs tot huijs, van woning tot aan woning
So Oud als Nieuwe streek, maar laceij geen verschoning.

Een eijder was bedroeft en in sijn hert verbaast,
Hij wist niet wat hij deed, van droevigheijt en haast.
Daar kwam tot ons hulp nog drie a vier, vijf spuijte,
Sij plaatsten haar soo daar, om mee de brand te stuijte.

Maar 't was alsof men spoot met olij in het vier.
Het kraakte en rammelde met eijselijk geghier
Godt sta ons bij, mij mens, waar sal het nog belanden,
De vlokke van dat hooij, die waaide wonder sterck.

En viele ijselijck, als woedend op de kerk.
Doe sag men dat de kerk met brand was aangestoken
Ons droef heijt scheen vers waart, ons hart dat scheen te breken
Een eijder was confues, 't was niet als vuur en vlam

Het was schier of de brand als uit de afgrond quam.
Men most dit treurtoneel met droevig oog aanschouwe,
Daar was voor ons geen kans, om dit gebouw te houwe.
't Was rondom vlam op vlam, een ijselijcke zaak.

De kerk stond in een vlam, als in een winkelhaak
Het dak viel van de kerk en maakte groot geklater,
De glasen vielen uijt, het loot droop neer als water.
De balken van 't gebouw, die viele op de gront.

Het brandde alles weg, wat in de kerk stont.
De kerk stont in brant, beneffens ook de toren,
De klok liet ons voor 't laatst nog seven slaghen horen.
't Was of hij tot ons riep, adieu o burgerij.

Gij hoort na dese nooijt een enkle slag van mij.
Een nieuw metalen klok, uijt burgers kas geboren
Die viel tot in de puijn, van boven uit de toren.
En verder viel hij mee, aan broeken in de as.

Soo dat ter van de klok niet veel te vinden was.
Doe 't op zijn elfde stont, was 't akelig te aanschouwe,
De kleijne kinderen, die sullen dit onthouwe,
Die 't lang na dese tijd, soo hier en daar vertelt.

Hoe dat ons ganse dorp met droefheid was verselt,
Wat wierd er toen getorst aan huijsraad en boelasije
Men bragt het hier so daar, daar men maar had ockaseije
Men wierp het in de gragt, een ander op de dijk

Een derde lantwaarts in of naar een and're wijk.
De sloot wierd opgevult met huijsraad menigvuldig,
De brand, die daar so woedt, die was zeer ongeduldig
Hij nam het alles weg, het seij wat of het was

Als hij 't kreeg in sijn macht, hij maakte het tot as.
Het brande Westwaarts voort, getal van negen huijsen
Dit huijs dat is van ons, door 's Heeren hand geret
Wanneer daar brand op viel, het wierde haast belet.

De Heere sij gedankt, gelooft en seer gepresen,
Dat hier op dese buurt, een uitkomst mogte wesen
En dat sij door de brand niet alle sijn vergaan,
Maar datter op het end nog vijf sijn blijven staan.

Een kraamvrouw op die buurt die moest met droevheijt vlugte
Tot in het derde huijs, want het stond er te dughte
Als dat de ganse buurt ellendig sou vergaan,
Maart 't was Gods wille niet, haar huijs is blijve staan.

Een andre jonge vrouw, die moest met smerte baare
Wier huijs, fabriek en goed almee verbrandet waare
Soo dat het op ons dorp ellendig was gestelt,
Veel erger als ik schreef of heden u vermeit.

Nu keer ik mij en sal de Nieuwe streek ontvouwe
Wat daar al is verbrand en wat daar is benouwe.
Dit was ons beste buurt, dit was ons proncsieraat,
Het allerslegtste huijs, dat was een huijs in staat.

Hier sijn dan mee verbrand tot elv toe gerekent,
Maar 't hoekhuijs telt niet mee, dat staat al aangetekent.
Op 't laatst komt hier nog bij de Menonietekerk
Een Godshuijs niet heel groot, maar tof en hegt en sterk.

Daar is de brand gestuijt, Gode sij lof en ere
Dat wij door Sijn goetheijt nog weer eens triumfere.
Mij dagt toe dat de wind al op dat selve pas,
Een weinig uijt het Oost en na het Suijden was.

Daar sijnder dan na 't ent tot vijftien te behouwen.
Ik wens dan dat de Here en bidde met vertrouwen
Dat God het wederom aan ons nog sal versien
Maar sulks of diergelijks aan ons nooit sal geschien.

Hierbij dient meer geseijt, dat mocht ik niet vergete,
Ons naburen rondom, die hebb' haar fraai gequete.
Sij quame met haar spuijts en wonder schoon bemant
Sij hadde boven ons seer ver de overhant.

Van Schagen quam een spuijt, ook mee Barsingerhorn,
Omdat de felle brand de mense aan doet porren.
Van Winkel quam er twee, van Niedorp quam er n
En veel volk mee, seer veerdigh op de been.

Het Slik gaf mee syn volk, maar daar waren geen spuijte
Sij quame trouwlijk op, om mee de brand te stuijte
Soo dat het op het laatst aan geen bijstant ontbrak,
Wij ware veel te swak om desgelijks te spuijte.

Om datter doe van ons veel volk was op see
En die niet is present die kan niet helpe mee.
Veel manschap haddet druk, de goedere te solveren.
Een ander stont verbaast, hij kon hem niet verweren

Hij wist niet wat hij doet, of wat hij doene most
Hij keek rondom en liep en quam niet op sijn post.
't Is naar, 't is dubbel naar, men siet sijn goed verbrande.
Een ander schaamt hem niet, hij rept gestaag sijn hande,

Hij schijnt me tot behulp, hij torst gelijk de rest,
Maar 't is om eigen baat, hij sleept het in sijn nest.
Sie daar nu burgers, ai wat sal ik meer ontvouwe
Ik kon het altemaal naukeurig niet beschouwe.

Omdat ik mee mijn post getrouw moest nemen waar,
Omdat er na dit al nog veel stont in gevaar.
Daar leijt nu eijders huijs, sijn schuilpaats en zijn woning
Nu leijt het al in puijn, o bettere vertoning.

Als men het eens beschouwt, men is er van verbaast,
't Is of de vijand hier geweldig heeft geraast.
Gij burgers wie gij sijt, gij die dit heeft verloren
't Is jammer om te sien, 't is droevig om te horen

Komt dient u God getrouw in waarheid en in geest
Wie weet hoe dra de Heer u breuke weer geneest.
Het spreekwoord seijt wel eens, na leijde komt verbleijde
Indien de Heer heeft lief, die sal hij doen kastijden

Gij burgers sijt getroost, dient God en hebt gedult
Wie weet hoe haast u schaa zal worden ingevult.
't Is jammer, die sijn huijs en goet so moet verlate,
Maar wat sal 't u o mens in 't sterfuurtje bate.

Als men een korte tijd op aard in wellust leeft
't Is alles ijdelheijt, al wat de wereld geeft.
't Is hier een korte tijd, dat wij dit rijk bewone,
Gods rijkdom en ons goed, dat sal ons niet verschoone.

Wat baat het ons o mens, indien 't also geviel,
Men won al 's werelds goed tot nadeel van sijn siel.
Daarom, so late wij den Heere diene en vreesen
In tijd die hier voor ons nog overig sal wesen.

En bidden voor dat goet, dat God heeft weggeleit
Voor 't uitverkoren volk, tot in der Eeuwigheijt.
Adieu dan voor het laatst, het is genoeg geschreve
Ik wens de Heere sal sijn segen hier aan geve.

Ik wens een eijder mens veel segen t' aller tijt
Om Christus wil en eer een salige Eeuwigheijt.

 

De familie de Rook was een uitermate muzikaal begaafde familie. Verschillende leden ervan zijn in grote orkesten in het hele land terecht gekomen. Zo speelde bv. Klaas de Rook als klarinettist in het Concertgebouworkest (hoewel hij liever pianist was geworden). Laurens de Rook, was te zeer verbonden met Lemmer om het dorp te verlaten. Zijn muzikale kwaliteiten verloochenden zich echter niet en als dirigent van Excelsior maakte hij dit orkest tot een van de besten van het land.

Op de foto zien we staand van links naar rechts: Jo - Klaas - Carel - Jacob - Poppe en zittend van links naar rechts: Jan - Nanne - Jurjen - Vader Klaas - Laurens.

 

FEDDE SCHURER. (Muziek van Laurens de Rook, uit Lemmer) MATTEN VLECHTEN.

Het kleine vrouwtje, rond gebukt,
Het mannetje, in stoel gedrukt
Ze grijzen in het kotje;
Hij rukt de biezen uit de schoof

En reikt ze vrouwtje, staand' op stoof,
Zij reikt naar het schavotje.
Schavotje is een hoog toestel,
Daar schuift men biezen aan, op tel.

De biezen groeien aan de kreek,
In 't binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil.

Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
Uit geel 'en bruine biezen kan
Een oude vrouw en kleine man

Saamvlechten een karpetje;
Hij dekt den ketting, zij den slag,
En als de avond haalt den dag,
Dan gaan zij naar hun bedje.

Het bedje staat van biezen vol,
Het bedje is een biezenhol.
De biezen groeien aan de kreek,
In 't binnenland, de heidestreek.

Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

Het bedje ligt in diepe scheur
Van grijzig muurtje, bij de deur,
Behangen met gordijntjes.
Daarin te slapen, zijn gekromd.

Totdat de nieuwe morgen komt,
Twee oude menschenlijntjes.
Op hunne handen, klein en teer,
De biezen staan in rijpe zweer.

De biezen groeien aan de kreek,
In 't binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil.

Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
Van biezen stram, van biezen moe,
De beide zieltjes vallen toe

En worden dan begraven;
Voorbij de kreek, daar wacht de hof,
Waarin geborgen wordt de stof
Der beide biezenslaven.

Zij liggen achter biesgeruisch,
Gevouwen, in hun doodenhuis.
De biezen groeien aan de kreek,
In 't binnenland, de heidestreek.

Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

 
MERKWAARDIGE EN WONDERBARE REDDING VAN EEN VADER MET ZIJN TWEE ZONEN, UIT EEN VERSCHRIKKELIJK DOODSGEVAAR OP HET IJS. In de maand Januari 1849

Wijze: Hij die als man zijn plicht betracht.
Schoon ook de hoop uw hart begeeft,
Laat, vrienden, laat ze nimmer varen,
Vertrouwt op Hem, die boven leeft.

Wat ramp u angst of schrik moog baren!
Te midden van de woeste zee,
Ja op een ijsschots voortgedreven,
Brengt Hij u nog op veilige ree.

Wilt dus voor geen gevaren beven.
Getuig het, visser, pas gered,
Getuig het, Bort, met beide uw zonen,
Heeft niet Gods hand uw dood belet.

Bleef Hij zijn hulpe u niet tonen?
Daar drijft gij heen, in woeste vaart,
Een ijsschots moet een drietal dragen,
En waar uw oog ook somber staart.

Geen licht van troost schijnt op te dagen.
Zo gaat het veertien dagen lang,
Nu hier dan daar weer heengesmeten,
De doodskleur ligt reeds op uw wang.

Gij schijnt van God en mens vergeten,
Enkhuizen ziet uw jammeren niet,
Al staart gij op de grijze toren,
De wind, die uit 't Noordwesten schiet.

Zal ras u in de golven smoren.
De koude krimpt uw leden in,
De honger knaagt en zal niet mindren,
Nog denkt gij aan uw huisgezin.

Uw lieve vrouw en viertal kindren;
Gij ziet uw zonen wenend aan,
En meerder nog dan eigen smarte,
Knaagt 't leed dat zij thans ondergaan.

U aan het minnend vaderhane.
Geen redding daagt, de zee staat hol,
De wind giert rond en stuwt de schotsen,
De sneeuwjacht stuift de ogen vol.

Terwijl de golven driftig klotsen.
O, zie daar ginder, ja 't is land!
Maar ach, helaas, wat zal 't hen baten,
't Is Vollenhovens oeverstrand.

Maar 't strand is eenzaam en verlaten.
En toch daar dringt er n vooruit,
O God, hij springt in 't zeenat neder,
'k Wil mensen redden, gilt hij uit.

Hij zinkt en rijst en zinkt al weder;
Toch naakt hij telkens meer en meer,
Bereikt het ijs, beklimt het wakker,
Herkent den visser van weleer.

En in diens zoon een ouden makker.
Een boot, met wakker volk bemand,
Komt door de schotsen langzaam nader,
En voert het drietal naar het strand.

Zowel de zonen als den vader;
Daar pogen liefde en mensenmin
Hun vreeslijk lijden te vermindren.
Men draagt hun 't deftig raadhuis in.

En zorgt voor hun als eigen kindren.
Wij juichen u, o redders, toe,
Uw daad zegt meer dan krijgsvictorie,
Wij brengen vrolijk, blij te moe.

Aan u, Tabois, de hoogste glorie!
Maar boven alles, lof zij God!
Die ook opnieuw hier heeft bewezen,
Dat Hij wil waken voor ons lot.

En aller Vader steeds wil wezen.

 

De Drommedaris.

 

1849 (Anoniem) DE HAERING-VISSCHERIJ.

Wat wil ik in mijn Dicht van al de kielen spreken,
Die als de son den Kreeft genaekt, van strandt afsteken,
Uit lust der haeringvangst, en vaeren diep in see?
Wanneer men 't gaeren werpt, en vischt van stee tot stee,

Als 't net den gantschen grondt der see kan overtasten.
Wanneer ENKHUISEN, soo grootmagtig door haer masten,
Haer Buissen, die se tot den haering uit liet reen,
(Want dese sorg betreft haer boven d' andre steen)

Eerst in dat groote nat heeft ledig uitgelaten,
Dan krijgt se die weer t' huis met meenigte van vaten
Vol visch in 't sout gepakt, en sendt s' in 't endt weer voort
Op hoop van winst, naer Oost, naer West, naer Suidt en Noordt.

 
GEERAERDT BRANDT, naar het Latijn van Doctor Dirk Velius. VISVANGST.

Werp nu het net in zee en gij zult vangsten vangen, zodat de sterkste mazen scheuren in de trek.
Dit noodgetij vol angsten, wonden en gebrek,
Doet zelfs de grofste rovers naar het net verlangen.

Wij joegen op elkaar met felle blik en bek, met onomwonden haat en weggetrokken wangen.
O visser, blijf met macht aan lijn en takel hangen.
Grijp snoekbaars bij de kieuw en paling in de nek.

De kuipen lopen vol, de bun en ieder vat puilt van de vangst. Hoor, hoe de meeuwen krijsen.
En overal licht wit de zilverende vis.
Maar nu de luwe zee de veil'ge boeg omspat, laat U de ongetelde plaatsen wijzen.

Hij noodt U aan de dis, die Vis en Visser is.

Bron Wikipedia: GerardBrandt (Amsterdam, 25 juli 1626 - aldaar, 12 oktober 1685) was een Nederlandse predikant. Van 1667 tot 1685 was hij predikant in Amsterdam. Hij was een bekende schrijver in zijn tijd en schreef onder andere een Leven van Michiel Adriaanszoon de Ruyter en een Geschiedenis van Enkhuizen. Het roemruchte verhaal van de ontsnapping van Hugo de Groot werd door de publicatie van Brandt, uit Elselina's mond opgetekend, een van de klassiekers van de Nederlandse geschiedschrijving.

 
ABRAHAM ELIAZER VAN COLLEM, (1858-1933). DE HULLEPLOOISTER.

Och, Kloasien ei je men ulletje kloar?
Ik moet et een Zuundag op ...
Nou is et al Pienster Zoaterdag ...
In ik brocht al een neie kop!
Doar eeuw ik et kintjen al an ezet!
Het zit al in de wiend ...
Kiek effen, of et droog'is, moat,
Dan ei je een stekien" verdiend!
Hoe 'n fijne gevlamde strook er an!
Kwam die nou eut Zwitserlaand?
Ja, kend, in iel eut Belgi
Die mooie, gele kaant!
Wij zullen um eerst nog strikken, Kee,
Dat mag jie nou eressies zien
Dan, aans, verzichtig dreien an
Je bessies plooimesien!
Wacht, rst een stukkien kraant-papier
Want, is de bout te iet
Dan is joen hulletje verbraand
Woar ik vast omme kriet!
't Is goed! Drei nou verzichcig roend:
Hiel langzaam-langzaam an ...
Dan stat et as een appeltjen",
As je et dragen, man!"

Abraham (Bram) Eliazer van Collem (13 oktober 1858, Rotterdam - 3 november 1933, Heemstede) was een Nederlands communistisch dichter.

 
MARIAP VAN URK. DE MIST.

"Mist as roet", zo spreken vissers..
Klittend aan de havenkant;
As een pot" zegt blinde Jawek ...
Want, hij snijdt het" met de hand.
,,'k Zien er hielendal gien gat in",
Tingeltangelt Lub van Kee...
En Jan Bloemen antwoordt daad'lijk:
Mist as Jaauwkies zwarte thee!"
't Novert glad niet, 't blift maar dikke"
't Is een eidoopsausien, Jan,
Oppert nu het Keukediefien"
Tegen Kloas van Piet Plak-an!"
Mit een prumpien in de wange
Mummelt Willem Domenei" ...
Mistig, minsen, as de aarde
In zo vast as bollenbrei".
Zou de boot nog arrevieren
Eut et Keuzer Krabbersgat?"
Nou, ik oor et kissien toeten:
Oe dat dreijt al, oor je dat?
Ieder raadt op eigen houtje
Naar de dikte van de mist...
Dat de boot allang gemeerd ligt...
Is te danken... aan... de kist"!

Mariap van Urk (Marretje van Urk-Koffeman, 1989-1966.

 
MARIAP VAN URK. DE DIJK.

De dijk ligt tusschen 't land en 't water met palen en bazalt.
Hier ligt hij nu, hier ligt hij later, totdat de aarde valt.
Hij heeft de zee het land ontstolen: haal op, haal op die hei!, gespoten tongen, vette zooien,
gewasschen in de klei.
Hij is gestegen uit de vloeden met norsche langzaamheid, hij is tot schutten en tot hoeden, tot worstelen bereid.

Vooraan, waar d'elementen woelen, de schelle noodhoorn schalt, schijnt hij voorwereldlijk te stoelen en 't water, dat vervalt van stortzee tot de drift van kolken, maar nimmer overmocht, moet waaiers vouwen naar de wolken van zilt en glinsterend vocht.

De golven mogen rijzen, dalen, hij heeft ze steeds geveld.
De dijk zal nimmer, nimmer falen bij water en geweld.
Hij ligt er met zijn taaie wieren gelijk een donker dier, de wind kan langs zijn flanken gieren of fluiten in een kier, hij kan in grondzee onderduiken, gekranst met lillend schuim, geen kracht kan dze kracht verbruiken, hij staat er groot en ruim!

Hardnekkig is de mensch geschapen, hoe zwak zijn lichaam schijnt.
Onsterfelijkheid gaf hem tot wapen den geest, die niet verdwijnt.
Die geest is nimmer te beperken, die geest zal, recht en slecht, in menschen gansch opnieuw gaan werken als men hem heeft geknecht.

De dijk, die rijzend uit ons leven, de zee het land ontsteelt, is van dat onophoudlijk streven het eeuwig zinnebeeld.
Want wat ons altijd wil verslinden bedwingt hij vroom en vroed, gevaar en chaos kan hij binden als dieren voor zijn voet.

Mariap van Urk (Marretje van Urk-Koffeman, 1989-1966.

 
MARIAP VAN URK. DONDERDAG 17 OKTOBER 1957.

Burgers van ons dierbaar eiland,
Die deez' dag nog medemaakt,
Grote dag van vreugd en weemoed,
Wat ons allen zeker raakt,

Dit eiland van weleer,
Dat eiland is geen eiland meer.
'k Geef toe het doet ietwat weemoedig aan
Dit einde van ons eilandbestaan.

Dit eiland van Gijsbrechts en Mariengaarders,
Dit eiland van Groenlands en buisevaarders,
Dit eiland van waterschepen en botters,
Dit eiland van loggers, jollen en kotters,

Dit eiland van hooi en het eiland van gras,
Dat duizend jaren een eiland was,
Dat eeuwenoud eiland van weleer,
Dat eiland is nu geen eiland meer,

Het gij op" en 't gij neer" is nu verdwenen,
Het hale me zale" is ook henen,
We varen en zeilen niet langer naar zee,
't Is alles veranderd en wij verand'ren mee.

We varen en zeilen nimmer weer
Doordat Zuiderzee werd IJsselmeer.
Eeuwenlang gold voor Marken de leuze:
Noorden uit, Zuiden thuis,

Dat is de weg van botter en buis".
Voor ons, van vandaag af, een andere keuze,
Want botter en buis, zij zijn verdwenen;
Maar Markers blijven en gaan niet henen,

We zoeken niet balorig een andere roete,
Al wilden we 't niet, we zullen 't wel moete.
We zoeken ons brood aan 't vaste land,
Langs een stevigen dijk naar de overkant.

Dus vrienden van Marken, 't klinkt misschien ongehoord,
Maar we gooien die oude leus overboord.
We verand'ren van koers: Noorden worde nu Zuid, en Zuiden wordt Noord wat onze klok luidt.
Het oude is voorbij, we gaan Zuiden over 't Kruis,

Koers Noorden terug naar ons veilig tehuis.
En na jaar en dag moge 't altoos dan wezen,
Een andere koers als het was voor deze,
We blijven Marken trouw wat toekomst ook geve,

Wij blijven het trouw opdat Marken leve".

Mariap van Urk (Marretje van Urk-Koffeman, 1989-1966.

 
C. KES (Fragment van de Rede in dichtvorm, gehouden door wethouder C. Kes, tijdens de lunch, aangeboden door het gemeentebestuur van Marken, ter gelegenheid van de definitieve sluiting van de verbindingsweg Marken-de Nes, op donderdag 17 oktober 1957). NOORD-OOSTPOLDER.

Toen d'aarde bloot kwam, druipend van het water, was het een scheppingsdag, waarop Gods hand de stromen scheidde van het slijm'rig land, dat rilde van verwachting.

Verlatener dan ooit ligt Schokland, walvis op het strand; de lip lubt om 't gebit der palissade, harpoenen in de rug (bomen ter kade), de flanken aangevreten en ontmand.

En uitgeloerde boeren, strak de monden, trekken met paard en ploegschaar in de stand, de voren als een waaier door de gronden, delvend het wrak uit zavel en uit zand, waar eens de golven tegen 't leven stonden van ploegers met de helmstok in de hand.

 
JAN ENGELMAN, (Geb. 1900). AFSLUITDIJK.

De bus rijdt als een kamer door de nacht de weg is recht, de dijk is eindeloos links ligt de zee, getemd maar rusteloos, wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vr mij de jonge pas-geschoren nekken van twee matrozen, die bedwongen gapen en later, na een kort en lenig rekken onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken.
Zo drijft folklore, op wieken van de winden Naar Elburg, Harderwijk en Durgerdam: Zo zullen wij te Hindeloopen vinden.

Wat eerder ons, in Schokland tegenkwam.
Daar is een schoon en sierlijk snoer geweven
Van goud doorvlochten en zo rijk aan kleur,
Dat het ons samenbindt in eender leven:

't Juweel omvattend, naar gemerkte keur.
Dus treden w'aan, de kind'ren met de ouders
En zullen onze klompenroffel slaan!
Wij willen niet, nog vierkant in de schouders.

Gelijk een vis, geruisloos ondergaan!
Al voelen w'ons, 'lijk een gevilde paling
Die, ij'vrig nog, in d'eigen bloedplas zwemt,
Rondwent'lend in steeds driester, doller maling.

Zo droef onttroond, z naakt en onbestemd,
Of als een vis, al spart'lend op het droge,
Krimpbekkend zich nog voedt met ijle lucht,
Z staan ook wij, ontmanteld en onttogen.

Ons voedend met belofte en gerucht!!!
Zal men, zo vragen wij, aan onze eisen
Gehorig zijn in 't nieuwe jaarseizoen?
Of zal men vissers slechts den polder wijzen??

Hun fiere zonen straks op sluizen doen??
Wij weten niet!! Doch ziet gij, op een bankje,
Een Afgevloeide, als Wrakhout aangespoeld,
Breng hem een rsaluut, en prevel zacht ik dank je!!

Hij heeft Gods Adem op de Zee doorvoeld.

Johannes Aloysius Antonius Engelman (Utrecht, 7 juni 1900 - Amsterdam, 20 maart 1972) was een Nederlands dichter, die voornamelijk bekend is geworden vanwege zijn gedicht Vera Janacopoulos, dat volgens sommigen een typisch voorbeeld is van posie pure. Een ander bekend gedicht dat als zodanig wordt gezien is En Rade, door Engelman zelf een vocalise genoemd. Jan Engelman.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.