|

|
De Heer G. J. de
Vries, uit Enkhuizen wist te
vertellen, dat de foto is genomen
tijdens de ansjovisvisserij in 1924,
in de haven van Medemblik, en
aangeboden door Bart en Rinkje
Bronsema Pilon. Op de foto ziet u
mijn vader (Jan de Vries) uiterst
links, tweede van links is tante
Pine (Philippina Welle) en vierde
van links is ome Jan Pilon. |
Jacob Pilon, viste, evenals zijn
broer Jan, voor de afsluiting met een Tjalk (LE
79) en een grote sloep op ansjovis. Hij koos na
de afsluiting voor een volledig vissersman
bestaan. De Tjalk lag nadien altijd in
Kornwerderzand. Nummerde later WON 36 of 51.
Van de familie de Vries uit
Enkhuizen kreeg ik een mail met een mooie
aanvulling van Jacob Pilon: In de lijst van
Lemsters die tussen 1932 en 1940 vertrokken lees
ik een klein stukje over Jacob Pilon. Mijn vader
Jan de Vries is bij zijn ome Jan Pilon, die
gehuwd was met Filippina Jacoba Hermina Welle,
omstreeks 1922 aan boord gekomen.
Over de broer van ome Jan Pilon, Jacob Pilon,
weet ik niet veel, wel is hij bij mijn weten
jaren lang havenmeester is geweest in Medemblik,
de periode weet ik niet.
Wel weet ik dat ome Jan Pilon met de tjalk in
Kornwerderzand lag, en ben daar vaak aan boord
geweest, of zijn broer Jacob daar ook lag is mij
niet bekend. Van mijn vader weet ik dan dat zij
in zomer visten en in de winter vracht voeren.
In een artikel in de Spiegel der
Zeilvaart van dec. 1977 heeft hij zijn verhaal
op papier gezet. Ik doe het erbij, wat u er mee
wilt doen mag u zelf weten, maar misschien kunt
u het gebruiken als aanvulling. Ome Jan had
naast de tjalk ook
een 40-voets sloep waarmee de visserij werd
beoefend met het nummer WON 36.
Puinreizen en Reizenpuin.
Jan Hendrik Hermanus de Vries, geboren 1910, voer
van 1922-1936 als schippersknecht bij zijn oom Jan Pilon. Hij leidde in die
jaren afwisselend een bestaan als binnenschipper en als visserman; vissend in de
maanden maart, april en mei, en het overgrote deel van het jaar vrachtvarend .
Na 1932 ging het in de binnenvaart zo slecht dat zijn oom en hij besloten om te
blijven vissen en de vrachtvaart te laten voor wat hij was.
In de eerste jaren visten ze veel onder de net
voltooide Afsluitdijk op bot en schol. Deze zoutwatervissen vluchtten in
noordelijke richting voor het verzoetende water, waarbij de dijk een belemmering
vormde op hun weg naar het zoute water. In de jaren daarna visten ze
hoofdzakelijk op paling, snoekbaars en rooie
baars.
Van 1936-1970 voer hij op de EH 39, eerst als
opvarende en later als schipper. Ook na zijn actieve visperiode heeft hij zich
daadwerkelijk ingezet voor de belangen van de binnenvisserij. Jarenlang is hij voorzitter geweest van de COVIJ
(Coöperatieve Vereniging IJsselmeervissers, later de OVRIJ, de Organisatie van
Rand- en IJsselmeervissers), heden te dage bekleedt hij nog het voorzitterschap
van de Organisatie van Beroepsbinnenvissers. Hieronder vertelt hij zijn
binnenvaartbelevenissen.

|
Met hoop op een
windvlaagje, zeilt deze
tjalkschipper langs het stoomgemaal
bij Lemmer. |
"De Noordster"
Ik kwam
bij oom Jan Pilon aan boord toen ik 12 was. Hij
zat zonder knecht en was in gedachten de familie
eens langsgegaan of er onder die mensen
misschien nog geschikte en capabele
schippersknechten te vinden waren, ik bleek de
uitverkorene.
Wat mij
betrof was het de beste keuze die hij had kunnen
maken want ik wou graag varen en met mijn 12
jaren had ik royaal de leeftijd om dat werk aan
te kunnen. Ik voelde me dan ook al een hele
kerel toen ik augustus 1922 aan boord stapte van
de “Noordster’, die grote, sterke, goed zeilende
tjalk van 155 ton. Wat een schip! Eigenlijk was
het nog een zeeschip ook, want het was, zoals
zoveel Groninger tjalken, onder klasse gebouwd.
Oom Jan
was er echter de man niet naar om ver
buitengaats te gaan. “De Zuiderzee is al zee
genoeg jong”, zei hij wel eens.
Die zee
zijn we dan ook talloze malen overgestoken met
graan voor Leeuwarden, puin voor de Afsluitdijk,
hout voor Blokzijl, pakhooi van Giethoorn naar
Alphen-Binnen en noem maar op.
Voor de
vaart op Friesland en Drenthe was onze tjalk wat
aan de grote kant, vooral wat betreft de
diepgang. Afgeladen staken we 2.10 meter diep en
in Friesland kon er normaal niet dieper gevaren
worden dan 1.90 meter. We moesten ons daaraan
wel degelijk houden, want anders liepen we de
kans om in Harlingen, Lemmer of Staveren op de
drempel van de sluisdeuren te blijven zitten. ’s
Winters hadden we meer speling want dan viel de
waterstand soms royaler uit. De gemalen hadden
in die tijd vaak nog niet voldoende capaciteit
om in dat jaargetijde de overvloed aan water
snel genoeg te kunnen verwerken. In Drenthe, was
de toestand nog ongunstiger want daar kon op
verschillende kanalen niet dieper gevaren worden
dan 1.40 meter.
Ik
herinner me dat we eens op het Oranjekanaal
aardappelmeel moesten laden voor Rotterdam. Ik
weet niet precies meer hoeveel ton we konden
laden op 1.40 meter maar ik weet nog wel dat de
rest van de vracht in een lichter geladen werd.
In Zwartsluis, op dieper water, zouden we lading
van de lichter in de “Noordster” overslaan. Op
het Oranjekanaal en de Smildevaart, viel aan
zeilen niet te denken, dus moest de mast plat en
jagen. Dat gaf meteen een uitgelezen gelegenheid
om de mast eens flink onder handen te nemen. Ik
schraapte de kale en verweerde plekken wat bij,
om daarna de hele mast te schuren en in de
harpuis te zetten. Dat harpuis was een soort
harsachtige lak.

|
Op het Merwedekanaal, vaart een sleep
met 4 à 5 lengtes door de brug. De
schippers zaten er in ie dagen
bepaalt niet "warmpjes bij".
|
Toen ik tot het boveneinde van de mast was
gevorderd, ontdekte ik tot mijn grote schrik,
dat het want in het hommer was weggeknepen,
d.w.z. dat hij daar volkomen ingerot was. “Dat
ziet er slecht uit neef” zei oom Jan “dat wordt
een nieuwe”. Dat betekende een fikse
onkostenpost, maar betekende ook een stuk
overleg wat betrof kwaliteit en prijs. Moest het
een grenen worden of een oregon, een getapte of
een ongetapte? Bij een getapte mast was de hars
grotendeels uit het hout getrokken, bij een
ongetapte zat de hars er nog in.
Nadat we in Zwartsluis een nieuwe mast hadden
besteld en nadat we de lading van de lichter
hadden overgenomen, vertrokken we toch maar
richting Rotterdam. Met een normale wind zou de
gammele mast het wel houden. Met een redelijke
z.w bries voeren we het Zwarte Water af. Toen we
aan het eind van dat Water waren, tussen de
uitlopers of de kribben, begon de wind al
enigszins aan te wakkeren, maar toen we eenmaal
op open water waren trok hij pas goed aan. “Dat
wordt niks jong” zei oom Jan. “Als het zo
doorgaat wordt het vanavond Schokland in plaats
van Amsterdam”. Met één oog naar de mast en met
het andere naar de lucht stond hij de kansen te
berekenen en het haalbare af te wegen. Hij had
het goed gezien, want het werd Schokland die
avond. Met het eiland als oppertje gingen we ten
anker. De volgende dag bleef het waaien en de
dag daarna ook nog en de dag daarna en …… na een
week was de proviand zo goed als op. Dus wij met
de sloep naar het eiland om daar het broodnodige
in te slaan. Om een lange periode kort te maken,
precies 14 dagen na aankomst op de rede van
Schokland vertrokken we weer richting Amsterdam.
“Zo zie je maar jong, je moet altijd je spullen
in orde hebben, anders overkomt je dit soort
dingen” leerde oom Jan en daarmee was de kous
af.
|
Johan de Jonge, verteld: De
voormalige Noordster vaart in
Nederland momenteel onder de naam
Harmanna en is tot in 2010 nog
actief geweest als vrachtschip voor
het vervoer van kunstmest van
IJmuiden naar Slootdorp (kop van
Noord-Holland) In de tijd van de
schippersbeursen werden (tot 1999)
echter diverse andere plaatsen
aangedaan met vrachten kunstmest en
ijzer(uit IJmuiden) en granen en
andere goederen uit de Amsterdamse
en Rotterdamse havens (veelal uit
grote zeeschepen overgeladen).
Over
de Harmanna valt verder te vertellen
dat deze na een verlenging in de
jaren 50, circa 35 meter lang is en
250 Ton is (bouwjaar 1904).
Nadat
ik de reisverhalen en historie
rondom de Tjalk "Noordster" heb
gelezen: Dit zelfde schip is
momenteel de laatste varende
vrachttjalk in Nederland en
waarschijnlijk daarbuiten. Hoewel
dit schip onder de huidige naam
Harmanna al zo'n 40 jaar door mijn
ouders wordt bevaren, zijn er vrij
weinig foto's en verdere gegevens
bekend van voor deze periode. Uit de
register gegevens is echter
zondermeer duidelijk dat de Harmanna
de vroegere Noordster is.
Ben ik
derhalve dan ook op zoek naar meer
gegevens over het schip en dan met
name foto's. Ik zou het erg op prijs
stellen, als iemand mij daar bij zou
kunnen helpen.
Johan
de Jonge.
 |

Ik heb tevens nog een foto
bijgevoegd (voor de sluis bij het Amstelmeer
in de kop van Noord-Holland).
Meer foto's
Weekje "thuis kijken"
Toch gebeurde het wel eens dat een reis
ontzettend lang duurde ondanks dat de spullen
prima in orde waren.
December ’29 namen we 150 ton puin aan van
Rotterdam (Boerengat) naar Oude Zeug. Dat werk
was er veel in die dagen. In het begin naar de
Proefpolder in Andijk en later naar de
Wieringermeer en verschillende plaatsen op de in
aanbouw zijnde Afsluitdijk. Dat puin diende als
ondergrond voor de basaltblokken. Aanvankelijk
vlotte de reis goed. Vrijdags voor Kerst maakten
we ’s avonds vast voor de Oranjesluizen. De
volgende dag eruit met een prachtige z.w. wind
en om 4 uur al meerden we af in Medemblik.
Tussen Kerst en Oud en Nieuw werd er in Oude
Zeug niet gelost, dus konden we de rest van het
jaar rustig uitzingen in Medemblik. “Je gaat
maar lekker eens een weekje thuis kijken” zei
oom Jan tegen me.
Dat liet ik me geen twee keer
zeggen want de vrije dagen lagen in die tijd
niet voor het opscheppen. Nog diezelfde
zaterdagavond ging ik naar huis. Eerst met het
treintje naar Hoorn, daarna met de trein naar
Alkmaar en tenslotte nogmaals met de trein en
wel die naar Den Helder. Het was bepaald geen
kerstweer. De wind was zuidwest en het was
regenachtig en miezerig. Geen winter dus. Na
Nieuwjaar vlug lossen en weer varen was zo mijn
gedachtegang. Hoe anders pakte het uit. Tijdens
de Kerstdagen sloeg het weer plotseling om en
het begon te vriezen dat het kraakte. Toen ik na
Nieuwjaar weer aan boord stapte konden we nog
net met veel moeite Oude Zeug bereiken.
Er was
al een flinke ijsgang in de Zuiderzee. Nadat we
zo snel mogelijk gelost hadden, gelukte het ook
nog om Medemblik te bereiken en dat bleek voor
dat jaar voorlopig wel de laatste trip te zijn.
De winter sloeg ongenadig toe. Tot ver in maart
bleven we ingevroren liggen. Ik herinner me nog
dat ik op 15 maart op de schaats naar Enkhuizen
ging. De auto’s reden over het ijs naar Urk.
Achter de dam van het Krabbersgat stond een
draaiorgel en een danstent op het ijs. Wat een
plezier en wat een gezelligheid. Overigens was
het voor ons wel een erg dure winterpret, want
zo’n lang winterperiode betekende wel een
aanslag op de portemonnee. We hielden er altijd
wel rekening mee, maar desondanks teerden we
toch flink in. En het was bepaald niet zo dat we
na de winter weer allemaal vette reizen gingen
doen.. Nee, dat zat er in de jaren ’30 niet aan.
Scharrelen en sappelen.
Kort na die strenge winter van ’29-’30 nam oom
Jan een reis aan van Amsterdam naar Enkhuizen.
“130 ton cement laden in de Rietlanden en lossen
bij Wachtendonk”, zei hij niet bijster opgewekt.
De reden van deze weinig opgewekte stemming
bleek al gauw, f 75,- vracht en
hij vervolgde: “4 laaddagen, 4 losdagen en
helemaal duidelijk te maken dat er van deze
reis eigenlijk niets overbleef noemde hij en
passant ook nog even de onkosten op die er
afgingen: “4 cent per ton havengeld in
Amsterdam, 4 cent per ton havengeld in Enkhuizen,
en de provisie voor de bevrachter”. Hij zweeg
wijselijk over de fooi die er vaak gegeven moest
worden, en over de borreltjes, die er al
wachtende op een werkje, soms achterover gewerkt
werden.
De bevrachter was namelijk ook heel vaak
kroegbaas en een en ander laat zich gemakkelijk
raden. Er waren schippers van wie gezegd werd
dat “hij zijn vleugelhekkie deur zijn strot had
zopen”, d.w.z. dat hij zijn hele kapitaal aan de
drank had opgemaakt. Gelukkig was het niet
altijd scharrelen en sappelen zoals ik hiervoor
heb verteld. We hebben ook wel prachtige reizen
gemaakt die dik geld opleverden.

|
Als
er niet gezeild kon worden, konden
de scheepsjagers uitkomst brengen.
Op de foto twee jagers, langs een
veenkoloniale vaart in Drenthe. |
"Zeilersgeld"
Het liep tegen
de Kerst van 1925 meen ik. De Bietencampagne
zat er bijna op. We waren aan de Groninger
suikerfabriek net leeggekomen van een lading
bieten. Oom Jan had het geluk dat hij meteen
100 ton rogge kon aannemen voor Rotterdam.
Direct laden in de Westerhaven.
Zaterdagsmorgens om half 10 hadden we de
vracht. Oom ging naar kantoor om de
cognossementen te halen. Toen hij terug kwam
keek hij zeer verheugd. “Dit wordt een dikke
reis neef” zei hij. Er valt te verdienen f
60,- zeilersgeld. Dat was natuurlijk erg
aanlokkelijk, maar deze zeilersgeldreisjes
hadden meestal wel een staartje.
Zo ook deze
keer. “We moeten er wel voor zorgen dat we
woensdagavond voor zessen in Rotterdam zijn”
zei hij. En dat in deze tijd van het jaar.
Korte dagen, lange en donkere nachten f 60,-
was veel geld. Maar ja, ….. er tegen aan.
Het eerste wat oom Jan deed was het zoeken
van een sleepje. Het toeval wilde dat er aan
de andere kant van de sluis een motorschip
lag, dat ons wou meenemen naar Lemmer. Nou
was het in de bietentijd altijd erg druk
voor de sluis in Groningen en dat kwam ons
nu wel erg slecht van pas. Hier kon alleen
brutaliteit de oplossing brengen. Hoe het
precies ging weet ik niet meer, maar ik weet
nog wel dat schipper Jan Pilon, zijn grote
tjalk zo tussen dat kleine “spul” door, voor
zijn beurt, de sluis in dramde, terwijl ik,
voorop, in eerste instantie de
scheldkanonnades van de schippers over me
heen mocht laten gaan. Hoe het ook zij, we
waren als eerste geschut en we hadden
daarmee verschillende uren gewonnen.
Het motorschip
trok ons een “eindje” de sluis uit en toen
begon de race tegen de tijd. Er was f 60,-
extra te verdienen, dat was niet gering. Dat
was waarachtig een mooie kerstpremie. ’s
Zaterdagsavonds om 6 uur maakten we vast in
Grouw, niet alleen voor de zaterdagavond,
maar ook voor de zondag, want de zondag
moest geheiligd worden, daaraan viel bijna
niet te tornen. Maandagavond vroeg weg. Het
was nog pikkedonker. Zo rond 10 uur waren we
al in Lemmer. In die dagen moesten we nog
door de oude sluis, dus dwars door de stad,
net als in Harlingen en in Staveren. Dat
kostte, vergeleken met tegenwoordig, enorm
veel tijd. Vooral als we op de zeilen waren,
ging het erg moeilijk, want in de stad
zeilde het uiteraard erg slecht. Er moest
dan ook regelmatig gejaagd en geboomd
worden.
In Harlingen
was het helemaal vervelend. Als we daar
geschut waren kregen we de schuit bijna niet
meer de sluis uit. Dat kwam, doordat het
daar blijkbaar erg zoute water, zich
vermengde met het zoete en dat gaf een
geweldige stroming in het water. Als de wind
dan ook nog verkeerd stond, was het een
beulswerk om de sluis uit te komen. Dan
moest zelfs mijn tante bijspringen, en dat
kon ze. Als het moest dan stond ze haar
mannetje.
Deze
narigheden gingen nu aan ons voorbij omdat
we gesleept werden. Alles verliep boven
verwachting. Om half 12 stonden we al
buiten. De motorschipper werd betaald en
bedankt en daar gingen we. De weergoden
waren ons uiterst gunstig gezind. Er stond
een stevige bries uit het noordwesten, bijna
te hard dus precies goed.
We konden wel
wat wind hebben want met 100 ton lagen we
prachtig vlot. “We zetten het volle tuig er
maar bij Jan” zei oom, “dat kan hij wel
hebben”. Bij vol tuig voerden we een
grootzeil van 400 el, een flinke fok en een
kluiffok.
We voelden ons
schatrijk. Een prachtige wind, een mooi
vaarschip, een vette premie in het
verschiet, wat wou een mens eigenlijk nog
meer. Onze vreugde was des te groter omdat
de motor, die ons naar Lemmer had gesleept,
achter ons uit het zicht was verdwenen.
Zie je wel,
dat motorgedoe was maar niks. In de stad en
bij windstilte was het soms wel handig, maar
voor de rest koste het alleen maar veel geld
en olie. Bovendien ging zo’n schip
nauwelijks vooruit, dat kon je nu wel zien.

|
Niet alleen de rede van
Schokland, kon bij slecht weer
een veilig toevluchtsoord
bieden. Als de wind uit de goede
hoek kwam, vormde ook de
vissershaven "Emmeloord" van dit
eiland een veilige ligplaats. |
Om een uur of
7 waren we al voor de Oranjesluizen.
Schutten en ten anker op het Slik. Oom ging
meteen bellen voor een boot, want op de
Keulse Vaart sleepten we altijd in verband
met de bruggen.
Er waren in
die tijd twee sleepdiensten tussen Amsterdam
en Rotterdam, de “Groenbander” en de “Rooie
Ster” van Roelofs. Het liefst sleepten we
met de Groenbander want die had twee enorm
sterke boten van wel 35 pk, de “Urk” en de
Schokland. Dat was toen een fors vermogen en
dan schoot het lekker op. De volgende
ochtend om 6 uur nam de “Tollens” van de
Rooie Ster ons mee. We hingen derde lengte
achter twee lege kastjes. Alles leek wel mee
te lopen deze reis. De sluis bij Utrecht
stond open. We hoefden dus niet te schutten
en dat betekende tijdwinst.
Het was nog
vroeg toen we in Vreeswijk, aankwamen en ook
hier ging het voor de wind. Er was weinig
water op de rivier, dus geen dubbel
schutten. Dat scheelde uren want in geval
van dubbel schutten had de sluis nog maar de
halve capaciteit. Er werd dan met twee
kolken geschut, een benedenkolk en een
bovenkolk. Als je dan in de benedenkolk
geschut was, schoof de hele schutting op
naar de bovenkolk en dan schutte je nog een
keer. Een schutting duurde op die manier wel
4 tot 6 uur. Een andere meevaller was dat er
geen wijkboten voor de sluis lagen, want die
hebben altijd voorschutting. De Duitse
regering schijnt vroeger te hebben
meebetaald aan de aanleg van de Keulse Vaart
en daarom had de “Bovenvaart” het voorrecht
van voorschutting. Al met al, wij schoten zo
de sluis in.
Er lag nu nog
maar één hindernis op onze weg en dat was de
scheepjesbrug net beneden Vreeswijk. Dat
ding lag 3 à 400 meter beneden de uitloop
van de sluis. Als je in een sleep hing met 7
of 8 lengtes, dan kon de sleepboot in die
korte afstand niet voldoende snelheid
ontwikkelen om alle gesleepte schepen een
stuurgangetje te geven met als eventueel
gevolg dat de laatste lengte de brug ramde.
Om dit te voorkomen ging de sleep eerste in
zijn geheel bakboord uit tot alle lengtes op
stroom waren om vervolgens de hele sleep
door de brug te laten zakken. Daarna beneden
de brug weer kop voorop nemen. Al dat gedoe
kostte natuurlijk enorm veel tijd. Ook
hiervan hadden we geen last want we hingen
maar met z’n drieën achter de boot, dus
karren maar. Op naar Rotterdam…. 60 gulden
zeilersgeld. Als we even bedenken dat het
gemiddelde loon van een schippersknecht in
die dagen zo ongeveer 2 à 3 gulden per week
bedroeg dan is het eenvoudig voor te stellen
hoeveel geld dat wel niet was. Om 10 over
half 6 waren we in Rotterdam in de
Keilhaven.
Niet te
geloven. Oom Jan knapte zich enigszins op om
zich te gaan melden. 10 minuten later stond
hij al weer voor de “Noordster” met de
ontvanger van de lading. Die man wou
eenvoudigweg niet geloven dat we er al
waren. “U kunt hier nog niet zijn, want u
bent zaterdag pas uit Groningen vertrokken.
Met een motorschip zou het eventueel
mogelijk zijn, maar op de zeilen is het
onmogelijk”, schijnt hij tegen mijn oom te
hebben gezegd. Toen hij het enige en
overtuigende bewijs had gezien verklaarde
hij meteen dat hij zijn vrachten nooit meer
met motorschepen zou laten vervoeren. Die
vragen veel meer geld en ze zijn niks
sneller. Nee. Voor hem voortaan alleen maar
zeilschepen. We groeiden, bijna tot boven
onze 40-voets mast uit.

|
Een slepende tjalk, voor de
Petroleumhaven te Amsterdam. |
Vissen op haring en ansjovis.
Ons leven zat
vol afwisseling. We waren namelijk niet
alleen binnenschippers, nee, we waren ook
vissers. Begin maart probeerde oom Jan
altijd een reis hout naar Blokzijl te
bemachtigen. Daar was in die dagen een grote
houtstek. Als we de 30 tot 35 standaard hout
gelost hadden, voeren we door naar
Zwartsluis. Daar bij de werf van de Goede
lag onze 40-voets sloep en onze complete
visuitrusting. De “Noordster” diende dan
enkele maanden als woonhuis en opslagplaats.
En dan begon de jacht op de haring en later
in het jaar op de ansjovis.
Dat is echter
weer een verhaal op zich.
Ons leven zat
vol hoogtepunten en dieptepunten, meevallers
en tegenvallers. Toch moest er tussen alle
enerverende zaken door ook aandacht worden
besteed aan het onderhoud van het schip. Het
vormde niet het meest spectaculaire deel van
mijn werk, maar het moest ook gedaan worden.
Als het maar even mogelijk was iedere dag
dauwspoelen, dekken blank boenen, (ik
versleet bijna 3 bezems per jaar) buitenom
met de luiwagen, presennings repareren,
onder het berghout teren, luiken teren, roef
lakken en noem maar op. De Groningers in het
bijzonder waren meesters in het verven en
poetsen. Er werd zeker geen moeite gespaard
om de schepen er blinkend uit te laten zien.
Bij ons aan boord was het fraaiste en meest
bewerkbare stuk wel de spiegel. Dat was een
zogenaamde gekleurde spiegel, zogezegd het
visitekaartje aan de achterkant. Om die
spiegel mooi te krijgen moest hij eerst
helemaal worden afgebikt, daarna geschuurd
tot hij zo glad was als, nou ja, een
spiegel.
Vervolgens
werd hij in de menie gezet, om er daarna
weer een lichte ondergrond op aan te
brengen. Daar overheen kwam een donkere laag
die werd aangebracht met een daskwast of een
soort kam. Dit hele recept leverde dan een
gekleurde spiegel op, compleet met
houtvlammen op het ijzer.
Reis puin.
Met ruig weer
kon er natuurlijk niet geverfd worden. Dat
was wel eens een opluchting. Wat was er nou
mooier dan hard zeilen en als het even kon
harder dan een ander. Een van de mooiste
reizen die ik heb gemaakt is wel een reis
puin geweest van Utrecht naar Den Oever. Dat
was allerminst een “puinreis”. We waren in
Den Oever net leeg gekomen van een vracht
puin. Er kwam daar op kantoor een
telefoontje uit Utrecht. “We hebben hier
geen schip meer voor de wal, waar zitten ze
toch allemaal”, klonk het door de telefoon,
“weten niet meer waar we het puin moeten
laten”. Er werd in Utrecht een fors aantal
huizen gesloopt om een terrein vrij te maken
waarop het jaarbeursgebouw zou worden
gebouwd. “Of de “Noordster” maar wou
doorkomen” luidde de nogal dwingende vraag.
Dat wilden we wel. “Dit wordt een leuke klus
Jan, er staat een harde zuid-westen wind,
maar met ons “zeeschip” redden we het wel”
aldus oom. Het ging inderdaad prachtig.
Enkhuizen hadden we al gauw te pakken. Het
Krabbersgat konden we niet in een keer
bezeilen, dus moesten we een paar slagen
maken. Toen ontdekten we ook waarom er in
Utrecht geen schepen waren, want de hele
ploeg lag in de haven, verwaaid.

|
Bomend de stad door, in dit
geval door Sneek |
Nu is er voor
een verwaaid liggend schip niets zo
aanstekelijk al een voorbijvarende collega.
En voor een voorbijvarende schipper werkt
niets zo inspirerend als een verwaaid
liggende collega. Het duurde dan ook niet
lang of er kwam reuring in de haven. Er werd
over de luiken gerend, geschreeuwd, gehaast
en na korte tijd kwamen de eersten al achter
ons aan. Wat Jan Pilon kon, dat konden zij
ook. Nu werd het pas echt leuk. "Die zullen
we eens even laten zien wat zeilen is" zei
oom Jan en hij stuurde nog iets scherper en
keek nog eens kritisch naar het tuig of het
er wel strak bij stond. Toen we het
Krabbersgat royaal achter ons hadden, gingen
we over stuurboord, de Hoornse Bocht in. Het
ging bijzonder hard. “De tjalk naaide er
uit” zoals wij dat plachten te zeggen. Het
belangrijkste was niet meer die vracht puin,
nee, de eer was in het geding.
We waren op
alles voorbereid. De stuurtalie aan het
helmhout, de “koeplank” op het achterdek om
voldoende afzet te hebben bij het sturen.
Mijn tante
werd het niet gauw te bar, maar zoals het nu
ging vond ze toch wel een beetje
beangstigend. "Gaat het wel goed Jan, in de
roef is alles van zijn plaats geschoven"
vroeg en vertelde ze tegelijk. Alles ging
goed. Jan zijn vastberaden blik zei
voldoende waarom het goed ging. Toen we
achter Marken waren, in de Gouwzee, ging het
nog beter dan goed. Geen zeegang, veel wind
en ……. de achtervolgers in geen velden of
wegen te bekennen. Nu was het tijd om zeil
te minderen, al was het alleen al om mijn
tante een plezier te doen.
De volgende
dag waren we al bijtijds in Utrecht. Meteen
voor de wal en laden. Waar ze allemaal
bleven? Oom Jan mompelde zoiets van
“mooiweerschippers” die in Enkhuizen
verwaaid lagen”. Niet dat hij van zichzelf
wou zeggen dat hij een prima schipper was en
dat hij een uitstekend schip had, o nee,
maar eh …….
Weer een dag
later voeren we geladen, met een danig
afgenomen wind, richting Den Oever. Toen we
dwars van Marken waren kwamen we onze
puincollega’s tegen. Leeg. Ze hadden het
blijkbaar toch niet kunnen banken en waren
Hoorn binnengelopen. Wat een triomfantelijk
ogenblik. Ik vergeet het nooit, mijn hele
leven niet.
Uit: Spiegel der Zeilvaart (dec.
1977) Door Piet Laffra.
Home
|