Het dorp
Bantega van toen.
Door:
Lútsje van der Meer.

Foto van Tresoar: School te Bantega.
BANTEGA –
In dit
verhaal vertelt Lútsje van der Meer over het leven in
Bantega, toen zij jong was. Van der Meer woonde lang in
het dorp, maar is nu verhuisd naar Diever. De
herinneringen aan het dorp van toen zijn echter sterk en
die wil ze graag delen met de generatie van nu, zeker nu
Plaatselijke Belang Bantega 60 jaar bestaat.
In het dorp waar ik zestig jaar geleden geboren ben,
leefde het toen anders dan nu. Er was veel
verenigingsleven en er waren vele kleine middenstanders,
maar iedereen had een bestaan. Het was een hechte
gemeenschap en de sociale controle was er groot. De
bakker kwam drie keer in de week langs. Bijna alle
bewoners waren klant bij hem. Hij had een goed bestaan,
maar maakte ook vele uren per dag.’s Morgens was hij al
vroeg met zijn knecht aan het bakken en overdag werden
de waren bij de mensen thuisbezorgd. Hij fietste met een
grote korf voor op de fiets en een volle dubbele
fietstas achterop. Zomers was dat nog wel te doen, maar
in de herfst en winter was het soms slecht weer en
gladde wegen, hij had dan houden en keren om op de fiets
te blijven en reken maar dat het brood dan wel eens over
de weg vloog. Maar ach, wie zag het, en wie het zag
praatte er niet over. Met de witte schone doek die over
de korf lag veegde hij het wel weer schoon en de kapotte
koekjes kreeg hij wel weer aan de vrouw.
Overal hadden mensen en ondernemers vaste huisjes voor
de koffie en thee en ondanks het harde werken en de
lange dagen was het gezellig. Zo werden ook de nieuwtjes
verspreid in het dorp en gingen ze van mond tot mond.
Iedereen bekommerde zich om elkaar, men hielp waar
geholpen moest worden. Er werd niet gevraagd maar
gedaan. Er waren twee slagers in het dorp, één woonde
buiten het dorp de ander in het dorp De slager buiten
het dorp kwam soms met noodslachting bij de deur langs.
Dit was goedkoop vlees en dat paste de mensen wel.
Noodslachting was een koe die bijvoorbeeld melkzucht had
en niet meer overeind kon komen. Deze koe werd dan van
de boer gekocht en geslacht, zodat de boer toch nog wat
voor de koe kreeg. Kon er geen noodslachting meer gedaan
worden, dan werd de koe opgehaald en kreeg hij er niets
voor. Een grote strop dus voor de boer!
De slager in het
dorp woonde in een rijtjeshuis waar hij een schuurtje
achter had gebouwd waar het superschoon was. Hier werd
ook geslacht. De beesten kocht hij meestal bij de boeren
op het dorp, hij wist dan wat voor vlees hij in de kuip
had. Hij was ‘ s morgens in zijn witte kiel al vroeg op
pad. Hij nam de bestelling dan op en de volgende dag
bracht hij zijn vlees op de fiets met zijn slagerskorf
naar de mensen toe. Alles kon je bij hem krijgen. Ik
herinner mij dat mijn moeder altijd om het afval, zoals
een schapenkop of varkenskop vroeg die zij dan kookte en
waar dan nog veel vlees af kwam.
Hoofdkaas.
Zij maakte hier dan hoofdkaas van, wij smulden
ervan. Bief en karbonade waren voor de mensen met wat
meer geld in de beurs, zoals de dominee, schoolmeester
en de grote boeren. Groot boer werd je genoemd als je
meer dan twintig koeien had, had je minder dieren dan
was je klein boer. Met minder dan tien koeien noemden ze
je keuterboertje. Op zaterdag moest ik altijd naar de
slager om een ‘soepbonk’en vraag dan ook even of hij nog
afval heef, zei mijn moeder altijd. Soms had hij dan
sterke droge worst die hij niet aan iedereen kon
verkopen. Mijn moeder was er blij mee en ook hij was
blij dat iemand zijn afval kocht. Anders moest hij het
weggooien en op deze manier verdiende hij er ook nog wat
aan! Op deze wijze hielpen mensen elkaar
De soepbonk stond de hele zaterdag te trekken op de
kachel. Als de soep klaar was kon iedereen die aan de
deur kwam een bord soep krijgen en als de pan bijna leeg
was, werd hij weer gevuld met water en groenten uit
eigen tuin. Veel mensen hadden wel een stukje grond waar
hij zijn aardappels en groente op verbouwde. ‘Gezond en
onbespoten’ Je spoot de rupsen niet dood, maar zocht ze
er elke dag af en had je luis op het blad dan besproeide
je ze met een aftreksel van brandnetels. Overal hadden
ze wat voor! Op zondag als wij uit de kerk kwamen,
kregen wij koffie, met de heerlijke kapotte koeken die
mijn moeder voor een koopje van de bakker had gekocht.
En als het middag was kregen wij soep. Maar alleen op
zondag. Vaak kwam er ‘ s middags visite en dan werd er
getrakteerd op de sterke droge worst, waar wij allemaal
van smulden.
De kolenman, die tevens leedaanzegger was.
Er woonden drie kruideniers in het dorp, dus die
waren voor het uitzoeken. De meeste zochten toch die
kruidenier uit die bij hun kerk hoorde, of niet
kerkelijk gezind was. De mensen hadden allemaal een
boodschappenboekje, daar schreven ze hun boodschappen
in, het werd opgehaald door het winkelmeisje en een paar
dagen later opgehaald door de winkelknecht of de baas
zelf, in een bestelwagentje. Alles werd los verkocht;
suiker, zout, koffiebonen en thee werden gewogen en in
papieren puntzakjes gedaan. De melkboer kwam met zijn
brijkar langs, hij verkocht losse brij, melk en
karnemelk. Vaak hing er aan de melkboer zijn neus een
drup en je kon wel begrijpen waar die druppeltjes in
terecht kwamen, maar ach, wat niet weet wat niet deert.
Bij ons kreeg hij meestal koffie, hij had dan al een
hele dag gehad en als hij bij de warme kachel zat viel
hij wel eens even in slaap. Mijn moeder liet hem dan
lekker even slapen, als hij dan weer wakker werd, zei
hij: ,,Ik kon wel even geslapen hebben’’. Dat dutje had
hem goed gedaan, hij kon er weer tegen aan. Iedereen had
hart voor elkaar en men stond elkaar bij waar dat kon.
De kolenboer bracht je de kolen aan huis. Hij had een
bakfiets en de kolen stonden er in zakken op. Hij had de
bakfiets propvol en reken maar dat dit niet licht
fietste. De kolen bracht hij bij de mensen in het
kolenhok, hij was zo zwart als roet en kon zo voor
zwarte Piet spelen. Ook had hij nog een bijbaantje, als
zoveel mensen. Hij was bode van de begrafenisvereniging,
dit betekende dat hij, en zijn vrouw de overleden mensen
moesten afleggen en het verdrietige nieuws moest
vertellen bij de buren ‘Leedaanzegger’ noemde je dit.
Als kind was ik als de ‘dood‘ voor hem. In een groot
zwart pak met allemaal grote kwasten er op en een hoge
zwarte hoed kwam hij aan de deur. ‘Folk’ riep hij dan,
hij nam zijn hoed af en las dan de droeve mare voor. Op
de dag van de begrafenis werd de overledene met een baar
van huis gehaald. Een baar was een kar op wielen waar de
kist op stond, hier lag dan een zwart kleed overheen.
Meestal gebeurde dit rond twaalf uur, als wij uit school
kwamen. Daar kwam dan heel statig in de verte een zwarte
stoet dragers aan lopen. Mijn hart klopte in mijn keel.
Wij moesten dan van de fiets afstappen, en de jongens
moesten hun muts af doen. Wij stonden in de berm, met
daar om heen een sloot, het liefst zou ik er door heen
gaan. Vaak hadden mijn ouders het in de gaten en haalde
mijn vader me op. Vreselijk vond ik het en ik was dan
ook helemaal overstuur als ik thuis kwam. Die paar
minuten die ze ons voorbij gingen leken uren. De dragers
waren allemaal mensen van het dorp, vrijwilligers die
voor de dood even tijd namen.
In de kom van het dorp was elektrisch licht en
waterleiding, maar waar wij woonden niet. Wij hadden
petroleum lampen in huis en in de stal stonden
stormlantaarns, die kon je verplaatsen en mee naar
buiten nemen. De lampen moesten voorzien worden van
petroleum, daar had je speciaal de petroleumman voor. Je
bracht de lege busjes naar hem toe en nam de volle
busjes weer mee naar huis. In de zomer branden de lampen
nooit, want dan waren de koeien in het land en de mensen
gingen naar bed als het donker werd. Dit bespaarde
brandstof Alleen het petroleumstel gebruikte je zomers.
Je had een twee pitsstel om te koken en een een pitsstel
voor de koffie en thee. Daar tegenover stond, dat je ‘s
winters de kachel stookte en hier dan ook op kon koken.
In ieder geval stond op de kachel altijd een ketel
water, zodat je altijd warm water had. In de winter zat
je eerst een tijd te schemeren voor de lamp aan ging,
want hoe langer de lamp aan hoe meer geld het kostte.
‘s Avonds ging iedereen dan ook om half tien op bed.
Alle dagen werden de lampen overdag bijgevuld, want in
het donker, kon dit niet meer. Televisie hadden de
mensen niet. Ze moesten zich anders vermaken. Er werd
meestal wel gelezen, of men praatte met elkaar. Ook
luisterde je wel met elkaar naar een hoorspel op de
radio. Deze werkte op batterijen en daar moest je ook
weer zuinig mee omspringen. De radio was het middel om
dagelijkse berichten op af te luisteren. Zo wisten
mensen wat er elders in de wereld gebeurde. Ook kreeg je
de berichten door via de krant, die je meestal las met
de buren, anders was hij te duur. Iedereen geriefde
elkaar, het gaf een hechte band en je kon er met elkaar
tegenaan. Dit verlichtte het leven en gaf je plezier.
De postbode kwam alle dagen op de fiets langs, hij
bracht de post rond, maar hij nam ook de post mee terug.
Bij ons dronk hij dan meestal koffie en menig kaartje of
briefje werd dan nog even geschreven. Zo gaf je door aan
familie,vrienden of kennissen, dat je bij hen op visite
wilde komen, of schreef je een blijk van medeleven bij
ziekte, geboorte of overlijden. Radio, krant, post en
mond op mond vertellen waren de media in huis. Als het
slecht weer was, of de wegen bijna onbegaanbaar waren
door bevriezing of sneeuw, hielpen wij sommige postbodes
om de post rond te brengen in de uithoeken. Vaak moest
dit lopende gebeuren. Ze waren je er erg dankbaar voor,
want het scheelde hen zo een uurtje.
Op het dorp hadden we ook een klein winkeltje van
ongeveer twee bij twee meter. Er was van alles te koop
bij ‘Kekke‘. Menigeen kocht er een cadeautje voor een
verjaardag. Het was erg verleidelijk om iets te kopen en
Kekke kon haar waar goed aan de man brengen, het was er
gezellig in het winkeltje, al brak je bijna de benen
over de kopjes en schoteltjes. Je hoefde maar een
verkeerde beweging te maken, of alles ging om, maar
Kekke kon er blindelings door heen lopen. Haar man was
fietsenmaker, in een klein schuurtje achter de winkel
maakte hij de fietsen. Met sinterklaas was er altijd
sjoelen in dat kleine schuurtje, iedereen kwam daar naar
toe. Het was het vertier op het dorp. Bovendien kon je
er ook nog prijzen winnen, zoals vlees en banket. Dit
paste de mensen wel, want een extraatje kon iedereen wel
gebruiken.
Er waren twee kerken op het dorp, een Nederlands.
Hervormde kerk en een Vrij Evangelische kerk. Hoorde je
bij een andere kerk, dan moest je een dorp verderop. Al
ging het gemoedelijk toe in het dorp, op zondag koos je
wel voor je eigen geloof en ging je zeker naar een ander
dorp voor je kerk. Ook was er een openbare en een
christelijke school. Al vernam je niet zo de strijd
tussen deze beide scholen, toch kwam ieder voor zijn
eigen school op.
In het dorp was ook een manufacturen winkeltje. Er was
linnengoed en ondergoed te koop, maar ook elastiek,
knopen en spelden, ja alles was er eigenlijk
verkrijgbaar. Je kon er ook vloerbedekking en gordijnen
kopen. De winkel was er voor de vrouw, en het leggen van
de vloerbedekking en het ophangen van de gordijnen voor
de man. In feite kon je alles in het dorp krijgen en dit
was maar goed ook. De meeste mensen hadden zelf geen
auto, en openbaar vervoer was er niet in ons dorp,
behalve een keer in de week op dinsdagmorgen. ’s
Ochtends vroeg vertrok de bus dan uit het dorp naar de
veemarkt in de stad Sneek. Veel boeren gingen daar naar
toe, maar ook veel vrouwen maakten van de gelegenheid
gebruik om te winkelen in de stad. ‘s Middags om één uur
was de bus dan weer terug in Bantega en kwamen de
vrouwen gepakt en bezakt weer thuis. Dit kon natuurlijk
niet iedere week, want daar was geen geld voor.
Bantega was rijk aan verenigingen, waaronder de
muziekvereniging ‘Harmonie’ Het muziekkorps stond
centraal in het dorp. De repetitieavond op woensdag was
een van de mooiste avonden van de week voor mij. De
muziek was mooi! Maar je ging als kind ook laat naar bed
en dat is natuurlijk altijd feest! Omdat het een
christelijke muziekvereniging was, werd de
repetitieavond in de christelijke school gehouden.
Concerten werden in de muziektent gehouden, dit was een
open tent op houten poten en een houten dak erboven. Je
zat een eindje van de grond en moest hem met een vast
trapje beklimmen. De tent stond op het erf van de
rijkste boer van het dorp. De jaarlijkse
muziekuitvoering was daarnaast in het plaatselijke café.
Voor de pauze was het muzikale gedeelte en na de pauze
voerden eigen leden van het korps een toneelstuk op. Dit
waren de weinige uitjes in het dorp en dus was bijna
iedereen van de partij.
Eens in het jaar was er concours. Het hele dorp leefde
dan mee, en stond ons op te wachten. Hadden we een
eerste prijs dan gaven wij een toegift in de muziektent.
Daar werd dan natuurlijk de feestmars gespeeld.
Enkelingen hadden wel eens een borreltje te veel
genuttigd, maar dat kon de feestpret niet drukken. Al
waren de noten dan wel eens wat vals, de eerste prijs
konden ze ons niet meer af pakken. De dirigent kwam uit
een ander dorp , zo’n twintig kilometer verderop. Hij
kwam op de brommer en had een grote leren jas aan in de
winter, en zo’n ouderwetse witte helm op. Maar het weer
kon nog zo slecht zijn, hij was altijd van de partij.
Hij had geen opleiding genoten, maar was zeer muzikaal.
In zijn dagelijkse werk was hij landbouwer. Daardoor was
de muziek een kleine bijverdienste, zoals dit bij veel
mensen het geval was. De houtkachel brandde in de winter
‘s avonds in het lokaal, de handen werden eerst gewarmd
en de spullen lagen te drogen bij de kachel. Soms waren
de ventielen van de instrumenten bevroren en wilden ze
niet op en neer. Dit kon trouwens ook komen door het
weinige oefenen. In dat geval werden ze dan
uitgetrokken, een beetje speeksel er op en ze deden het
weer. Aan de toon hoorde je ook dat er geoefend werd,
want hoe meer je oefende hoe mooier de klank in het
instrument. De dirigent zat ons goed achter de broek,
zeker voor een concours. Er waren dan ook extra
repetities, maar men had het er graag voor over.
De liefde.
Veel mensen leerden op het dorp, of een dorp
verderop, hun ‘grote liefde’ kennen. De verliefdheid
ontstond meestal op school, binnen de vereniging, in de
kerk, of het was je buurjongen of buurmeisje. Er was in
de kern van het dorp een ontmoetingsplaats waar de
jongeren op de fiets naar toe gingen. Hier is menig
liefdespaar ontstaan. Men trouwde dan ook vaak met
elkaar. Of het altijd liefde bleef, is de vraag. Mensen
bleven ook vaak bij elkaar omdat het zo hoorde en ze hun
ouders geen pijn wilden doen. Want scheiden was een
grote schande voor de familie. En zoals ik al eerder
schreef, de sociale controle was er groot. De meeste
mensen kenden elkaar van haver tot gort. De ouders
stemden dan ook vaak wel in met de partnerkeuze van hun
kind, want ze kwamen meestal uit hetzelfde milieu. De
normen en waarden die jij meebracht telden ook voor jouw
vriend of vriendin. Dit gaf de meeste een veilig gevoel.
Velen bleven in het dorp wonen en hadden hier ook hun
werk. Maar als je verder wilde kijken dan je neus lang
was, verliet je het dorp. Bijvoorbeeld als je ging
studeren in de grote stad.
Toch was dit een
uitzondering, vooral mensen met de dikke beurs konden
zich dat veroorloven. Hadden ouders geen geld en gunden
ze het hun kinderen om te studeren, dan moesten zij er
krom voor liggen om het geld bij elkaar te krijgen. Toch
gebeurde het omdat de ouders hun kinderen een beter
leven toewensten dan ze zelf hadden gehad. Mijn oudste
broer ging toen hij zeventien was naar de stad om te
studeren. Hij moest toen in een kosthuis. Mijn moeder
lag ‘s nachts wakker van het feit dat zij het kostgeld
‘vijftien gulden’ in de week haast niet kon betalen. Ze
moest zich er dan ook veel voor ontzeggen. In de
vakanties van school moesten ook wij meehelpen om centen
te verdienen, zowel thuis als bij een ander. Al het geld
kwam in één pot en dat gold in de meeste huishoudens.
Toch was het gezellig en voelden wij niet de zorgen die
onze ouders hadden. Het dorp Bantega is veranderd, net
als zovele dorpen, het kleine is groot geworden. De
kleine winkeltjes zijn er niet meer en de kleine
arbeiderswoningen zijn verruild voor recreatie. Bij elke
boerderij is een loopstal gebouwd. De families zijn
verhuisd naar een ander dorp of stad. En de stadsmensen
komen in het weekend of permanent naar hun
vakantiehuisje op het dorp. De rollen zijn nu omgekeerd
de mensen van het dorp gaan naar de stad en de mensen
van de stad gaan naar het dorp. De nostalgie van toen
is er niet meer, althans ik vind het er niet meer. Met
het schrijven van dit verhaal, herbeleefde ik weer even
een stukje van mijn jeugd. Vaak romantiseer je dit, want
nu ik zelf de leeftijd heb van mijn ouders toen, zie ik
dat het voor de mensen toen niet altijd gemakkelijk is
geweest.
Zij moesten roeien met de riemen die zij
hadden. De tijden zijn veranderd en gelukkig vaak ten
goede. Die armoede van toen is er niet meer. Wel denk ik
dat er geestelijk meer armoede is, mensen verdiepen zich
minder in de problemen van de ander. De maatschappij is
meer op zichzelf gericht. Het is meer een ‘Ik’
maatschappij geworden. Zolang je je zelf kunt redden
gaat het goed, maar als je de ander nodig hebt is hij
vaak niet thuis, of heeft hij geen tijd! Al zijn er
natuurlijk nog heel veel mensen die er wel voor de ander
zijn en dat zal hopelijk altijd zo blijven. Als
volwassene romantiseer je vaak je kinderjaren. Je hoefde
toen nog niet zo’n verantwoording te dragen, al werd het
je wel bijgebracht en je was nog zonder zorgen! Het
blijft altijd die goede oude tijd. Misschien schrijven
mijn kinderen later ook weer over die goede oude tijd.
Zo blijft men de geschiedenis altijd door vertellen, en
zullen wij altijd blijven leren van elkaar, van geslacht
tot geslacht. Zo wordt het oude weer nieuw en het nieuwe
weer oud en herkennen wij ons weer in onze ouders en
grootouders. Want de appel valt meestal niet zo ver van
de boom! De verandering in de tijden en het terug komen
ervan, geeft de spirit in het leven en kent er een
waarde aan toe.

1946: De christelijke school in Echten
Polder. Echten Polder, werd een half jaar later Bantega.
Lútsje en Date (anderhalf jaar)

Mei 1950: Lútsje (rechts) en Date (3 jaar)

De christelijke muziekvereniging 'Bantega'.

Vader Van der Meer, voorzitter van de muziekvereniging.

Bakker Bijstra en slager Bosscha.

Bakkerij Bijstra.
▼


Manufacturen- en kruidenierswinkel.

Hervormde kerk en pastorie.

Huisjes aan de Bandsloot.

Foto van Tresoar:
Huisjes aan de Bandsloot.

'Kekke' van het winkeltje.

Het bestuur van de Oranjevereniging.

Volgens zeggen de rijkste boer van Bantega.

Vrouwenvereniging van de Hervormde Kerk.

Lútsje 60 jaar... en nog steeds spelend.
Home
|