|
Mannen van
Sliedrecht.
|
1 | 2
| 3 |

Inleiding
1910.
Op 1 januari 1910 besluiten drie Sliedrechtse
baggeraars, de heren Joh. Kraaijeveld, E. van
Noordenne en G.J. Bos te gaan samenwerken onder de
naam Fa. Kraaijeveld en van Noordenne. Hun materieel
bestaat uit 3 baggermolens, 1 bakkenzuiger, 1
elevator plus enkele sleepboten en bakken. Drie jaar
later treedt de heer W. Bos toe als firmant.
De 2e generatie.
Het bedrijf ontwikkelt zich voorspoedig. In de
periode 1917-1920 komt een jongere generatie
familieleden van de oprichters haar opwachting
maken: de heren W. Kalis (1917), J. Bos (1918), J.
van Hemert (1919), J.J. Kalis (1920) en E.D. Kalis
(1928). Na het uittreden van de heer E. van
Noordenne in 1924 wordt de naam veranderd in Fa.
Joh. Kraaijeveld. Een jaar later vangen de eerste
baggerwerkzaamheden in het buitenland aan: België,
Duitsland en Spanje.
Jaren '20.
In 1928 richt de Fa. Joh. Kraaijeveld met een andere
firma de M.A.Z. op. Deze Maatschappij tot Aanneming
van Zuiderzeewerken voert vele opdrachten uit voor
de inpoldering van de Nederlandse binnenzee.
Werken waar Volker, in de beginjaren bij betrokken
was, waren de aanleg van kribben en strekdammen in
de rivier de Merwede. Het onderhoud van het Voorns
Kanaal werd uitgevoerd met een handbaggermolen. Bij
de onderhoudswerkzaamheden van het Kanaal door
Zuid-Beveland werd in 1864 gebruik gemaakt van een
stoombaggermolen. In 1866 werd gewerkt aan de
peilers van de spoorbrug over het Hollands Diep. In
latere tijden waren het Noordzeekanaal en de Nieuwe
Waterweg grote klussen die aangepakt werden.
Baggerdorp.
Langzamerhand concentreerde de Sliedrechtse
aannemerij zich in een paar bedrijven. Het benodigde
kapitaal om de werken aan te pakken was hiertoe de
noodzaak. Sliedrecht werd bekend in binnen- en
buitenland als hèt baggerdorp. In het baggerwerk was
goed te verdienen, maar de offers die men moest
brengen waren ook groot. Lange dagen maken! Lange
tijd van huis! Zelden thuis bij moeder de vrouw…!
bron:
Geschiedens
Sliedrecht 15

De arbeiders van Sliedrecht.
K.Norel: 1949
In de gang werd
"Volk!" geroepen. Lies was aan de bedden bezig; Dirk
liep daarom naar de deur. Hij dacht dat het de
melkboer was. Doch daar stond Evert Baan. "Ik zoek
een oude kennis op," zei die. Dirk schrok, maar hij
herstelde zich aanstonds. "Kom binnen," noodde hij
en hij schoof de bak met aardappels opzij.
Ze praatten over het werk te Iquique, terwijl Lies,
die de bedden in de steek gelaten had, zich haastte
koffie te zetten. En Dirk verweet zich, dat hij Baan
onvriendelijk had beoordeeld, ofschoon het hem toch
nog zeer deed dat hij gepasseerd was.
"Hoe oud ben je eigenlijk?" vroeg Baan op een
gegeven ogenblik.
Dirk liet hem raden en hij zei: "Even zestig." Toen
groeide Dirk, want hij was niet ver van de zeventig,
maar des te meer bevreemdde het hem, dat Baan hem
gisteren niet gevraagd had. "Ik heb werk voor je."
Het verraste Dirk,
maar tevens voelde hij zich geraakt. "Zo, wou het
nergens lukken en ben ik nu goed?"
Even fronste Baan het voorhoofd; hij begreep die
vraag niet. "Je hebt ze gister allemaal gevraagd,
behalve mij," zei Dirk..
Toen werd het Evert duidelijk. "Dacht je dat ik je
niet hebben wou als zuigbaas? Neen, alleen voor Dirk
Punt is wat anders weggelegd. Onderbaas bij de
Zuiderzeewerken zou ik je willen maken! Een twintig
schepen krijg je onder je."
Dirk zette zich
rechter op zijn stoel. Een glimlach vleugde langs
zijn snor.
Hij was niet uitgeteld. Hij werd nog voor vol
aangezien. Bij de Zuiderzeewerken wilden ze hem
hebben. Twintig schepen, van die grote schepen, die
bij de afsluitdijk gebezigd werden, zou hij mogen
leiden!
Zijn blik trof die van Lies. Hij las er spanning in.
Ze scheen bang te wezen dat hij weg zou gaan. Ze
hoefde niet te vrezen. Hij liet haar niet alleen.
Dat hij gevraagd was, was hem reeds voldoende. ,,Ik
vind het heel mooi dat u mij dit aanbiedt," zei hij
tegen Baan, "maar ik vind dat het welletjes geweest
is. Haast zestig jaar heb ik gezwalkt; het wordt nu
tijd van rusten, zou ik zeggen."
"Een man, die nog zo flink is, moet die rusten?" Het
streelde Dirk, maar het bracht hem niet van zijn
besluit.
"Je kunt een heel goed loon verdienen, "pleitte
Baan. Zo'n argument had altijd zwaar gewogen, zowel
voor Lies als voor Dirk.
Maar ditmaal had het geen effect. "Wij hangen niet
aan het aardse slijk," zei hij, een Lies knikte
instemmend.
,,Het is een prachtig werk", hield Baan aan. "Je
hield altijd van grote werken. Dit is het grootste
waterwerk ter wereld. Net wat voor jou om er aan mee
te doen."
Er ging iets
tintelen in Dirk's ogen. Het was een prachtig werk,
de afsluiting van de Zuiderzee. Een twintig jaar
geleden leek het zelfs aan ervaren waterwerkers
onmogelijk, dat een dijk dwars door de zee gelegd
kon worden. En nog waren er, die een zwaar hoofd
hadden in het bedwingen van de gaten.
"We komen nu aan het moeilijkste en mooiste toe,
daarvoor hebben we een man als jij bent nodig" zei
Baan om hem te meer te ambiëren. Doch Dirk schudde
het hoofd. "Neen," zei hij, "neen, hoe mooi het ook
is,
hoe graag ik daar zou willen werken, ik laat mijn
vrouw niet meer alleen."
"Maar dat is niet nodig'" riep Evert Baan uit. "Zij
kan mee, een woonark is op Wieringen beschikbaar.
Iedere avond ben je thuis" Toen keek Dirk vragend
naar zijn vrouw.
Lies draaide op
haar stoel. Ze had een hoge kleur en keek strak op,
de bak met aardappelen, die zij op haar schoot
genomen had, nadat Dirk hem had weggezet.
Zenuwachtig speelde ze met het mesje. Dirk wist wel
wat er schortte. Hij had de hele wereld rond
gezworven, maar zij was nooit of bijna nooit uit het
dorp vandaan geweest. De wereld buiten Sliedrecht
was haar vreemd. Ze was gehecht aan haar dorp, haar
straat, haar huisje. Ze zou zich niet thuis voelen
op Wieringen. Haar kinderen en kleinkinderen zou ze
er missen. Hij mocht niet van haar vergen, dat zij
met hem meetrok, begreep Dirk.
"Mijnheer Baan, ik
dank u voor het vererend aanbod, maar ik kan het
niet doen," zei hij. . . "Is de fut er zo uit?"
"Neen, neen, wat dat aangaat...... "Wat is de reden
dan?"
Dirk zocht naar een antwoord, maar hij kon het niet
vinden, omdat hij weigerde de ware reden te zeggen.
Hij wiste zich het zweet van het voorhoofd, ofschoon
het volstrekt niet warm was.
"Man, doe het!" zei Lies toen. Verbaasd keek hij
haar aan. "Maar jij. . . ." begon hij. "Ik mag
immers met je mee. Hoe kan het mooier?" "Ik,dacht.
.. het dorp. . . . jij. . . Hij hakkelde maar wat.
Baan lachte. "Je mag, Dirk Punt; het is in orde.
Maar ik had niet gedacht dat jij zo'n pantoffelheld
geworden was op je oude dag." .
"Meneer. . . ." wou Lies gaan protesteren. "Daarmee
wil ik niets tot uw nadeel zeggen," onderbrak Baan
haar lachend. "Uw man" "Mijn man is een beste man,
en tussen ons beiden is het helemaal in orde."
"Geen haar op mijn hoofd, dat daaraan twijfelt" riep
Baan uit.

Foto van
JH van Mastenbroek -Datering
24 november 1931. Werkzaamheden bij het sluitgat van
de Middelgronden in de Afsluitdijk. De Middelgronden
was naast het Gaatje, de Vlieter en de Blinde Geul
-één van de vier sluitgaten die gedicht moest
worden- Vermoedelijk no 78 of 79 van de 93, door de
Weduwe van Van Mastenbroek aan de Staat geschonken
Zuiderzeewerken. De voorwaarde van de schenking was
dat de schilderijen bij elkaar zouden blijven.
BLINDE GEUL EN MIDDELGRONDEN.
(De
Blinde Geul was naast het Gaatje, de Vlieter en de
Middelgronden één van de vier sluitgaten die bij de
aanleg van de Afsluitdijk gedicht moest worden.)
Een vrachtauto reed Dirk met vrouw en huisraad van
Sliedrecht naar Den Oever, en daalde daar van het
hoge land af in de diepte.
Zijn woonark lag in een kanaal, gegraven in het
nieuwe land, pas uit het water opgerezen. De avond
van zijn aankomst keek Dirk over de Wieringermeer.
Woest en ledig was dit nieuwe land, zoals de aarde
was toen God haar schiep. Doch grasscheutjes schoten
reeds op, een groen waas gevend over de grijze
vlakte. Er vlogen vogels boven het lege land en in
de verte zag Dirk een haas over de vlakte rennen.
Dit brok aarde, dat wat verlaat geschapen was,
ontwikkelde zich met gras en kruid, met vogels en
vee, in dezelfde orde als eenmaal de aarde in de
scheppingsweek.
Met
dit verschil dat thans de mens niet het laatst, maar
het eerst gekomen was, dat hier mensen scheiding
hadden gebracht tussen de wateren en het droge,
zoals eens God het deed. En deze mensen waren
Sliedrechters. Toen Dirk tot zover doordacht, legde
hij zichzelf het zwijgen op. Een mens mag zichzelf
niet Gode even gelijk maken.
Hij had trouwens geen tijd voor peinzen. Het werk
riep. Elke morgen moest hij vroeg uit de veren en
dan met een sleepboot de haven van Den Oever uit, om
bij de schepen langs te gaan.
Het scheen wel dat de ganse Nederlandse baggervloot
geconcentreerd was bij de afsluitdijk, dat alle
waterwerkers, eens uitgezwermd naar de uithoeken de
wereld, hier waren samengestroomd. Vele zuigers
zogen zand en stortten dat in bakken of persten het
op de dijk; kolossale baggermolens scheurden keileem
uit de bodem van de Zuiderzee.
Sleepboten ploegden de golven en trokken zwaar
geladen onderlossers en oplossers achter zich aan.
Alle, uitvindingen van Jan Baan, in menig opzicht
nog verbeterd, waren hier bijeengebracht en in
dienst gesteld van de onderneming, die voor het
eerst in de geschiedenis der wereld een zee tot land
ging maken.
Doch het leek wel of er in plaats van een groots
nationaal werk, dom monnikenwerk verricht werd. In
zee werd gebaggerd en gezogen en in zee klapten de
onderlossers, en na de onderlossers klapten de
oplossers op dezelfde plaats, en na de oplossers de
drijvende kranen, wier grote pijpers als
monsterlijke muilen in volle bakken beten en tonnen
keileem tegelijk in zee spuwden.
Eindelijk echter vertoonde zich het resultaat van
deze schijnbaar redeloze arbeid. Een smalle richel
van grijs leem kwam uit het water op. En evenwijdig
aan die richel, tweehonderd meter verder, waar
andere kranen schijnbaar even redeloos met keileem
hadden gemorst, kwam ook zo'n richel. Twee, smalle
keileemdijkjes rezen op uit zee, als waren het kaden
van een breed kanaal. En aan de buitenzijde van die
kaden ankerden bakkenzuigers en over de kaden heen
werden persleidingen gelegd.
De
zuigers lieten hun zuigbuis zakken in de langszij
gemeerde bakken. Zij spoten water in die bakken en
zogen zand en water er uit op. Het was of een
leviathan vreten ging. In enkele minuten had hij een
200-tons bak leeg geschrokt. Het monster tastte met
zijn slurf nog eens in de ijzeren schotel rond om de
restjes in te slokken en zwaaide dan de slurf omhoog
om haar te steken, in de volgende volle bak en diens
lading even gulzig te verslinden.
Het
ging als bij het paard van Don Quichotte. Aan het
einde van de persleiding verdween alles wat de
leviathan ingeslokt had tussen de smalle
keileemdijken. Modderige fonteinen bruisten daar.
Het water vloeide weg. Doch het zand bleef liggen.
Geen monnikenwerk, geen Don Quichotterie.
Het
lichaam van de afsluitdijk groeide tussen de beide
keileemwanden. Ruw en bonkig was die dijk van zand
en leem en weerloos tegen sterke stormen. Maar
heirlegers van polderjongens met lieslaarzen aan en
schoppen in de vuist, krioelden weldra op de dijk en
maakten vlak wat bonkig was. En achter de gravers
kwamen de vlechters van de kram-mat, die het
dijktalud een glad beloop bezorgden. En daarachter
kwamen de steenzetters, die met blokken basalt van
centenaars-gewicht omsprongen als een knaap met
knikkers. Midden in het bruisend water werd een dijk
gelegd van hard basalt.
Doch
het waren nog slechts brokken dijk, gelegd in ondiep
water op de platen van het Wad, waar weinig stroom
liep. Omvangrijk was dat werk de dijk was lang en
zwaar maar voor ervaren waterwerkers, beschikkend
over zoveel en zulk uitstekend materieel als hier
aanwezig, was het niet moeilijk. Elk dijkvak was
opgeleverd op de tijd in het bestek bepaald. Het
werk liep zo geregeld als een klok.
Thans was men aan de geulen toe. Daar was het diep
en daar liep de stroom, krachtiger en feller
naarmate de gaten nauwer werden. Vloed en eb wilden
de Zuiderzee in en uit, zoals ze dat sinds eeuwen
dagelijks tweemaal deden, maar in plaats van de
volle ruimte tussen Friesland en Noord-Holland,
hadden zij daarvoor thans slechts de allengs nauwer
wordende gaten.
Het
was als bij een rivier, die eerst haar uiterwaarden
heeft verloren en wier stroombed daarna al nauwer
toegeknepen wordt. Door het smalle bed wringt zich
de stroom dan met te groter kracht. Hier joeg het
getij door de Blinde Geul, de Vlieter en de
Middelgronden. En toen begonnen werd de Blinde Geul
te knijpen, werd de zee wild en schuurde in de
diepte weg, wat haar in de breedte werd ontnomen.
Dieper en dieper werd de geul door het jagend water
en woest rukte de stroom aan de dijkkoppen, die hem
de doorgang stremmen wilden.
Het
was bij dit werk dat Evert Baan, Dirk Punt geplaatst
had. Hij had te zorgen dat er voldoende zand en
keileem bij het sluitgat kwam en moest toezien, dat
dit werd gebracht door onderlossers, oplossers of in
gesloten bakken, die door de kranen en de zuigers
werden leeggemaakt.
Met de baggermolens en profielzuigers had Dirk niet
zoveel van doen. Die lagen op de keileembanken en
zandplaten en draaiden toujours kalm hun toeren.
Bij het sluitgat was veel meer te stellen. Daar
kwamen al de volle bakken op een hoop, daar zwaaiden
de drijvende kranen, hun lange armen heen en weer en
smeten zij hun lading op de koppen van de dijken,
daar werden telkens nieuwe zinkstukken tot zinken
gebracht. En de zee werd daar steeds woester,
naarmate de geul nauwer werd.
Met
het tot zinken brengen van de zinkstukken had Dirk
niet te maken.
Dat was het werk van de oude Werkendammer zinkbaas,
de Bokking zogezeid, die feilloos zeker de seconde
kende, waarop bij de kentering van tij de
bovenstroom was uitgewerkt en de onderstroom nog net
niet was begonnen, en die op dat moment het zware en
grote vlot van rijshout, gevlochten door zijn
Werkendammers, naar de bodem van het sluitgat
stenigde. Maar als dat fundament er eenmaal lag, dan
was het Dirk z'n taak basalt te storten met zulk een
snelheid en tot zo'n gewicht, dat de stroom het
zinkstuk niet weer als een vloermat kon oprollen.

Op
zijn sleepboot in het sluitgat kruisend, wees hij
iedere bak basalt de plaats aan, waar de lading
uitgeworpen moest worden, en had de rijsmat één tij
stand gehouden, dan kon er keileem op. Dirk liet de
onderlossers komen, dozijnen tegelijk en hij
dirigeerde ze gelijk een admiraal zijn vloot.
Hij peilde dagelijks hoeveel de onderzeese dam
gerezen was. Dikwijls was het bitter weinig, soms
niets. Tegen één bak, die hield, stonden dikwijls
drie, vier ladingen, die werden weggespoeld. Tijdens
springtij ging in één dag de vordering van een
gehele week verloren. Bij doodtij schoot men
daarentegen vaak verrassend op.
Terwijl de onderlossers de diepe geul opvulden in
het midden van het gat, werkten de drijvende kranen
aan de koppen van de dijken. Hun grote grijpers
hapten in de volle bakken en spogen tonnen keileem
in het schuimend water. De dam rees. Een brokkelige
dijkkop kwam boven water uit.
De stroom schuimde en kolkte er om heen. Op het
felst van het tij rukte hij telkens brokken weg.
Maar onverstoord werkten de grijpers voort, hapten
de bekken, zwaaiden de lange armen, plofte het harde
keileem op de dijkkop.
Dirk ging op in dit werk. Er zat muziek in, meer dan
in enig karwei, dat hij tevoren had verricht. Het
was inspannend. Het leverde veel tegenslagen op. Het
gaf kopzorg aan de man, die al het materieel bij het
sluitgat van de Blinde Geul moest leiden. Soms liep
zijn hoofd hem om. Soms was hij dodelijk vermoeid en
dat verbaasde hem, want het werk, dat hij thans
deed, vergde niet veel lichamelijke inspanning, en
vroeger was hij nooit vermoeid geweest. Als het er
om spande het één op het ander te laten aansluiten,
of als het niet liep zoals het lopen moest, tastte
hij naar zijn hart. De pijn, die hem in Chili had
geplaagd, kwam af en toe terug, ofschoon niet in
erge mate.
Doch
als hij 's avonds van de sleepboot stapte en van het
hoge land van Wieringen afdaalde, om naar de woonark
in het kanaal te gaan, dacht Dirk niet meer aan
moeheid of aan pijn. Hij ging naar huis, naar Lies.
Dit was voor het eerst in al de lange jaren van zijn
werken buitenaf, dat hij des avonds naar zijn vrouw
ging. Ze zag hem altijd komen. Soms lichtte ze het
gordijntje van het raam, waarachter ze zat. Soms
stond ze in de deur of op de loopplank hem op te
wachten. Het gebeurde wel op mooie zomeravonden, dat
ze hem tegemoet liep tot Den Oever. De tafel was
gedekt, wanneer hij thuiskwam, het maal stond klaar.
Lies kookte een pot, waarbij de beste kok, die hij
ooit op een schip gehad had, het niet kon halen, om
niet te spreken van de ratjetoe, die negerkoks in
Zuid-Amerika hem hadden voorgezet.

Rechts een aantal keten, wat door de werklieden werd
bewoond, hier te Cornwerderzand.
En hoe
goed was het te rusten na gedane arbeid in je eigen
leunstoel in het pronte en gezellige vertrek, dat
Lies op de ark tot huiskamer had ingericht. Dan
sloot hij soms z'n ogen, om de dag aan zijn geest
voorbij te laten gaan.
En als het dan een warreling werd van schepen en
kranen en molens, van zwaaiende armen en grijpers
met gesperde muilen, van knerpende kamraderen en
dokkerende baggeremmers, van zwarte rook en Witte
stoom, dan opende hij zijn ogen weer en zag zijn
eigen woning en zijn eigen vrouw, die koffie voor
hem schonk of thee. Hier was de rust te midden van
het ingespannen werken. "Ben je wat moe?" vroeg zij
wel eens. "Een beetje," zei hij daarop. "Ik ben geen
dertig meer." Ze maakten er een gewoonte van om
vroeg naar bed te gaan. En na een goede nachtrust
was hij des morgens altijd fit. Dat hij soms pijn
had in de hartstreek, verzweeg hij voor zijn vrouw.

De
Blinde Geul was tot een nauwe sleuf verengd.
Onderlossers en oplossers hadden hun werk gedaan.
Voor de drijvende kranen was weggelegd het gat te
sluiten.
Dirk Punt had tot dusver niet veel gewerkt met
kranen. Op de werken, die hij had meegemaakt, waren
ze maar zelden nodig. In het algemeen waren ze bij
havenwerken en bij het graven van kanalen niet veel
gebruikt geweest. Hier waren zij onmisbaar voor het
sluiten van de gaten van een dijk, die in brokken
was gemaakt en wiens vakken thans, als een legkaart
moesten worden aan elkaar gepast. En omdat ze nodig
waren, waren de kranen er, sterk, groot, goed
hanteerbaar. Zo was het altijd nog gegaan bij de
waterwerken. De noodzaak had de werktuigen
geschapen. De klepschouw was er toen er vele havens
moesten worden uitgebaggerd, de baggermolen bij het
kanaal in Zeeland; de hopperzuiger voor de Waterweg.
En nu
de afsluitdijk gelegd moest worden, waren er de
kranen, al was Jan Baan dan dood. Het hing niet aan
een man dat uitgevonden werd wat nodig was voor
nieuwe werken, zomin als het aan een man hing, dat
groot werk werd verricht. Lely had heel zijn leven
voor de droogmaking, van de Zuiderzee gevochten; al
het andere wat hij, deed, zelfs zijn herhaald
ministerschap, moest daartoe dienen. Hij stierf
voordat de dijk verrees. Het deerde niet, de dijk
kwam toch tot stand.
Baan dood en Lely dood, vóór het grootste waterwerk
voltooid was. Aan Dirk drong zich allengs sterker de
gedachte op, dat hij ook zou sterven, vóór de dijk
er lag. Die gedachte bekommerde hem niet. Het had
zelfs een zekere bekoring voor hem, in het zaal te
sterven.

Hier worden door een kraan de zware basaltstenen
gelost.
Vier
kranen lagen aan de beide koppen van de dijken bij
het sluitgat. Plompe schepen waren het, vierkanter
dan een baggermalen. Met zware palen, die daar ronde
gaten dwars door het schip van boven naar beneden
liepen, waren zij vastgenageld aan de bodem, waar ze
boven dreven. Op elke ponton stond een ijzeren huis,
dat draaien kan op de wijze van de lig-tent van een
teringlijder. Het huis had een forse schoorsteen ten
behoeve van de ketel van de stoommachine, die er
binnen stond; het had ook een lange ijzeren arm, die
hoog in de lucht stak, aan welks uiteinden de
grijper met zijn kolossale bek hing, en bij welks
elleboog zich een duiventil bevond. Het was van deze
duiventil uit dat, de kraan werd geregeerd. De man
in dat hokje trok aan een stok en de grijper
tuimelde met apen bek in een bak met keileem. Hij
bewoog een andere stok en de grijper vrat zich, al
scharend, vol met leem. Een derde handgreep hief de
grijper vol klei omhoog. Dan draaide het huis op
zijn as, de duiventil zwenkte dwars over de ponton
en de arm met de grijper maakte een toer van zestig
meter, aleer hij zijn vracht keileem op de dijkkop
vallen liet.
De man
in het handlehuis, zoals de duiventil genoemd werd,
speelde met zijn kraan, zoals een kind het met zijn
blokken doet, maar hij speelde op het pijpen van
Dirk Punt, die hetzij aan de reling van de ponton,
hetzij van zijn sleepboot, en soms ook, staande op
de brokkelige dijk van kleffe klei, in drukke,
driftige gebaren aan de machinist in het handlehuis
zijn orders gaf "Hier een mep. Daar een, vracht.
Ophogen die kap hier. Een klap achter dat walletje,
anders gaat het er onder. Goed zo! Daar nog drie
meppen bij"
Het hoog opspattend water, bij het ploffen van een
lading klei in het kokend schuim, doorweekte Dirk
tot op de huid. Het spatten van keileem, dat op
keileem startte, maakte hem tot een kleipilaar. Hij
merkte het ternauwernood.
Na
zo'n dag van nimmer falende, oplettendheid en stage
spanning, waarbij hij als het ware met eigen vuisten
vocht tegen de tuimelende stroom, was Dirk doodmoe.
Hij strompelde naar de kajuit der sleepboot, en liet
zich daar op een bank vallen. Bij het binnenlopen in
Den Oever was hij zo stijf dat hij amper kan opstaan
en op de steiger klimmen. Struikelend liep hij de
steilte af, die van het eiland naar de polder
voerde. Daar zag hij het golvend koren in het nieuwe
land, onafzienbare akkers van goudgeel graan en
weiden vol met malse klaver. De rode daken van de
landbouwschuren rezen uit een zee van
vruchtbaarheid. Dit land was geschapen door de
waterwerkers. En als de afsluitdijk gereed was, zou
er nog tienmaal zoveel land geschapen worden. Wat
telden moeheid en een beetje pijn, wat telde het
leven van een oude man, wanneer dit grootse werd
volbracht?
Lies
moest hem helpen zijn kleren uit te trekken, stijf
van het verdroogde slik. Hij at soms nauwelijks van
vermoeidheid en dadelijk na de maaltijd kroop hij in
bed. Het uurtje rustig samen zitten bij een kop thee
of koffie en een pijp was afgeschaft.
Lies maakte zich steeds meer bezorgd. "Dit word te
veel voor jou," zei zij. "Je bent te oud. Je moet
dit werk aan jongere handen overlaten."
Hij wilde er niet van weten. "We zijn gauw klaar. De
Blinde Geul is zo gesloten en dan gaan we op onze
slofjes verder. De Middelgronden en de Vlieter komen
volgend jaar aan bod." En bij het ratelen van de
wekker stapte hij 's morgens weer uit bed en ging
welgemoed de deur uit.

Toen
het sluitgat bij de Blinde Geul, nog vijftig meter
was, kwam er een sterke vloed, die een paar honderd
meter dijk verzwolg, de palen van een der grote
kranen knappen deed, het schip op drift bracht en
ver de Zuiderzee in sleurde, en de onderzeese dam
vernielde tot een gat van twaalf à vijftien meter
diepte. Het was nog een geluk dat de zinkstukken
bleven liggen, zodat de Bokking en zijn
Werkendammers niet hoefden in de bres te springen.
Maar de onderlossers en oplossers kwamen er weer aan
te pas en Dirk had maar te zorgen dat het
ingewikkeld werkplan sloot, Dirk werd nu zeer
vermoeid. Hij zag er mat en mager uit en Lies werd
zeer bekommerd. Zij wilde dat hij thuis zou blijven.
Maar Dirk verkoos niet op zijn bed te liggen of in
een luie stoel te zitten, terwijl de slag om de
Blinde Geul in het beslissend stadium verkeerde. De
slotfase van dit spannende gevecht liet hij zich
niet ontgaan.
Toen
er nog vijf en twintig meter sluitgat over was,
zwaaiden vier kranen hun lange armen door elkaar als
waren het de wieken van een dol geworden molen.
Op de dag der sluiting stond Dirk op de dijk. Op
lieslaarzen klauterde hij over de taaie en kleffe
brokken keileem heen. Zo had hij het beste zicht op
het gat. Zo kon hij alle vier de kranen dirigeren.
Met een dikke stok wees hij de mannen in de
duiventillen, waar zij de volgende meppen moesten
geven.
De zee
verweerde zich met kracht. Het schuimde midden in
het gat; soms kantelde een brok keileem, zò uit de
grijper neergeploft, in het wielend water weg, soms
kalfde een dijkkop af. Maar de overwinning was
feitelijk reeds bevochten. Door blinde dammen was de
kracht van de stroom gebroken. Door brokken keileem,
die zich midden in de stroom uit het water hieven,
werd hij verdeeld in machteloze stroompjes.
Dirk waagde zich dicht bij het gat. De klodders
keileem, die uit de grijpers vielen, troffen hem op
hoofd en schouders. Hij leek een kleipilaar met
zwaaiende armen. Zoals zijn armen zwaaiden, zwenkten
thans vier kranen; zoals zijn stok wees, spogen vier
bekken klei. Hier nog een mep, daar nog een mep. De
kerels in de duiventillen hadden er plezier in. In
een strijd van vele maanden met altijd wisselende
kansen werden zij de winnaars. De kokende eb van de
Blinde Geul hadden zij getemd tot een beekje, dat
sijpelend zijn weg zocht tussen bonken klei.
Vier kranen wierpen de laatste meppen op elkaar.
Dirk stak zijn stok omhoog. "Stoppen!" Maar de
mannen in de duiventillen lieten zich deze ene keer
niet commanderen, en legden er nog een schepje op.
Elk een mep. Een keileemheuvel in de grijze dijk
wees de plaats aan, waar de Blinde Geul gesloten
was.
Dirk voelde nu geen moeheid. Met jongensachtig
plezier klauterde hij over de pas neergesmeten
brokken keileem. Hij stond op de kleine heuvel fier
als een veldheer, die een slag gewonnen heeft. Aan
boord van de sleepboot dronk hij met Evert Baan, de
ingenieurs en ieder die aan boord was, grote bellen
op de sluiting van het kwaaiste gat, en ofschoon het
slik in korsten op zijn gezicht en op zijn kleren
kleefde, stapte hij trots als een pauw door de
straten van Den Oever naar zijn ark. "Vrouw, het is
gefikst'" riep hij Lies toe. "Gelukkig" zei zij
opgelucht. Een angst, die haar de laatste weken had
bekropen, was beschaamd.

Nadat
de Blinde Geul gesloten was, legde Dirk het kalm
aan. Hij voer zijn schepen langs, attendeerde soms
een schipper op een staaldraad, die wat sleets werd
en vernieuwd moest worden, gaf eens een wenk aan een
sleepbootkapitein, die zich niet aan zijn beurt
hield, maar had, nu het werk in rustig tempo verder
ging, niet meer te drijven en te stuwen. Waar eens
de stroom gewoed had, werd nu de dijk kalm hoger
opgetrokken en met basalt bezet. In stroomloos water
ging het werk zo makkelijk als wat. Er was geen
spanning en geen drift meer. Vóór de winter kwam men
hiermee in de ruimte klaar. Strijd zou er pas weer
zijn als de Middelgronden aan de orde kwamen. Maar
dat was een volgend jaar.
Op een
dag waarop Dirk rustig langs de vloot voer, kwam de
witte motorboot van Evert Baan met hoge vaart op
zijn sleepboot af. De uitvoerder stapte over. "Werk
aan de winkel, Dirk," zei hij. "De Middelgronden
moeten voor de winter dicht."
Dirk schudde zijn grijze kop. "Dat kan niet, meneer
Baan." "De directie zegt dat het moet." "De heren
kunnen me nog meer vertellen," zei Dirk een beetje
smalend. "Het is met de beteugelingsdammen daar niet
in orde. De paalworm zit in het rijs. Het ijzerdraad
roest uit de wiepen weg." Dirk schoof zijn petje op
het achterhoofd en krabde zich de kruin. Baan hoefde
hem niets meer te vertellen. Wanneer de zinkstukken
zo werden aangevreten, was het geen gril van heren,
die op hun kantoor goed praten hebben. Dan was de
beteugelingsdam, die de ergste stromen afleidde van
het sluitgat bij de Middelgronden, het volgend jaar
wellicht verdwenen en joegen eb en vloed met alle
felheid door de geul. Dan werd het werk jaren
achteruit gezet. Het gat moest voor de winter dicht.
Maar of het kan? "Ik acht, er staat zes maanden voor
dat werk, mijnheer. ... als er geen tegenslagen
komen."
"Vóór
Kerstmis moet het gat gesloten zijn," zei Baan. "We
kunnen zoveel schepen krijgen als we willen"
Dirk schudde weer het hoofd. "Als het nu zomer
werd". Maar de herfst staat voor de deur, de
kwaaiste tijd van het jaar. Ze moesten dit niet
aanhalen, mijnheer."
,,'t Gaat'door, Dirk. Er is toe besloten." "Dan gaan
we aan het werk, mijnheer," zei Dirk gelaten.
Alles wat aan baggermolens, zuigers, sleepboten en
kranen in Nederland aanwezig was, werd saamgetrokken
bij de Middelgronden, Nieuwe, grote schepen, haastig
door de werven afgeleverd, werden er aan toegevoegd.
Er kwamen zelfs schepen van over de Noordzee,
gezonden door Nederlandse aannemers, die alles wat
zij op enig buitenlands karwei maar missen konden,
zonden voor het grote werk in het vaderland. Het
vlotte uitstekend.

Tegenslagen als de Blinde Geul elk ogenblik had
opgeleverd, deden zich niet voor. Ieder zinkstuk,
dat de Werkendammers naar de diepte stenigden, bleef
liggen. Het keileem kleefde op het basalt.
De koppen van de dijken weerszijds van het sluitgat
van de Middelgronden kropen gestadig naar elkander
toe. "Wel, Dirk, wat zeg je er van?" vroeg Evert
Baan zijn onderbaas, toen alles zo goed ging.
Dirk keek eens naar de lucht. Hij deed dat deze
dagen dikwijls. ,,'t Is dat we zo'n mooi najaar
hebben," zei hij. "Als het weer omslaat."
Het was een wonderlijk mooi najaar met veel zon en
weinig wind en bijna zomers zacht. |