Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Mannen van Sliedrecht.

K.Norel: 1949

 
 

Inleiding

1910.

Op 1 januari 1910 besluiten drie Sliedrechtse baggeraars, de heren Joh. Kraaijeveld, E. van Noordenne en G.J. Bos te gaan samenwerken onder de naam Fa. Kraaijeveld en van Noordenne. Hun materieel bestaat uit 3 baggermolens, 1 bakkenzuiger, 1 elevator plus enkele sleepboten en bakken. Drie jaar later treedt de heer W. Bos toe als firmant.

De 2e generatie.

Het bedrijf ontwikkelt zich voorspoedig. In de periode 1917-1920 komt een jongere generatie familieleden van de oprichters haar opwachting maken: de heren W. Kalis (1917), J. Bos (1918), J. van Hemert (1919), J.J. Kalis (1920) en E.D. Kalis (1928). Na het uittreden van de heer E. van Noordenne in 1924 wordt de naam veranderd in Fa. Joh. Kraaijeveld. Een jaar later vangen de eerste baggerwerkzaamheden in het buitenland aan: Belgi, Duitsland en Spanje.

Jaren '20.

In 1928 richt de Fa. Joh. Kraaijeveld met een andere firma de M.A.Z. op. Deze Maatschappij tot Aanneming van Zuiderzeewerken voert vele opdrachten uit voor de inpoldering van de Nederlandse binnenzee.

Werken waar Volker, in de beginjaren bij betrokken was, waren de aanleg van kribben en strekdammen in de rivier de Merwede. Het onderhoud van het Voorns Kanaal werd uitgevoerd met een handbaggermolen. Bij de onderhoudswerkzaamheden van het Kanaal door Zuid-Beveland werd in 1864 gebruik gemaakt van een stoombaggermolen. In 1866 werd gewerkt aan de peilers van de spoorbrug over het Hollands Diep. In latere tijden waren het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg grote klussen die aangepakt werden.

Baggerdorp.

Langzamerhand concentreerde de Sliedrechtse aannemerij zich in een paar bedrijven. Het benodigde kapitaal om de werken aan te pakken was hiertoe de noodzaak. Sliedrecht werd bekend in binnen- en buitenland als ht baggerdorp. In het baggerwerk was goed te verdienen, maar de offers die men moest brengen waren ook groot. Lange dagen maken! Lange tijd van huis! Zelden thuis bij moeder de vrouw!

bron: Geschiedens Sliedrecht 15

De arbeiders van Sliedrecht.

K.Norel: 1949

In de gang werd "Volk!" geroepen. Lies was aan de bedden bezig; Dirk liep daarom naar de deur. Hij dacht dat het de melkboer was. Doch daar stond Evert Baan. "Ik zoek een oude kennis op," zei die. Dirk schrok, maar hij herstelde zich aanstonds. "Kom binnen," noodde hij en hij schoof de bak met aardappels opzij.

Ze praatten over het werk te Iquique, terwijl Lies, die de bedden in de steek gelaten had, zich haastte koffie te zetten. En Dirk verweet zich, dat hij Baan onvriendelijk had beoordeeld, ofschoon het hem toch nog zeer deed dat hij gepasseerd was.
"Hoe oud ben je eigenlijk?" vroeg Baan op een gegeven ogenblik. Dirk liet hem raden en hij zei: "Even zestig." Toen groeide Dirk, want hij was niet ver van de zeventig, maar des te meer bevreemdde het hem, dat Baan hem gisteren niet gevraagd had. "Ik heb werk voor je."

Het verraste Dirk, maar tevens voelde hij zich geraakt. "Zo, wou het nergens lukken en ben ik nu goed?" Even fronste Baan het voorhoofd; hij begreep die vraag niet. "Je hebt ze gister allemaal gevraagd, behalve mij," zei Dirk.Toen werd het Evert duidelijk. "Dacht je dat ik je niet hebben wou als zuigbaas? Neen, alleen voor Dirk Punt is wat anders weggelegd. Onderbaas bij de Zuiderzeewerken zou ik je willen maken! Een twintig schepen krijg je onder je."

Dirk zette zich rechter op zijn stoel. Een glimlach vleugde langs zijn snor.
Hij was niet uitgeteld. Hij werd nog voor vol aangezien. Bij de Zuiderzeewerken wilden ze hem hebben. Twintig schepen, van die grote schepen, die bij de afsluitdijk gebezigd werden, zou hij mogen leiden!


Zijn blik trof die van Lies. Hij las er spanning in. Ze scheen bang te wezen dat hij weg zou gaan. Ze hoefde niet te vrezen. Hij liet haar niet alleen. Dat hij gevraagd was, was hem reeds voldoende. ,,Ik vind het heel mooi dat u mij dit aanbiedt," zei hij tegen Baan, "maar ik vind dat het welletjes geweest is. Haast zestig jaar heb ik gezwalkt; het wordt nu tijd van rusten, zou ik zeggen."


"Een man, die nog zo flink is, moet die rusten?" Het streelde Dirk, maar het bracht hem niet van zijn besluit. "Je kunt een heel goed loon verdienen, "pleitte Baan. Zo'n argument had altijd zwaar gewogen, zowel voor Lies als voor Dirk. Maar ditmaal had het geen effect. "Wij hangen niet aan het aardse slijk," zei hij, een Lies knikte instemmend. "Het is een prachtig werk", hield Baan aan. "Je hield altijd van grote werken. Dit is het grootste waterwerk ter wereld. Net wat voor jou om er aan mee te doen."

Er ging iets tintelen in Dirk's ogen. Het was een prachtig werk, de afsluiting van de Zuiderzee. Een twintig jaar geleden leek het zelfs aan ervaren waterwerkers onmogelijk, dat een dijk dwars door de zee gelegd kon worden. En nog waren er, die een zwaar hoofd hadden in het bedwingen van de gaten.
"We komen nu aan het moeilijkste en mooiste toe, daarvoor hebben we een man als jij bent nodig" zei Baan om hem te meer te ambiren. Doch Dirk schudde het hoofd. "Neen," zei hij, "neen, hoe mooi het ook is, hoe graag ik daar zou willen werken, ik laat mijn vrouw niet meer alleen." "Maar dat is niet nodig'" riep Evert Baan uit. "Zij kan mee, een woonark is op Wieringen beschikbaar. Iedere avond ben je thuis" Toen keek Dirk vragend naar zijn vrouw.

Lies draaide op haar stoel. Ze had een hoge kleur en keek strak op, de bak met aardappelen, die zij op haar schoot genomen had, nadat Dirk hem had weggezet. Zenuwachtig speelde ze met het mesje. Dirk wist wel wat er schortte. Hij had de hele wereld rond gezworven, maar zij was nooit of bijna nooit uit het dorp vandaan geweest. De wereld buiten Sliedrecht was haar vreemd. Ze was gehecht aan haar dorp, haar straat, haar huisje. Ze zou zich niet thuis voelen op Wieringen. Haar kinderen en kleinkinderen zou ze er missen. Hij mocht niet van haar vergen, dat zij met hem meetrok, begreep Dirk.

"Mijnheer Baan, ik dank u voor het vererend aanbod, maar ik kan het niet doen," zei hij. . . "Is de fut er zo uit?" "Neen, neen, wat dat aangaat....."Wat is de reden dan?"
Dirk zocht naar een antwoord, maar hij kon het niet vinden, omdat hij weigerde de ware reden te zeggen. Hij wiste zich het zweet van het voorhoofd, ofschoon het volstrekt niet warm was.


"Man, doe het!" zei Lies toen. Verbaasd keek hij haar aan. "Maar jij. . . ." begon hij. "Ik mag immers met je mee. Hoe kan het mooier?" "Ik,dacht. .. het dorp. . . . jij. . . Hij hakkelde maar wat. Baan lachte. "Je mag, Dirk Punt; het is in orde. Maar ik had niet gedacht dat jij zo'n pantoffelheld geworden was op je oude dag." .
"Meneer. . . ." wou Lies gaan protesteren. "Daarmee wil ik niets tot uw nadeel zeggen," onderbrak Baan haar lachend. "Uw man" "Mijn man is een beste man, en tussen ons beiden is het helemaal in orde." "Geen haar op mijn hoofd, dat daaraan twijfelt" riep Baan uit.

 

Foto van JH van Mastenbroek -Datering 24 november 1931. Werkzaamheden bij het sluitgat van de Middelgronden in de Afsluitdijk. De Middelgronden was naast het Gaatje, de Vlieter en de Blinde Geul -n van de vier sluitgaten die gedicht moest worden- Vermoedelijk no 78 of 79 van de 93, door de Weduwe van Van Mastenbroek aan de Staat geschonken Zuiderzeewerken. De voorwaarde van de schenking was dat de schilderijen bij elkaar zouden blijven.

 

BLINDE GEUL EN MIDDELGRONDEN.

(De Blinde Geul was naast het Gaatje, de Vlieter en de Middelgronden n van de vier sluitgaten die bij de aanleg van de Afsluitdijk gedicht moest worden.)

Een vrachtauto reed Dirk met vrouw en huisraad van Sliedrecht naar Den Oever, en daalde daar van het hoge land af in de diepte. Zijn woonark lag in een kanaal, gegraven in het nieuwe land, pas uit het water opgerezen. De avond van zijn aankomst keek Dirk over de Wieringermeer.

Woest en ledig was dit nieuwe land, zoals de aarde was toen God haar schiep. Doch grasscheutjes schoten reeds op, een groen waas gevend over de grijze vlakte. Er vlogen vogels boven het lege land en in de verte zag Dirk een haas over de vlakte rennen. Dit brok aarde, dat wat verlaat geschapen was, ontwikkelde zich met gras en kruid, met vogels en vee, in dezelfde orde als eenmaal de aarde in de scheppingsweek.

Met dit verschil dat thans de mens niet het laatst, maar het eerst gekomen was, dat hier mensen scheiding hadden gebracht tussen de wateren en het droge, zoals eens God het deed. En deze mensen waren Sliedrechters. Toen Dirk tot zover doordacht, legde hij zichzelf het zwijgen op. Een mens mag zichzelf niet Gode even gelijk maken.

Hij had trouwens geen tijd voor peinzen. Het werk riep. Elke morgen moest hij vroeg uit de veren en dan met een sleepboot de haven van Den Oever uit, om bij de schepen langs te gaan. Het scheen wel dat de ganse Nederlandse baggervloot geconcentreerd was bij de afsluitdijk, dat alle waterwerkers, eens uitgezwermd naar de uithoeken de wereld, hier waren samengestroomd. Vele zuigers zogen zand en stortten dat in bakken of persten het op de dijk; kolossale baggermolens scheurden keileem uit de bodem van de Zuiderzee.

Sleepboten ploegden de golven en trokken zwaar geladen onderlossers en oplossers achter zich aan. Alle, uitvindingen van Jan Baan, in menig opzicht nog verbeterd, waren hier bijeengebracht en in dienst gesteld van de onderneming, die voor het eerst in de geschiedenis der wereld een zee tot land ging maken.

Doch het leek wel of er in plaats van een groots nationaal werk, dom monnikenwerk verricht werd. In zee werd gebaggerd en gezogen en in zee klapten de onderlossers, en na de onderlossers klapten de oplossers op dezelfde plaats, en na de oplossers de drijvende kranen, wier grote pijpers als monsterlijke muilen in volle bakken beten en tonnen keileem tegelijk in zee spuwden.

Eindelijk echter vertoonde zich het resultaat van deze schijnbaar redeloze arbeid. Een smalle richel van grijs leem kwam uit het water op. En evenwijdig aan die richel, tweehonderd meter verder, waar andere kranen schijnbaar even redeloos met keileem hadden gemorst, kwam ook zo'n richel. Twee, smalle keileemdijkjes rezen op uit zee, als waren het kaden van een breed kanaal. En aan de buitenzijde van die kaden ankerden bakkenzuigers en over de kaden heen werden persleidingen gelegd.

De zuigers lieten hun zuigbuis zakken in de langszij gemeerde bakken. Zij spoten water in die bakken en zogen zand en water er uit op. Het was of een leviathan vreten ging. In enkele minuten had hij een 200-tons bak leeg geschrokt. Het monster tastte met zijn slurf nog eens in de ijzeren schotel rond om de restjes in te slokken en zwaaide dan de slurf omhoog om haar te steken, in de volgende volle bak en diens lading even gulzig te verslinden.

Het ging als bij het paard van Don Quichotte. Aan het einde van de persleiding verdween alles wat de leviathan ingeslokt had tussen de smalle keileemdijken. Modderige fonteinen bruisten daar. Het water vloeide weg. Doch het zand bleef liggen. Geen monnikenwerk, geen Don Quichotterie.

Het lichaam van de afsluitdijk groeide tussen de beide keileemwanden. Ruw en bonkig was die dijk van zand en leem en weerloos tegen sterke stormen. Maar heirlegers van polderjongens met lieslaarzen aan en schoppen in de vuist, krioelden weldra op de dijk en maakten vlak wat bonkig was. En achter de gravers kwamen de vlechters van de kram-mat, die het dijktalud een glad beloop bezorgden. En daarachter kwamen de steenzetters, die met blokken basalt van centenaars-gewicht omsprongen als een knaap met knikkers. Midden in het bruisend water werd een dijk gelegd van hard basalt.

Doch het waren nog slechts brokken dijk, gelegd in ondiep water op de platen van het Wad, waar weinig stroom liep. Omvangrijk was dat werk de dijk was lang en zwaar maar voor ervaren waterwerkers, beschikkend over zoveel en zulk uitstekend materieel als hier aanwezig, was het niet moeilijk. Elk dijkvak was opgeleverd op de tijd in het bestek bepaald. Het werk liep zo geregeld als een klok.

Thans was men aan de geulen toe. Daar was het diep en daar liep de stroom, krachtiger en feller naarmate de gaten nauwer werden. Vloed en eb wilden de Zuiderzee in en uit, zoals ze dat sinds eeuwen dagelijks tweemaal deden, maar in plaats van de volle ruimte tussen Friesland en Noord-Holland, hadden zij daarvoor thans slechts de allengs nauwer wordende gaten.

Het was als bij een rivier, die eerst haar uiterwaarden heeft verloren en wier stroombed daarna al nauwer toegeknepen wordt. Door het smalle bed wringt zich de stroom dan met te groter kracht. Hier joeg het getij door de Blinde Geul, de Vlieter en de Middelgronden. En toen begonnen werd de Blinde Geul te knijpen, werd de zee wild en schuurde in de diepte weg, wat haar in de breedte werd ontnomen. Dieper en dieper werd de geul door het jagend water en woest rukte de stroom aan de dijkkoppen, die hem de doorgang stremmen wilden.

Het was bij dit werk dat Evert Baan, Dirk Punt geplaatst had. Hij had te zorgen dat er voldoende zand en keileem bij het sluitgat kwam en moest toezien, dat dit werd gebracht door onderlossers, oplossers of in gesloten bakken, die door de kranen en de zuigers werden leeggemaakt.

Met de baggermolens en profielzuigers had Dirk niet zoveel van doen. Die lagen op de keileembanken en zandplaten en draaiden toujours kalm hun toeren.
Bij het sluitgat was veel meer te stellen. Daar kwamen al de volle bakken op een hoop, daar zwaaiden de drijvende kranen, hun lange armen heen en weer en smeten zij hun lading op de koppen van de dijken, daar werden telkens nieuwe zinkstukken tot zinken gebracht. En de zee werd daar steeds woester, naarmate de geul nauwer werd.

Met het tot zinken brengen van de zinkstukken had Dirk niet te maken. Dat was het werk van de oude Werkendammer zinkbaas, de Bokking zogezeid, die feilloos zeker de seconde kende, waarop bij de kentering van tij de bovenstroom was uitgewerkt en de onderstroom nog net niet was begonnen, en die op dat moment het zware en grote vlot van rijshout, gevlochten door zijn Werkendammers, naar de bodem van het sluitgat stenigde. Maar als dat fundament er eenmaal lag, dan was het Dirk z'n taak basalt te storten met zulk een snelheid en tot zo'n gewicht, dat de stroom het zinkstuk niet weer als een vloermat kon oprollen.

Op zijn sleepboot in het sluitgat kruisend, wees hij iedere bak basalt de plaats aan, waar de lading uitgeworpen moest worden, en had de rijsmat n tij stand gehouden, dan kon er keileem op. Dirk liet de onderlossers komen, dozijnen tegelijk en hij dirigeerde ze gelijk een admiraal zijn vloot.

Hij peilde dagelijks hoeveel de onderzeese dam gerezen was. Dikwijls was het bitter weinig, soms niets. Tegen n bak, die hield, stonden dikwijls drie, vier ladingen, die werden weggespoeld. Tijdens springtij ging in n dag de vordering van een gehele week verloren. Bij doodtij schoot men daarentegen vaak verrassend op.

Terwijl de onderlossers de diepe geul opvulden in het midden van het gat, werkten de drijvende kranen aan de koppen van de dijken. Hun grote grijpers hapten in de volle bakken en spogen tonnen keileem in het schuimend water. De dam rees. Een brokkelige dijkkop kwam boven water uit. De stroom schuimde en kolkte er om heen. Op het felst van het tij rukte hij telkens brokken weg. Maar onverstoord werkten de grijpers voort, hapten de bekken, zwaaiden de lange armen, plofte het harde keileem op de dijkkop.

Dirk ging op in dit werk. Er zat muziek in, meer dan in enig karwei, dat hij tevoren had verricht. Het was inspannend. Het leverde veel tegenslagen op. Het gaf kopzorg aan de man, die al het materieel bij het sluitgat van de Blinde Geul moest leiden. Soms liep zijn hoofd hem om. Soms was hij dodelijk vermoeid en dat verbaasde hem, want het werk, dat hij thans deed, vergde niet veel lichamelijke inspanning, en vroeger was hij nooit vermoeid geweest. Als het er om spande het n op het ander te laten aansluiten, of als het niet liep zoals het lopen moest, tastte hij naar zijn hart. De pijn, die hem in Chili had geplaagd, kwam af en toe terug, ofschoon niet in erge mate.

Doch als hij 's avonds van de sleepboot stapte en van het hoge land van Wieringen afdaalde, om naar de woonark in het kanaal te gaan, dacht Dirk niet meer aan moeheid of aan pijn. Hij ging naar huis, naar Lies. Dit was voor het eerst in al de lange jaren van zijn werken buitenaf, dat hij des avonds naar zijn vrouw ging. Ze zag hem altijd komen.

Soms lichtte ze het gordijntje van het raam, waarachter ze zat. Soms stond ze in de deur of op de loopplank hem op te wachten. Het gebeurde wel op mooie zomeravonden, dat ze hem tegemoet liep tot Den Oever. De tafel was gedekt, wanneer hij thuiskwam, het maal stond klaar. Lies kookte een pot, waarbij de beste kok, die hij ooit op een schip gehad had, het niet kon halen, om niet te spreken van de ratjetoe, die negerkoks in Zuid-Amerika hem hadden voorgezet.

En hoe goed was het te rusten na gedane arbeid in je eigen leunstoel in het pronte en gezellige vertrek, dat Lies op de ark tot huiskamer had ingericht. Dan sloot hij soms z'n ogen, om de dag aan zijn geest voorbij te laten gaan.
 

En als het dan een warreling werd van schepen en kranen en molens, van zwaaiende armen en grijpers met gesperde muilen, van knerpende kamraderen en dokkerende baggeremmers, van zwarte rook en Witte stoom, dan opende hij zijn ogen weer en zag zijn eigen woning en zijn eigen vrouw, die koffie voor hem schonk of thee. Hier was de rust te midden van het ingespannen werken. "Ben je wat moe?" vroeg zij wel eens. "Een beetje," zei hij daarop. "Ik ben geen dertig meer." Ze maakten er een gewoonte van om vroeg naar bed te gaan. En na een goede nachtrust was hij des morgens altijd fit. Dat hij soms pijn had in de hartstreek, verzweeg hij voor zijn vrouw.

 

Foto boven en beneden van Gerben. D. Wijnja: Rechts een aantal keten, wat door de werklieden werd bewoond, hier te Cornwerderzand.

 

 

Hier worden door een kraan de zware basaltstenen gelost.

 

De Blinde Geul was tot een nauwe sleuf verengd. Onderlossers en oplossers hadden hun werk gedaan. Voor de drijvende kranen was weggelegd het gat te sluiten.
Dirk Punt had tot dusver niet veel gewerkt met kranen. Op de werken, die hij had meegemaakt, waren ze maar zelden nodig.

In het algemeen waren ze bij havenwerken en bij het graven van kanalen niet veel gebruikt geweest. Hier waren zij onmisbaar voor het sluiten van de gaten van een dijk, die in brokken was gemaakt en wiens vakken thans, als een legkaart moesten worden aan elkaar gepast. En omdat ze nodig waren, waren de kranen er, sterk, groot, goed hanteerbaar. Zo was het altijd nog gegaan bij de waterwerken. De noodzaak had de werktuigen geschapen. De klepschouw was er toen er vele havens moesten worden uitgebaggerd, de baggermolen bij het kanaal in Zeeland; de hopperzuiger voor de Waterweg.

En nu de afsluitdijk gelegd moest worden, waren er de kranen, al was Jan Baan dan dood. Het hing niet aan een man dat uitgevonden werd wat nodig was voor nieuwe werken, zomin als het aan een man hing, dat groot werk werd verricht. Lely had heel zijn leven voor de droogmaking, van de Zuiderzee gevochten; al het andere wat hij, deed, zelfs zijn herhaald ministerschap, moest daartoe dienen. Hij stierf voordat de dijk verrees. Het deerde niet, de dijk kwam toch tot stand.

Baan dood en Lely dood, vr het grootste waterwerk voltooid was. Aan Dirk drong zich allengs sterker de gedachte op, dat hij ook zou sterven, vr de dijk er lag. Die gedachte bekommerde hem niet. Het had zelfs een zekere bekoring voor hem, in het zaal te sterven.

Vier kranen lagen aan de beide koppen van de dijken bij het sluitgat. Plompe schepen waren het, vierkanter dan een baggermalen. Met zware palen, die daar ronde gaten dwars door het schip van boven naar beneden liepen, waren zij vastgenageld aan de bodem, waar ze boven dreven.

Op elke ponton stond een ijzeren huis, dat draaien kan op de wijze van de lig-tent van een teringlijder. Het huis had een forse schoorsteen ten behoeve van de ketel van de stoommachine, die er binnen stond; het had ook een lange ijzeren arm, die hoog in de lucht stak, aan welks uiteinden de grijper met zijn kolossale bek hing, en bij welks elleboog zich een duiventil bevond. Het was van deze duiventil uit dat, de kraan werd geregeerd.

De man in dat hokje trok aan een stok en de grijper tuimelde met apen bek in een bak met keileem. Hij bewoog een andere stok en de grijper vrat zich, al scharend, vol met leem. Een derde handgreep hief de grijper vol klei omhoog. Dan draaide het huis op zijn as, de duiventil zwenkte dwars over de ponton en de arm met de grijper maakte een toer van zestig meter, aleer hij zijn vracht keileem op de dijkkop vallen liet.

De man in het handlehuis, zoals de duiventil genoemd werd, speelde met zijn kraan, zoals een kind het met zijn blokken doet, maar hij speelde op het pijpen van Dirk Punt, die hetzij aan de reling van de ponton, hetzij van zijn sleepboot, en soms ook, staande op de brokkelige dijk van kleffe klei, in drukke, driftige gebaren aan de machinist in het handlehuis zijn orders gaf "Hier een mep. Daar een, vracht. Ophogen die kap hier. Een klap achter dat walletje, anders gaat het er onder. Goed zo! Daar nog drie meppen bij"

Het hoog opspattend water, bij het ploffen van een lading klei in het kokend schuim, doorweekte Dirk tot op de huid. Het spatten van keileem, dat op keileem startte, maakte hem tot een kleipilaar. Hij merkte het ternauwernood.

Na zo'n dag van nimmer falende, oplettendheid en stage spanning, waarbij hij als het ware met eigen vuisten vocht tegen de tuimelende stroom, was Dirk doodmoe. Hij strompelde naar de kajuit der sleepboot, en liet zich daar op een bank vallen. Bij het binnenlopen in Den Oever was hij zo stijf dat hij amper kan opstaan en op de steiger klimmen. Struikelend liep hij de steilte af, die van het eiland naar de polder voerde.

Daar zag hij het golvend koren in het nieuwe land, onafzienbare akkers van goudgeel graan en weiden vol met malse klaver. De rode daken van de landbouwschuren rezen uit een zee van vruchtbaarheid. Dit land was geschapen door de waterwerkers. En als de afsluitdijk gereed was, zou er nog tienmaal zoveel land geschapen worden. Wat telden moeheid en een beetje pijn, wat telde het leven van een oude man, wanneer dit grootse werd volbracht?

Lies moest hem helpen zijn kleren uit te trekken, stijf van het verdroogde slik. Hij at soms nauwelijks van vermoeidheid en dadelijk na de maaltijd kroop hij in bed. Het uurtje rustig samen zitten bij een kop thee of koffie en een pijp was afgeschaft.
Lies maakte zich steeds meer bezorgd. "Dit word te veel voor jou," zei zij. "Je bent te oud. Je moet dit werk aan jongere handen overlaten."

Hij wilde er niet van weten. "We zijn gauw klaar. De Blinde Geul is zo gesloten en dan gaan we op onze slofjes verder. De Middelgronden en de Vlieter komen volgend jaar aan bod." En bij het ratelen van de wekker stapte hij 's morgens weer uit bed en ging welgemoed de deur uit.

Foto van Gerben. D. Wijnja

 

Toen het sluitgat bij de Blinde Geul, nog vijftig meter was, kwam er een sterke vloed, die een paar honderd meter dijk verzwolg, de palen van een der grote kranen knappen deed, het schip op drift bracht en ver de Zuiderzee in sleurde, en de onderzeese dam vernielde tot een gat van twaalf vijftien meter diepte. Het was nog een geluk dat de zinkstukken bleven liggen, zodat de Bokking en zijn Werkendammers niet hoefden in de bres te springen.

Maar de onderlossers en oplossers kwamen er weer aan te pas en Dirk had maar te zorgen dat het ingewikkeld werkplan sloot, Dirk werd nu zeer vermoeid. Hij zag er mat en mager uit en Lies werd zeer bekommerd. Zij wilde dat hij thuis zou blijven. Maar Dirk verkoos niet op zijn bed te liggen of in een luie stoel te zitten, terwijl de slag om de Blinde Geul in het beslissend stadium verkeerde. De slotfase van dit spannende gevecht liet hij zich niet ontgaan.

Toen er nog vijf en twintig meter sluitgat over was, zwaaiden vier kranen hun lange armen door elkaar als waren het de wieken van een dol geworden molen.
Op de dag der sluiting stond Dirk op de dijk. Op lieslaarzen klauterde hij over de taaie en kleffe brokken keileem heen. Zo had hij het beste zicht op het gat. Zo kon hij alle vier de kranen dirigeren. Met een dikke stok wees hij de mannen in de duiventillen, waar zij de volgende meppen moesten geven.

De zee verweerde zich met kracht. Het schuimde midden in het gat; soms kantelde een brok keileem, z uit de grijper neergeploft, in het wielend water weg, soms kalfde een dijkkop af. Maar de overwinning was feitelijk reeds bevochten. Door blinde dammen was de kracht van de stroom gebroken. Door brokken keileem, die zich midden in de stroom uit het water hieven, werd hij verdeeld in machteloze stroompjes.

Dirk waagde zich dicht bij het gat. De klodders keileem, die uit de grijpers vielen, troffen hem op hoofd en schouders. Hij leek een kleipilaar met zwaaiende armen. Zoals zijn armen zwaaiden, zwenkten thans vier kranen; zoals zijn stok wees, spogen vier bekken klei. Hier nog een mep, daar nog een mep. De kerels in de duiventillen hadden er plezier in. In een strijd van vele maanden met altijd wisselende kansen werden zij de winnaars. De kokende eb van de Blinde Geul hadden zij getemd tot een beekje, dat sijpelend zijn weg zocht tussen bonken klei.

Vier kranen wierpen de laatste meppen op elkaar. Dirk stak zijn stok omhoog. "Stoppen!" Maar de mannen in de duiventillen lieten zich deze ene keer niet commanderen, en legden er nog een schepje op. Elk een mep. Een keileemheuvel in de grijze dijk wees de plaats aan, waar de Blinde Geul gesloten was.
Dirk voelde nu geen moeheid. Met jongensachtig plezier klauterde hij over de pas neergesmeten brokken keileem.

Hij stond op de kleine heuvel fier als een veldheer, die een slag gewonnen heeft. Aan boord van de sleepboot dronk hij met Evert Baan, de ingenieurs en ieder die aan boord was, grote bellen op de sluiting van het kwaaiste gat, en ofschoon het slik in korsten op zijn gezicht en op zijn kleren kleefde, stapte hij trots als een pauw door de straten van Den Oever naar zijn ark. "Vrouw, het is gefikst'" riep hij Lies toe. "Gelukkig" zei zij opgelucht. Een angst, die haar de laatste weken had bekropen, was beschaamd.

Nadat de Blinde Geul gesloten was, legde Dirk het kalm aan. Hij voer zijn schepen langs, attendeerde soms een schipper op een staaldraad, die wat sleets werd en vernieuwd moest worden, gaf eens een wenk aan een sleepbootkapitein, die zich niet aan zijn beurt hield, maar had, nu het werk in rustig tempo verder ging, niet meer te drijven en te stuwen. Waar eens de stroom gewoed had, werd nu de dijk kalm hoger opgetrokken en met basalt bezet. In stroomloos water ging het werk zo makkelijk als wat. Er was geen spanning en geen drift meer. Vr de winter kwam men hiermee in de ruimte klaar. Strijd zou er pas weer zijn als de Middelgronden aan de orde kwamen. Maar dat was een volgend jaar.

Op een dag waarop Dirk rustig langs de vloot voer, kwam de witte motorboot van Evert Baan met hoge vaart op zijn sleepboot af. De uitvoerder stapte over. "Werk aan de winkel, Dirk," zei hij. "De Middelgronden moeten voor de winter dicht."
Dirk schudde zijn grijze kop. "Dat kan niet, meneer Baan." "De directie zegt dat het moet." "De heren kunnen me nog meer vertellen," zei Dirk een beetje smalend. "Het is met de beteugelingsdammen daar niet in orde. De paalworm zit in het rijs. Het ijzerdraad roest uit de wiepen weg."

Dirk schoof zijn petje op het achterhoofd en krabde zich de kruin. Baan hoefde hem niets meer te vertellen. Wanneer de zinkstukken zo werden aangevreten, was het geen gril van heren, die op hun kantoor goed praten hebben. Dan was de beteugelingsdam, die de ergste stromen afleidde van het sluitgat bij de Middelgronden, het volgend jaar wellicht verdwenen en joegen eb en vloed met alle felheid door de geul. Dan werd het werk jaren achteruit gezet. Het gat moest voor de winter dicht. Maar of het kan? "Ik acht, er staat zes maanden voor dat werk, mijnheer. ... als er geen tegenslagen komen."

"Vr Kerstmis moet het gat gesloten zijn," zei Baan. "We kunnen zoveel schepen krijgen als we willen" Dirk schudde weer het hoofd. "Als het nu zomer werd". Maar de herfst staat voor de deur, de kwaaiste tijd van het jaar. Ze moesten dit niet aanhalen, mijnheer." ,,'t Gaat'door, Dirk. Er is toe besloten." "Dan gaan we aan het werk, mijnheer," zei Dirk gelaten.

Alles wat aan baggermolens, zuigers, sleepboten en kranen in Nederland aanwezig was, werd saamgetrokken bij de Middelgronden, Nieuwe, grote schepen, haastig door de werven afgeleverd, werden er aan toegevoegd. Er kwamen zelfs schepen van over de Noordzee, gezonden door Nederlandse aannemers, die alles wat zij op enig buitenlands karwei maar missen konden, zonden voor het grote werk in het vaderland. Het vlotte uitstekend.

Foto van Gerben. D. Wijnja

 

Tegenslagen als de Blinde Geul elk ogenblik had opgeleverd, deden zich niet voor. Ieder zinkstuk, dat de Werkendammers naar de diepte stenigden, bleef liggen. Het keileem kleefde op het basalt.

De koppen van de dijken weerszijds van het sluitgat van de Middelgronden kropen gestadig naar elkander toe. "Wel, Dirk, wat zeg je er van?" vroeg Evert Baan zijn onderbaas, toen alles zo goed ging. Dirk keek eens naar de lucht. Hij deed dat deze dagen dikwijls. ,,'t Is dat we zo'n mooi najaar hebben," zei hij. "Als het weer omslaat."

Het was een wonderlijk mooi najaar met veel zon en weinig wind en bijna zomers zacht.

In de tweede helft van Oktober sloeg het weer om. Kille regens striemden het volk dat onbeschut in volle zee op open dekken werkte. De wind volstond voorshands nog met een stijve bries. Er kwam meer vloed, waardoor het werken in de gaten zwaarder werd. Het tempo werd vertraagd, maar het vele goede materiaal kon deze tegenstand van de natuur wel overwinnen.

Totdat er een Noordwester storm opstak, gepaard met springtij, die de koppen van de dijken aan beide zijden van het sluitgat wegsloegen en de onderzeese dam diep uitholden.

Toen de ingenieurs daags na de storm op de sleepboot van Dirk Punt, om en door het sluitgat voeren om de schade op te nemen, waren zij niet opgewekt.
In n nacht was het werk van vele weken radicaal verwoest. Hun werkplan klopte thans niet meer.

Dirk merkte hun verslagenheid en een smalend lachje plooide zijn stoppelige wangen. Het kwam precies uit wat hij had voorspeld. Een werk als dit moest je niet ondernemen in de herfst.

De ingenieurs praatten over nog meer materieel, dat zij naar de Middelgronden wilden sturen. Dirk's smalend lachje werd breder, toen hij het hoorde. De heren dachten zeker dat zij met machines alles konden doen.

De sleepboten en bakken verdrongen elkaar reeds bij het sluitgat, kraanschepen waren er te veel. Hij bracht het hun onder het oog. "Mijne heren, aan nog meer schepen hebben wij hier niets." Toen fronste hoofd ingenieur Van Wattum het voorhoofd. "Wij hebben jou niet om advies gevraagd," zei hij uit de hoogte en draaide Dirk de rug toe.

Dirk stond in de luwte van de stuurkast en staarde naar het water, dat schuimend langs de flanken van de boot joeg, en naar de afgekalfde koppen van de dijken, waar telkens nieuwe brokken keileem door de witte wieling werden afgescheurd. Met leedvermaak keek hij naar die vernieling.

Eigenwijze en hooghartige ingenieurs kregen de kous op de kop. Goed zo...Van Wattum liep met Evert Baan, al pratend het dek der sleepboot op en neer. Ze pasten telkens de afstand tussen plecht en stuurkast af. Flarden van het gesprek woeien bij wijlen over naar de kleine oude man, die in de luwte van de stuurkast stond. "We zullen de boel moeten stopzetten"

Dirk schrok toen hij die woorden van Van Wattum hoorde. Zo pas had hij nog leedvermaak gehad in de tegenslag. Tevoren had hij gewaarschuwd tegen het aanpakken van een onmogelijk karwei. Nu sprong er plotseling iets bij hem los. Opgeven wat eenmaal was begonnen, streed tegen de tradities van de gouden ploeg. Dat mocht nooit ! Wat eenmaal was aangevat, werd doorgezet, welke tegenslagen er ook kwamen. Een tegenslag, was slechts een spoorslag om harder aan te pakken. En nu wilde Van Wattum het opgeven. "Knullen," mompelde Dirk, "knullen, die ingenieurs."

Weer woei een flard van het gesprek naar Dirk z'n oren "Wat doe je ook met zoveel oude mensen op het werk"

Meer vernam Dirk niet. Baan's antwoord aan Van Wattum ging verloren in de wind.
Dirk was getroffen en getrapt. Hij had lust om Van Wattum, in de weg te treden en te zeggen: Bedoel je mij. meneer? Vind je dat ik niet meer mee kan? En denk je soms dat het daaraan ligt dat de Middelgronden nog niet dicht zijn? Dan zal de ouwe man het je wel eens anders laten zien. Stopzetten wou jij de boel. Ik niet! Als ik ergens mee begin, geef ik het niet op. Dan zet ik door. Bij Jan Baan heb ik dat geleerd, en op het Patos-meer heb ik er naar gehandeld en in Iquique ook. En ik kan dat nog, meneer. Ik wil je tonen wat ik kan.

Doch Dirk zei niet, wat hij wilde zeggen. Hij wist waar hij staan moest. Toen ingenieur Van Wattum, van boord stapte, stond hij met de hand aan de pet bij de loopplank. Maar hij wierp hem boze blikken na.

Die middag broeide Dirk door op zijn overleggingen. Hij zou te oud zijn en de anderen van de oude garde ook? De gouden ploeg van Jan Baan, zou niet meer deugen? Dat zou hij anders laten zien!

Hij voer de volgende dag naar de bakkenzuiger Brabant, waar Kees de Kroot zuigbaas op was, een man van zijn jaren. Hij zocht hem op in het bedieningshuis, waar hij aan het werk was. "Die mispunten van ingenieurs zeggen dat wij niet meer deugen voor ons werk. Wij zijn te oud," riep hij boven het geraas van de machines uit.

De Kroot trok aan de bel, die de mensen aan de lieren zei, dat ze de bak langszij de zuiger van voren naar achteren moesten halen, opdat hij de zuigbuis nog eens door het ruim kon laten gaan. "Dan geven ze ons de zak maar," zei hij droogjes, en trok, nadat hij het laatste zand had weggezogen, weer aan de bel, ten teken dat deze bak kon worden weggesleept en een volle in zijn plaats gelegd. De Kroot maakte zich niet sappel om zo'n wijsneus van de Waterstaat.

Klaas de Draak van de Merwede III bleef er ook koud onder, toen Dirk hem zeide wat er over hen gesproken werd. En bij een derde en een vierde, die hij aansprak, was het net zo.  De andere oudjes van de gouden ploeg liepen niet zo gauw aan als Dirk Punt, die heel zijn leven een poestig kereltje geweest was. En toen zijn vrienden zo lauw bleven, kwam Dirk ook tot de slotsom, dat hij zich voor niets druk had gemaakt.

Wat kon het hem schelen, hoe zo'n eigenwijze ingenieur over hem dacht? En wat had hij er mee te maken of en wanneer de dijk klaar kwam? Welbeschouwd was het voor hem voordeliger als het werk lang duurde. Hij verdiende hier een goed loon en hij had geen kwaad leven: overdag wat varen en 's avonds bij de vrouw. Als dat in een rustig tempo ging, deerde hem niets. Wanneer het op haren en snaren stond, kreeg hij last met zijn hart. Het was heel goed dat men de sluiting van de Middelgronden tot het volgend jaar liet wachten.

Dirk stapte binnen in een schaftlokaal op het Breezand. Aan de wand was een gedrukt stuk aangeplakt. Een troep polderjongens stond er omheen.
Dirk voegde zich bij het troepje en las mee: De Directie der Zuiderzeewerken heeft overwogen de werkzaamheden aan de Middelgronden tot het volgend voorjaar te staken. Het ruwe jaargetijde dwingt daar feitelijk toe, doch er zijn ernstige consequenties aan verbonden, gezien de gevaren, die de beteugelingsdam bedreigen.

Meer schepen naar de geul te zenden helpt ons niet. Wij menen dat er nog n kans van slagen is. Als iedere man mr geeft dan er van hem geist mag worden. Als de gemeenschappelijke wil tot slagen iedere Zuiderzeewerker van hoog tot laag bezielt. Als er niet meer alleen gewerkt, maar ook gevochten wordt, zoals dappere soldaten vechten op het slagveld. Dan alleen, maar dan ook zeker, zullen wij overwinnen in deze zware slag tegen onze erfvijand, de zee. Wij doen daartoe een klemmend beroep op u allen.

Dirk knikte een paar keer onder het lezen. Kijk, het hoogste eind dacht er toch anders over dan Van Wattum. Het hoge eind dacht feitelijk net als hij.
Zijn redenering dat het voor hem beter was piano aan te doen, was hij onmiddellijk glad vergeten. Als het tegenliep de tanden op elkaar. Zo had de gouden ploeg het altijd klaargespeeld, waar anderen. het lieten zitten. "Dat wordt een schepje er op, jongens," zei hij tegen de arbeiders, die met hem voor de circulaire stonden.
 

Maar de jongens waren het met de oude onderbaas niet eens. "Ze kunnen mij nog meer vertellen," zei er een. "Wij ezelen alle dagen in weer en wind," riep een ander uit.. "De ziekte haal je je er bij op 't lijf. En nou nog harder? Laat ze ploffen, die kerels op het kantoor. "Als je maar weet dat dan de heleboel er aan gaat bij de Middelgronden," bracht Dirk er tegen in. "Stiekem laten gaan. Dan blijft er werk voor ons." "De dijk moet er toch komen"

Een grove polderjongen met een nogal woest gezicht kwam voor Dirk staan. "Als jij je dood wilt werken, moet jij dat weten, ouwe hielenlikker van het kapitaal. Wij doen het niet!"

Op dat moment loeide doordringend een sirene, die de mannen weer naar het werk riep. Mistroostig liep Dirk naar zijn boot. Dat die polderjongen hem had uitgescholden kon hem niet veel schelen. Zo'n kerel zei het wel eens ruwer dan hij het meende. Maar de geest van het volk beviel hem niet. Die was anders dan vroeger bij de waterwerkers. Bij het graven van de Waterweg stelde iedere bemanning er een eer in om haar schip boven andere schepen uit te laten draaien. Niemand keek er naar hoe lang hij werkte. Zo lang je er niet bij neerviel hield je vol. En bij de werken in het buitenland was dat ook altijd zo geweest. De mannen van de gouden ploeg waren pik op de duiten, maar ook fel op het werk.

Hier werkten de mensen voor een weekhuur en verder liet het hen koud. Het scheen hen niet te kunnen bommen, of het werk opschoot, ja dan neen.
Waren de mensen in vijftig jaar dan zo veranderd? Of kwam het doordat de Zuiderzeewerken arbeiders uit alle oorden van het land aangetrokken hadden, zodat de Sliedrechters, Hardinxvelders en Werkendammers er slechts een klein deel van uitmaakten?

Maar dat was immers in het buitenland ook het geval geweest. Daar hadden de Sliedrechters alleen de leidende functies. Maar zij hadden negers en Brazilianen, Chinezen en Chilenen wel weten aan te vuren tot de uiterste prestaties. Zou dat nu hier niet kunnen? En zou de oude garde, waarvan die wijsneuzige ingenieur gezegd had, dat ze te oud was om nog mee te doen, niet het voorbeeld kunnen geven?

De gedachte liet hem niet los. Die avond was hij er zo mee bezig dat hij, aan Lies verstrooide antwoorden gaf en 's nachts sliep hij slecht.
De volgende dag zat hij weer op de Merwede III en op de Brabant, en de dag daarop - het was Zondag - praaide hij verschillende van zijn oude vrienden te Den Oever. "Laten wij eens tonen dat we nog stoom kunnen maken, zoals vroeger," stelde hij hun voor.

Er waren er bij die de schouders ophaalden en vonden dat de jongeren nu maar eens het spits moesten afbijten, maar van sommigen begonnen de oogjes te flikkeren. Zij wilden nog wel eens laten zien dat ze niet aftands waren.

In de nieuwe week liet Joop de Pijpekop, de bejaarde machinist van de -Sliedrecht XII, zijn kar wat harder lopen en was Kees de Kroot wat haastiger bij het leegzuigen van een bak en het doen meren van een volle voor een lege. Jan de Kikker, het bakschippertje van de 267, een oud maar kriegel kereltje, liet zijn zware onderlosser zo vlug en tegelijk secuur aanschieten bij de baggermolen, dat de sleepbootkapitein en het dekvolk op de molen zeiden: "Jij kunt het nog, Kikker."

En toen die oude kerels zich zo weerden, lieten de jonge Sliedrechters dat niet op zich zitten. Zij stroopten ook de mouwen op om er een extra schepje op te leggen.
Het werkvolk, afkomstig uit andere streken, mopperde op de Biesboschuilen, die een bevlieging kregen en sommigen scholden hen voor hielenlikkers van het kapitaal.

Maar toen de hele machinerie door het reppen van de Sliedrechters sneller begon te lopen, moesten zij wel mee. En weldra ging dat niet eens meer tegen heug en meug. De anderen lieten zich niet kisten door de brijbroeken.
Het werk schoot op bij het gat. Het ging in een tempo, zoals nog niet ontplooid was. Als alle krachten tot het uiterste werden ingespannen, scheen het toch niet geheel onmogelijk om voor de winter het gat te sluiten.

Toen werd er over de werkers aan de Middelgronden nog iets anders vaardig dan een corpsgeest, waarbij de ene groep niet voor de andere wilde onderdoen. De mannen kregen lust in het werk. Zij wilden wel eens zien wie baas was, die zee of zij. Het werd een wedstrijd zo spannend als een grote voetbalmatch. En als een springvloed of een stoker uit het Noord-westen de dijkkoppen weer weggeslagen had en de onderzeese drempel aangevreten, steeg de spanning tot haar toppunt. "Wij laten ons niet kisten," zeiden de polderjongens en zij klemden de tanden op elkaar en werkten nog langer en nog harder dan tevoren.

Wat thans gebeurde bij de Middelgronden had alles van een zware zee-slag weg. De ganse macht van Sliedrecht was samengetrokken voor het zwaarste offensief in deze aanvalsoorlog van Nederland tegen de zee.

In de achterhoede lagen de kapitale schepen. In hun gevechtstorens knerpten de kamraderen, met dof gerommel volgden de salvo's elkaar op in vaste maat. Flottieljes jagers zwermden om de slagschepen heen en rukten telkens weer met hoge vaart op naar de voorste linies om daar hun torpedo's te lanceren. In de voorhoede lagen de lichte artillerieschepen, voortdurend blootgesteld aan het geweld des vijands en ononderbroken een geducht bombardement op de vijandelijke stellingen onderhoudend.

De slag was hevig en hij duurde lang. De vierdaagse zeeslag van Michiel de Ruyter was een vluchtige ontmoeting, vergeleken bij dit treffen, dat vele weken duurde. Overdag waren de schepen in rook en damp gehuld; ,s nachts schampten felle lichten over schuim en golven. En dag en nacht rommelden de schoten en bruisten de torpedo's door het water.

Als duivels vochten bij dit offensief de polderjongens. Druipend van zweet stonden de stokers voor de vuren, die laaiden met een witte gloed. De bakschippers renden bij het meren als hazen over hun schuiten, wierpen van verre lijnen op, sloegen het staaldraad om de bolders en spanden zich in tot het uiterste om hun zware bakken uit een snelle vaart opeens stil te doen liggen. Het dekvolk van de zuigers en de molens verduurde felle kou, bij het werken aan het natte en vaak halfbevroren ijzerwerk.

De sleepbootkapiteins jongleerden met de zware bakken, die zij op sleeptouw hadden, alsof het notendopjes waren. De machinisten van de kranen lieten duizend maal hun grijpers in het keileem tuimelen om ze daarna weer leeg te storten op een dijkkop of in het sluitgat, zodat tenslotte klei en schuim voor hun ogen dwarrelden en zij dronken werden van het telkens zweven boven het snel stromend water.

Dirk Punt had nooit zoveel plezier in het werk gehad als nu. Hij hoefde niemand meer tot spoed te manen, want ieder dreef zichzelf. Het werd veeleer zijn taak om al te haastig volk te remmen. Maar des te inspannender was het de vloot van sleepboten en bakken, die in een lange linie op het sluitgat toevoer, te dirigeren naar de plaatsen waar elk schip moest wezen.

Daar kwamen onderlossers aan met keileem, die op een andere plaats hun lading moesten laten vallen dan gisteren was bepaald; ginds naderden oplossers, die nog niet wisten waar zij moesten klappen; die bak met keileem moest bij kraan 26 zijn en de gindse bij kraan 19. De bakkenzuiger Holland kon nog meer verwerken, de Friesland had te veel. De sleepboot van de onderbaas rende heen en weer langs het sluitgat en Dirk gaf zijn bevelen, soms door de megafoon, somtijds door stoten op de stoomfluit, wanneer ze ingewikkeld waren na overstappen op het schip, welks kapitein hij moest inlichten.

Dag en nacht werd doorgewerkt. Wat vroeger nooit gekund had, dat kon nu. Er was geen lichte maan meer nodig om des nachts te werken, nu elk schip een dynamo had en sterke lampen het dek verlichtten. Op de baggermolens kropen de emmers naar de bokken en schoof het keileem door de vloeigoot naar de bakken bij ros licht, dat de vette klei deed glimmen en het druipend en opspattend water schitteren deed.

Bij de zuigers bruisten gellumineerde watervallen over de boorden van de bakken. Sterke schijnwerpers op de stuurkasten der sleepboten deden de schuimtoppen der, golven spookachtig glinsteren. Maar het meest fantastisch was in duistere nachten de aanblik van de kranen, die leken op voorwereldlijke monsters, met halzen vele malen langer dan die van giraffen, cyclopenogen en bekken, wegduikend in de duistere diepten van de bakken, zwevend boven het zwarte water, en daarna opensperrend in het kolkend schuim van het sluitgat, dat wit oplichtte in de gloed der lampen.

Er werd gewerkt in ploegen. Als Dirk wilde, had hij elke avond of anders iedere morgen thuis kunnen zijn. Maar de koorts van het werk had hem te pakken, nog erger dan de anderen. Hij vocht als officier. Hij wist hoe hachelijk de strijd was. Als niet iedere man het uiterste van zijn vermogen gaf, als de officieren in de eerste plaats niet steeds op post en altijd scherp oplettend waren, ging de slag verloren. En daarom was hij op zijn post.

Dikwijls bleef hij nachten achtereen aan boord en deed slechts een kort hazenslaapje in de roef der sleepboot in een ogenblik, waarin de spanning bij het sluitgat even luwde. 's Morgens vroeg en 's avonds laat, in het holst van de nacht en op het middaguur, altijd wanneer zijn leiding nodig was, was hij present.
En dit was het wonderlijke, hij voelde geen vermoeidheid en van zijn hart had hij geen last.

Lies maakte zich bezorgd. "Dit breekt je op," zei ze tot hem. "Zulk werken houdt geen mens uit op jouw leeftijd." Dirk lachte om haar zorgen. "Ik word weer jong," zei hij. "Dit werk is het allermooiste wat ik ooit gedaan heb. Ik werk voor mijn plezier." En vrolijk stapte hij, nadat hij 's Zondags thuis geweest was, op Maandagmorgen weer voor dag en dauw de deur uit.

Het was in het kortste van de dagen en er werd nu meer bij duisternis dan overdag gewerkt. De najaarsstormen waren wonder boven wonder op die ene dag van harde wind na uitgebleven. De dichting van het sluitgat was met rasse schreden voortgegaan. Thans stond het pleit gewonnen. Nog een dag of wat, een week misschien, en het gat der Middelgronden zou gesloten zijn.

Dirk Punt was blij gestemd. Hij had nog nooit met zoveel lust gewerkt als deze laatste weken en nooit was hij met zulk een trots gevoel de overwinning tegemoet gegaan. Met wilskracht en volharding werd het onmogelijke volbracht. Wat gaf het dan dat de vermoeidheid hem plotseling weer besprongen had en dat er af en toe een felle pijnscheut door zijn hartstreek trok? De zegepraal was in het zicht. Nog even en het zou goed rusten zijn op schone lauweren, want na de sluiting van de Middelgronden was het ontwijfelbaar dat de dijk voltooid zou worden. De laatste geul, die van de Vlieter, was tam in vergelijking met de Middelgronden en de Blinde Geul.

De witte motorboot van Evert Baan, kwam op de sleepboot af. Dirk Punt herinnerde zich, hoe een week of tien geleden, die boot bij hem langszij geschoten was met het bericht dat de Middelgronden voor Kerstmis gesloten moesten zijn. Dat was het sein geweest tot die ontplooiing van werkkracht en werkdrift, waardoor het onmogelijke mogelijk was geworden.

Evert Baan stapte op de sleepboot over. Hij was gejaagd. "De Bilt heeft slecht nieuws, Dirk," zei hij. "Ze hebben ons bericht dat over twee of drie dagen er een zware storm verwacht wordt uit het Noordwesten. En dan is het net springvloed ook. De hele boel zou op het laatste nippertje nog mis kunnen gaan, tenzij we het sluitgat voor de storm losbreekt kunnen dichten."

Dirk zuchtte diep. Dit viel hem tegen. Hij had gedacht dat de beslissing reeds bevochten was en dat het er nog slechts om ging de laatste bres te sluiten achter een reeds verslagen vijand. Hij stond reeds met een been aan wal om uit te rusten na de zware strijd. En nu moest er weerslag geleverd worden; er werd een inspanning gevergd, heviger dan ooit.

Hij zag er tegen op. Dit kan ik niet, dacht hij. Ik ben aan het einde van mijn krachten. Maar hij zei het anders. "We zullen zien wat we kunnen; de jongens zijn nogal willig tegenwoordig. Misschien dat het lukt."
De jongens waren willig. Nu het gat bijna gedicht was, vertikten zij het zich te laten nemen door dat stomme water. Zij gooiden zich op het werk.

Na het vechten van de laatste weken kon dit ne schepje er nog wel bij. Niemand kwam uit de kleren. De bakschippers stonden in harde regenen bij kille Noordenwind aan het roer en bij de bolders, nat en verkleumd en somtijds mopperend op de drijverij van de heren, die zelf bij de kachel zaten en hen bij nacht en ontij werken lieten, maar rap toeschietend bij het meren aan kraanschip of aan baggermolen, en veel harder scheldend op een makker, die niet vlug genoeg hun lijn opving dan op de bazen, die onzinnig dreven.

In de duiventillen van de kranen werd het de machinisten groen en geel voor de ogen, omdat er nooit een eind kwam aan het zwaaien van hun lange armen en het bijten en spuwen van hun grijpers. Maar koppig werkten zij door en als hun handen trilden van vermoeidheid en hun blik wazig werd van het staren, zetten zij de tanden op elkaar en lieten hun grijpers nog sneller duiken in de bakken en het keileem ploffen op de koppen van de dijk. Hun wil volbracht wat lichaamskracht niet kon.

Dirk stond weer midden in de strijd. Hij wees de laatste onderlossers, die de geul bereiken konden, de plaats aan waar zij moesten lossen, hij dreef de sleepbootkapiteins tot nog meer spoed, hij klom de trappen op naar de duiventillen van de kranen om de machinisten aan te sporen tot het geven van hun laatste krachten. Hij was doodmoe, wellicht vermoeider dan n dergenen, die hij voortzweepte en dikwijls greep zijn hand naar zijn linkerborst om pijn te onderdrukken, doch zijn wil was tienmaal sterker dan zijn lichaam en hij hield dapper vol.

Er kwamen tekens dat De Bilt goed had gezien. Grauwe wolken met zwarte regenflarden dreven aan uit het Noorden. Laag schoven ze over zee, dit waren de verkenners van de strijdmacht, die de oceanen samentrokken om in n stormloop de slagorde te vernielen, die kleine mensen in hun euvelmoed hadden gesteld. De Noordzee kwam het Wad te hulp.

Er zou een golfoploop zijn van IJsland af en niets zou bestaan voor de krachten van de grote zeen, wanneer zij tussen de gaten van de eilanden door zich zouden werpen op de bres der Middelgronden.

De dreigende wolkenstoeten met de zwarte lamfers drukten Dirk. Hij week er niet voor. Hij bleef vechten, stug en koppig. Maar het blij vertrouwen van te slagen, dat hem in de laatste weken krachten had gegeven ver boven de normale maat, was thans verdwenen. Hij duchtte de nederlaag vlak voor de overwinning, en dat verlamde hem. Zijn knien knikten, zijn slapen klopten, pijn vlijmde door zijn rug en door zijn linkerborst. Zijn wilskracht hield hem nauwelijks meer overeind.

In de nanacht vr de derde dag werd hij door uitputting overmand. Hij ging omlaag. Op een leren bank strekte hij zich uit, een jas onder zijn hoofd gerold. Een ogenblik moest hij rusten. Niet slapen. Als hij maar een half uur lag, zou hij weer voort kunnen.

Dirk lag te water. Hij wilde zwemmen, maar hij kon niet. Een woeste stroom voerde hem mee, een diepe kolk zoog hem omlaag. Zijn lichaam schoot door het sluitgat, dat wijd opengereten werd door dezelfde vloed, die hem gegrepen had.
Een stoot als van een trompet, een schril alarmsein, wekte Dirk. Verwilderd keek hij om zich heen. Hij lag op de bank in het vooronder van de sleepboot. Het was een droom geweest dat hij was meegesleurd.

Een tweede stoot, lang en loeiend, volgde. Dirk luisterde er angstig naar. Wat was dat voor een sein? Er volgde een derde harde stoot.. En nu wist Dirk wat het was. Daar was de storm. Hij loeide in het tuig der sleepboot. Hij blies in felle vlagen de aanvalsmars der oceanen tegen het werk der kleine mensen. Nu moest hij op zijn post zijn voor de laatste strijd. Hij kon niet. Zijn slapen bonsden. Verlamd en angstig luisterde hij naar het krijsen van de wind. "Baas" riep een man door de koekoek in het vooronder. "Baas, het loopt mis" "Ik kom" riep Dirk terug.

Zijn angst was weg, nu de plicht hem riep. Doch zijn krachten faalden. Hij trachtte op te staan; het was alsof zijn rug zou breken. Toen hij eindelijk naast de bank stond, moest hij zich met beide handen aan de tafel steunen, krom liep hij naar het trapje; stuntelig strompelde hij het op.

Het luik wilde niet open. Hij moest zijn uiterste krachten inspannen. Toen het eindelijk schoof, klopte zijn hart zeer heftig en was hij zwaar benauwd.
Kreunend bleef hij staan, zich steunend tegen de wand van het nauwe trapgat. Hij dacht er over weer naar zijn bank terug te gaan. Wat moest een oude stumpert als hij was in de storm? Toch opende hij het luik en greep de knop van het deurtje. Een harde rukwind sloeg het uit zijn handen.

Foto van Gerben. D. Wijnja Sluisput op het Cornwerderzand

 

Foto van Gerben. D. Wijnja Cornwerderzand grote schutsluis Afsluitdijk 1931

 

Het was al schuim rondom de sleepboot. De vloed joeg door het sluitgat met ongestuime kracht. De zee vrat gulzig aan de koppen van de dijken. In het grauwe licht van de wintermorgen ontdekte Dirk dat het gat met vele meters was verwijd.
Dirk voelde geen vermoeidheid meer, noch pijn. Hij was niet krom meer.
Rechtop stond zijn gestalte in de storm.

Hij sprong over op het grootste kraanschip en commandeerde vier machinisten tegelijk met rauwe kreten en driftige gebaren. De reuzenarmen van de kranen zwaaiden naar zijn wil, hun grijpers liet keileem vallen, waar hij het eiste. Vijftig jaar van ondervinding, opgedaan in alle delen van de wereld, deed hem onfeilbaar zeker de plekken kiezen, waar het leem de sterkste weerstand aan de zee zou bieden.

Sinds Dirk opnieuw de leiding had, ging geen duim terrein verloren, ofschoon stroom en storm met de minuut vermeerderden in kracht.

Evert Baan kwam. Hij was zeer onrustig. "De storm zal in de loop van de dag voortdurend zwaarder worden, meldt De Bilt. Vanavond of vannacht passeert de kern van de depressie."
"Dan zijn we dicht," verklaarde Dirk, zonder Baan aan te zien, want hij moest seinen naar de machinist van kraan 12.
"Ben je daar zeker van?" vroeg Baan verrast.
"Subiet, meneer!" zei Dirk, terwijl zijn arm de machinist van kraan 19 de plaats wees waar hij storten moest.

Baan keek Dirk van terzijde aan. Schraal was hij, grauw, met diepe rimpels in het voorhoofd en kerven, als van pijn van mond naar kin. Een zwakke oude man. Maar in zijn ogen gloeide vuur en zijn gebaren waren sterk en zeker.

De golven bruisten tegen de flanken van het kraanschip en stortten over het dek. Schuim en spatten regenden over de oude man, die op de plecht stond. Soms schudde hij zich als een hond om het water kwijt te worden.

Maar hij werkte door met rauwe kreten en haastige gebaren. De storm zwol aan. De sleepboten, die volle bakken naar de kranen sleepten, sprongen als jonge bokken op de golven. Soms dreigde een volle bak, meegesleept door storm en stroom, een kraanschip te rammen. De palen, waarmee de pontons hecht verankerd waren, schudden van het geweld van het water.

Het was feitelijk onwerkbaar weer. Maar Dirk aanvaardde alle risico's. Hij wilde niet capituleren tijdens de eindslag. Het was of de kleine man op de voorplecht van het kraanschip met zijn schorre stem en drukke armgebaren alleen vocht tegen het geweld der zee. Of hij de volle bakken naar zich toetrok; of zijn armen het keileem uit de bakken tilden en stortten in de stroom. Dirk sloot het gat.

Want de ruimte, waar het water heerste, kromp, hoe woest de zee ook vechten mocht. De vloed werd in zijn loop gestuit; de storm kon geen nieuwe gaten slaan. De Middelgronden gingen dicht. Een smalle heuvel wees de plaats aan, waar het sluitgat was gesloten.

Sluiting Middelgronden

 

Nog was het Dirk niet genoeg. Hij wenste zekerheid dat de storm straks geen nieuwe bres zou breken. De smalle dam moest breed en stevig zijn. Hij werkte voort, totdat hij eindelijk zijn hand hoog ophief: Nu is het genoeg.

Toen snerpten de sirenes van vier kraanschepen boven het loeien van de wind en het bruisen van de golven uit. De stoomfluiten van sleepboten en zuigers namen het geschal der overwinning over. Het werd een rauw en schril concert op die donkere Decemberdag bij het gesloten sluitgat van de Middelgronden.

Evert Baan voer met zijn motorboot naar het kraanschip, op welks plecht Dirk Punt, zijn overwinning had bevochten. De kleine man stond niet meer op het dek, Baan, zag er niemand, en daarom zwenkte hij naar de sleepboot van de onderbaas. Doch de kapitein zei dat Dirk nog op het kraanschip was.

Toen voer Baan weer terug en nu stond op het dek van het kraanschip een man verschrikt te zwaaien. "Komt u eens hier! De onderbaas is niet in orde'"
In het volksverblijf lag Dirk op een bank: klein, grauw, een bloedeloos gelaat onder dun grijs haar, een smalle mond en ingevallen wangen, bespat met slik en vol grijze stoppels van een baard van vele dagen. Men kon niet zien of het een mens was of een lijk.

Baan liet het lichaam aan boord van zijn schip dragen. Vervolgens rende het directievaartuig op uiterste vermogen over de holle zee naar Wieringen.
Toen zij de haven van Den Oever binnenliepen, stonden de leiders van de Zuiderzeewerken te wachten.

"Verloren spel?" vroegen zij aan Baan bij het zien van diens bedrukt gezicht. "Het gat is dicht," gaf Baan ten antwoord, "maar ik geloof dat het de man, die het dicht gegooid heeft, het leven heeft gekost.". "Haal dadelijk een dokter!" beval de directeur.

De dokter kwam. Hij lichtte een ooglid, luisterde met een stethoscoop; hield een vloeitje bij de neus. "Hij leeft," was zijn bevinding. "Maar daar is alles mee gezegd."
Dirk werd naar de ark gedragen. Lies werd krijtwit, toen zij de brancard zag komen, maar op het ogenblik dat zij Dirk helpen moest, had zij zich hersteld. Ze ontkleedde en wies hem en wachtte daarna naast zijn bed.

Het was laat, toen zijn ogen opengingen. Zijn blik dwaalde zoekend rond. In schrik vertrok zijn grauw gelaat, toen een felle windstoot gierde om de ark.  "Je bent thuis," zei ze, zich over hem heen buigend. Hij zag haar aan, herkende haar, een flauwe glimlach kwam er om zijn mond. "Hoe is het daar?" vroeg hij daarna met zwakke stem. "De dijk is dicht," vertelde zij. Toen gloorde er een lichtje in zijn doffe ogen; hij schikte zich op het kussen en ging slapen.

MEDE-ARBEIDER GODS

Dirk Punt keek uit een venster van zijn ark de polder over. Het was een stralende lentemorgen. De zon heerste uitbundig over het nieuwe land. Het jonge koren stond mals groen op de velden, in frisse klaverweiden graasde, dartel na de lange staltijd, zwartbont vee, de grote schuren van de nieuwe boerderijen staken boven de akkers en de weiden uit, als waren het volbezeilde schepen, die voeren op een groene zee. Dirk keek er naar en hij werd warm van binnen.

Dat wij dit nu gemaakt hebben, prevelde hij voor zich heen, dit goede, vruchtbare land. Dat wij, mannen van Sliedrecht, dit boven water hebben mogen halen. Ze hebben het dan over een goddelijk beroep. Dit is een goddelijk beroep. Dit maken van nieuw land is hetzelfde als wat God gedaan heeft bij de schepping van de wereld...

"Man, etenstijd" riep Lies achter zijn rug. Dirk schikte zich aan tafel voor het ontbijt.
Na het eten nam hij de huis-Bijbel. Ze waren met de dagelijkse schriftlezing ergens in de kleine profeten, maar hij sloeg ditmaal de eerste bladzij van de bijbel op. Genesis 1 las hij. Hij kwam bij vers negen: ....En God zeide: dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden en dat het droge gezien worde! En het was alzo.

Ditzelfde was nu hier geschied. De mannen van Sliedrecht, Biesboschuilen, grof volk, met gelooide en getaande koppen, met altijd stoppelige wangen en dikwijls rood ontstoken ogen, kerels met handen als kolenschoppen, in lieslaarzen en doorgaans grijs van slik, dat volk had o, heel in het klein hetzelfde mogen doen wat God gedaan had op de derde scheppingsdag.

Hij las verder: . . . .En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard....
. . . .En God schiep. . .. alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard.. .. En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard. . . .

In het nieuwe land, waarin hij woonde, was het zo. De weiden waren mals; het winterkoren wies, aan de overkant van het kanaal schoten de jonge bomen van een bos omhoog. In de lucht klapwiekten meeuwen en eenden, in het jonge bos zaten patrijzen en fazanten; hazen renden dagelijks langs de ark. En in de weiden graasde het glanzende en vette vee. Hij las nog voort: . . . . En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. . . .
"Zr goed," prevelden zijn lippen na. Toen sloot hij langzaam het boek.

"Man, ga je danken?" drong Lies aan. "Jij hebt de tijd, maar ik moet opschieten." Hij vouwde de handen en beiden bogen zij het hoofd. "Here, wij danken U," bad hij, "dat Gij zo goed voor ons geweest zijt.... Dat Gij ons het voorrecht hebt gegeven mede arbeiders van U te mogen zijn. . .. En nu wij vlak voorde overwinning staan"

Lies sloeg de ogen op onder het bidden. Wat bad hij wonderlijk. Het waren anders altijd dezelfde woorden, zij prevelde ze dikwijls mee, want ze wist nauwkeurig hoe de zinnen op elkander volgden. Nu sprak hij vreemde woorden. Mede arbeider Gods Wat bedoelde hij daarmee? En die overwinning? Wist hij dat hij voor de overwinning stond? Had een mens ooit zekerheid omtrent zijn staat?

Dirk bad verder. In stamelende woorden sprak hij over het land, waar niemand zal zeggen: ik ben ziek, over een stad, waarvan God de kunstenaar en bouwmeester is.
Lies lette op hem. Zijn gelaat, dat sedert zijn ziekte altijd bleek en zwak geweest was, scheen nu verklaard. Vrede en vreugde waren er op uitgespreid.
Het was alsof zijn geest reeds dwaalde in dat andere land, of hij die schone stad al zag. Blij verwonderd zag Lies de verandering bij haar man, maar tegelijk werd ze onrustig. Geen opwinding, had de dokter gezegd, vooral geen opwinding; die is hoogst gevaarlijk voor uw man. Na het "amen" stond Dirk op, langzaam en voorzichtig, als een oud man, die zich moeilijk meer bewegen kan. Hij slofte naar het portaaltje en kwam met zijn jas terug. Lies moest hem helpen bij het aantrekken. Zij gaf hem ook de wandelstok en zij steunde hem bij het gaan over de loopplank van de ark.
"Niet te ver," vermaande zij.

Zijn stok tikte op de klinkers van de straatweg; hij liep langzaam en gebogen.
Toen hem een auto achterop reed, week hij naar de berm uit en wachtte daar. Bij de kluft, die uit de polder naar het vroegere eiland leidde, rustte hij om adem te verzamelen voor de klim.

Dit was geworden van de pientere en kriegele onderbaas, die bij de sluiting van de Blinde-Geul, de eerste viool gestreken had, en de Middelgronden op het kritieke ogenblik had dicht gegooid. De hele winter was hij ziek geweest. Pas tegen het voorjaar was hij uit zijn bed gekomen, en eerst toen de lente zacht en zonnig werd, had hij de ark mogen verlaten voor een korte wandeling. Een afgeleefde grijsaard was hij, die nimmer meer zou kunnen werken.

Lies had terug gewild naar Sliedrecht, maar Dirk had er op gestaan om hier te blijven. Wij zijn hier immers onder eigen volk, zei hij. Het is hier nog meer Sliedrecht dan op het dorp. Maar of het enkel daarom was? Lies dacht soms: het is of hij op het een of ander wacht.

Voetje voor voetje klom hij de kluft op, steunend op zijn stok. Hij kwam er, maar boven stond hij lang te hijgen met de hand op het hart. "Je bent niet veel meer, Dirk," zei hij, doch daarbij speelde een glimlach om zijn slappe mond. Hij dacht aan het land, waar niemand ziek of oud zal zijn.

Zijn weg liep langs de haven. Daar lagen, groot en grijs, kraanschepen en zandzuigers; daar voeren sleepboten in en uit. Nu moest hij feitelijk teruggaan; anders werd de wandeling te lang. Maar Dirk ging door. Er was iets dat hem onweerstaanbaar trok. Hij wandelde in de richting van de sluizen. Onderweg moest hij vele malen rusten. Hij hijgde zwaar; zijn borst zaagde. En ik moet straks het lange eind ook nog terug, bedacht hij vaag. Toch liep hij door. Vroeger had hij altijd gekund wat hij wilde. Thans gaf zijn wil ook kracht. Tot aan de sluizen liep hij door; daar ging hij zitten op een bankje uit de wind en in de zon.

Hij had hier uitzicht op de zee. Doorschijnend groen was het water en gouden vonken sloeg de zon uit de kabbelende golfjes. In de verte hing zwarte rook en flauw vaag kon Dirk daar schepen onderscheiden. Daar was de Vlieter, het sluitgat, waar thans de baggervloot was saam getrokken.

Daar werd dezelfde strijd gestreden als verleden jaar bij de Blinde Geul en bij de Middelgronden, de ltste strijd. Want met de Vlieter zou de dijk gesloten zijn.
De witte motorboot van Evert Baan voer langs de sluis. Dirk hief zijn stok op voor een groet, maar niemand gaf daar asem op. En toen zag Dirk, dat het dek vol stond met volk. Er volgden nog twee boten, ook beide vol. Het zal een excursie zijn, dacht Dirk. Er kwamen verleden jaar ook bijna dagelijks vreemdelingen naar de werken kijken.

Een sluiswachter liep naar de vlaggepaal bij het sluishuis. Hij keek het touw na en legde een opgerolde vlag op Dirk z'n bank.
"Ziezo," zei hij tot Dirk. "Daar ligt ie weer. Dit is de derde keer. Het zal wel weer voor niks zijn."
"Hoezo?" vroeg Dirk.
"De vlag moet dadelijk in top, zodra de dijk gesloten is."
"De dijk dicht? Zal dat op heden wezen?"
"Ze zeggen het. . .. Ze hebben 't al zo vaak gezegd.".

Dirk tuurde in de richting van de Vlieter. Er hing veel zwarte rook. Daar ging het dus nu net zo toe als verleden jaar eerst bij de Blinde Geul en daarna bij de Middelgronden. Daar zwaaiden de armen van de kranen boven het gat en tuimelde het keileem in het witte schuim van kolkend water. Daar werd gevochten, zoals hij verleden jaar gevochten had.

Zijn oude handen nepen trillend om zijn stok; een huivering liep langs zijn rug. De slag bij de Middelgronden leefde weer voor hem. Zoals een gladiator. tegen leeuwen had hij gevochten tegen storm en stroom. Toen kon hij vechten, nu niet meer. .
Zijn hele leven gleed aan Dirk voorbij, van de tijd af toen hij het ouderlijke huis verlaten had om te gaan werken op de zuiger aan de Waterweg.

Waarheen had sinds die tijd het waterwerk hem niet geleid! Naar Frankrijk en naar Spanje; naar bijna alle Europese landen, en later over de oceanen heen tot bijna aan het andere einde van de wereld. Kanalen gegraven, havens aangelegd. Grote gebieden ontsloten voor het verkeer.

Het werk der grauwe mannen op de grauwe schepen was groot werk geweest. Dit laatste werk het grootst. Door de mannen van Sliedrecht werd nu nieuw grondgebied bij het vaderland gevoegd. Groter dan veldheren en soldaten waren zij. Veroveraars stalen land, zij schiepen het, zoals God eenmaal had geschapen. Mede-arbeiders Gods waren zij in de allerschoonste zin.

De sluiswachter had het touw ontward en de lus van de vlag er aan gebonden.
,,Dat zit," zei hij, "straks haal ik hem wel weer weg, want het lukt ze toch niet, daar bij het gat." Dirk keek in spanning naar de zwarte wolken bij de Vlieter. Als zich daar witte stoom in mengde van de fluiten, die de victorie van de waterwerkers uitbazuinen zouden, dan zou de dijk gesloten zijn.

Het duurde lang. Dirk's ogen knipperden en traanden. Hij moest naar huis.
Veel te ver had hij zijn wandeling uitgestrekt en veel te lang bleef hij hier wachten. Hij moest naar bed..."Het is al kenterend tij geweest," zei de sluisknecht. "Er komt weer niets van, zie je wel? Het lukt ze nooit. Ik geef dit baantje er aan; ik word weer visser op de Zuiderzee." Dirk beefde. Zou het zo zijn? Zou Sliedrecht falen vlak vr de overwinning? Hij wist hoe het verleden jaar bij de Middelgronden was gegaan.

1932: Eerst is een dijk gelegd van Noord-Holland naar Wieringen, bij het aanleggen van de grote dijk tussen Wieringen en Friesland begon men van beide uiteinden naar het midden toe te werken. Thans staat op de afgebeelde plaats een monument met als opschrift: Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst.

 

Het sluiten van de Vlieter, waardoor de verbinding Holland-Friesland tot stand kwam.

 

Hand op zijn kant was daar de slag gewonnen, alleen doordat elke werker het aller-uiterste van zijn vermogen had gegeven. Hij had toen het volk bezield. Nu zat hij hier, een versleten, zieke man. En wie zweepte bij de Vlieter het volk op tot de laatste krachtsinspanning, die de beslissing brengen moest?

Dirk's lippen beefden; zijn handen schudden; hij drukte een hand op het hart. Hij mocht zich niet druk maken. Hij moest er niet aan denken, hoe het nu bij de Vlieter spande. Hij sloot de ogen, omdat hij duizelig werd.

Maar des te levendiger stond het tafereel van zwaaiende kranen en grijpers, die keileem in de stroom wierpen, hem voor de geest. Het was hem of hijzelf weer op de plecht van een kraanschip stond te commanderen. Of hij met eigen hand de armen van vier kranen zwaaien deed en keileem smeet in het sluitgat. Hij hijgde zwaar.

Dirk opende zijn ogen. Hij zag een kleine witte wolk te midden van de zwarte rook bij het sluitgat. "Kijk," zei hij tegen de sluiswachter. "Kijk!"
De man haaide de schouders op. "Daar blaast een machinist wat stoom af."
Doch Dirk zag nog een witte wolk en nog een. Hij stond op, klom op de bank.

Veel witte pluimen stegen op; scherp stonden ze getekend tegen de zwarte rook daarachter. "De dijk is dicht!" schreeuwde hij met schorre, overslaande stem. "Victorie!" De wachter kon het nog niet geloven. Hij talmde met zijn vlag. Op de toren van Den Oever, ging een vlag omhoog; op die van Oosterland, op die van Hippolytushoef. Een auto suisde van de afsluitdijk het eiland op.

"De dijk is dicht!" riep de chauffeur uit het portierraam. Toen hees de sluiswachter de vlag. In top ontplooide zich het dundoek feestelijk in de wind.
"Wel, ouwe baggerman," zei de sluisknecht, terwijl hij het touw vastknoopte, "gelukgewenst! Jullie hebben het maar best gefikst."
 

Hij kreeg geen antwoord.


Toen het touw vast zat draaide hij zich om. Dirk lag naast de bank in het gras.
De man vloog om een dokter. Toen die kwam was Dirk Punt al dood. "Hartverlamming," zei de dokter. "Kan hij geschrokken zijn?"
"Neen," zei de sluisknecht, "er was niets om van te schrikken op dat ogenblik. Het was toen ik de vlag hees voor de sluiting van het gat."

 

"Dan heeft de blijdschap hem geschokt," besloot de dokter, die Dirk bij zijn vorige hartaanval en in zijn ziekte ook behandeld had. De sluisknecht keek van het dode lichaam naar de vlag, die vrolijk klapperde. "Dat is toch te gek, h dokter, te vlaggen bij een lijk. Zou ik hem maar niet strijken?" "Niet doen"was het oordeel van de dokter. "Laat waaien van top. Die vlag waait eigenlijk ter ere van hem."
 

Op zijn motorfiets reed de dokter naar de ark om Lies te zeggen dat haar man gestorven was.
Zij neep de lippen op elkaar, toen zij de boodschap kreeg. Ze had reeds lang geweten dat plotseling het einde komen kon. Zijn lange wegblijven had haar vandaag zeer ongerust gemaakt. Zij had steeds moeten denken aan zijn wonderlijk gebed. Ze had er zich op voorbereid dat hem iets overkomen was.

 

Doch nu ze het van de dokter hoorde, greep het haar toch aan.
Roerloos zat ze in haar hoekje, het hoofd gebogen, de handen in de schoot.
"Dood," mompelde ze. "Dirk is dood. De vlaggen wapperen. De dijk is dicht.
Hij had het graag willen beleven. Hij heeft daar feitelijk op gewacht."
"Hij heeft het beleefd," zei de dokter. "De vreugde over de sluiting van de Vlieter is zijn dood geweest."


Toen vleugde er een glimlach om Lies' oude mond. "Nu begrijp ik zijn gebed," zei ze. "Hij had het overeen overwinning, die aanstaande was."
"Die zegepraal heeft hij behaald," zeide de dokter. "Hij is als overwinnaar bij de vlag gestorven."


Lies knikte. "Dat moet wat groots voor hem geweest zijn," sprak ze voor zich heen, "dat hij zijn werk bekroond zag...Maar er was meer. Vanmorgen heeft hij gesproken van een andere overwinning, van een hemels vaderland, van de eeuwige stad. Het was of hij die stad reeds zag, of hij reeds in dat vaderland was aangekomen. . ."
"Nu is hij er" zeide de dokter.

 

Gedenksteen aan het monument - Afsluitdijk.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.