|
Mannen van Sliedrecht.
|
1 |
2 |
3 |

MEDE-ARBEIDER GODS
Dirk Punt keek uit een venster van zijn ark de
polder over. Het was een stralende lentemorgen. De
zon heerste uitbundig over
het nieuwe land. Het jonge koren stond mals groen op
de velden, in frisse klaverweiden graasde, dartel na
de lange staltijd,
zwartbont vee, de grote schuren van de nieuwe
boerderijen staken boven de akkers en de weiden uit,
als waren het volbezeilde
schepen, die voeren op een groene zee. Dirk keek er
naar en hij werd warm van binnen. Dat wij dit nu
gemaakt hebben, prevelde hij voor zich heen, dit
goede, vruchtbare land. Dat wij, mannen van
Sliedrecht, dit boven water hebben mogen halen. Ze
hebben het dan over een goddelijk beroep. Dit is een
goddelijk beroep. Dit maken van nieuw land is
hetzelfde als wat God gedaan heeft bij de schepping
van de wereld...
"Man, etenstijd" riep Lies achter zijn rug. Dirk
schikte zich aan tafel voor het ontbijt.
Na het eten nam hij de huis-Bijbel. Ze waren met de
dagelijkse schriftlezing ergens in de kleine
profeten, maar hij sloeg ditmaal de eerste bladzij
van de bijbel op. Genesis 1 las hij.
Hij kwam bij vers negen:
....En God zeide: dat de wateren van onder de hemel
in een plaats vergaderd worden en dat het droge
gezien worde! En het was alzo. . ..
Ditzelfde was nu hier geschied. De mannen van
Sliedrecht, Biesboschuilen, grof volk, met gelooide
en getaande koppen, met altijd stoppelige wangen en
dikwijls rood ontstoken ogen, kerels met handen als
kolenschoppen, in lieslaarzen en doorgaans grijs van
slik, dat volk had o, heel in het klein hetzelfde
mogen doen wat God gedaan had op de derde
scheppingsdag.
Hij las verder: . . . .En de aarde bracht voort
grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en
vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar
zijn aard....
. . . .En God schiep. . .. alle gevleugeld gevogelte
naar zijn aard.. .. En God maakte het wild gedierte
der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard.
. . .
In het nieuwe land, waarin hij woonde, was het zo.
De weiden waren mals; het winterkoren wies, aan de
overkant van het kanaal schoten de jonge bomen van
een bos omhoog. In de lucht klapwiekten meeuwen en
eenden, in het jonge bos zaten patrijzen en
fazanten; hazen renden dagelijks langs de ark. En in
de weiden graasde het glanzende en vette vee.
Hij las nog voort: . . . .En God zag al wat Hij
gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. . . .
"Zéér goed," prevelden zijn lippen na. Toen sloot
hij langzaam het boek.
"Man,
ga je danken?" drong Lies aan. "Jij hebt de tijd,
maar ik moet opschieten." Hij vouwde de handen en
beiden bogen zij het hoofd.
"Here, wij danken U," bad hij, "dat Gij zo goed voor
ons geweest zijt....
Dat Gij ons het voorrecht hebt gegeven mede
arbeiders van U te mogen zijn. . .. En nu wij vlak
voorde overwinning staan"
Lies sloeg de ogen op onder het bidden. Wat bad hij
wonderlijk. Het waren anders altijd dezelfde
woorden, zij prevelde ze dikwijls mee, want ze wist
nauwkeurig hoe de zinnen op elkander volgden. Nu
sprak hij
vreemde woorden. Mede arbeider Gods Wat bedoelde hij
daarmee?
En die overwinning? Wist hij dat hij voor de
overwinning stond? Had een mens ooit zekerheid
omtrent zijn staat?
Dirk bad verder. In stamelende woorden sprak hij
over het land, waar niemand zal zeggen: ik ben ziek,
over een stad, waarvan God de kunstenaar en
bouwmeester is.
Lies lette op hem. Zijn gelaat, dat sedert zijn
ziekte altijd bleek en zwak geweest was, scheen nu
verklaard. Vrede en vreugde waren er op uitgespreid.
Het was alsof zijn geest reeds dwaalde in dat andere
land, of hij die schone stad al zag. Blij verwonderd
zag Lies de verandering bij haar man, maar tegelijk
werd ze onrustig. Geen opwinding, had de dokter
gezegd, vooral geen opwinding; die is hoogst
gevaarlijk voor uw man. Na het "amen" stond Dirk op,
langzaam en voorzichtig, als een oud man, die zich
moeilijk meer bewegen kan. Hij slofte naar het
portaaltje en kwam met zijn jas terug. Lies moest
hem helpen bij het aantrekken. Zij gaf hem ook de
wandelstok en zij steunde hem bij het gaan over de
loopplank van de ark.
"Niet te ver," vermaande zij.
Zijn stok tikte op de klinkers van de straatweg; hij
liep langzaam en gebogen.
Toen hem een auto achterop reed, week hij naar de
berm uit en wachtte daar. Bij de kluft, die uit de
polder naar het vroegere eiland leidde, rustte hij
om adem te verzamelen voor de klim.
Dit was geworden van de pientere en kriegele
onderbaas, die bij de sluiting van de Blinde-Geul, de
eerste viool gestreken had, en de Middelgronden op
het kritieke ogenblik had dicht gegooid. De hele
winter was hij ziek geweest.
Pas tegen het voorjaar was hij uit zijn bed gekomen,
en eerst toen de lente zacht en zonnig werd, had hij
de ark mogen verlaten voor een korte wandeling. Een
afgeleefde grijsaard was hij, die nimmer meer zou
kunnen werken.
Lies had terug gewild naar Sliedrecht, maar Dirk had
er op gestaan om hier te blijven. Wij zijn hier
immers onder eigen volk, zei hij. Het is hier nog
meer Sliedrecht dan op het dorp. Maar of het enkel
daarom was? Lies dacht soms: het is of hij op het
een of ander wacht.
Voetje voor voetje klom hij de kluft op, steunend op
zijn stok. Hij kwam er, maar boven stond hij lang te
hijgen met de hand op het hart. "Je bent niet veel
meer, Dirk," zei hij, doch daarbij speelde een
glimlach om zijn slappe mond. Hij dacht aan het
land, waar niemand ziek of oud zal zijn.
Zijn weg liep langs de haven. Daar lagen, groot en
grijs, kraanschepen en zandzuigers; daar voeren
sleepboten in en uit.
Nu moest hij feitelijk teruggaan; anders werd de
wandeling te lang. Maar Dirk ging door. Er was iets
dat hem onweerstaanbaar trok. Hij wandelde in de
richting van de sluizen. Onderweg moest hij vele
malen rusten. Hij hijgde zwaar; zijn borst zaagde.
En ik moet straks het lange eind ook nog terug,
bedacht hij vaag. Toch liep hij door. Vroeger had
hij altijd gekund
wat hij wilde. Thans gaf zijn wil ook kracht. Tot
aan de sluizen liep hij door; daar ging hij zitten
öp een bankje uit de wind en in de zon.


Hij had hier uitzicht op de zee. Doorschijnend groen
was het water en gouden vonken sloeg de zon uit de
kabbelende golfjes. In de verte hing zwarte rook en
flauw vaag kon Dirk daar schepen onderscheiden. Daar
was de Vlieter, het sluitgat, waar thans de
baggervloot was saam getrokken.
Daar werd dezelfde strijd gestreden als verleden
jaar bij de Blinde Geul en bij de Middelgronden, de
láátste strijd. Want met de Vlieter zou de dijk
gesloten zijn.
De witte motorboot van Evert Baan voer langs de
sluis. Dirk hief zijn stok op voor een groet, maar
niemand gaf daar asem op. En toen zag Dirk, dat het
dek vol stond met volk. Er volgden nog twee boten,
ook beide vol. Het zal een excursie zijn, dacht
Dirk. Er kwamen verleden jaar ook bijna dagelijks
vreemdelingen naar de werken kijken.
Een sluiswachter liep naar de vlaggepaal bij het
sluishuis. Hij keek het touw na en legde een
opgerolde vlag op Dirk z'n bank.
"Ziezo," zei hij tot Dirk. "Daar ligt ie weer. Dit
is de derde keer. Het zal wel weer voor niks zijn."
"Hoezo?" vroeg Dirk.
"De vlag moet dadelijk in top, zodra de dijk
gesloten is."
"De dijk dicht? Zal dat op heden wezen?"
"Ze zeggen het. . .. Ze hebben 't al zo vaak
gezegd.".
Dirk tuurde in de richting van de Vlieter. Er hing
veel zwarte rook. Daar ging het dus nu net zo toe
als verleden jaar eerst bij de Blinde Geul en daarna
bij de Middelgronden. Daar zwaaiden de armen van de
kranen boven het gat en tuimelde het keileem in het
witte schuim van kolkend water. Daar werd gevochten,
zoals hij verleden jaar gevochten had. Zijn oude
handen nepen trillend om zijn stok; een huivering
liep langs zijn rug. De slag bij de Middelgronden
leefde weer voor hem. Zoals een gladiator. tegen
leeuwen had hij gevochten tegen storm en stroom.
Toen kon hij vechten, nu niet meer. .
Zijn hele leven gleed aan Dirk voorbij, van de tijd
af toen hij het ouderlijke huis verlaten had om te
gaan werken op de zuiger aan de Waterweg.
Waarheen had sinds die tijd het waterwerk hem niet
geleid! Naar Frankrijk en naar Spanje; naar bijna
alle Europese landen, en later over de oceanen heen
tot bijna aan het andere einde van de wereld.
Kanalen gegraven, havens aangelegd. Grote gebieden
ontsloten voor het verkeer. Het werk der grauwe
mannen op de grauwe schepen was groot werk geweest.
Dit laatste werk het grootst. Door de mannen van
Sliedrecht werd nu nieuw grondgebied bij het
vaderland gevoegd. Groter dan veldheren en soldaten
waren zij. Veroveraars stalen land, zij schiepen
het, zoals God eenmaal had geschapen. Mede-arbeiders
Gods waren zij in de allerschoonste zin.
De sluiswachter had het touw ontward en de lus van
de vlag er aan gebonden.
,,Dat zit," zei hij, "straks haal ik hem wel weer
weg, want het lukt ze toch niet, daar bij het gat."
Dirk keek in spanning naar de zwarte wolken bij de
Vlieter. Als zich daar witte stoom in mengde van de
fluiten, die de victorie van de waterwerkers
uitbazuinen zouden, dan zou de dijk gesloten zijn.
Het duurde lang. Dirk's ogen knipperden en traanden.
Hij moest naar huis.
Veel te ver had hij zijn wandeling uitgestrekt en
veel te lang bleef hij hier wachten. Hij moest naar
bed.
"Het is al kenterend tij geweest," zei de
sluisknecht. "Er komt weer niets van, zie je wel?
Het lukt ze nooit. Ik geef dit baantje er aan; ik
word weer visser op de Zuiderzee."
Dirk beefde. Zou het zo zijn? Zou Sliedrecht falen
vlak vóór de overwinning?
Hij wist hoe het verleden jaar bij de Middelgronden
was gegaan.

1932: Eerst is een dijk gelegd van Noord-Holland
naar Wieringen, bij het aanleggen van de grote dijk
tussen Wieringen en Friesland begon men van beide
uiteinden naar het midden toe te werken. Thans staat
op de afgebeelde plaats een monument met als
opschrift: Een volk dat leeft, bouwt aan zijn
toekomst.

Hand op zijn kant was daar de slag gewonnen, alleen
doordat elke werker het aller-uiterste van zijn
vermogen had gegeven. Hij had toen het volk bezield.
Nu zat hij hier, een versleten, zieke man. En wie
zweepte bij de Vlieter het volk op tot de laatste
krachtsinspanning, die de beslissing brengen moest?
Dirk's lippen beefden; zijn handen schudden; hij
drukte een hand op het hart. Hij mocht zich niet
druk maken. Hij moest er niet aan denken, hoe het nu
bij de Vlieter spande. Hij sloot de ogen, omdat hij
duizelig werd.
Maar des te levendiger stond het tafereel van
zwaaiende kranen en grijpers, die keileem in de
stroom wierpen, hem voor de geest. Het was hem of
hijzelf weer op de plecht van een kraanschip stond
te commanderen. Of hij met eigen hand de armen van
vier kranen zwaaien deed en keileem smeet in het
sluitgat. Hij hijgde zwaar.
Dirk opende zijn ogen. Hij zag een kleine witte wolk
te midden van de zwarte rook bij het sluitgat.
"Kijk," zei hij tegen de sluiswachter. "Kijk!"
De man haaide de schouders op. "Daar blaast een
machinist wat stoom af."
Doch Dirk zag nog een witte wolk en nog een. Hij
stond op, klom op de bank. Veel witte pluimen stegen
op; scherp stonden ze getekend tegen de zwarte rook
daarachter. "De dijk is dicht!" schreeuwde hij met
schorre, overslaande stem. "Victorie!"
De wachter kon het nog niet geloven. Hij talmde met
zijn vlag.
Op de toren van Den Oever, ging een vlag omhoog; op
die van Oosterland, op die van Hippolytushoef. Een
auto suisde van de afsluitdijk het eiland op.
"De
dijk is dicht!" riep de chauffeur uit het
portierraam.
Toen hees de sluiswachter de vlag. In top ontplooide
zich het dundoek feestelijk in de wind.
"Wel, ouwe baggerman," zei de sluisknecht, terwijl
hij het touw vastknoopte, "gelukgewenst! Jullie
hebben het maar best gefikst."
Hij kreeg geen antwoord.
Toen het touw vast zat draaide hij zich om.
Dirk lag naast de bank in het gras.
De man vloog om een dokter. Toen die kwam was Dirk
Punt al dood.
"Hartverlamming," zei de dokter. "Kan hij
geschrokken zijn?"
"Neen," zei de sluisknecht, "er was niets om van te
schrikken op dat ogenblik.
Het was toen ik de vlag hees voor de sluiting van
het gat."

Het sluiten van de Vlieter,
waardoor de verbinding Holland-Friesland tot stand kwam.
"Dan heeft de blijdschap hem geschokt," besloot de
dokter, die Dirk bij zijn vorige hartaanval en in
zijn ziekte ook behandeld had.
De sluisknecht keek van het dode lichaam naar de
vlag, die vrolijk klapperde.
"Dat is toch te gek, hè dokter, te vlaggen bij een
lijk. Zou ik hem maar niet strijken?"
"Niet doen"was het oordeel van de dokter. "Laat
waaien van top. Die vlag waait eigenlijk ter ere van
hem."
Op zijn motorfiets reed de dokter naar de ark om
Lies te zeggen dat haar man gestorven was.
Zij neep de lippen op elkaar, toen zij de boodschap
kreeg. Ze had reeds
lang geweten dat plotseling het einde komen kon.
Zijn lange wegblijven had haar vandaag zeer ongerust
gemaakt. Zij had steeds moeten denken aan zijn
wonderlijk gebed. Ze had er zich op voorbereid dat
hem iets overkomen was.
Doch nu ze het van de dokter hoorde, greep het haar
toch aan.
Roerloos zat ze in haar hoekje, het hoofd gebogen,
de handen in de schoot.
"Dood," mompelde ze. "Dirk is dood. De vlaggen
wapperen. De dijk is dicht.
Hij had het graag willen beleven. Hij heeft daar
feitelijk op gewacht."
"Hij heeft het beleefd," zei de dokter. "De vreugde
over de sluiting van de Vlieter is zijn dood
geweest."
Toen vleugde er een glimlach om Lies' oude mond. "Nu
begrijp ik zijn gebed," zei ze. "Hij had het overeen
overwinning, die aanstaande was."
"Die zegepraal heeft hij behaald," zeide de dokter.
"Hij is als overwinnaar bij de vlag gestorven."
Lies knikte. "Dat moet wat groots voor hem geweest
zijn," sprak ze voor zich heen, "dat hij zijn werk
bekroond zag...Maar er was meer. Vanmorgen heeft
hij gesproken van een andere overwinning, van een
hemels vaderland, van de eeuwige stad. Het was of
hij die stad reeds zag, of hij reeds in dat
vaderland was aangekomen. . ."
"Nu is hij er" zeide de dokter.

Gedenksteen aan het
monument - Afsluitdijk.



 |