|
Memoires van Marten Rottiné.

Mijn moeder was een
dochter van Jouke Wagenmakers en Janke Duit. Ze woonden
in de Beneden Schans in de Lemmer. Mijn grootvader was
klokkenmaker en fietsmaker. Boven had hij de werkplaats,
daar was ook een groot aandrijfwiel voor de slijperij,
dat moest je met de voet in beweging brengen. Dat vonden
we leuk werk en we gingen daarom ook vaak naar boven.
Oom Pieter, een broer van mijn moeder, was postbode in
Lemmer en Omstreken. In zijn vrije tijd hielp hij
grootvader. Grootvader was ook in dienst bij de Gemeente
Lemsterland om de klok in de toren bij de Hervormde Kerk
te onderhouden en geregeld het uurwerk op te winden. ’t
Was toen zo, en het is nu nog zo, dat de torens bij de
Hervormde kerken eigendom van de plaatselijke Gemeenten
zijn en onderhouden moeten worden. Ook het luiden van de
klok en op feestdagen de vlag uitsteken, behoort tot hun
taak. De Hervormde kerken zijn eigendom van de
Kerkelijke Gemeenten. Ook met begrafenissen moest
grootvader de klok luiden. Oom Pieter hielp hem daarbij.
In die tijd werd de
overledene meestal naar het kerkhof gedragen. Je had dan
een dubbel stel dragers die onderweg wisselden, want
soms moest men van een heel eind weg komen.Toen het
grootvader te zwaar werd om dagelijks naar boven in de
toren te gaan om het uurwerk op te winden, kreeg oom
Pieter dispensatie om naast zijn dienst bij de
posterijen, de taak van wat de torenklok van de Gemeente
Lemsterland betrof, over te nemen.Toen oom Pieter eens
een paar dagen met vakantie ging, vroeg hij mij of ik
een paar dagen voor de torenklok wou zorgen. Ik zag er
erg tegenop omdat ik hoogtevrees had. Afijn, dat kon je
nog omzeilen door niet door de galmgaten te kijken. Maar
achter huis in de Parkstraat had ik precies het oog op
de toren. Dus elke keer als ik naar buiten ging, keek ik
of de klok wel goed bij de tijd liep, en telde ik de
slagen of die overeenkwamen met de tijd. Wat was ik blij
dat mijn oom weer thuis was.
Grootmoeder Janke was een
allerliefst gelovig mensje. Toen we klein waren gingen
we iedere zondag na de kerkdienst bij hen op bezoek, we
kregen dan een snoepje, en later toen we ouder werden
een klein sigaartje. Het was een gezellig mensje. In de
kamer waren twee bedsteden.
Bovenin sliepen ze, en
onder was ruimte om voor de winter wat op te slaan. Ze
hadden meestal wat sterappels, dat waren van die
appeltjes die je eerst op ging wrijven en die dan zo’n
mooi rood wangetje hadden. En ze roken ook zo heerlijk.
Door de week had ze een kanten muts op het hoofd, en ’s
zondags, of als het een bijzondere feestdag was, dan
werd het gouden oorijzer opgezet.
Wij waren de eerste
kleinkinderen, zo kwam het dat we de eerste jaren met
Sint Nicolaas presentjes kregen. Ze kwamen dan met z’n
drieën, grootvader, grootmoeder en tante Antje, een
zuster van moeder. Ze hadden dan een grote mand tussen
hen in. Eén kadootje kan ik me nog heel goed herinneren,
dat was een doos met alle soorten beesten die je om en
bij de boerderij kunt vinden. Jammer dat het niet
bewaard is gebleven.

Naast onze grootouders
woonde een joodse familie, Simon Jakobs, Mientje en
Mietje, een broer en twee zussen. Ze hadden een klein
winkeltje met galanterieën, daar kon je ook vodden
inleveren, waarvoor je dan een kop of schotel kreeg. Het
waren al oude mensen. Simon ging venten met een kar naar
de buitendorpen. Ik zie hem nog sloffen op het Westend
(weg van Lemmer naar Oosterzee). Ze hadden naast hun
huis de joodse synagoge, maar ik kan me niet herinneren
dat die nog in gebruik was, er waren toen ook nog maar
een paar joodse families in de Lemmer. Als het sabbat
was dan mochten ze niets doen, zelfs de lamp opsteken
(petroleumlamp) werd door grootvader of oom Pieter
gedaan.
Tegen Pasen als ze de
uittocht van Israël uit Egypte vierden, dan bakten ze
ongezuurde koeken, en ze brachten mijn grootouders daar
ook van. Het waren van die flinterdunne koeken, wij
mochten er ook van proeven. De ellende van de oorlog en
de haat tegen de joden is hun gespaard gebleven. Ze
liggen op de joodse begraafplaats te Tacozijl begraven.
In die tijd liepen we
altijd op klompen. We kochten ze dan bij Jaantje, die
woonde aan de Nieuwburen, ze was naar ik meen weduwe. We
kochten dan witte klompen, die waren goedkoper dan
zwartgelakte, en zat er dan ook nog een knoest in het
hout dan waren ze nog een paar centen goedkoper. We
gingen dan met de klompen naar Pake Jouke en die
bestreek ze dan met carboleum. En om ze zo lang mogelijk
te kunnen dragen, werden tegen slijtage er ook nog
strippen van een oude fietsband ondergezet. Soms werd
een ruzie onder de jeugd met klompen uitgevochten en dat
werd dan meestal brokken, en dat was een dure zaak.
Mijn vader repareerde zelf
de schoenen die we ’s zondags droegen. Het materiaal
werd gekocht bij schoenmaker Euverman. Als ik zo bezig
ben, dan sta je versteld van wat wij in ons leven al
hebben meegemaakt. In mijn jongensjaren hadden we geen
elektrisch, geen waterleiding, geen gas.
’t Was dus als het donker
was aarde nacht. Daarom waren er ook heel veel mensen
die spoken zagen, en hele verhalen vertelden over wat ze
meegemaakt hadden. Ze zagen dan ’s avonds al wat wit
was, bijvoorbeeld een laken aan de lijn, voor een geest
aan. Een hek aan de weg van Lemmer naar Kuinre had de
naam: Spoekes hikke (spookhek). Daar moest je ’s avonds
niet om twaalf uur door gaan, want dan ging hij vanzelf
knarsend open. We hadden petroleum voor de lampen. Als
we naar bed gingen dan hadden we een klein lampje, dat
bleef de hele nacht branden. Als het eens gebeurde dat
het niet bijgevuld was met petroleum, dan werd er vast
wel een van de kinderen wakker, en midden in de nacht
werd het dan bijgevuld. Turf of hout stookten we in de
kachel. Als de waterbak bij huis leeg was, dan haalden
we water uit de waterbak bij de Hervormde kerk, voor een
paar centen kon je dan emmers of bussen water krijgen.
We mochten dan vaak voor een uurtje een paar melkbussen
bij melkboer Jongsma lenen, later kwam er wel een tank
met water, ik meen vanuit Sneek. Op een gegeven moment
kon je cokes krijgen bij de gasfabriek voor het stoken
van de kachel, en toen werd de olielamp een gaslamp. Het
was ook de tijd van de eerste vliegtuigen. Als we zaten
te eten en er kwam een vliegtuig over dan vroegen we of
we even mochten kijken.
Voor mijn gevoel was er
altijd ziekte in ons gezin. Mijn vader is lang ziek
geweest, tenslotte is hij aan een nier geopereerd.Voor
zijn trouwen was hij smidsknecht bij van Putten en Zoon
aan de Korte Streek. Later werkte hij bij de Kisten- en
Vatenfabriek in Lemmer als machinebankwerker. Hij was
een goed vakman, en daarom ook iemand die geacht werd
verstand te hebben van heel veel zaken betreffende
machinerie. Vaak moest hij ook op feestdagen zoals Paas-
of Pinkstermaandag werken, omdat ze van de firma Stork
uit Hengelo kwamen om de machines een onderhoudsbeurt te
geven, of een reparatie uit te voeren, waar hij dan bij
moest zijn. ’k Ben vaak bij mijn vader in de fabriek
geweest, het was zo’n machtig gezicht in de
machinekamer, dat grote aandrijfwiel, één en al leven en
lawaai, je moest hard schreeuwen om je verstaanbaar te
maken, en het rook er zo lekker naar olie. En was het
dan schafttijd dan moest er aan de fluit getrokken
worden, dan tilde Jan van der Wal, de stoker, mij op en
mocht ik aan de stoomfluit trekken. Je kunt begrijpen
hoe geweldig het was als je dan van alle kanten de
mensen uit de fabriek zag komen, dat had ik dan toch
maar gedaan.
Ik weet nog dat mijn
vriend Renze Fleer met mij naar de fabriek gegaan was,
we speelden in het stookhok, daar kwam het zaagsel uit
de fabriek terecht en werd daar in de ovens gezogen.
Toen we in het zaagsel gespeeld hadden, en de kousen en
sokken weer een beetje van zaagsel ontdaan moesten
worden, kon dat mooi om ze even voor de zuigpijp te
houden, jammer dat Renze de sok niet goed vasthield
zodat de sok in het vuur terechtkwam.
Mijn vader was een
fijnwerker. Op de kisten en vaten die gemaakt werden
moest meestal de naam van de Firma en de inhoud gedrukt
worden. Vader moest daarvoor een cliché maken, dat wil
zeggen drukletters en figuren maken, en dat was meest
handwerk. Uittekenen op een koperplaat, zagen, vijlen,
draaibankwerk enzovoort, echt precisiewerk. Hij was daar
dan ook erg trots op, en dat mocht hij ook wezen. Als
hij dan zo’n klus had gedaan, nam hij het even mee naar
huis en liet ons zien wat hij gepresteerd had. Het
koperdraaisel nam hij mee naar huis, en dat kwam in een
oude pan in de kelder, en als we dan van school iets
hadden waar geld voor moest komen, dan liet hij Michiel
Davidson komen, en het geld dat het opbracht werd dan
aan ons kinderen besteed.
In die tijd had je geen
ziekteverzekering, als je ziek werd dan werd je loon
niet uitbetaald, je moest je maar redden, en als dat dan
niet lukte moest je van nood naar de armenmeester, dat
was de heer de Blauw, die woonde aan de Vissersburen. ’k
Zal nooit vergeten dat het bij ons vanwege ziekte van
mijn vader weer armoe was. Mijn oom Imke, de jongste
broer van mijn moeder, was altijd als er iets gebeuren
moest, de hulp van mijn moeder. Hij nam mij mee en gaf
me een briefje voor armenmeester de Blauw en zelf bleef
hij om de hoek staan. Hij zal wel gedacht hebben, een
kind sturen ze niet met lege handen naar huis. En dat
was ook zo, want ik kreeg iets mee terug. Mijn ouders
beschouwden het als een geschenk uit de hemel.
Ondanks de omstandigheden
thuis is er nog veel waar ik met plezier aan terugdenk.
We woonden eerst in de derde Parkstraat. Naast ons
woonde de familie Andries Faber. Faber was
leedaanzegger, dat wil zeggen als er iemand overleden
was dan regelde hij de begrafenis, en deed de ronde bij
de mensen, namens de familie, dat die of die was
overleden in de ouderdom van zoveel jaren. Deur aan deur
dezelfde monotone boodschap. Zijn vrouw Marie ging uit
bakeren, het was een vrolijk gezin. Gerrit was van mijn
leeftijd, en was ook bij het korfballen, hij had er de
slag van om van ver de bal door de mand te gooien. Wij
verhuisden later naar de eerste Parkstraat nummer 7. We
betaalden fl. 2,50 per week aan huur, dit werd elke
maandag door de heer Pen opgehaald. We noemden hem
altijd Pen potlood.
’s Zondags na de
kerkdienst gingen we naar de zondagschool, elke zondag
kreeg je een tekst mee, die je de volgende zondag op
moest zeggen, en kon je het goed, dan kreeg je een
plaatje. Hoogtepunt was wel het kerstfeest. Er stond een
grote kerstboom in de kerk, de jongelingen staken al de
kaarsjes aan en hielden de wacht met een emmer water en
een lange stok met een spons erop voor het geval er
brand in de kerstboom ontstaan zou. De traktatie bestond
uit chocolademelk en koek, en als het feest afgelopen
was dan kregen we een Jouster Pof, dat was een koek met
aan de bovenkant een nest bruine suiker, heerlijk!!!, en
ook nog een dikke sinaasappel. We kregen ook een
cadeautje maar later waren het boekjes. We hadden een
oude dominee, Ds. Zoete, die zeer gezien was bij de
kerkelijke gemeente, hij kon leuk meedoen op zo’n feest.
Bij wat voor gelegenheid het is geweest weet ik niet
meer, maar toen kregen de gemeenteleden een foto van
hem, die bij menigeen op de schoorsteenmantel stond.
Rond kerstmis was het ook
de gewoonte dat we met vader naar de viswinkel van Sjerp
de Blauw in de Boven Schans gingen. Hij kocht dan een
pot zure haring en een zoute haring, je moet er nu om
lachen, maar het was voor ons als kinderen een
feestelijke gebeurtenis. De zoute haring werd in mootjes
gesneden, je kreeg mondjesmaat. In die tijd kreeg je een
sinaasappel als je een beetje ziek was, er moest al heel
wat aan mankeren als je een ei kreeg, en soms als er
iemand erg ziek was of geweest was, dan kreeg die om aan
te sterken een geklutst ei met een scheutje cognac.
Haarlemmerolie was de drank voor allerlei kwaaltjes. ’t
Was soms wel eens fijn om een dagje ziek te zijn. We
hadden 2 bedsteden in huis, die in de keuken was voor
mijn ouders, maar die in de kamer was voor de patiënt,
heerlijk om zo eens lekker toegestopt te worden, en was
het ernst, geen nood, ’s middags kwam Friso met
sinaasappelen door de straat, dan voelde je je lekker
ziek. Ook als het onweerde en het zwaar weer was dan
werden we van boven gehaald en mocht je net zo lang in
de bedstee liggen totdat de bui over was.
Nieuwjaarsdag gingen we
naar Pake en Beppe in de Schans, en dan was er nog een
oudtante, die woonde ook vóór in de Schans, Oeke Boon
noemden wij haar, dat was dan één keer in het jaar. Wat
me altijd is bijgebleven: in haar kamer stond een
stander met daarop een Statenbijbel, met van die mooie
sloten, dat waren vroeger pronkstukjes. Bijzonder mooi.
Als we dan de buit binnen hadden, dan mochten we bij
Oene Plantinga, die woonde op de Nieuwburen, hij was
schilder, maar had ook een drogisterij, zoutdropjes
halen en dan waren we de hele dag zoet.
Hadden wij het armoedig of
slecht? Welnee, maar de meeste arbeiders leefden op dat
niveau. Over die tijd heb ik altijd het gevoel
overgehouden dat er twee standen in de gemeenschap
waren, dat waren de gewone arbeiders, en daarboven de
dokter, de dominee, de burgemeester en een paar andere
notabelen. Van huis uit werd ons bijgebracht dat, als we
de burgemeester of de dominee tegenkwamen, we de pet
moesten lichten. Ook als je bij iemand die je vreemd was
binnen werd geroepen, nam je zodra je over de drempel
was, de pet of de hoed af.
In de derde en vierde
Parkstraat woonden nogal wat vissersgezinnen. Als de
mannen of zonen ’s morgens al vroeg naar de haven gingen
om de schepen voor de vangst klaar te maken, kon je ze
al van verre aan horen komen, en dat kwam niet van het
klotsen van hun klompen, maar er waren er bij die een
stem hadden om jaloers op te worden, ze zongen dan uit
volle borst de hele Lemmer door tot ze aan boord waren.
Wat ze dan zongen? Meestal smartlappen, zoals
‘Ketelbinkie’, ‘De klok van Arnemuiden’, ‘Bij de muur
van ’t oude kerkhof’, enzovoort en soms een nieuwe hit.
Je had toen geen radio en televisie. In school en op de
haven bij zee (toen was het IJsselmeer nog Zuiderzee) en
in de straat speelde onze jeugd zich af. De spelletjes
in de straat waren: krijgertje, knikkeren, verlossertje
enzovoort enzovoort
We hadden toen in Lemmer
nog eb en vloed. Als het stormweer was dan stond het
water soms op de haven. Het was een gezellige tijd als
de vissers binnenkwamen van zee en de vangsten losten
aan de visafslag bij de haven. Toen kon je nog wel een
maaltje vis halen bij de vissers. Soms ging Fekke de
dorpsomroeper door Lemmer met de boodschap dat bij
Lemmer die en die bot of schol te koop was aan de haven.
In de tijd van de ansjovis, was de vangst soms zo groot,
dat ze aan de Lange Streek gingen liggen en daar werden
de visjes uit de netten geplozen. We hebben daarbij wel
eens geholpen.
Als het zomer werd en mooi
weer, dan gingen we zo gauw mogelijk naar en in zee. Als
het geen weer was om in zee te wezen dan speelden we in
de ‘Stjonkhoeke’. Dat was een stukje strand in een hoek
van het Schapendijkje, waar je in het zand kon spelen en
schelpen zoeken. De naam is ontstaan doordat er ook veel
aanspoelde waar een luchtje aan zat, bijvoorbeeld na een
storm spoelde er ook nogal eens een dode bruinvis aan,
en dat was geen lekker geurtje. Zwemmen dat moest je
jezelf leren want er waren geen zwembaden. Het leren
zwemmen ging allemaal spelenderwijs.
Tegen de dijk naar het
stoomgemaal stonden een paar kleedhokjes voor de meer
gegoeden in de maatschappij. Als we dan weer uit het
water gingen, dan zeiden we, we moeten eerst de zee nog
bedanken, en dat was een buiging met het hoofd onder
water naar Oost, West, Zuid, Noord. Er was altijd veel
variatie bij zee. Aan de ene kant van het Schapendijkje
de zee, en aan de andere kant het tramstation, waar het
ook altijd druk was met het rangeren en vervoer van
goederen en personen. Bij zomerdag kwamen toeristen uit
Holland met boten vanuit Amsterdam naar Lemmer, dat was
toen een reis van 5 uren, de Afsluitdijk was er toen nog
niet. Er waren 2 boten die een lijndienst van Lemmer
naar Amsterdam v.v. onderhielden. De Lemmerboot was meer
een vrachtboot maar zomerdag ook druk met passagiers. De
tramboot was meer een luxe passagiersboot en ook wel
voor vracht. De passagiers van de tramboot gingen dan
ook meest met de tram Friesland in, terwijl die met de
Lemmerboot aankwamen per fiets verder gingen. De
rivaliteit tussen de beide maatschappijen was groot, en
wij leefden mee, natuurlijk was de Lemmerboot (Jan
Nieveen) bij ons favoriet. Men gunde elkander niet één
passagier.
Vier kilometer voor Lemmer
stonden ze van beide maatschappijen de mensen op te
wachten en kaarten te verkopen. ’s Middags was er ook
veel belangstelling. Als de boten uit Amsterdam
vertrokken waren, konden ze meestal om een uur of drie
in Lemmer arriveren.
In de verte aan de horizon
kon je de rookpluimen zien. Wij als jongens ervoeren het
net als bij een voetbalwedstrijd, wie zou het winnen? ’t
Was zomerdag een heel vertier, wie zou het eerst in de
haven zijn?
Als we een strenge winter
hadden, en het ijs dik in de Zuiderzee lag, dan was het
voor de scheepvaart vaak een hele toer om van Amsterdam
naar Lemmer of andersom te komen. Werd het al te erg,
dan kwam er een ijsbreker uit Amsterdam, de Daniël
Goedkoop was de naam van de ijsbreker. Het waren kleine
boten met een breker voor de boeg. Het was een moeizaam
karwei, maar voor de buitenstaander een heel schouwspel.
Al maar dikke zwarte rookpluimen want het kwam op stoken
aan, en mocht het soms niet lukken dan kwam er een
tweede bij. En maar op de fluit seinen van vooruit en
achteruit. En als er dan veel sneeuw lag, dan speelden
wij het na met een hele rij sleetjes achter elkaar, en
een sterke ervoor, dat was dan de ijsbreker.

Over mijn grootouders van
vaderskant, en naar de grootvader waar ik naar genoemd
ben, heb ik nog niets geschreven. Ze woonden op de
Vissersburen. Grootmoeder Antje de Vries was ook een
best mensje, maar we kwamen er niet zo vaak als bij
beppe Janke in de Schans, dat kwam ook omdat grootvader
Marten veel van huis was, hij loodste de schepen over de
Zuiderzee van Lemmer naar Amsterdam, Zwartsluis en
Kampen, hij was dus geregeld bij de sluis en de haven.
Hij was een heel ingetogen klein mannetje met niet veel
woorden, maar hij wist van aanpakken. Men noemde hem in
Lemmer dan ook Stille Marten. Bijna iedereen die met de
visserij e.d. te maken had, had een bijnaam. Kwam er een
vreemdeling in Lemmer die naar een adres zocht, dan was
het mooi als je de bijnaam wist, want dan wisten ze
meteen wie het was. In mijn jongensjaren had ik dat
stille niet van hem, want mijn oom Wieger uit Blokzijl
die met Antje, een zuster van mijn moeder, was getrouwd,
noemde mij altijd de burgemeester van Schokland omdat ik
erg spraakzaam was. En zuster Smeding (wijkverpleegster)
die mijn vader verpleegde, noemde mij de Bosjesman.
In die dagen waren er geen
communicatiemiddelen zoals radio en televisie aan boord.
De vissers en schippers waren op het kompas aangewezen
en naar het kijken naar de lucht, waar ze heel goed in
waren. Bij de sluis op het havenhoofd stond een hoge
galg waaraan als er storm op komst was een grote bal
kwam te hangen, en soms kwam er een puntbal bij, of 2
puntballen. Ze hadden verschillende betekenissen
afhankelijk van de weersverwachtingen. Mocht de storm of
slecht weer de zeelieden overvallen en ze waren op zee,
dan zochten ze als het mogelijk was, de luwte van het
eiland Schokland op, want men had er een hekel aan om
met slecht weer door het val van Urk te varen. Soms
duurde het dagen of nog langer voordat ze weer uit
konden varen. Menig gezin zat in angst en zorgen of hun
mannen of zonen het noodweer overleefd hadden. De
communicatiemiddelen waren zeer schaars, het moest vaak
van mond tot mond doorgegeven worden.
Bij de haven en de zee
brachten we als kinderen vele uurtjes door. ’t Was
altijd één en al bedrijvigheid. Het schutten van schepen
door de sluis, de vissers die binnen kwamen met de buit,
en het lossen bij de visafslag. De Vissersburen lag aan
het water, de route van de schepen ging dan over de
Brekken en het Tjeukermeer. Sinds het klaarkomen van het
Prinses Margrietkanaal gaat het vrachtvervoer met de
schepen buiten de Lemmer om. Nu bestaat de drukte uit
pleziervaartuigen, dat kan natuurlijk ook gezellig zijn,
maar als oud-Lemster vind je niet veel uit je jeugdjaren
terug.
Van mijn schooltijd weet
ik niet zoveel meer af, het rekenen was wel één van mijn
beste vakken. De jaartallen leren dat was altijd een
hele opgaaf. De geschiedenis die daaraan verbonden was,
was natuurlijk wel interessant.
’k Weet nog wel dat ik een
paar maanden eerder naar school mocht, in verband met de
omstandigheden thuis. Juffrouw Willie de Vries (later de
vrouw van Fedde Schurer) moest me wel een paar keer op
mijn plaats zetten, want ik was dat stilzitten niet
gewend. Later heb ik ook nog bij Fedde Schurer in de
klas gezeten. Jammer dat hij door zijn lidmaatschap van
Kerk en Vrede en zijn evangelisch pacifistische
gedachtewereld in conflict kwam met het bestuur van de
school en de Gereformeerde kerkgemeenschap, zodat hij
geen les meer mocht geven aan de school en ook zijn
lidmaatschap bij de Gereformeerde kerk kwijt was. Jaren
later, in 1972, vier jaar na zijn dood, werd hij door de
Gereformeerde kerk gerehabiliteerd.
Hoewel Fedde Schurer niet
in Lemmer geboren was, lag Lemmer hem toch na aan het
hart. Hij schreef ook gedichten en één daarvan was: Lied
foar de Lemmer, dat uit 7 coupletten bestaat.
Het derde couplet wil ik
hieronder even weergeven.
En elts dy’t ienkear mei de
earste tate
De sâlte seewien op syn lippen
preau
Hoe’t libben fan syn oarsrong
skate
En wêr’t it wiffe lot him
hinne dreau
Hy sil foargoed en oeral
Lemster wêze
Dyn oantins trou bewarje oant
’e dea
Yn ’stjerren sil men fan syn
lippen lêze:
Dit hert fergeat syn goede
Lemmer nea.
Dit vers is niet te
vertalen in het Hollands, dan zou al het mooie niet tot
zijn recht komen. Maar het was zo, Lemsters die ergens
anders gingen wonen in verband met hun werk, kwamen
later vaak weer naar Lemmer toe.
Ook heb ik in de klas
gezeten van meester Boschker, dat was een aardig klein
mannetje, hij woonde alleen. Als je in de klas vervelend
was dan kwam hij naast de bank staan, en zijn gezegde
was dan altijd: “Must een slag om de peule:” Daar
bedoelde hij je hoofd mee. Mijn moeder bakte zo nu en
dan een koek voor hem, mijn zussen mochten die naar hem
toebrengen, tegen betaling natuurlijk.

Op de klassenfoto van 1923
staan in de bovenste rij: meester Dragt, Janke Rottiné,
Liesbeth Oosterdijk, Metje van der Veen, Anneke Rottiné,
Freerkje Bakker, Clara Visscher, Aukje Boonstra.
In de tweede rij staan:
Tjalke de Roos, Wouter Hoekstra, Piet van der Laan,
Rinze Hoekstra, Popkje Dijkman, Aaltje Bakker, Martha
Kolk, Margje Rottiné, meester Boschker.
Derde rij: Joltje
Hoekstra, Wiepie Hoekstra, Antje Jaalsma, Jantje van der
Brug, meester van der Kooi, Renske Rottiné, Bernard van
der Veen, Bouwe de Vries, Marten Dijkstra, Hans
Hoekstra.
Onderste rij: Jurjen van
der Veen, Jouke van der Laan, Renze Fleer, Evert de
Roos, Bernard Bruining, Marten Rottiné, Rinze van der
Veen, Piet Rottiné.
Augustus was de maand van
overgaan, zittenblijven, of school verlaten. Aangezien
ik de klassen door was, had ik het wel voor gezien
gehouden, en wou met alle geweld van school af. Ik zei
tegen m’n ouders dat ik liever met sinaasappelen of
Lemster bokkings bij de deuren langs ging dan verder
leren. Wat weet je als kind van 11 jaar (bijna 12) wat
het beste voor je is, want mijn ouders hadden wel andere
zorgen. Op 8 augustus 1927 is mijn moeder overleden, ik
was te jong (ik was toen nog geen 12 jaar) om het echt
zo te beleven dat ik nu nog zou weten hoe het precies
geweest is.

Ik weet wel dat ze een
paar dagen voordat ze kwam te overlijden nog heeft
gezegd tegen mijn vader: “De Here is mijn levenskracht,
voor wie zou ik vrezen”, (Psalm 27:1 onber.) Het was
vroeg in de morgen, ze had ook alweer een hele tijd in
het beruchte Groene Kruis-tentje gelegen, haar kwaal was
long-tbc. Van die dagen kan ik me weinig meer
herinneren, alleen dat ik die morgen broer Piet, die was
toen 4 jaar, bezig moest houden. Toen moeder begraven
werd gingen we lopende naar het kerkhof. Dat moet wel
een zielig gezicht geweest zijn. Vader met zes kinderen,
de jongste van 4 jaar aan de hand. Ons gezin bestond
toen uit vader, 3 meisjes en 3 jongens, te weten: Antje
geb. 2 april 1911, Jouke geb. 18 oktober 1912, Janke
geb. 16 mei 1914, Marten geb. 11 sept. 1915, Renske geb.
29 sept. 1917, Piet geb. 26 juni 1923. Vader is geboren
op 15 dec. 1885. Moeder is geb. op 18 november. 1888.
Dus was mijn moeder nog maar 38 jaar toen ze kwam te
overlijden. Wat dit verlies voor ons gezin betekende is
niet te beschrijven. Achteraf kan ik nog niet begrijpen
dat we er zo doorgekomen zijn. En als we niet zo’n lieve
zorgzame vader hadden gehad, dan weet ik niet hoe het
dan gegaan was.
Nadat tante Antje (een
zuster van mijn moeder) even geholpen had, was het zus
Antje die de honneurs waar moest nemen, stel je voor een
kind van 16 jaar dat een gezin moet verzorgen, dat was
een moeilijke opdracht. Ze had iets over zich dat die
opdracht dubbel zwaar maakte, ze was zo schoon in de
huishouding, en dat kon moeilijk met zoveel kinderen.
Broer Jouke was bij bakker Oldendorp, en als hij dan
thuis kwam, dan moesten eerst de sokken uit bij de deur
en het meel er uitgeklopt worden. In de kamer mochten we
niet komen als ze die een goede beurt gegeven had. Ze
had voor zichzelf een zwaar leven. De was werd zo schoon
gewassen dat als dat gebeurd was haar knokkels spek open
waren, maar we mogen dankbaar zijn dat we, mede dank zij
haar, schoon voor de dag kwamen. Wasmachines waren er
toen nog niet. Zus Janke en ik mochten als we later eens
als familie bij elkaar waren graag nog eens over die
(goede?) oude tijd praten, maar als zus Antje er bij
was, dan duurde het niet lang of ze zei: “Hou er nu maar
weer over op”. Vermoedelijk kwam dat omdat het voor haar
de moeilijkste tijd geweest is.
Vroeger was het zo, als
iemand uit een gezin kwam te overlijden, de nabestaanden
een jaar van rouw in acht namen. Wij droegen dan ook een
jaar een rouwband om de arm, kleermaker IJlst leverde
die. Ik weet nog dat ze zo vaal waren dat we voor de
tweede keer nieuwe banden kregen. Maar het leven ging
verder. En dat lukte ook weer. Ik val misschien in
herhaling, maar we hebben het aan vader te danken dat
het zo goed ging, hij was o zo zorgzaam voor ons.
Hijzelf zou zeggen: “De Here heeft ons geholpen”. Vader
en moeder leefden ondanks ziekten en zorgen uit dat
geloof, en voor mijn gevoel zijn ze daarin nooit
beschaamd uitgekomen.
Eén ding hebben we
allemaal gemist en dat kwam niet weer, dat was de
moederliefde die een kind als je jong bent zo nodig
hebt. Want wat was het wat dat je je soms zo eenzaam
voelde, dat je het gevoel had dat je van God en de
mensen verlaten was, een heimwee naar iets of iemand dat
je niet vertellen kon? Dat duurde tot je iemand trof
waar je mee kon praten, die je kon begrijpen, en dat
kwam later gelukkig.
We namen onze bezigheden
weer op. Vader was ook weer naar het koor gegaan, zingen
dat mocht hij graag doen. Hij is jaren voorzitter
geweest van het koor. Meester van der Loon was hun
dirigent. Als ze dan naar een concours gingen dan moest
er gerepeteerd worden. Vader was daar erg serieus in.
Hij liep dan van de kamer naar de keuken en maar
herhalen. Van sommige stukken kan ik nu nog wel regels
zingen.
Mijn zusters zongen ook in
het koor. Ja, dat zingen had een grote plaats in ons
gezin. Het was dan ook altijd spannend als het zover
was. De uitslag kon je dan bij het Nutsgebouw gewaar
worden, daar stond het dan ’s middags aangeplakt. Ook de
zondagsschool deed vader, en het ambt van ouderling
heeft hij ook jaren gedaan. Ik denk nu wel eens, nu ik
zelf ook Minke moet missen, gelukkig dat je nog bezig
bent, op welke manier dan ook, dat hielp hem natuurlijk
ook. We kregen een orgel helemaal uit Zeeland, dat werd
aangeboden in een maandblad van het Jongelingsverbond.
Broer Piet zat er het meest achter. ’t Was zelfstudie.
Het eerste dat hij speelde en tot in den treure
herhaalde was ‘De Heilige Stad’. Toen hij in 1952 naar
Canada verhuisde werd het orgel verkocht. In Canada nam
hij de draad weer op en is meer dan 25 jaar organist van
de kerk in Whitby geweest en had tevens een kerkkoor.
Zelf ben ik in Dokkum begonnen met koorzang. Eerst bij
een Mannenkoor en later bij een gemengd koor. Met elkaar
doe ik wel dertig jaar mee.
Maar ik loop nu een beetje
vooruit, dus nog maar even To back. Renze Fleer dat was,
zoals ik al eerder schreef, mijn kameraad. Mathijs en
Griet waren zijn ouders, ze woonden op het buurtje vlak
bij de Roomse Kerk. Renze was alleen als kind thuis. We
speelden vaak naast de kerk want toen was het gebouw er
nog niet. We haalden de schillen bij de buren vandaan en
Renze had zo’n rollebak en daar kwam het dan in, en
brachten we het naar Hotel de Wildeman, want die hield
er een paar koeien op na. De paar centen kwamen dan in
de spaarpot. We speelden ook vaak ergens anders, maar
net waar je uit school terechtkwam. Soms gingen we met
Bouwe de Vries en speelden we op de taanderij van z’n
vader Marten Folkerts de Vries. Achter de zeilmakerij op
een stuk land stonden een paar grote bakken die bestemd
waren voor scheepsbenodigdheden die getaand moesten
worden, dat wil zeggen in die bakken zat een verfstof
waar netten en zeilen enzovoort een bad kregen tegen
verweren. In de bevrijdingsnacht is Bouwe om het leven
gekomen door een granaatscherf.
Ook gingen we vaak met
Poppe Kok mee, die woonde bij het Stoomgemaal, z’n vader
was stoker-machinist bij het gemaal. Ook woonde daar de
familie Krekt. Die omgeving was prachtig mooi. We
zwierven dan door de landen. Dat gedeelte noemden ze De
AAP. Daar waren heel veel weidevogels, dus dat was vaak
eieren zoeken in de tijd dat er gezocht mocht worden. ’k
Weet nog goed dat we op een zondag bij Poppe waren, en
dat we ook nogal wat eieren gevonden hadden. Maar ik
durfde eigenlijk niet met eieren thuis te komen, want
dat paste niet op zondag, toen werd het zo opgelost: de
eieren van mij bleven bij Poppe, en de maandag daarop
heb ik ze opgehaald. Ja, we waren ook geen lieverdjes
hoor.
Dat alles was een mooie
periode in je jeugd, dat vrije leven, bij de zee, bij de
haven, dan nog de landen achter de trambaan, slootje
springen, klompen vol water in de muizengaten gieten,
zodat ze ergens anders boven de grond kwamen. Het was
vervelend om met natte voeten thuis te komen, dus de
sokken net zolang tegen een dampaal slaan totdat ze
bijna droog waren en stopwerk voor de meisjes. Ook
herinner ik me nog dat vanwege de mist een Duits
vliegtuigje van de ‘Lufthansa’ een noodlanding heeft
gemaakt achter de trambaan, een paar dagen later moest
hij naar de andere hoek van het land getrokken worden,
om tegen de wind op te kunnen stijgen, en daar moest je
natuurlijk bij zijn.
De augustusmaand was de
vakantiemaand, ik meen 3 weken en drie dagen. In die
maand was het ook de verjaardag van Koningin Emma, dat
vierden we dan op een stuk land aan de straatweg. De
vakantie werd bij ons thuis doorgebracht, een
uitzondering was bij ons een dag naar oom Wieger
Oosterkamp en tante Antje in Blokzijl, en dat was toen
al heel wat. ’k Kan me ook nog herinneren dat Renze en
ik met zijn grootvader een dag naar Sloten geweest zijn
met een aak of botter? die een dag in Sloten op de
scheepshelling moest. Zoiets was dan echt een
buitenkansje. De eerste paar dagen in augustus was er
ook de Lemster kermis. Hoewel we geen geld kregen om
daaraan mee te doen, ging je wel zo veel mogelijk
kijken. Had men liever niet dat je naar de kermis ging,
dan werd er vaak gezegd dat de duivel in de draaimolen
zat. Veel kinderen meenden dat het zo was, maar ze
konden hem nooit vinden natuurlijk. Oom Imke, de broer
van mijn moeder, heeft ons een keer in de draaimolen
gezet, maar dat hadden vader en moeder liever niet. Toen
werd de draaimolen nog door een klein paardje (kedje)
getrokken. Dat beestje had me ook wat zo’n hele dag maar
rondjes draaien.
Het waren ook dagen dat de
vissersbevolking zich eens echt ging vermaken, en de
bloemetjes buiten ging zetten, en dan speelde de drank
ook een grote rol. Daar kwamen dan ook weer
vechtpartijen van. Als het al uit de hand liep werd de
marechaussees die een kazerne in Sloten hadden
opgetrommeld, en daar hadden ze een groot respect voor.
Van de kerk probeerde men
er ook wel iets tegen te doen. Men hield dan voor de
jongeren Antie Kermis vergaderingen. De bedoeling was
goed, maar het hielp zo weinig. Een keer hadden ze een
miniorgeltje, en stonden ze bij de kermis te draaien met
liederen zoals ‘Er ruist langs de wolken’. We lachen er
nu om, maar je moest er toch wel respect voor hebben.
Het jaar 1927 werd voor
mij een grote ommekeer in mijn leven. De schoolklassen
was ik doorgelopen en ik had helemaal geen zin meer om
verder te leren. Toen was het gewoon als je op 12-jarige
leeftijd van school ging en ergens als loopjongen aan
het werk kwam. Bij ons in Lemmer waren er 2
mogelijkheden, tenminste wat ik nu nog weet, dat was bij
bloemist-tuinman Funcke of bij de boer aan het werk, dus
de buitendienst. Toen ik dan ook hoorde dat Meindert
Gaasbeek, die toen knecht was bij Funcke, daar wegging
heb ik de stoute schoenen aangetrokken en gevraagd of ik
zijn knechtje kon worden, en dat lukte. De bedoeling was
dat ik in het begin van 1928 zou beginnen. Maar de
winter van 1927-1928 was zeer streng, dat zal in de oude
kronieken nog wel beschreven staan.
Ik ben dan ook begin maart
begonnen, maar er kon toen nog niets op de tuin gedaan
worden. Ik heb toen bij Funcke thuis bij de kachel
bruine bonen mogen doppen. Funcke en z’n vrouw waren
beste mensen. ’k Verdiende fl. 2,50 in de week, dat kwam
bij ons thuis wel ten goede. ’t Was heel afwisselend
werk, we moesten verschillende tuinen onderhouden. ’s
Zaterdagsmorgens ging ik met een mand met bloemen bij de
deuren langs, en dat vond ik helemaal niet vervelend,
want meestal was ik ze gauw kwijt. En waren de eerste
groenten er, zoals spinazie en sla, dan gingen we met de
kar bij de deuren langs. Je was zo’n beetje manusje van
alles.
Toen ik ongeveer 2 jaar
bij hen was geweest, werd er een jongen bij de Centrale
Bakkerij gevraagd. Nu was ik op de leeftijd, 14 jaar,
dat ik een arbeidskaart kon halen bij het Gemeentehuis.
Bij de Centrale Bakkerij was ook een baantje waar je van
alles moest doen. ’s Morgens de broden bij de bakkers,
die aangesloten waren bij de Centrale, brengen, en was
er soms een van de venters ziek, dan moesten wij bij hun
klanten langs. ’s Zaterdagsmorgens moesten we vroeger
beginnen, want dan moesten we suikerbroden inpakken, en
dan was er ook wel eens een kneusje bij, en dat mochten
wij dan opeten. Hoewel het wel een gezellige tijd was,
moest je toch weer iets anders zoeken.

Mijn broer Jouke was
bevriend met Ynze de Jong, zoon van slager de Jong. Toen
het bij ons door ziekte thuis niet zo gemakkelijk ging,
kwam het zover dat hij overdag bij de familie de Jong
was, dus hij was er kind aan huis, hij kwam alleen thuis
om te slapen. ’s Maandagsmorgens brachten we een
emmertje naar familie de Jong, en als we dan uit school
kwamen konden we het weer ophalen, gevuld met soep en
balletjes. Toen de knecht die ze hadden bij hen vandaan
ging, kon ik bij hen komen als knechtje. Dat was heel
iets anders dan wat ik gewend was. Dit was werk waar je
de meeste tijd van de dag bij de weg was. Er waren nogal
wat slagers in Lemmer: de Jong, Sijswerda, Rypkema,
Koopmans, Sonsma, van der Bijl, en dan kwam slager de
Vries uit Oosterzee ook wel in Lemmer, en wij kwamen ook
in de buitendorpen: Eesterga, Follega, Doniagaasterdijk,
Westend, Oosterzee, Echten, Bantega, dat was een hele
opgaaf.
Maar het had zijn mooie
kant ook weer, want als je er een beetje thuis was, dan
had je met leuke mensen te doen, en werd je wel gauw
eens uitgenodigd voor een kop koffie, en dat deed je
goed, tenminste als het koud en guur was. Eén adres wil
ik hier met name noemen, dat waren Wietse en Renske van
der Meer in Bantinga. Daar werd je altijd uitgenodigd
voor een kopje koffie. Renske schreef tot aan haar
overlijden toe stukjes in de Lemsterkrant onder de naam
Frou fan der Meer. Ze had een rijke bron aan informatie,
en kennissen die haar op de hoogte hielden met foto’s,
brieven enzovoort Mensen die al jaren uit de omgeving
van Bantega waren, vonden in een boek dat door haar
uitgegeven werd, hun voorouders, ouders en bekenden op
de foto’s of in de omschrijving terug. ’k Heb een grote
bewondering voor haar dat ze zoiets klaar heeft
gekregen. ’k Prijs me gelukkig dat ik er ook een
exemplaar van heb. Over haar zelf zou je ook een boek
kunnen schrijven. Meestal 2 keer per jaar bezochten we
hen vanuit Dokkum, en waren we blij elkaar weer te zien.
Prompt de daaropvolgende uitgave van de Lemsterkrant
kwam daar in te staan dat Marten en Minke ook weer bij
hen op bezoek waren geweest. Toen Minke, mijn vrouw,
kwam te overlijden, heeft ze daar in de Lemsterkrant ook
over geschreven.
Hier wil ik nog zeggen
“dank je wel Renske”. Met haar man Wietse heb ik nog
geregeld contact, en dat zal ook zo blijven zolang we
leven. Wietse is intussen 89 jaar, maar we kunnen beiden
nog best een praatje hebben over de goede oude tijd.
In de tijd dat ik
slagersknechtje was had je nog carbidlampen aan de
fiets. Dus als je naar de buitendorpen moest en het werd
een beetje laat dan moest de lamp aan, en als het dan
vroor kon het best zijn dat het water in de lamp
bevroren was, of de carbid was op. Als het ’s morgens zo
koud was in de winkel en je moest een aad (een ovale
bak) met gehakt met kruiden doorwerken, dan kreeg je
daar een pannetje met warm water bij, maar ik moet er
niet meer aan denken. En de wegen waren in de winter ook
veel moeilijker begaanbaar, sneeuwruimen werd met schop
en bezem gedaan, en in de buitendorpen moest je maar in
de wagensporen gaan rijden.
Mijn baas was ook niet de
gemakkelijkste voor een knecht, maar achteraf kun je dat
beter begrijpen want als je zo jong bent, dan moet je
heel veel leren, en daar hoort ook veel geduld bij, en
vrouw de Jong had dat over haar, zij kon veel begrijpen.
Ik was bij hen in de kost, en dat was natuurlijk wel
fijn omdat je op ongeregelde tijden thuiskwam. Als ik
wist dat we potstro kregen dan trapte ik een beetje
sneller om thuis te komen. Heerlijk potstro met stroop
en uitgebakken spekjes.
Toen moest je er ook al
veel voordoen om een klant te krijgen. Dus als je wist
dat er een familie ergens kwam te wonen, dan moest je
als het ware op de stoep staan. Of als er in de verte
een sleep (stoomboot met een stuk of zes schepen achter
zich) in aantocht was moest je proberen om de eerste te
zijn, en dat kon niet anders dan ze tegemoet gaan met
een bootje, dan moest je voor parlevinker spelen. Deze
schepen voeren over de Brekken en het Tjeukemeer door de
Lemmer en door de sluizen naar de Zuiderzee. Nu gaat het
allemaal buiten Lemmer om.
Ik ben nooit een held
geweest om met een bootje de schepen tegemoet te gaan.
Ik zou ook nooit een goede zakenman worden, want ik
vroeg de mensen of ze ook iets nodig waren en werd er
nee gezegd dan vond ik dat wel vervelend maar ik kon bij
wijze van spreken de klomp niet tussen de deur zetten.
En toch was ik blij als ik met een flinke bestelling
thuis kwam. ’t Was zelfs zo dat als ik de deur uitging,
ik een schietgebedje deed of ik maar goed wat in het
boekje zou krijgen, dat werd niet altijd verhoord
natuurlijk.
Misschien spring ik wel
eens van de hak op de tak, maar dat gaat zo als je zit
te schrijven, komen er weer zoveel herinneringen boven
die vaak wel de moeite waard zijn om te vermelden. Toen
er een koe geslacht moest worden, moest ik er ook bij
zijn, en dat was voor de eerste keer dat ik dat zou
zien. Maar het ging goed, en na dat het gebeurd was zei
de oude baas tegen mij: “Je valt me niet tegen”.
In het voorjaar werden er
veel kalveren geboren, de stierkalfjes gingen dan naar
de slager. Soms nam de melkrijder ze mee bij de boer
vandaan, maar heel vaak moest ik die ophalen. Een grote
mand voor op de fiets, de vier pootjes bij elkaar
gebonden, en dan maar naar de slagerij. Vanaf Follega
tot Lemmer was het soms onderweg geregeld een geroep van
bè, bè, bè. Maar alles wende, en zo was het ook met het
slachten. ’t Was net als een bakker met deeg bezig was,
zo was het met het slachten. Als het de drukste tijd
was, dan waren er ook veel artikelen, zoals hartjes,
niertjes, levertjes. Dan werd er gezegd probeer ze maar
kwijt te worden, dus in de mand en maar proberen ze te
slijten, dat ging de ene keer ook vlotter dan de ander.
Op het laatst wist je wel waar je ze vaak kwijt kon.
Zelfs met koeienuier moest ik soms op stap, daarvoor
waren ook nog enkele liefhebbers.
Als het tegen Pasen liep,
dan kocht de slager een extra beestje op de markt of bij
de boer, en dat was dan de Paaskoe die een mooie krans
om de nek kreeg, en waar we stad en land mee afgingen,
deur aan deur of mevrouw ook een stukje van de Paaskoe
wou kopen. ’k Was altijd blij als dat voorbij was. Het
vak op zichzelf mocht ik wel doen zoals uitbenen, worst
maken enzovoort Alleen een koopman zou ik nooit kunnen
worden, want ik liet me veel te gauw afschepen.
Meestal was ik ’s avonds
niet vroeg thuis, want in een zaak is er vaak geen
regel, toen helemaal niet. ’t Was maar net hoe druk of
het was, of als de dominee even kwam praten, want mijn
baas zat ook in het kerkewerk. Gelukkig dat er ook nog
veel dingen waren zoals knapenvereniging en later
jongelingsvereniging waar je weer met je vrienden en
bekenden in aanraking kwam.
In de jongenstijd had je
nog geen lange broek aan. Maar er kwam een tijd dat ze
zeiden: “Het wordt tijd dat je de lange broek aan
krijgt”, maar dat vond je helemaal niet zo leuk, want
dan konden ze je de eerste tijd lekker plagen.
Zo langzamerhand werd je
een jongeman. ’s Zondagsavond hadden we om 7 uur nog een
kerkdienst en na die tijd gingen we met een groep een
wandeling maken meestal de straatweg uit naar het tweede
brugje, of naar het einde van de dam. Waren we dan zulke
brave jongens? Nee, maar stel je voor, er waren nog geen
brommers, of gelegenheden waar je ’s zondags terecht kon
en dat zouden we ook niet doen, de zondag was voor de
kerk en wat er mee samenging. Ook zongen we vaak rondom
het orgel met vrienden en vriendinnen. Je was meestal op
je eigen plaats aangewezen, en was je op een leeftijd
dat je een meisje ging zoeken dan kwamen de meeste niet
verder dan Oosterzee of Echtenerbrug, tenminste als ze
een fiets hadden.
Sporten dat deden we op
een klein terreintje achter de lijnbaan, want
sportvelden waren er toen nog niet. ’k Ben ook bij de
korfbalclub geweest, en op gymnastiek, elk jaar was er
dan een dag in Kuinre waar de ronde om Kuinre gelopen
werd en daar deden we dan aan mee. Ook heb ik nog een
keer meegedaan aan de loop door Sneek. Als je de loop nu
volbracht had of niet, je kreeg allemaal een medaille
voor de moeite.
Zo langzamerhand begon ik
ook naar een meisje om te zien, maar ik was niet erg
driest in dat stuk van zaken, maar er was één meisje dat
ik nooit zou vergeten, ik weet niet of het van haar kant
ook zo was. Ik heb het haar nooit durven vragen. Zou het
ook gekomen zijn dat zij van Gereformeerde huize was, en
ik van Hervormde, want in die tijd waren we nog lang
niet toe aan het S.O.W.-proces. Mijn moeder was van
Gereformeerde ouders en is met mijn vader overgegaan
naar de Hervormde Kerk, maar dat ging niet vanzelf, daar
waren heel wat woorden over gewisseld heb ik wel eens
gehoord.
Maar het zou met mij heel
anders gaan dan ik zelf ooit gedacht had. Elk jaar
hielden de jongelingsverenigingen en meisjesverenigingen
een toogdag in Sneek. Daar kwamen dan zo’n 3000 jongeren
bij elkaar. Dat was altijd een heel gezellige dag. Je
kreeg dan kaarten voor de morgen- en middagdienst. De
morgendienst werd gehouden in de kerk, daar had men dan
een predikant als spreker, en samen zingen. De helft was
daar aanwezig terwijl de andere helft in het gebouw van
Christelijke Belangen zat, daar werd dan een stuk
opgevoerd. ’s Middags werd er dan gewisseld, zodat je
alles kon meemaken. Na de diensten gingen we nog in
optocht door Sneek, en zongen we nog op de markt zoals
‘Voorwaarts Christenstrijders’. Toen we goed en wel een
plaats hadden in het gebouw zaten we achter een rijtje
meisjes. Al gauw hadden we al een gesprek met hen. Uit
heel Friesland kwamen de verenigingen, dus na afloop
werden de autobussen, die een ieder weer op de plaats
van bestemming moesten brengen, weer opgezocht.

Ondertussen had ik mijn
keus al gemaakt, naar later bleek zou dat de keus van
mijn leven wezen, maar daar ging heel wat aan vooraf,
want Minke Steegstra woonde op Oostmahorn, en als je de
kaart van Friesland bekijkt, dan zie je dat Lemmer en
Oostmahorn de uiterste plaatsen in de provincie zijn. We
zagen dan ook wel in dat deze afstand te ver was om
elkaar nog eens te ontmoeten. We spraken af dat we
elkaar een ansichtkaart zouden sturen en dat hebben we
gedaan, die kaart heb ik nog steeds. Het jaar daarop
gingen we weer naar de toogdag in Sneek. Weer waren de
verenigingen in groten getale opgekomen. En wat ik toen
beleefde, is voor mij altijd een vingerwijzing geweest
voor de bestemming van mijn leven.
We zaten weer net als een
jaar tevoren achter de meisjes uit Anjum, zonder dat we
er om gezocht hadden. We vonden het allebei een wonder
dat het zo liep. Toen we weer afscheid van elkaar namen,
spraken we af om zo nu en dan eens een brief te
schrijven. En na verloop van een paar maanden spraken we
af, dat we elkaar weer eens zouden ontmoeten, maar
aangezien het een afstand was van meer dan 80 kilometer,
zouden we elkaar tegemoet fietsen, we hadden uitgerekend
dat we dan ongeveer bij Leeuwarden bij elkaar kwamen.
Maar ik was zeker erg ongedurig want Minke was nog niet
zo ver van haar huis of we troffen elkaar al. Ze zei:
“We kunnen nu net zo goed naar mijn ouders’ huis gaan”.
Dus zo hebben we gedaan. Ik voelde me direct thuis.
Minke haar vader was opstapper bij de reddingsboot
Insulinde. Verschillende oorkonden vanwege dank voor
reddingen zijn nog bewaard gebleven.
Dus was het op die dag dat
ik heen en terug ben gefietst van Dokkum naar
Oostmahorn. Natuurlijk kon je niet elke week zo’n reis
maken, dat werd dus meestal om de drie weken. Maar je
was ook niet zo gauw op je meisje uitgekeken,
integendeel, het was elke keer weer fijn elkaar te
ontmoeten. Minke was de oudste van het gezin. Er waren,
en er zijn nu ik dit schrijf, 3 broers en 2 zusters. Ze
hielp moeder in het gezin, en enkele dagen bij familie
Blauw, die bij de douane op Oostmahorn werkte. ’k Ging
’s zaterdagsmiddags naar Oostmahorn en ’s zondagsavond
weer naar huis terug.
In het jaar 1936 was het
dat ik voor het eerst naar Oostmahorn ging. Ik wou
natuurlijk netjes voor de dag komen, dus ik moest een
regenjas hebben, en een hoed hoorde er ook bij, maar
mijn verdienste bij de slager was fl. 5.00 boven de
kost, dus van sparen kwam niet zoveel terecht, hoewel ik
er wel bij moet zeggen, dat de slager mijn witte kielen
naar de wasserij deed, en soms ook mijn nieuwe klompen
betaalde. Maar hoe dan ook heb ik het benodigde bij
kledingmagazijn Schirm gekocht, vader heeft mij het geld
voorgeschoten, en ik heb het met kleine beetjes
terugbetaald. Het briefje is er nog van de afbetaling,
dat ging bij een paar guldens of een rijksdaalder. Een
hoed kostte drie gulden negentig, een kostuum fl. 32,-
en een regenjas fl. 22,-

Daarna kwam er
langzamerhand regel in het reizen naar het hoge Noorden,
zodoende was ik bij vrienden en bekenden van Minke al
gauw thuis. Er werd ook naar de toekomst gezien, en
daarom ook gespaard, of je kreeg iets op je verjaardag
en dat kwam dan op de zolder bij Minke. En zo nu en dan
als ik weer kwam, gingen we even naar boven om te zien
hoe rijk we waren. Toch een hele fijne tijd als je zo
bezig bent.
Op 14 december 1938
verloofden we ons. We kochten de ringen bij juwelier
Pekelsma in Dokkum. Wie had toen gedacht dat we het
grootste gedeelte van ons leven in Dokkum zouden wonen.
Onderweg naar Oostmahorn hebben we de ringen om gedaan.
Dat was weer een stapje verder naar het doel om samen
door het leven te gaan. Maar het verlangen om vaker bij
elkaar te zijn werd ook steeds groter natuurlijk. De
enige mogelijkheid was dat één van beiden de afstand kon
overbruggen door van plaats te veranderen.
Toen ze bij exportslagerij
Feenstra in Dokkum personeel vroegen heb ik daar dan ook
op gesolliciteerd, maar dat is toen niet gelukt. Thuis
veranderde de situatie ook. Mijn oudste zuster deed de
huishouding, maar die ging trouwen, en ging bij haar man
wonen op een boerderijtje in Gaasterland. Zuster Janke
kwam toen in haar plaats thuis, dat zou niet voor lange
tijd zijn, want Janke en ik werden ziek. Zelf heb ik
toen 3 weken in Heerenveen in het ziekenhuis gelegen
voor onderzoek, want ze vertrouwden het niet, omdat
moeder aan tbc overleden was, het bleek dat ik de ziekte
van Bang had, dat is een ziekte die bij koeien
bijvoorbeeld misgeboorte doet ontstaan.
De dokter vertelde dat ik
vermoedelijk besmet was doordat ik bij de slager was, en
een klein wondje de oorzaak kon wezen. Met een reeks
injecties kwam het weer klaar. Met mijn zuster Janke
liep het minder goed af. Het bleek dat ze vlekken op
haar longen had. Tegenwoordig zou het misschien met
medicijnen weer beter kunnen worden, maar toen moest je
liggen. Daarom waren er ook Groene Kruis-tentjes, en dan
lag je dag en nacht in de buitenlucht.
Maar door de
omstandigheden thuis werd besloten dat ze naar het
sanatorium in Hellendoorn ging. Dat was niet zo mooi.
Het was in het begin van de oorlog, dus je kon ook nooit
iemand van de familie verwachten. En daar kwam ook nog
bij dat haar verloofde de verhouding uitmaakte. Het
heeft haar veel verdriet gedaan. Later is ze nog
gelukkig getrouwd. Ze is op het laatst in Deventer
geopereerd.

Minke en ik zijn nog een
keer op de tandem naar haar toe geweest in Hellendoorn,
we sliepen toen bij een familie Jansen Klomp, die
bezochten haar zo nu en dan vanwege de kerk. Dat het een
kostbare zaak was is te begrijpen, dit werd dan ook
betaald gedeeltelijk door de Gemeente Lemsterland, de
Hervormde Gemeente en een Bondsbijdrage.
Voor ons gezin kwam
daardoor ook weer een verandering, want nu was het de
beurt aan Renske om de huishouding te doen. Renske was
in dienst bij Laurens de Rook, muziekleraar en dirigent
van verscheidene koren. Daardoor kwam haar plaats vrij,
en dat was net een betrekking die voor Minke geschikt
was, en dat leek de heer de Rook ook goed toe. Zo
gebeurde het dat Minke in de zomer van 1941 bij de Rook
kwam voor de huishouding. We zagen wel om ons heen of er
ook eens een huis leeg kwam, maar toen waren de huizen
ook schaars. Hoe verder de oorlog kwam, hoe moeilijk het
werd met alle zaken. Naar Oostmahorn konden we haast al
niet meer komen, het was allemaal per brief. We hebben
alle brieven van die tijd bewaard, en gesorteerd en in
mappen gedaan, zodat alle broers en zusters van Minke
een exemplaar hebben gekregen en onze kinderen ook.
In 1942 was er heel veel
of bijna alles op de bon. Zo gebeurde het dat het vlees
schaars werd en de slager mij wel missen kon. Ik zat in
de leeftijd dat als je zonder werk was je moest melden
bij het arbeidsbureau, en dan was de kans groot dat je
voor de Duitsers moest werken. De heer Medendorp zat ook
op dat bureau, en hij kende de situatie bij ons thuis,
dat vader ziekelijk was en het bij ons een zorgelijke
boel was. Toen ik op het kantoor bij hem kwam en
vertelde dat ik zonder werk was, was het eerste wat hij
zei: “Jij kunt niet weg onder deze omstandigheden, ik
zal zien of ik er wat op kan vinden”. En hij kreeg het
voor elkaar dat ik bij de distributiedienst in dienst
kon komen, dat was in 1942. Daar ben ik dan ook zolang
geweest totdat de oorlog over was. Op mijn 28e
verjaardag kreeg ik van het personeel van de
distributiedienst een boek waarin ze allemaal hun
handtekening hebben gezet. De titel is: Buiten bij de
vogels. Dus dat is 56 jaar geleden, ik wil ze hieronder
nog even vermelden.
C. de Vries
J. van der Pal
Joh. Coehoorn
A. van der Hoff
L. Ferdinands
L. Dam
E. Medendorp
G. Kok
T. Klijnsma
H. Stroband
R. Visser
W. Schurer
M. Fleer
A. Gaasbeek
R. Hogeterp
P. Rottiné (mijn neef)
Wie zullen hiervan nog in
leven zijn?
Het was een angstige tijd.
Mensen die bij de ondergrondse waren werden verraden, en
soms zo van de straat opgepikt, en kwamen nooit levend
terug, zoals Jac. de Rook en kommies van der Wal, mensen
die je goed kende. Op een morgen toen we goed en wel in
het kantoor waren, kwamen een paar Duitsers voor het
loket, ze moesten Jelke van der Pal hebben, die was
altijd in de buitendienst om aanvragen voor schoenen
enzovoort te controleren en hij hoorde ook bij de mensen
die dicht bij het vuur zaten, en nog wel eens wisten wat
ze moesten doen om aan bonnen te komen voor de
onderduikers. Toen we elkaar eens aanzagen en deden
alsof, was het Jelke die, toen ze het nog eens vroegen,
zei: “Dat ben ik”. Hij werd meegenomen en later hoorden
we dat hij in Krackstate in Heerenveen zat, daar hadden
de Duitsers hun onderkomen, en dat was een berucht
gebouw. Gelukkig heeft hij de oorlog overleefd.
Mijn jongste broer Piet
zat ook in die leeftijd dat je moest zorgen dat je uit
handen bleef van de Duitsers. Hij was al een keer op het
matje geroepen vanwege het dragen van een speldje op
zijn jas. Een dubbeltje op een speld, omdat dat een stil
protest was vanwege de beeltenis van de koningin op het
dubbeltje. Hij had toen verkering met Lamkje Samplonius,
wier ouders in het Achterom woonden. Soms was hij daar
ondergedoken, en dan weer bij mijn oudste zuster en
zwager in Gaasterland.
Wij hebben gelukkig altijd
voldoende te eten gehad. Van Minke haar ouders kregen we
de bonnen die ze over hadden, en soms als de gelegenheid
zich voordeed een kistje met aardappelen. Tarwe werd
gemalen in de koffiemolen, zodat je meel had. Veel
mensen haalden melk bij de boer, en dat werd in een
glazen pot geschud net zolang tot de boter boven kwam
drijven. Maar er was ook een tijd dat je niet aan
groenten kon komen, dan stonden de mensen bij Meine
Gaastra in de rij voor een krop sla. Soms maakten ze een
hele reis naar Gaasterland naar de groenteman Boukes die
had een groentetuin, dan had je kans dat er bij de sla
nog een bosje worteltjes te krijgen was.
Er kwamen ook heel veel
mensen uit Holland naar Friesland, want in Holland was
hongersnood, daar stierven er mensen van de honger. De
eerste tijd ging het nog wel, maar hoe langer de oorlog
duurde hoe moeilijker werd het om hier en daar wat los
te krijgen en in het laatst namen de Duitsers het soms
ook nog in beslag. Toen kon je aan de haven ook nog wel
eens wat ondermaatse paling kopen. Maar in het laatst
stonden de Duitsers bij de boot Jan Nieveen, en werden
de mensen gecontroleerd of ze ook iets zoals paling en
dergelijke bij zich hadden, en zo ja, dan werd het in
beslag genomen.
Wat ik ook erg vond, was
dat er geen tabak meer te krijgen was, of je moest het
in de zwarte handel kopen. Mijn tante, Jantje Jaalsma,
was weduwvrouw, ze had een klein winkeltje in de 4e
Parkstraat. Als er vier mensen boodschappen kwamen
halen, dan was de winkel vol. ’t Was echt een
buurtwinkeltje. Er woonden nog al wat vissersgezinnen
bij haar in de buurt, die haalden in de week de
boodschappen, en kwamen in het laatst van de week om af
te rekenen. Ik zie haar nog met het boek en een klein
stompje potlood zitten de bedragen op te tellen. Ze had
niet een gemakkelijk leven, want ze moest alle uren van
de dag klaar staan voor de mensen. ’s Avonds laat kwamen
ze soms nog om een liter petroleum, maar ze had een
bestaan. Op zo’n manier moesten de weduwen meestal aan
de kost komen. Zo nu en dan had ze een pakje tabak voor
me bewaard, maar ja ik was niet alleen op de wereld. Ze
zal het vast wel vervelend gevonden hebben dat ik
telkens weer kwam. Als ik dit schrijf dan is het al meer
dan 30 jaren geleden dat ik met roken gestopt ben, en
heb er nooit spijt van gehad, nu kan ik nog goed meedoen
op het koor, en dat was anders vast niet het geval
geweest.
De oorlog duurde lang. Zo
nu en dan kwamen er berichten binnen dat de geallieerden
aan de winnende hand waren, maar dat hield ook in dat de
Duitsers doorgingen met het houden van razzia’s en dan
werden er nog veel mensen die ondergronds bezig waren
voor de vrijheid van ons land, opgepakt en afgevoerd
naar een kamp. Of ze moesten het met de dood bekopen.
Jozef en Sara Blok waren nog de enige joden in Lemmer,
zij moesten zich ook melden, en werden vermoedelijk
overgebracht naar Westerbork, naar later bleek een
voorportaal naar de gaskamer.

Maar het gewone leven ging
door, zo hadden wij bij de distributiedienst een
formulier ingevuld voor een vergunning voor het kopen
van meubels, zodat als we ergens een huis konden huren,
we alvast een begin hadden. Je kon eigenlijk nergens
anders terecht dan in Joure, ik meen dat het de
meubelzaak ‘De Vrij’ was. Toen wij op een goeie dag op
de fiets naar Joure gingen, en bij de Follegabrug waren
en van plan waren om de kortste weg te nemen over
Doniaga, naar Joure, hield de brugwachter ons staande en
raadde ons aan om over Spannenburg te gaan, want er
waren net tevoren mensen van de ondergrondse
geëxecuteerd door de Duitsers, zij lagen voor een
boerderij. Dat was een represaille in verband met de
dood van een Duitser. Toch zijn we verder gegaan, we
hebben toen de andere kant op gekeken. Na de oorlog
konden we toen de meubels krijgen, maar zover was het
nog niet.
Een enkele keer gingen we
nog per fiets naar Minke haar ouders op Oostmahorn. Maar
geregeld kregen we aardappelbonnen enzovoort
toegestuurd. Bij de Rook kregen ze ook evacués, dat was
de familie Kentson, hij was chef van het poldergemaal,
hun huis werd door de Duitsers gevorderd. Na de oorlog
kwamen ze elk jaar een paar weken bij ons logeren, tot
ze kwamen te overlijden. Het waren bijzondere mensen.
Kentson spaarde het hele jaar kleingeld, en als ze dan
bij ons kwamen te logeren, kwam op onverwachts moment,
bijvoorbeeld na het eten, de hand in de broekzak, en dan
was het net Sinterklaas, het waren dan geen pepernoten,
maar kleingeld waarmee hij ging strooien, en de kinderen
maar grabbelen. En als ze dan weer naar hun huis in
Dordrecht gingen, kon je op de meest vreemde plaatsen
bij ons in huis nog geld verstopt vinden.
Mijn vader kwam weer in
een Groene Kruis-tentje te liggen. Elke dag kwam de
verpleegster voor een blaasspoeling, hij heeft toen veel
moeten lijden, want dat was een pijnlijke zaak. En de
omstandigheden vanwege de oorlog kwamen er nog bij. Mijn
zuster Janke heeft in het Sanatorium in Hellendoorn de
hele oorlog meegemaakt. Broer Jouke was bakker in
Zwaagwesteinde, hij werd met een razzia zo achter de
oven weggehaald en naar Duitsland getransporteerd, broer
Piet van het ene naar het andere onderduikersadres. Wat
zal er veel in vader omgegaan zijn. Hij was voor al zijn
kinderen zo zorgzaam. Als ik terug kwam van Oostmahorn,
dan ging hij pas slapen als ik de deur binnenkwam.
De oorlog liep naar het
einde, dat kon je aan alles merken. De bommenwerpers
vanuit Engeland waren heer en meester en vlogen nacht en
dag. De route van Engeland naar het Ruhrgebied in
Duitsland, lag over het IJsselmeer en over de Lemmer.
Zodoende had je in die omgeving nog wel gauw eens
luchtgevechten. Daarom kom je in veel Friese plaatsen op
de kerkhoven graven van de geallieerden tegen. Een keer
was het zo erg dat we vader uit het tentje naar binnen
hebben gebracht. Toen is er naar ik meen in Eesterga ook
een vliegtuig van de Engelse luchtmacht neergeschoten.
Grote delen van Nederland waren al bevrijd, maar wij
moesten nog geduld hebben.
Mijn vader was erg ziek en
we wisten dat het niet goed zou komen. Hij werd nog
opgenomen in het Sint Antonius ziekenhuis in Sneek. Maar
het was maar voor een paar dagen, want op een morgen
werd ik op het distributiekantoor opgebeld, of ik naar
Sneek wou komen. Dus direct op de fiets gestapt en naar
Sneek gereden. Toen ik daar kwam was vader de nacht
daarvoor gestorven, en dus al van de zaal afgevoerd. Het
was 14 februari 1945. Later hoorde ik dat juffrouw Smit
nog bij vader was geweest. Juffrouw Smit gaf les aan de
Rooms Katholieke school in Lemmer. Ze was erg
gehandicapt, en kon moeilijk lopen, maar ze had in de
klas de wind er goed onder. Ze woonde bij ons op de
buurt, en als ze dan achterom bij ons langs liep, dan
ging ze steevast een praatje maken bij mijn vader in het
Groene Kruis-tentje. Ze vertelde dat vader heel vredig
gestorven was. Het wondere was dat hij zo rustig bij ons
weg is gegaan. Vader die altijd zo zorgzaam was voor de
kinderen.
Koenraad van der Wal, de
timmerman, was een vriend van hem, en die vertelde ons
dat hij tegen hem gezegd had dat hij ons los kon laten,
dat het zo goed was.
Nu kwam er weer een
probleem bij, want vader moest weer naar Lemmer en je
kon nergens meer autovervoer krijgen. Gelukkig was Frits
Lousma, een boer aan de Straatweg, bereid om met paard
en wagen naar Sneek te gaan om vader op te halen. Dat
was een hele opgave, want als hij door de Duitsers was
aangehouden, dan hadden ze hem vast de kist open laten
maken. ’k Weet nog dat we samen om de kist stonden en
vader er zo vredig bij lag dat ik zei: “Vader is daar,
waar Englen in hun blank gewaad God prijzen ongestoord”.
Soms zou je die momenten vast willen houden. Maar dan
hoor je het rumoer weer in de straat, en dan kom je weer
tot het besef dat het leven gewoon doorgaat.
Het was 14 februari 1945.
Renske en ik waren toen alleen nog thuis. Inmiddels had
Renske ook verkering met Jacobus Lucas Terwal, die was
met zijn broer Henk schipper van beroep. Zo nu en dan
ging ze mee varen en verzorgde de mannen aan boord.

Toen hebben we besloten
dat we gingen trouwen.
Jammer dat het op deze
manier ging. Je kon niks meer krijgen. De oorlog was nog
niet afgelopen. ’t Was een erg zorgelijke tijd. Maar
toch waren we blij dat onze wens eindelijk in vervulling
ging. We leerden elkander in 1936 kennen, 14 december
1938 verloofden we ons, en pas 7 jaar, op 5 april 1945,
later trouwden we. Het was geen tijd om bruiloft te
vieren. Van Minke haar familie waren vader, zus Dirkje
en broer Dirk mee naar Lemmer gekomen. We hadden een
sobere maaltijd, maar de stamppot met bonen uit het vat
smaakte verrukkelijk. We trouwden in de Hervormde Kerk
in Lemmer. Ds. Keuzenkamp had de leiding. Minke had de
tekst opgegeven Psalm 39:8. “En nu wat verwacht ik o
Heer? Mijn hoop is op U”. De cadeautjes bestonden
voornamelijk uit geld want er was bij wijze van spreken
geen spijker meer te koop. Ik weet nog dat ik de eerste
morgen na ons trouwen een pakje tabak kocht, en dat was
niet goedkoop. We waren bijna twee weken getrouwd toen
we door de Canadezen bevrijd werden. De nacht van 16 op
17 april werd een angstige nacht voor ons.
Veel plaatsen in Friesland
waren al bevrijd. De Duitsers die er nog waren
probeerden via de Lemmer naar Holland te komen. In de
haven van Lemmer lagen twee boten naar Holland voor hen
klaar, want dat werd toen nog door de Duitsers bezet. Ze
probeerden van alles nog mee te nemen. Zelfs een klein
boertje, Nijholt, moest nog met 3 koetjes naar de haven,
zuster Anna’s man Bouke moest met paard en wagen nog van
Sondel naar Lemmer met spullen voor de Duitsers. Ze
zeiden later: we hadden al afscheid van elkaar genomen.
’t Was ook levensgevaarlijk, want in de vooravond
begonnen de Canadezen het vuur op de vluchtende Duitsers
te openen. Vanaf Heerenveen werden granaten afgeschoten
in de richting van de haven van Lemmer. Je hoorde de
projectielen al van verre aankomen. Het was een gemene
fluittoon, die barstte boven Lemmer in 3 knallen uiteen.
Eerst zat er maar een paar minuten tussen de keren dat
zo’n projectiel overkwam, maar hoe later het werd hoe
groter de tussenpozen werden, totdat het na middernacht
stil werd. Ik herinner me nog hoe doodstil het werd,
angstig stil. Je durfde ook niet naar buiten want we
wisten niet wat die stilte betekende, maar toen waren er
toch weer mensen die het waagden en even later kwamen ze
overal op straat, en zag je mensen van de ondergrondse
op verschillende hoeken van straten in gevechtstenue een
positie innemen, omdat men eerst moest weten of er
ergens niet een paar Duitsers achtergebleven waren.
De oorlog was voor ons
over, maar in Holland zou dat nog even duren voordat de
vijand capituleerde. De eerste dagen leefden we in een
roes. De N.S.B-ers werden opgepakt, en de meiden die met
de Duitsers op stap waren geweest werden kaal geschoren.
Ze werden naar het Nutsgebouw gebracht. En elke keer als
ze iemand opbrachten ging er een gejuich op. De haat was
groot, en dat was ook wel te begrijpen omdat je vijf
jaar lang onder het juk van de vijand had gezeten. Toen
men tot bezinning kwam, was de vraag van veel mensen of
hun familieleden het overleefd hadden, er waren zoveel
die van huis en haard verdreven waren en waarvan men in
geen tijden iets gehoord had. Gelukkig hoorden we al
gauw dat broer Jouke onderweg was vanuit Duitsland naar
Nederland.

Langzaamaan begon er weer
een beetje orde in de samenleving te komen, hoewel het
lang duurde voordat alles van de bon was. Op 4 februari
1946 werd onze dochter Reinouw geboren, dat was
natuurlijk een blijde gebeurtenis. Toen kwam ook de tijd
dat ik naar ander werk moest uitzien want bij de
distributiedienst was het afgelopen. Broer Piet zat bij
Dirk van Looy de groentegrossier op het kantoor, maar de
oorlog was hem niet in de koude kleren blijven zitten,
hij kon beslist niet tussen vier muren zitten, zodat hij
het bij van Looy niet uithield. Onderwijl was ik bij de
heer Blessinga op cursus boekhouden gegaan. Boekhouden
lag mij wel, dus kon ik in zijn plaats komen. Maar ik
moest plaatsmaken voor Douwe Gaasbeek, die was vóór
broer Piet bij van Looy, maar moest als soldaat naar
Indië. Toen de militairen uit Indië terugkwamen, hadden
ze recht om hun laatste betrekking weer in te nemen, dus
dat betekende dat ik plaats moest maken. 21 maart 1947
werd zoon Marten geboren, de winter van 1946/1947 was
zeer streng, toen Marten geboren werd begon het pas te
dooien. Een paar dagen daarvoor reden ze nog op het
IJsselmeer. Slager de Jong kwam vragen of ik weer bij
hem in dienst wou komen, maar ik wou beslist niet weer
bij de deuren langs om bestellingen op te nemen. Het vak
op zichzelf, uitbenen, worst maken enzovoort dat zou ik
wel willen, maar toen moesten ze het hebben van opvragen
van bestellingen. Maar toen het een paar maanden duurde
dat ik geen werk had, zei ik tegen Minke, als slager de
Jong weer komt vragen of ik bij hem wil komen, zeg dan
maar dat ik het doe. Maar gelukkig dat hoefde niet meer,
want toen ik even de Lemmer in was, en terug kwam, zat
er een man bij ons thuis, die mij kwam vragen of ik bij
hem in dienst wou komen. Ik had geen idee wat het kon
wezen, maar het was de bedoeling dat ik de opzichter van
dienst zou worden. Men was bezig met het graven van het
Prinses Margrietkanaal van Lemmer naar Groningen. Bij
Tacozijl kwamen de nieuwe sluizen, en er moest een
doorvaart gemaakt worden naar het IJsselmeer. Daar moest
een strekdam gemaakt worden. De eerste opdracht was het
controleren van een schip met bossen teenwilgen hout
voor het vlechten van zinkstukken dat door Werkendammers
gedaan werd. Als het lichaam van de dam opgespoten was,
dan werd het met bitumen afgedekt, en tegen de voet van
de dijk kwamen de zinkstukken te liggen en die werden
met zware keien afgestort. Ik moest er dan op letten dat
ze goed op diepte kwamen te liggen, en ook het aantal
bossen teenwilgen dat aangevoerd werd, moest ongeveer
kloppen. Het was wel gezellig, soms ging je met een
directiebootje mee het IJsselmeer op, zo bij de
werkzaamheden langs.
Maar ook daar kwam weer
eind aan. Ondertussen werd in Dokkum bij de Kweekschool
een conciërge gevraagd, en een amanuensisconciërge bij
de Landbouw winterschool die nog in aanbouw was en waar
tevens een conciërgewoning bij gebouwd werd. Ik
solliciteerde naar beide betrekkingen. Ik kreeg een
oproep van de Kweekschool, maar daar kreeg ik een
bedankje van. De betrekking bij de Landbouw winterschool
was ik al vergeten, want die school moest nog afgebouwd
worden, dus was het niet urgent. De school werd gebouwd
in opdracht van de Christelijke Boeren en Tuindersbond
(C.B.T.B.) te Leeuwarden. Maar op een zekere dag kreeg
ik een uitnodiging om in het oude Weeshuis in Dokkum te
komen. ’k Wist helemaal niet meer wat er in die
advertentie gevraagd werd. Toen ik daar kwam bleek dat
er van de vele sollicitanten 15 waren overgebleven, die
voor die baan in aanmerking kwamen. Toen we zo bij
elkaar op onze beurt zaten te wachten, hoorde ik dat ze
vroegen wat amanuensis inhield. Ik hoorde ze zeggen, als
je maar een beetje kunt knutselen. Maar goed dat ik toen
niet wist dat amanuensis een vak apart is, en dat je dan
wel een beetje meer moet hebben dan alleen lager
onderwijs. Toen het mijn beurt was vroeg men wel zoiets
of je een beetje handig was en wat klussen kon.
Toen ik thuis kwam zei ik
tegen Minke nou dat zal ik wel niet krijgen, want er was
ook een beheerder van het Gebouw van Christelijke
Belangen uit Dokkum bij. Er was weer een hele tijd
voorbijgegaan, en op een dag kregen we bezoek van leden
van het Bestuur van de school, die een kijkje kwamen
nemen. En later hoorde ik ook van de dominee dat ze bij
hem informatie hadden ingewonnen. Maar het geduld werd
weer op de proef gesteld want het duurde weer een tijd
totdat ik op een zaterdag een telegram kreeg, met het
verzoek om de maandag daarop in het gebouw van de
C.B.T.B. aan de Willemskade in Leeuwarden te komen. Ik
zei ik tegen Minke nou heb ik de betrekking of er zijn
nog een paar. Toen ik daar kwam waren we nog met z’n
drieën. Toen ze me vroegen of ik zelf ook nog iets te
vragen had, zei ik ’k hoop wel dat het niet lang meer
duurt wat de uitslag is. Ze zeiden dat we heel
binnenkort bericht konden verwachten. Dezelfde week kwam
het bericht dat ik was aangenomen.
Dit was in het najaar
1950, het liep ook tegen het einde van het werk bij
Rijkswaterstaat. De strekdam was klaar, het stuk dijk
tussen het binnen- en buitenwater voor de doorvaart
moest nog weggebaggerd worden, maar dat werd door een
andere aannemer uitgevoerd. Wat waren we blij met mijn
benoeming aan de Landbouw winterschool in Dokkum. Maar
het duurde nog een paar maanden voordat we konden
verhuizen naar Dokkum, want het afwerken van de bouw aan
de school en het huis viel erg tegen ook vanwege het
natte voorjaar. Begin maart 1951 was het dan zover. 16
mei 1949 was ons gezin ook weer uitgebreid met de
geboorte van dochter Oetske. Aukema heeft ons met de
verhuiswagen naar Dokkum gebracht. Ina Kentson, een hele
goeie kennis van ons, hielp ons met de verhuizing. Omdat
Oetske, de baby, niet al te goed was, gingen die beiden
met een personenwagen.
In huis was het nog een
behelpen want het elektrisch moest nog aangesloten
worden, er was geen deur die helemaal dicht kon, maar
toen het huis bewoond werd was dat leed gauw geleden.
Het was eerst een hele ommekeer. We waren de eerste
dagen onwennig van wat we achter hadden gelaten. We
gingen de eerste avonden ook vroeg naar bed. De school
was nog niet klaar, veel moest nog afgewerkt worden en
er tussendoor moest er ook nog het een en ander aan het
huis gebeuren. Om huis en de school moest nog veel
opgeruimd worden. De school werd in oktober 1951
geopend, dus in die paar maanden daarvoor kon ik
beginnen met schoonmaken. Langzaamaan werd het om de
school ook veel vriendelijker toen het opgeruimd en
ingezaaid werd. We moesten eerst ook wennen aan de
Dokkumers. Voor ons gevoel waren ze in het hoge Noorden
stugger dan in de Zuidwesthoek, maar daar wen je ook wel
weer aan. De naam zegt het ook al, het was een Landbouw
winterschool. Dat betekende dat de jongens alleen ’s
winters naar school gingen tot het voorjaar, en dan bij
de vader of een andere boer in de praktijk gingen. De
leraren gingen dan bij de jongens langs om te zien hoe
ze het op het bedrijf bezig waren. Op 2 oktober 1951
werd de school officieel geopend.
Toen begon dus het
eigenlijke werk. De eerste paar jaar heb ik het wel
moeilijk gehad, niet de werkzaamheden want dat lag me
best, maar het omgaan met jongens van de leeftijd van 16
jaar en ouder. Later leerde ik wel dat je niet altijd zo
precies kon zijn, maar ja, een spiksplinternieuwe
school, en als je dan zelf alles op alles zet om het
mooi te houden, dan heb je het eerst moeilijk. Maar
directeur en leraren stonden altijd achter me en daar
had ik alle steun van. Op het laatst raak je helemaal
ingeburgerd, en we hebben nooit geen spijt gehad dat we
daar kwamen te wonen, terwijl de directeur zei, als
jullie liever wat onder de mensen willen wonen, is die
mogelijkheid er wel. Men was jaloers op ons dat we zo’n
betrekking kregen en dan ook nog een nieuwe woning
erbij. Ons gezin breidde zich de opvolgende jaren
regelmatig uit. Achtereenvolgens werden in Dokkum
geboren: zoon Anne op 7-4-’52, zoon Piet op 25-3-’54,
zoon Dirk op 11-3-’55, dochter Anneke op 15-3-’56,
dochter Tineke op 2-9-’59. Het huisje was maar klein,
maar dat zie je pas later als de kinderen de deur uit
zijn, dan vraag je je af hoe is het mogelijk dat we met
tien mensen daarin hebben kunnen verkeren. We hadden er
heel veel plezier van dat de kinderen zich konden
uitleven om en bij huis en school. En dat hebben ze ook
gedaan, we hadden dan soms ook van alle soorten vee,
zoals duiven, konijnen, geiten, een Vlaamse Gaai, 2
ganzen waar de jongens heel veel plezier mee hebben
gehad, jonge eendjes die van moedereend verdwaald waren
enzovoort Ze hadden een klein paradijsje.
En bij moeder Minke waren
vrienden en vriendinnen altijd welkom, en wat dieren om
huis dat was ook wel gezellig, maar op een dag kwamen de
jongens thuis met een heel lief klein hondje, dat hadden
ze onderweg van iemand gekregen, die wou hem natuurlijk
graag kwijt, maar toen ging het moeder wel aan het hart,
maar dat ging niet door. Gelukkig kwamen ze onderweg
weer iemand tegen en die bood hun een kwartje aan, toen
was de koop gauw gesloten. De verdienste van een
conciërge was maar matig, gelukkig wist moeder heel veel
te besparen wat kleren betrof, want ze naaide alle
kleren voor de kinderen. Oom Pieter, de post, bracht de
afgedankte jassen bij moeder en die maakte er weer mooie
warme kleren van. De kinderen hebben heel veel kunnen
genieten van alles in en om huis, misschien dat ze later
hun memories ook schrijven, dus dat laat ik nu aan hen
over. De vrienden en vriendinnen geven soms ook nog eens
een blijk van herkenning. Eén van hen verwoordde dit in
een geborduurde tekst die we op de dag van ons 50- jarig
huwelijk van haar kregen met de volgende woorden:
Daar alleen kan liefde
wonen,
daar alleen is het leven
goed
waar men stil en
ongedwongen
alles voor elkander doet.
Dit was één van de mooiste
cadeaus. Ze had het zelf geborduurd, de laatste steekjes
moesten op de morgen van de feestdag nog gedaan worden,
en een ijlbode moest het nog bezorgen.

We waren geen heiligen en
de kinderen waren ook altijd geen lieverdjes, maar we
hebben dunkt me geprobeerd om blij te zijn en blij te
maken. We hadden een wijze vrouw en moeder gelukkig,
want er kwam heel wat te kijken in zo’n gezin. De school
was inmiddels ook van naam veranderd in Chr. Middelbare
Landbouwschool. Dat betekende ook dat niet alleen ’s
winters maar net als op andere scholen de lessen tot de
grote vakantie gegeven werden.
In de vakantie werd de
school grondig gereinigd, de tuin onderhouden, en het
grasveld voor de school gemaaid. Maar zo bleef voor mij
de vakantie erbij, dat kwam ook dat de kinderen nog
klein waren, en om en bij huis zich best konden
vermaken. Maar moeder wou ook wel eens uit de gewone
omgeving weg. Zo kwam het dat we voor het eerst een week
met het gezin op vakantie gingen naar Gaasterland. We
gingen op de fietsen, de oudsten zelf, en de jongsten
bij vader en moeder voor- en achterop. Dat was een hele
uittocht, en soms hoorde je de mensen zeggen: “Die
hebben ook wat”. We fietsten van Dokkum voorbij
Leeuwarden richting Sneek. Halverwege had je de blauwe
tent, een geheelonthouderscafé, waar veel chauffeurs die
onderweg waren, een kopje koffie dronken. Dat werd voor
ons voortaan ook de onderbreking van de reis. De tweede
stop was even vóór Sneek daar gingen we van de grote weg
af op een zijweg die uitkwam bij een bosje, daar hielden
we een echte pauze. De boterhammen werden uitgedeeld, en
we kregen er een ei bij. Ze weten het nu nog wel te
vertellen. Maar de laatste loodjes wogen het zwaarst. We
kwamen bij de familie Eissen, ze waren net uit Canada
gekomen en haar moeder was ook bij hen. De weg naar hen
toe was door de vele regen vrij modderig. De Beukenlaan
was nog niet geasfalteerd. De kamer waar wij in kwamen
moest nog afgeverfd worden, daar was Eissen mee bezig.
Maar toen wij het erf op kwamen werden wij zo hartelijk
ontvangen, dat we direct wisten: hier zijn we thuis. We
hebben verscheidene jaren de vakantie bij hen
doorgebracht. De vriendschapsband is er nog steeds, op
de begrafenis van moeder was Eissen ook nog aanwezig.
Maar toch kwam er weer een tijd dat we wat anders
moesten zoeken.

De kinderen waren zo’n
beetje uitgekeken in Gaasterland, en dat fietsen daar
begonnen ze hoe langer hoe meer tegenop te zien. Toen
een vriendin van de kinderen bij ons was en we er over
praatten, wist ze een adres op Terschelling waar we
misschien terecht konden, en dat gelukte. Vanaf die tijd
zijn we jaren achtereen met vakantie naar Terschelling
geweest. Een eiland waar je van alles kunt genieten. Het
Wad, de Noordzee, de duinen, de bossen. Vissen en
fietsen of een wandeling, daar is nou voor elk wat wils.
Maar dat heeft ook weer z’n tijd gehad. De kinderen
kregen vrienden en vriendinnen, en dan word het tijd dat
ze hun eigen wegen gaan. Ze zullen nog wel vaak eens
terugzien naar die tijd.

We zijn later samen
nog wel naar Terschelling geweest. We hebben nog
prachtige busreizen gemaakt naar Oostenrijk,
Limburg, Luxemburg. Ook zijn we twee keer naar
Canada geweest naar broer Piet en Lamkje. Zelf heb
ik toen ik met pensioen ging, nog een reis met de
school meegemaakt naar Londen, dat was een mooi
afscheid na 30 jaren dienst. Het afscheid op school
was op 29 september 1980.
Het afscheid van de
school betekende ook dat we moesten verhuizen uit de
dienstwoning. Zoon Piet, die mij opvolgde, trok er
met zijn gezin in en woont hier nu nog steeds. Wij
vonden een huis in de directe omgeving zodat we
kerkelijk bij de gemeente Aalsum/Wetsens bleven
behoren. Moeder en ik zijn op kerkelijk gebied jaren
actief geweest. Moeder was voorzitster van de
vrouwenvereniging en bezocht gemeenteleden in een
bepaalde wijk. Zelf heb ik 25 jaar lang de
boekhouding van de begraafplaats Aalsum gedaan en
ben 12 jaar lang ouderling geweest.
Moeder had ook nog het
rijbewijs gehaald, daar konden we ook nog van
genieten, we waren niet zo aangewezen meer op
openbaar vervoer. Eerst hadden we een Dafje, en
later een Ford Escort, een hele mooie auto. We
gingen niet ver van huis, maar toch nog wel zo nu en
dan naar Emmeloord daar woonden mijn zuster en haar
man, en naar Delfzijl waar onze dochter en man
woonden, en Gaasterland waren we ook niet vergeten.
En toen kwam de tijd
die in ons beider leven een hele ommekeer bracht. De
gezondheid van moeder ging achteruit, ze had
hartklachten en moest worden geopereerd. Na de
hartoperatie leek alles weer goed te gaan. Toen
kreeg ze een hersenbloeding en moest daarna opnieuw
leren spreken, lezen en schrijven. Ze had het daar
erg moeilijk mee. In februari 1996 kreeg ze weer een
hersenbloeding en raakte aan de rechterzijde
verlamd. Toen we dachten dat het wat beter ging,
kregen we bericht van het ziekenhuis dat ze opnieuw
een bloeding had gekregen. Een blik van herkenning,
een glimlach naar ons, meer kon ze niet. In de
vroege ochtend van 13 maart 1996 is moeder op
77-jarige leeftijd overleden.
Lieve vrouw dit was
dan mijn verhaal. Als ik het over vroeger had, dan
zei jij: “Schrijf het eens op”. Dat heb ik dan nu
gedaan. Onbewust ben ik voor een tijd terug begonnen
met mijn verhaal, en nu ben ik blij dat ik het heb
gedaan. Elke dag kom je tegenwoordig de
herinneringen tegen aan wat deze eeuw gebracht
heeft. Als ik terug zie, dan verwonder ik mij erover
hoe het mij vergaan is. Zo had ik het zelf nooit uit
kunnen denken. Dat wij op deze manier elkaar leerden
kennen, de oorlog goed doorkwamen, de betrekking bij
de school kregen met een huis erbij, dat we bijna 51
jaar bij elkaar mochten blijven. Dat is waar ik heel
dankbaar voor ben. ’k Hoop dat ik het komende jaar
weer moed en kracht mag ontvangen om door te gaan.
En de herinneringen zullen altijd met ons mee gaan.
En dat is goed. We hebben heel veel foto’s en
brieven vanaf de eerste tijd dat we bij elkaar
kwamen tot dat we afscheid van elkaar moesten nemen.
Een kostbaar bezit dunkt me, ook voor de kinderen,
en die na hen komen.
Dokkum, 31 december
1999
M. Rottiné
|
1915 - 2007.
Op vrijdag
13 juli is mijn vader Marten Rottiné overleden
op de leeftijd van 91 jaar. Zijn gezondheid liet
de laatste tijd te wensen over en in
aanwezigheid van de familie is hij gestorven.
Op woensdag 18
juli is hij begraven op het kerkhof te Aalsum,
bij Dokkum.
Oetske Rottiné |
Home |