Moddergat.

 

 

 

Bovenstaande foto's van Charlotte Sterk-Huiskes.

 

●●●

 

De ramp van Moddergat.

R. IJbema en H. de Haan.

| 1 | 2 |

Het weer tijdens de ramp.

De kelders waren leeg, de schulden bij de bakker, kruidenier en andere leveranciers stegen, en het gedwongen niets doen maakte de mannen onrustig en wanhopig; de vrouwen niet minder. Al het werk dat in de winter moest gebeuren aan de schepen was klaar en toen dan ook van 28 februari tot 4 maart 1883 voordurend een hogedrukgebied met barometerstanden van 770mm tot 779,75 voor prachtig voorjaarsweer zorgde, waren ze niet meer te houden. De schepen werden van uit hun winterligplaats, Ezumazijl, gehaald en op de Paesumerrede voor anker gelegd. De wind richting was op de 4de maart O N O maar draaide in de nacht van zondag op maandag naar N en W N W. Het doel van de reis was het zogenaamde scholveld. Dit gebied bestaat uit zandruggen ter diepte van 6-7 vadem (1vadem is 1,88 m) waartussen geulen met een diepte van 9-12 vadem. Het is gelegen ten noordoosten van Borkum. Volgens overlevering was hier een graanschip gezonken waar allerlei soorten vis op af kwam. De afstand naar het scholveld bedroeg ongeveer 50 kilometer.

 

Klik op de foto voor vergroting: + = Plaats van stranding van de vissersschepen.

 

In tegenstelling tot de algemene opvatting vond het vertrek 's nachts om plm. half één plaats. Toen het om plm. half zes licht werd, waren de schepen op de plaats van bestemming. Volgens de waarnemingen uit Leeuwarden betreffende de barometerstand en de wind op maandag 5 maart was het weer die dag tamelijk goed. De luchtdruk was de hele dag nog aan de hoge kant, maar wel dalende, met toenemende snelheid, bij een wat aangroeiende wind, krimpend van west naar zuidwest. Het K.M.N.I voorspelde, Noordoostwaarts veraf is een depressie met een barometer stand van 755 mm. Verwachting Noordwestelijke wind en betrokken. Op het scholveld is de wind waarschijnlijk slechts van N.O naar W.N.W gedraaid, waarna hij omstreeks het middag uur uit N W begon aan te wakkere. Een der ooggetuigen verklaring vertelde dat er een zwarte lucht plat op het water kwam aan zetten die zodra men er onder door kon kijken een storm deed op steken vergezeld door hagel en sneeuwbuien. Dit storm veld was zeer uitgestrekt en nam gedurende nacht in hevigheid toe, om dat volgens de waarnemingen te Utrecht zich veraf Oostwaarts een depressie met een luchtdruk van755 mm kwikdruk. Dit is waarschijnlijk de gepasseerde depressie geweest welke zich op het vaste land van Europa uitdiepte.

Even laten wij ons verleiden tot een kleine veronderstelling. Indien op de maandagmiddag de weersberichten hadden kunnen worden beluisterd, dan zouden ze op dat ogenblik hebben geluid. In district noord, de wind toenemend tot storm uit het noord westen, in de nacht toenemend tot zware storm uit richtingen van noordwest tot noordoost. Ongetwijfeld was dan het besluit gevallen zo gauw mogelijk naar huis. Het heeft niet zo mogen zijn. Eerst in de laten avond toen de storm reeds tamelijk hevig was en de opgezweepte golven van de Noordzee vergezeld van hagel en sneeuwbuien, in volle kracht kwamen aan rollen, begon de vlucht. Deze zware golfslag verenigde zich aan de kust met de nog heersende deining uit oostelijke richting. Mede door een telkens van richting veranderde wind ontstond er op de vroege dinsdag morgen een zeer ongunstige situatie in het, rijk van ondiepte voorziene, gebied voor de kusten van Rottumeroog tot Schiermonnikoog. Hier bij de Borkumerrif, bij de geldzak, de ballonplaat, het Huibertsgat, Ooster Buitengronden en de Wierummergronden is de zee in haar opstand onberekenbaar, grillig en is navigatie met alleen de zeilen uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk.

 

Een replica van het houten zeilschip waarmee vissers uit Paesens, Moddergat en Wierum eeuwenlang de kost verdienden.

 

Hierbij kwam nog dat de zware buien oriëntatie op bepaalde punten onmogelijk maakte en de gevaarlijke branding niet vermeden kon worden. Ooggetuigen verhalen ons verder dat ze de zee zelden zo onstuimig hadden gezien en dat het troebele water soms op steeg tot 60 voet. Voegen we al deze omstandig heden bij fijt dat deze aken en blazers niet in alle onderdelen zeewaardig genoemd konden worden, dan neigt men tot het oordeel dat een ramp wel onvermijdelijk moest zijn. Wel waren deze schepen zeer geschikt om voor hun netten bij te leggen, dit is drijven met de steven naar de golven gekeerd, als snelzeilers ook, maar om te lenzen, dus voor de wind de hoogstaande zeeën te ontlopen, waren ze door de lage bouw van het achterschip ten ene male ongeschikt.

De nacht van 5 op 6 maart zal voor deze mensen verschrikkelijk zijn geweest, maar toch zullen zij nog altijd de hoop hebben gehad dat de dageraad zou komen met een afnemende storm. Het tegen deel bleek. De storm nam nog in kracht toe en bereikte in buien zeker windkracht 9 tot 10. Om acht uur 's morgens sloeg het eerste schip om, waarschijnlijk de W.L.7. Dit schip opende de rij. Omtrent de wijze van vergaan van de schepen bestaat geen eenstemmigheid. Sommige zeggen dat de schepen van achteren besprongen werden door zulke grondzeeën, dat ze kantelde in hun lengteas, weer anderen zeggen dat ze dwarszee sloegen en overzij kantelde. Wanneer het laatste schip vergaan is, is niet bekend maar wel dat de plaats van stranding zich over een kustlijn van 70 kilometer uit strekte.

Omtrent de de plaats van het vergaan van de schepen vertelt J.J. Bruinsma, apotheker te Leeuwarden (1807-1885 in zijn door ons geraadpleegd artikel van 18 juni 1883 in de Leeuwarder Courant o.a. nog dat een drietal ongeveer zes uur ten Noorden van Ameland vergingen. Deze schepen hebben waarschijnlijk de volle zee opgezocht, maar zijn desondanks toch nog vergaan. De meeste schepen vergingen op de gronden voor Schiermonnikoog en de Kalkman (Engelsmanplaat).Tussen 12 en 16 uur na middag nam de wind in kracht af, maar de zee bleef nog zeer onstuimig, zo dat om half drie als een der laatste schepen de W.L. 2, van Gerben Basteleur, voor de kust van Schiermonnikoog kantelde.

Uit de Leeuwarder courant van 1883.

Ontzettend is de toestand hier en in het Moddergat. Maandag j.l. staken de visschers van hier in zee. Ernstig maakte men zich over hen bezorgd bij het onweer in den nacht van maandag op dinsdag. De visschersaken toch zijn tegen geen stormen en hooggaande golven bestand. Nu waren ze afgevaren ter scholvangst, op veel grooter afstand dan ze in het najaar doen ter schelvischvangst. Dinsdag kwamen van de twee en twintig vaartuigen drie te Oostmahorn binnen. Ontzettende geruchten verspreidden zich toen. De onrust steeg echter tot wanhoop, toen Woensdag morgen wrakhout en goederen in overvloed aan het strand spoelden, en hout en goederen van hier thuis behoorende schepen werden herkend.
Het gekerm, gejammer, gegil der visschersvrouwen was hartverscheurend. Eén vaartuig was hier gearriveerd. Van de anderen niets dan de slechtste tijdingen, - van velen reeds de zekerheid, dat ze waren vergaan. Van veertien vaartuigen meent men nu reeds volkomen zekerheid te hebben, dat ze zijn omgeslagen. Van de overige vier wordt niet anders verwacht.

Wie is in staat de ellende alhier te schetsen. Mijne pen is daartoe niet bij magte. Ik zag heden eene moeder meer dood dan levend huiswaarts dragen. Zij heeft drie zoons en een schoonzoon bij deze ramp verloren. Naar men gelooft, zijn achttien vaartuigen met negentig man, waarvan ongeveer 60 hoofden van gezinnen, omgekomen. De visscherij, het hoofdmiddel van bestaan alhier, is zoo goed als vernietigd. Geen der visschersaken is verzekerd. Goed en bloed, alles is verloren.

Het bovengemeld vermoeden krijgt te meer grond, met het oog op een berigt uit Schiermonnikoog, dat daar in den nacht van 5 op 6 dezer verscheidene wrakstukken van vischaken zijn aangespoeld, vermoedelijk afkomstig van de vaartuigen nrs. 8, 6, 10, 16 en 4 allen te Moddergat tehuis behoorende. In de branding bij Schiermonnikoog lag nog onderste boven de vischaak Nooit Gedacht, schipper G. J. Basteleur, van Moddergat.

Nadat de burgemeester van Schiermonnikoog zich naar het strand had begeven, kwam hij op de gedachte, het omgekeerde vaartuig nader te onderzoeken, om te zien, of er zich ook lijken in bevonden. Twee jonge zeelieden sprongen er op, en, naauwelijks op het vlak of de kiel omloopende, hoorden zij een vreeselijk gejammer beneden in het schip. Dadelijk ging men met zagen en bijlen aan het werk, om een gat in het vlak van het schip te kappen. Dit gelukte spoedig, en hierna mogt men de voldoening smaken, nog één der bemanning levend naar boven te halen.

Het was een der beide zoons van den schipper Basteleur. De laatste was met zijn anderen zoon en neef den vorigen dag bij het kenteren van het schip reeds over boord geraakt, terwijl de oom, die bij den geredde nog aan boord was, naast hem staande in het vaartuig was bezweken. Wel mag dit eene buitengewone redding worden genoemd, als men weet, dat de bedoelde persoon ongeveer twintig uren in het omgekeerde vaartuig had doorgebragt en slechts even het hoofd boven water had kunnen houden. Ieder visschersvaartuig had eene waarde van ongeveer f 6000. Pleisters voor de niet te heelen wonden, zijn dringend noodzakelijk. (10-3)

Het genoemde stormveld moet wel een grote uitgebreidheid hebben gehad. Want naast de 17 schepen van Moddergat en Paesens, vergingen er ook 3 schepen uit Zoutkamp met 9 man, 8 schepen van Urk met 26 man en één schip uit Nieuwendiep met drie man. Zeven schepen uit Urk vergingen in het Goereese Gat bij een poging achter de loodskotter veilig naar binnen te komen, één schip stranden op het strand van Bloemendaal. Ook op de Oostkust van Engeland zijn verschillende schepen ten onder gegaan.

Voorwaar, toen bij zonsondergang op de zesde maart 1883 de storm luwde, de wind ruimde naar het Noordoosten, en hagelbuien achter wegen bleven, en de vrouwen en kinderen op de Oere bij Moddergat zich weer op de zeedijk staande kon de houden om uit te kijken naar de lage horizon, kon met recht gesproken worden over een rampdag voor de kustvisserij op de Noordzee. In Nederland waren die dag 121 vissers verdronken, achterlatende 80 weduwen en 200 minderjarige kinderen. De natuur had toegeslagen, het onberekenbare weer had deze mensen bedrogen en ten ondergang gevoerd en op nieuw kon men zeggen..........en de vis word duur betaald!!

 

Fiskershuske Moddergat.

 

Overzichtsfoto vanaf de zeedijk over Paesens Moddergat.

 

Arme vissers.

Nog een vertelling van dokter Schelthuis.

Het was de 6e maart. Hendrik Schelthuis was jarig en Gerrit, Johan en Lize waren bij hen op bezoek. Toen 't tegen het einde van de avond liep en de kinderen moe van 't spelen, rustig bij een zaten, zei dokter, nooit zal ik op deze dag de ontzettende ramp vergeten, waarvan ik in 1883 bijna ooggetuigen was. De kinderen, die zich nog goed herinneren, hoe mooi dokter verteld had van de vervolging door wolven, schaarde zich al gauw om hem heen, en of dokter wilde of niet, hij moest vertellen.

Ik was toen een jongen van jullie leeftijd en woonde in Moddergat, een vissers dorpje aan de Noordkust van Friesland. De meeste dorpelingen leefde daar toen nog van de visvangst. Hun visserij was kustvisserij. Bij hoog water voeren zij af, met pramen naar zee, waar onder bescherming van de Engelsmanplaat de aken en enkele blazers lagen. Hierop stapte ze over, zeilde het Friese gat uit, om bijnoorden Ameland en Schiermonnikoog te gaan vissen, en 12 of 24 uur later bij vloed weer terug te keren. Alleen in het voorjaar ging een vloot voor een week of drie uit, om verder op schol te vissen. Maar tegen zulke tochten waren de kleine scheepjes eigenlijk niet bestand. Nu was 't in 't laatst van februari of begin maart van 't jaar 1883. 't Weer stond er niet naar, om al met de visserij te beginnen. Nog hoor ik de oude visser, die bij ons op bezoek kwam, op de vraag van mijn vader antwoorden: nou 'k denk niet dat we de volgende week al de schol gaan opzoeken. 't Weer is nog zo slecht en de nachten zolang.

Toch werd Vrijdag of Zaterdag het plan om uit te varen vastgesteld en 's maandagsmorgens vroeg, de 5e Maart, vertrokken de schuiten. Twee en twintig scheepjes vertrokken naar zee. Slechts vijf er van zouden terug keren. Twee van mijn vriendjes gingen ook mee, voor het eerst van hun leven. De ene werd pas na bidden en smeken meegenomen. De tweede had ook al vaak gevraagd, om toch eens mee te mogen gaan, maar 't was hem steeds geweigerd. Nu was er op de schuit van zijn vader een visser ziek en moest hij mee. Doch plotseling had hij geen zin. Zou hij een voorgevoel hebben gehad van het geen hem wachtte? In zijn vrees liep hij zelfs 's morgens weg, doch men liep hem na en hij werd nogal hardhandig naar het schip gebracht, Geen van beide jongens heb ik terug gezien. Hun eerste reis was ook hun laatste.

Van deze droevige afloop had men natuurlijk die Maandagmorgen geen vermoeden. De vrouwen en kinderen brachten hun mannen, vaders, broeders, ooms, en neven weg, zagen hen aan boord gaan, uit zeilen en in de verte verdwijnen. Dat hadden ze al zo vaak gezien. Waarom zouden ze nu angstiger zijn dan op andere dagen? Maar Dinsdag tegen de avond begon het slecht weer te worden, hevige ruk winden met hagel en sneeuwbuien. De ganse nacht duurde de storm voort en verergerde met ieder uur. Toen sloeg de achtergeblevenen de angst om het hart. Oude van dagen lagen wakker, herinnerde zich hun eigen gevaren uit vroeger tijd, ze zagen in hun verbeelding de kleine scheepjes strijden tegen wind en golven. Vrouwen brachten de nacht wakend en biddende door, meer malen hadden ze gezien, hoe in andere gezinnen, de man was weg genomen, zou het nu haar beurt zijn? Velen hadden een familie lid te betreuren, of wisten wie het was, bij het aangespoelde lijk van een geliefde vader of broeder te staan, of hadden op de dijk uit gezien naar hun schip, dat nimmer, nimmer terug zou keren.

Hoor hoe de rukwinden gieren om de lage huisjes om de kerktoren. Hoor, hoe de zee buldert buiten de dijk. En als ze in hun angst een ogenblik hun huis verlaten, zien ze niets dan dikke duisternis, alleen 't schijnsel van de lamp, vlak bij de deur een dooreen gevlieg van spookachtige sneeuwvlokken. Wat zal deze nacht geven! De volgende Woensdagmorgen ontwaken de kinderen. Zij althans hebben geslapen. Maar nu ze de storm horen, die nog steeds voort woedt, nu ze moeder en grootmoeder zien, wel kalm, wel zwijgend, maar wel met smartvolle angst in de ogen, nu worden zij ook onrustig. Stil kleden zij zich aan, ontbijten, kijken naar buiten. Dan gaan langzamerhand enkele vrouwen en meisjes, enkele jongens naar de dijk, of er wellicht iets te ontdekken valt. Ze weten het wel, de zee zal niets te zien geven dan hoge golven en vliegend schuim, maar ze kunnen het thuis niet uithouden, in de stilte van de kleine kamer is het hun te benauwd. Als er maar een tipje van een mast mocht op dagen, zou dit al hoop geven. Uit zee moeten toch de vaders en broeders terug komen, dicht bij zee willen ze blijven om het allereerste teken van behoud te mogen begroeten. Doch, al dwalen ze de ganse Woensdag langs de dijk, er komt geen schip en moedeloos keren ze 's avonds weer naar hun kamers terug, om daar dodelijk vermoeid in slaap te vallen, doch telkens weer wakker te schrikken door een angst, die van geen slaap weten wil.

Die angst werd maar al te smartelijk bewaarheid. Terwijl de achtergeblevenen uitzagen naar zee, had deze reeds vele schepen met ganse bemanning verzwolgen. Vijf of zes schuiten, die 's Woensdags nog bij elkaar waren, waagde het om naar binnen te stevenen. De voorste, nog maar op korte afstand van het stillere water, sloeg om. Vlak daarachter vloog een andere schuit, waarop een broer stond van een der vissers, die daar voor hun ogen waren vergaan. Op niet meer dan twintig meter vlogen ze voorbij, ze zagen nog een makker van hen in de golven, ze konden hem niet redden, de wind sloeg hen weg.

Drie of vier schuiten kwamen te Oostmahorn binnen. De geredde bemanning kon slechts de boodschapper zijn van smartelijke tijden. Verschillende schepen hadden ze voor hun ogen zien omslaan. En de anderen, die reeds van te voren uiteen waren geslagen,- de volgende dagen werd hun lot verhaald door de wrakken, die men op de kusten van Ameland, Terschelling, Schiermonnikoog en andere plaatsen vond. Het hele dorp was verslagen. Sommige families hadden al hun mannelijke leden verloren. Schuin voor ons woonde een oude visser, die door deze ramp in één slag berooft was van zijn drie zoons, een schoonzoon, en elf neven. De man was als versuft. Doch wáár was een huis waar niet getreurd werd? Slechts vijf van de twee en twintig schepen waren teruggekeerd. En dan werd nog één op een wonderbaarlijke wijze gered. Dat was Gerben Basteleur. Zijn verhaal heeft men woordelijk uit zijn mond opgetekend.

Gerben Basteleur, zoals hij er volgens een oude betrouwbare tekening uitzag.

 

Gerben Basteleur, tijdens de ramp op zo'n wonderbaarlijke manier gered.

 

Een schilderij waar Gerben op uitgebeeld is. (Aquarel van Cornelis Jetses.)

 

De redding van Gerben Basteleur

Het gerucht zegt dat op Schiermonnikoog zes aken, het ondersteboven op het strand zitten en daar nog een man is gered.

'Wie aan de ramp denkt, denkt aan Gerben Basteleur, want spreekt z'n wonderbaarlijke redding uit het omgeslagen schip, de WL 2, niet tot ieders verbazing? Vooral Jan Ligthart en H. Scheepstra hebben Gerben Basteleur bekendheid gegeven door het verhaal van zijn redding op te nemen in een destijds gewilde serie lees boekjes voor de lagere school de wereld in! In 1943 verscheen hier van de 27ste druk.

De oorspronkelijke maker van het verhaal is dominee Dethmers, de eerste gereformeerde predikant van Moddergat en Paesens, die hier stond van 1891 tot 1900. Hij heeft in 1899 het verhaal zo trouw mogelijk op geschreven. Hierin spelen zijn vrouw en zijn kinderen Johan en Lena de rol van belangstellende toehoorders, terwijl hij zelf als voorlezer optreedt. De schrijvers Jan Ligthart en H. Scheepstra hebben deze tekst woordelijk overgenomen, zij het dat zij, voor de duidelijkheid, allen Gerben Basteleur aan het woord lieten.

Het verhaal hieronder is volgens het originele handschrift van Chrisje Visser. Zij heeft het overgeschreven van dominee Dethmers. Chrisje Visser was getrouwd met Andries Zeillinga, visser op de WL 1. Hij was ziek op de zesde Maart 1883. Voor hem in de plaats kwam een jongen van 14 jaar: Aant Tietes Post. Van de bemanning van de WL 1 is niemand terug gekomen.

Over het vischerleeven.

Het verhaal van den geredde Vischer

En nu leest U het verhaal van den geredden vischer voor hé pa? vroeg Johan den volgende avond. "Ja pa?" vroeg ook Lena. Dominee stapte naar zijn schrijftafel en kwam even later met een cahier in de hand terug. Moeder had het verhaal vaker gehoord, maar ze vond het, hoe eenvoudig het ook was, altijd weer interessant en daarom schikte ze net als de kinderen aan tafel.

We vertrokken den 5 Maart naar zee. "Wie pa?" "Wie?" ik heb immers gezegd, dat ik het verhaal uit den mond van den geredde is Gerben Basteleur. Als er in het verhaal 'we' gebruikt wordt, dan worden daar mee Gerben Basteleur en de overige Vischers bedoeld. Toe Johan wees nu eens stil!, zei Lena. Ze verlangde ernaar dat vader verder ging. Die begon opnieuw. We vertrokken op 5 Maart naar zee. Achter het Borkumer rif gingen wij met het net op schol vischen.

Voor ons doel waren we ver van huis, gewoonlijk gaan we zoo ver niet. De vangst was niet voordeelig, maar we bleven vischen. Tegen zeven uur in de avond kwam de lucht in het Noord Westen op. Om tien uur reefden we de zeilen. De storm was toen al vrij hevig, even wel in het begin. Had jullie toen nog niet kunnen terug keren. Hadden we dat maar gedaan, Mijnheer dan waaren er drie en tachtig menschen levens gespaard gebleven. Onwillekeurig trilde de stem van den eenvoudigen vischer toen hij deze gedachten uit sprak. Maar hij herstelde zich snel en vervolgde: Wij waren met ons vijven: heit - ik bedoel mijn vader, maar die kan ik niet anders dan Heit noemen - een Omke, een oom, een broer en een neef van mij en ik. Geen kwartier later was de storm zoo hevig, dat we niet meer konden zeilen. 't Schip luisterde niet meer naar 't roer. We hebben daarom den geheelen nacht het schip maar laten drijven. Van vischen was zelfs geen spraken meer. We hoopten maar al, dat de wind en stroom ons door een van de zeegaten naar de wadden zouden drijven, want dan waren we behouden, dat wisten we wel. Wat moet jullie dien nacht een angst uitgestaan hebben.

Mijnheer, ik weet thans zelf niet, hoe 't mogelijk geweest is, dat we het verdragen hebben. Ik denk dat de gewoonte ons met het gevaar vertrouwd heeft gemaakt. Toen 't licht werd, waren, voor zover ik weet, nog alle blazers drijvende. Om zeven uur zagen we het eerste schip omvallen en in de diepte verdwijnen. Een paar uur later volgde er nog een, en zo ging het telkens door. 's Middags om half drie dreven er nog drie schuiten. Wij spraken weinig. Wanneer zouden wij in de diepte verdwijnen? Stil wachten wij onze beurt af.

En toch, wij hoopten nog steeds, dat het goed zou gaan. Daar nam een grote golf Omke mee in zee. Een tweede wierp hem weer binnen boord. Omke kon niet meer op dek blijven, hij voelde hem niet en wel en ging in het vooronder. Pas was dit gebeurd, toen onmiddellijk achter ons de blazer van onze buurman opzij sloeg. De zeilen lagen op 't water en toch richtte het schip zich weer op. Maar een grote golf smakte het achterover in de diepte. Wij zaten stil bijeen in de eenvoudige kamer. Alleen de stem van de verhaler klonk. Nu en dan werd de herinnering hem te machtig. Dan brak hij af, nam de pet van 't hoofd en streek met de hand door 't haar. 't Was of hij daarmee de al te droevige herinnerringen kon weg vegen.

Hij ging voort: Nu waren er nog twee schepen. Welk schip zou nu aan de beurt zijn? De wind was bedaard, maar de zee stond zeer hol. Onze toestand werd steeds gevaarlijker. Ik ging in het vooronder, om naar Omke te kijken, en wat er toen gebeurt is weet ik niet. Ik had het bewustzijn verloren en toen ik weer tot me zelf kwam, stond ik tot mijn middel in 't water. 't Was stikduister om me heen. Al gauw merkte ik, dat Omke bij me was. "Ben jo dér, Omke?" "Ja Gerben". "Ik tink dat we kantele binne". "Ik tink it ek". Na al het doorgestane waren wij vrij onverschillig geworden omtrent ons lot. Maar de trek om te leven was toch zoo strek in ons, dat we op nieuw hoop op behoud kregen. Tenminste ik. Zouden we niet door het Friesche Gat kunnen drijven? Dan zou men ons stellig gauw oppikken. Omke had niet veel hoop op behoud gekregen. Hij voelde zich zoo ziek zoo naar, dat hij niet meer aan redding dacht. Nog een poos dreven we voort, toen voelde we een geweldigen schok. Daarop volgde een gekraak, om er doof van te worden. Het tuig had de grond geraakt, de mast was afgeknapt. Wij naderde blijkbaar het strand, althans de ondiepten. Kort daarna werden we op het strand geworpen.

Waar? Daar wisten we niets van. Later bleek het, dat het op het strand van Schiermonnikoog was. Het schip woelde zich nu spoedig in het zand. Het water steeg hoger en hoger in 't vooronder. Ik probeerde wat hoger met mijn hoofd te komen. Na enig zoeken gelukte mij dit,door dat ik een dwarsbalk boven me vond, waar ik met armen en borst op ging leunen. Omke was toen al zoo uitgeput,dat hij niet meer omhoog kon komen. Nog een tijd lang heb ik geprobeerd hem boven water te houden. Eindelijk bleek me, dat hij in mijn arm was gestorven. De pet werd weer even van 't hoofd gelicht, de hand ging even door 't haar. We wisten nu wel wat dat betekende. En we keken elkaar stil aan. We spraken geen woord. De droefheid van den vischer scheen ons heilig. Dominee keek van zijn cahier op. Zijn vrouw en kinderen keken hem met vochtige ogen aan. De vischer, zoo ging hij voort, vervolgde: 't Zal toen een uur of acht in de avond zijn geweest. De ganschen lange nacht moest ik nog in den blazer blijven. Meer en meer werkte hij zich in 't zand en toen 't opnieuw vloed werd, kon ik nog nauwelijks mijn hoofd boven water houden. Toen verloor ik weer opnieuw mijn bewustzijn en toen ik opnieuw mijn bezinning terug kreeg, deden alle leden me pijn. Vooral de borst, waarmee ik op den balk had gelegen. 't leven gold niets meer. Uit wanhoop liet ik mij in het water glijden, om een eind aan mijn lijden te maken. Maar dat is mij niet gelukt.

Ik kwam niet verder dan tot mijn borst in het water, de eb was inmiddels ingetreden. Honger en dorst begonnen mij te kwellen, daarom voelde ik met mijn hand over 't water, en werkelijk ik voelde een stukje vet drijven. Daar heb ik een poosje op gekauwd, wat me inderdaad verkwikte, ofschoon ik het niet door de keel kon krijgen. Opeens vernam ik stemmen boven me, ik riep zo luid ik kon: hier ben ik, hwa binnen jimme, wie bennen jelui, wat men antwoorden kon ik niet verstaan. Maar dat men mij hoorde begreep ik dadelijk, want men begon te kappen. Zie dat is nu meer dan vijftien jaar geleden, en als ik aan dat ogenblik denk, dan springt mij nog het hart van blijdschap. En de stroeve trekken van den vischer namen een heel andere uitdrukking aan. Ik denk voegde hij er op eenvoudigen toon aan toe, dat het de aangeboren trek om te leven is. Men trachten uit te vinden waar ik mij bevond. Ik riep telkens en telkens weer. Toch kapte men eerst nog op de verkeerde plaats. Ik kon den blauwe hemel weer boven mij weer zien. M'n ogen deden eerst pijn, maar ik was te blij om me daar aan te storen. Daar stak men mij een broodje toe. Ik pakte het gretig aan. Maar, ach arme,ik kon het niet op eten. Waarom niet?, vroeg Johan. Ik denk dat de vischer er geen kracht meer toe had antwoorden de dominee. Lees nu verder Pa, zei Lena.

Het gat boven mijn hoofd werd grooter. Men probeerde mij er door heen te trekken. Dat ging niet,want ik kon mij zelf nauwelijks bewegen. Toen sprong er een flinke jonge kerel bij mij in 't vooronder, trok mij de oli jas uit en tilde me op. Nu konden mijn andere twee redders mij naar buiten trekken. Loopen kon ik niet in 't eerst. Daarom droeg men mij op het drooge. 't Was woensdag morgen om tien uur. Om twaalf uur had ik reeds droge kleren aan en toen werd me in 't dorp, ik heb immers al gezegd dat ik op Schiermonnikoog was gekomen, een lekker maal bereid, en dat smaakte mij heerlijk.

Eerst den volgende dag, nadat ik een uitstekende nachtrust genoten had, begreep ik, welke verschrikkelijke ramp ons dorp getroffen had. Voor dien tijd had ik veel aan mezelf gedacht, om me ook maar weinig met anderen te bemoeien. Maar, de pet ging af, de hand woelde door 't haar, een ogenblik stokte de stem. Maar dit sla ik liever over, dit kan ik niet goed vertellen. De verhaler hield zich stil en staarde voor hem uit. De herinneringen werden hem blijkbaar te machtig.

Om zijn gedachten af te leiden, vroeg ik. Wat doe je nu Basteleur?. Ik vaar nog. Ik ben nu schipper op de blazer WDL 2 dat is het zelfde schip, waar Heit, Omke, een broer en een Neef van mij verongelukt zijn. 't Speet me haast dat ik hem weer op 't onderwerp had gebracht. We rijkten hem de handen schudde die recht hartelijk. Moge het je gegeven zijn met vaste hand het schip nog vele jaaren te besturen. Je bent nog maar 47 jaaren als je voor ongelukken bewaard blijft dan is daar alle kans op. Dominee sloeg het cahier dicht, het verhaal was uit. Na een poosje zei Johan: Zoo iets is verschrikkelijk Pa. Ja kind. Gelukkig dat dit niet vaak gebeurt, maar de zee eischt jaarlijks toch wel offers. Het cahier werd weg geborgen. Enige tijd bleven allen onder de indruk.

heb gezegt.

Chrisje Visser, Moddergat. (vrouw van Aant Tietes Post, de De W.L.1)

 

Degene die Gerben Basteleur het leven redden waren: De 16-jarige Jan de Jong, de 15-jarige Theunis Riekert Visser, de 17-jarige Heine Kruisinga, de 20-jarige Gerrit Willem Carst en de 59-jarige Jan Teens Teensma, beter bekend als Kees Nyne Jan.

 

Na de ramp werden tweemastblazers verkocht naar onder meer Goeree. De GO 15 was zo’n ex-Peazumer schip. Deze schepen werden in Makkum gebouwd door W. Zwolsman en S. Alkema. Van de 17 omgeslagen schepen waren er 8 blazers, de anderen waren aken.

Frans Lokker verteld: "Ook dit schip is zijn leed niet ontkomen. Mijn over-overgrootvader heeft dit schip gekocht. Daarna is dit schip aan mijn overgrootvader verkocht. In 1924 is het schip in een onweersbui vergaan. Mijn overgrootvader is met een broer en zoon hierbij omgekomen. Nooit is er iets van het schip meer gevonden! Mijn overgrootmoeder bleef met 9 kinderen achter (van 20 tot 1 jaar). Haar schoonmoeder is gek geworden en stond met iedere storm aan het havenhoofd van Goedereede te kijken of het schip terug kwam....".

 

Mensen en schepen.

- Tiete Wiltjes Post (1819-1883)
- Tomas Tietes Post (1863-1883)
- Sytse Jans Jongeling (1846-1883)
- Johannes Hendriks Visser (1854-1883)
- A.T. Post (1869-1883)

De W.L.1

De teruggekomen vissers vrezen, dat alle 17 achtergebleven schepen zijn vergaan. Toen op de avond van de 6e maart 1883 de storm over de Noordzee luwde, de zee haar prooi verzwolgen had, de stranden van Ameland en Schiermonnikoog weer bespoeld werden door een rustige zee, kon de balans van het gebeuren worden opgemaakt. Her en der dreven gekantelde vissersboten en wrak stukken rond en strandden later op de kusten van eilanden en zandplaten. De prooi der zee had bestaan uit mensen en schepen, en het zijn de namen van al die mensen, hun nagelaten betrekkingen, de namen der schepen, de plaats van stranding en vele anderen bijzonderheden welke hierna volgen.

De W.L.1 werd genoemd "De Vrouw Trijntje", is vergaan op de noordzijde van Schiermonnikoog. Deze blaas werd in 1876 door W. Zwolsman te Makkum gebouwd. Groot 38 ton, waarde voor de ramp F.5000,--. De eigenaar was Tiete Wiltjes Post, te Moddergat.

De omgekomen bemanning bestond uit: De schipper Tiete Wiltjes Post, oud 63 jaar, wedn. (Nabestaanden, uit zijn 2e huwelijk: Tietje 17 jaar, Keimpe 11 jaar, Foppe 6 jaar). Verder aan boord zijn twee zonen: Tomas, 20 jaar, ongehuwd, Aant, 14 jaar ongehuwd (ging mee voor Andries Zeilinga)

Verdere bemanning: Sytse Jans Jongeling, 37 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, Sijke Tietes Post, 37 jaar, Jantje, 11 jaar, Jan 9 jaar, Tiete 6 jaar, en nog een kind, Sietse, geboren na de ramp).

En Johannes Hendriks Visser, 29 jaar, ongehuwd.

"De Vrouw Trijntje" dreef op de Noordkust van Schiermonnikoog, maar was niet reddeloos verloren. Het schip wordt door Klaas A. Visser, weer vlot gemaakt, en bij W. Dijk te Dokkum, ten kosten van f 4567, 81½ hersteld. Dezelfde zomer voer het schip weer ter visvangst uit. De W.L.1 was bekend als het schip, dat meestal het gelukkigst was in de visvangst. Zoals reeds vermeld, ging Aant Tietes Post, mee voor Andries Zeilinga, die bij de uitvaart der vloot ziek was, Zijn vrouw heette Chrisje Christiaans Visser, 24 jaar.

- Gooitsen Jans Basteleur (1817-1883)
- Jan Gooitzens Jans Basteleur (1850-1883)
- Kornelis Sipkes Visser (1822-1883)
- Sybren Doedes de Vries (1858-1883)

De W. L. 2

De W.L.2 "De Nooitgedacht", is vergaan op de noordzijde van Schiermonnikoog en is het bekendste schip geworden van deze ramp. Het werd in 1882 door W. Zwolsman te Makkum gebouwd en mat 37 ton. Waarde voor de ramp F 7000,--.

De eigenaren waren: Gerben Gooisens Basteleur 2/3 (na de ramp) en Kornelis Sipkes 1/3.

De bemanning bestond uit:

Gooitsens Jans Basteleur, 66 jaar, weduwnaar. (Nabestaanden:gene) zijn zonen Jan Gooitsens Basteleur, 33 jaar, gehuwd. (nabestaande, Elisabeth Gerrits Vanger, 33 jaar). Gerben Gooitsens Basteleur, 31 jaar (deze werd reeds omschreven, op het strand van Schiermonnikoog gered). Kornelis Sipkes Visser, 61 jaar, gehuwd (Nabestaanden, H(e)iltje Doedes de Vries 60 jaar, Reinou, 25 jaar, ongehuwd. Aan boord verder zijn aangenomen zoon Sybren Doedes de Vries, 25 jr., ongehuwd).

"De Nooitgedacht" strandde op de Noordkust van Schiermonnikoog. Eerst in augustus bereikt men overeenstemming betreffende het af of niet afhalen van dit schip. Wanneer dan ook de latere bootsman der reddingsboot, Klaas Aants Visser en een V.d. Zee het schip proberen te bergen, blijkt het bijna geheel bedolven onder het zand. Met uiterste inspanningslagen zij er in geslaagd de "de Nooitgedacht" te Dokkum binnen te slepen. Ten koste van f 4547,99,- wordt deze blaas op de werf van W. Dijk te Dokkum, weer in orde gebracht.

In 1884 verscheen het weer op de Waddenzee. De blazer van Basteleur, werd in 1908 aangekocht door W. Reder en heeft daarna tot 1925 als zeilschip de zeevisserij vanuit Goederee uitgeoefend. Daarna is er een motor ingezet en in 1933 is hij verkocht aan schipper A. Groenedijk. In 1939 is de blazer door een Duitse vrachtboot 8 mijl W.N.W. van Scheveningen overvaren en gezonken, waarbij twee zoons van schipper Groenedijk, jammerlijk verdronken. Dat is dus het einde geweest van de blazer van Gerben Basteleur.

3 Mei 1985 -Een prachtig model van deze blazer de WL 2 "Nooitgedacht" werd namelijk gistermorgen in Leeuwarden overgedragen aan het museum "It Fiskershûske" door de maker de 77-jarige oud-Wierumer Tjeerd Hiemstra van wie er al tien
scheepsmodellen in het bezit zijn van "It Fiskershûske. De blazer van Gerben Basteleur is echter wel het pronkstuk van het museum. Het is verreweg het grootste van alle modellen. Het bouwen ervan kostte Hiemstra meer dan vier maanden. De zeilen zijn gemaakt door zijn echtgenote de in Moddergat geboren mevrouw Anna Hiemstra-de Jong.

Op de foto van links naar rechts mevrouw Hiemstra en de heren Vanger, Dragt en Hiemstra, rond het model van de WL 2 die in 1883 op het strand van Schier strandde met in het ruim Gerben Basteleur, die door kloppen de aandacht wist te trekken. Daarna werd van buitenaf een gat gehakt waardoor hij kon worden gered.

 

- Gerben Eelses Visser (1821-1883)
- Kornelis Eelses Visser (1826-1883)
- Jan Kornelis Visser (1858-1883)
- Teade Jans Botstra (1853-1883)
- Jasper Pieters Visser (1854-1883)

De W.L. 3

De W.L.3 droeg de naam "Zeldenrust", is vergaan op de noordzijde van Terschelling en in 1880 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. Deze blaas mat 37 tonen had een waarde van f 6500,

De eigenaren waren: Gerben Eelses Visser 7/16; Kornelis Eelses 7/16 plus f 800,- en Jasper Pieters Visser 1/8.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Gerben Eelses Visser, schipper, 62 jaar, Weduwnaar, (woonde met een aangetrouwde zuster, Tietje D. Jansma).

Kornelis Eelses Visser, 57 jaar, Gehuwd. (Nabestaanden, vrouw Janke J. Basteleur, 57 jaar, Trijntje, 21 jaar, Pieter 12 jaar. Zijn zoon Jan, 25 jaar Ongehuwd).

Teade Jans Botstra, 30 jaar Ongehuwd, (woonde bij zijn moeder Martje E. Visser. Weduwe van Teade Botstra)

Jasper Pieters Visser, 29 jaar, Gehuwd. (Nabestaanden, vrouw, Aukje Tietes Post, 31 jaar Hendrikje, 6 jaar, Germ, 3 jaar, Jantje 9, maanden.)

"Ik weet het nog alsof het net gebeurd is. De zee was zo overstuur, toen zijn ze omgekomen. Er stonden mannen op de dijk, die zeiden: Gerben Eelses is ook al omgekomen. Dat was een oom van ons; hij was de schipper die bij vader voer. Toen ik dat hoorde ging ik naar moeder. Ik zei; "Zo en zo zeggen die mannen".

Moeder verdween, waar zij toen heen ging weet ik niet meer. Van hun schip is niemand teruggekeerd. Het is op het strand van Ameland geslagen en daar is het later weggehaald. Vader en de andere zouden het op het strand zetten. Dat zeiden de mannen hier later. Dicht bij het strand keerde het zo maar om, want het waren zulke hoge golven, als een boerenschuur zo hoog. Degene die dat nu trof, die z'n golf trof, die was verloren. Er zijn hier toen 83 mensen omgekomen, een slag voor z'n dorpje.

Ik was toen bij een oude vrouw, een tante. Toen ik bij hun huis kwam stonden, Tante Janke Trientsje daar. Zij had haar man en haar zoon verloren. Ze klapte in hun handen en ze huilde, heel erg! Het gehele Moddergat jammerde, men kon ze overal horen. Zoiets vergeet men niet meer. Ik was toen nog een meisje en werd die week zes jaar. Moeder was toen dertig, zij waren nog maar zeven jaar getrouwd geweest"

Bovenstaand verhaal is ons oktober verteld door de toen 92 jarige Hendrikje Visser, de oudste dochter van Jasper Pieters Visser, die, zoals U hebt kunnen lezen, omgekomen is met de W.L.3. Dit vaartuig strandde in de nacht van 11 op 12 maart op de Bosplaat van Terschelling. Het wordt zeer spoedig door de vissers Wiltje A. Post en Tjerk J. Schregardus van het strand afgehaald en naar Dokkum gebracht.

Op de werf van G. Barkmeijer, aldaar wordt het schip weer in orde gebracht. E. M. Sijtsema te Aalsum en L. Hacquebord te Dokkum, leverden het ijzerwerk, S. Bottinga het vaatwerk, L. Hacquebord ook het touwwerk en J. W. Maas te Makkum het zeilwerk. De nieuwe mast kwam van S. J. de Vries, uit Lemmer en kostte f 160,- H. Overeem te Dokkum, vervaardigde de benodigde blokken. De totale kosten van afbrengen en herstel bedroegen f 2000,- Op 16 mei 1883 kwam het vaartuig weer in de vaart met aan boord o.a. de geredde Gerben Gooitsens Basteleur.

In de eerste wereldoorlog is deze blaas in het Friesche gat bij de Engelsmanplaat vastgelopen en bij opkomende vloed stukgeslagen. De opvarende, w.o. de zoon van Kornelis Eelses Visser, Pieter Kornelis Visser en diens zoon Jan Pieters Visser, thans schipper op de W.L. 18, worden door het rechercheschip van de politie te water onder bevel van Jaap Visser van Oostmahorn gered.

 

- Klaas Jitzes Visser (1839-1883)
- Douwe Jitzes Visser (1842-1883)
- Abe Christiaans Visser (1855-1883)
- Joeke Doekes de Vries (1837-1883)

De W.L 4

De W.L. 4 heette "De Klopper". Het was een aak van 30 ton en gebouwd in 1846. De mogelijkheid bestaat dat deze aak bebouwd is in de Kuinre, hier vandaan kwamen namelijk enkele oudere aken van de Paesumer vissersvloot. De waarde van dit schip werd geschat op f 2500,-

Eigenaren waren: Klaas Jitzes Visser, 43 jaar. 2/5; Douwe Jitzes Visser 1/5; Hermanus W. Wobma, een landbouwer uit Metzelawier 1/5; J. Veenstra, not. te Metselawier 1/5.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Klaas Jitzes Visser, 43 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, vrouw, Pietje Taekes Visser 45 jaar, Taeke 14 jaar, Jitzes 12 jaar,)

Douwe Jitzes Visser, 41 jaar Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Tjitske Frederiks Visser 40 jaar Tjitske 13 jaar, Trijntje 11 jaar, Klaske 8 jaar, Frederik 6 jaar, Jitze 3 jaar, en Hiltje 9 maanden)

Abe Christiaans Visser, 28 jaar. Gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Saapke J. Wieringa 20 jaar).

Koeke Doekes de Vries, te Paesens, 45 jaar. Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Seike K Visser. Kornelis 20 jaar, Doeke 18 jaar, Treintje 13 jaar, Elisabeth 9 jaar, Anna 8 jaar, Doetje 4 jaar.

Voor dit schip geld "Met man en muis vergaan". Niets heeft de zee ervan teruggegeven.

 

- Riemeren Willems Mans (-1883)
- Willem Riemeren Mans (-1883)
- Aatze Liewes Koudenburg (1817-1883)
- Liewe Aatzes Koudenburg  (-1883)
- Bote Sipkes Visser (-1883)

De W.L 5

De W.L 5 droeg de naam "De Gebroeders" of ook wel "De Jonge Willem" .

Deze blaas was evenals de W.L2 in 1882 door W. Zwolsman te Makkum gebouwd. Het vaartuig mat 36 ton en had een waarde van f 7000,-

Eigenaren waren: Riemeren Willems Mans 1/2; Burgermeester Sybenga te Metslawier 1/4. Notaris J. Feenstra. Metslawier 1/4.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Riemeren Willems Mans, schipper, 62 jaar, (Nabestaanden vrouw, Boukje Sjoerds de Vries 61 jaar, Richtje 20 jaar) a.b. verder zijn zoon Willem Riemerens Mans, 32 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Beitske Jans Visser 33 jaar, Boukje 5 jaar, Riemeren 4 jaar, Jan 2 jaar, Willemke na de ramp geboren, inwonend, verder Gooike Hendriks Dijkstra, Weduwe van Jan J. Visser oud 85 jaar)

Aatze Liewes Koudenburg, te Paesens, gehuwd, (Nabestaanden,vrouw Liske Haaies Dykstra, 61 jaar. Aatze, omgekomen met de W.L.16, 27 jaar)

Liewe Aatzes Koudenburg, te Paesens, gehuwd 24 jaar. (Nabestaanden, vrouw Jitske Sjolles Visser, Brechtje 2 jaar en een kind geboren na de ramp, Lieuwe)

Bote Sipkes Visser, 50 jaar gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Elisabeth Kornelis Visser 56 jaar. Kornelis 19 jaar, Antje 16 jaar.)

Op de noord kust van Ameland dreef het vaartuig aan en kon zeer spoedig geborgen worden.

Voor f 2524,20,- werd het op de werf van W. Dijk te Dokkum, hersteld en kwam in april reeds weer in de vaart met de hier onder volgende bemanning:

Gooitsen Sapes van der Zee, grootvader van de latere schipper van de reddingsboot Gooitsen Sapes van der Zee, thans nog wonende op de Oere te Moddergat; Tjeerd J. Wieringa; Ritske J. Boonstra; Kornelis de Vries.

 

 

- Folkert Pieters Visser (-1883)
- Jetze Pieters Visser (-1883)
- Wietze Folkerts Visser (-1883)
- Klaas Aukes Buurmans (-1883)
- Einte Aukes Buurmans (-1883)

De W.L 6

De W.L 6 was genaamd "Nooitgedacht"

Dit vaartuig was de Veteraan van de vloot. Nog gebouwd in de Napoleontische tijd 1813! Het was een aak en mat 30 ton. Geschatte waarde f 2500,--

De eigenaar was Weduwnaar, Pieter Folkerts Visser.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Folkert Pieters Visser, schipper, 31 jaar gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Wietske Douwes Basteleur, 34 jaar. Minke 4 jaar, Pietje 3 jaar, Pieter 1 jaar, en Folkert geboren na de ramp. De gehele familie ging later naar Amerika)

Zijn broer, Jetze Pieters Visser, 25 jaar ongehuwd

Wietze Folkerts Visser, 58 jaar gehuwd (Nabestaanden, vrouw; Antje Eelzes Visser 58 jaar Antje 19 jaar)

Klaas Aukes Buurmans, 29 jaar ongehuwd.

Einte Aukes Buurmans, 25 jaar ongehuwd.

De "Nooitgedacht" is gestrand op de noordkust van Schiermonnikoog en reddeloos uit elkaar geslagen.

 

- Jelle Hendriks Visser (-1883)
- Jan Hendriks Visser (-1883)
- Sjolle Gooitsens Basteleur (-1883)
- Minne Gooitsens Basteleur (-1883)
- Douwe Jelles Basteleur (-1883)

De W.L 7

De W.L 7 heette "De twee gebroeders", gebouwd in 1874. Water verplaatsing 32 ton. Geschatte waarde f 5000,-

Eigenaren: Weduwnaar, Hendrik Jelles Visser 1/3; Douwe Jelles Basteleur 1/3; Sjolle Gooitsens Basteleur 1/9; Minne Gooitsens Basteleur 1/9; Gerlof Koudenburg 1/9

De omgekomen bemanning bestond uit:

Jelle Hendriks Visser, schipper, 32 jaar gehuwd: (Nabestaanden, vrouw Dirkje Siebes van der Zee 28 jaar, Klaske 1 jaar)

Zijn broer, Jan Hendriks Visser, 23 jaar ongehuwd.

Sjolle Gooitsens Basteleur, 37 jaar gehuwd. (Nabestaanden, vrouw, Gooike Sjolles Zeilinga 39 jaar, Mientje 9 jaar, Sjolle 6 jaar, Gooitsen 1 maand.)

Minne Gooitsens Basteleur, 41 jaar, Weduwnaar. (Nabestaanden, Ettje 13 jaar, Gooitsen 10 jaar, Jacob 8 jaar, )

Douwe Jelles Basteleur, 64 jaar gehuwd. (Nabestaanden, vrouw Minke Gelfs Visser, 67 jaar, Janke 25 jaar.)

Deze aak ging ten onder op het z.g. Simonszand ten Oosten van Schiermonnikoog. Op de Noordkust van Groningen kwam wrakgoed aan, afkomstig van dit vaartuig. Van dit schip vond de berucht geworden diefstal plaats, waarvan de daders later voor de arrondissementsrechtbank van Groningen zwaar zijn bestraft.

 

- Bote Hilles Groen (-1883)
- Hille Botes Groen (-1883)
- Sape Gooitzen van der Zee (-1883)
- Teake Montes Visser (-1883)
- D.irk Sijbes van der Zee (-1883)

De W.L 8

De W.L 8 Heette "De Vier Gebroeders"

Dit soort namen kwamen veel voor en wijst op uitermate hechte onderlinge familiebanden. Deze aak was gebouwd in 1859 en had een waarde van f 4000,- Water verplaatsing 32 ton.

Eigenaren waren: Gooitsen Sapes van der Zee 1/4, Bote H. Groen1/3, Weduwnaar Siebe van der Zee1/4, K. J. de Haan 1/12, Hille A. Groen 1/12.

De omgekomen bemanning bestond uit:

De schipper Bote Hilles Groen, 43 jaar, Gehuwd (Nabestaanden, Vrouw Jantje Douwes Visser 41 jaar, Douwe 10 jaar, Sape 7 jaar, Siebe 4 jaar) a.b. verder zijn zoontje Hille, 13 jaar. Deze ging mee voor Gooitsen Sapes van der Zee, die bij het uitvaren ziek was;

Sape Gooitzen van der Zee, 43 jaar, Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Feikje Aants Post 42 jaar, Gooitzen 8 jaar, Aafke 6 jaar, Aangenomen kind Aant 6 jaar)

Teake Montes Visser, 50 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Jeltje Klazes Groen 47 jaar, Richgtsje 18 jaar, Elisabeth 16 jaar, Johannes 14 jaar, Anna 11 jaar, Kornelis 9 jaar, Trijntje 6 jaar, Hielke 3 jaar,) Zoon Klaas, 24 jaar en Minte, 21 jaar. Omgekomen met de W.L14.

Dirk Sijbes van der Zee, 23 jaar, ongehuwd, woonde in bij zijn moeder Jantje Dirks Jansma, 53 jaar, Sape, 27 jaar (verstandeloos)

Enkele dagen na de ramp werd in de keren voor Paesens het z.g. "Braadspit" van dit schip gevonden. En hiermede brak het riet der laatste hoop, dat dit schip misschien nog beschutting had gevonden bij een van de Duitse Waddeneilanden. De aak strandde op de Oostkant van Engelsmanplaat en ging geheel verloren.

 

- Auke Wietzes de Vries (-1883)
- Pieter Wietzes de Vries (-1883)
- Folkert Wietzes Visser (-1883)
- Douwe Tietes Visser (-1883)
- Jan Jans Buurmans (-1883)

De W.L 9

De W.L 9 Heette "De Jonge Dirkje". Het was een blaas, in 1879 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. Groot 36 ton. Waarde f 6000,-

De eigenaren waren: Wed. Dirkje Andries de Jong, Wed. Jan P. Visser 1/2, Sjolle P. Visser 1/2.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Auke Wietzes de Vries, schipper 39 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Jans Visser 38 jaar, Dirkje 10 jaar, verder inwonend Dirkje Andries de Jong, wed. van Jan Pieters Visser,72 jaar.

Pieter Wietzes de Vries, te Paesens, 40 jaar Weduwnaar (Nnabestaanden Kornelis 20 jaar, Doeke 18 jaar, Treintje 13 jaar, Elisabeth 9 jaar, Anna 8 jaar, Doetje 4 jaar.)

Folkert Wietzes Visser, 26 jaar Ongehuwd.

Douwe Tietes Visser, 48 jaar Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Saapke Jans Visser 46 jaar, Pieter 15 jaar,)

Jan Jans Buurmans, 52 jaar Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Sjutsje Martens Post, 53 jaar, Heiltje 22 jaar) zoon Jan 25 jaar omgekomen op de W.L 20.

De plaats van stranding van deze blaas is onbekend gebleven, er werd niets van geborgen, de zee had het schip met man en muis verzwolgen.

 

 

- Bote Foppes Groen (-1883)
- Kornelis Aants Post (-1883)
- Fopke Foppes Steensma (-1883)
- Sjolle Minnes Zeilinga (-1883)
- Age de Jong (-1883)

W.L 11

De W.L 11 droeg de naam "De Twee Gezusters", maar werd ook wel genoemd "Elisabeth". Het in 1872 gebouwde schip mat 30 ton en had een waarde van f 5000,-

De eigenaren waren: Bote Foppes, 1/2, J. Hansma te Dokkum, 1/2

De omgekomen bemanning bestond uit:

Bote Foppes Groen, 50 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Renske Aants Post 47 jaar, Janke 20 jaar, Jantje 18 jaar)

Kornelis Aants Post 39 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Jantje Pieters Schregardus 39 jaar, Aant 12 jaar, Pieter 5 jaar,)

Fopke Foppes Steensma, 49 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Sepke Wiltje Meindertsma 44 jaar, Elisabeth 19 jaar Wiltje 13 jaar, Fopke 10 jaar, Treintje 5 jaar.)

Sjolle Minnes Zeilinga, 69 jaar Weduwnaar; Age de Jong 26 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Mientje Sjolles Zeilinga 24 jaar.)

Deze aak strandde op 12 maart op de bosplaat van Terschelling. Door Wiltje Aants Post en Tjerk Johannes Schregardus werd het geborgen en was reeds op 16 april in Dokkum voor reparatie. W. Dijk herstelde dit vaartuig voor f 2000,- en op 12 juni d.a.v. kwam het weer in de vaart. Later werd de aak door de vissers. De "Alde Blauwe" genoemd.

 

- Frederik Wealtjes Post (-1883)
- Kornelis Wealtjes Post (-1883)
- Haye Dirks de Boer (-1883)
- Monte Liewes Koudenburg (-1883)
- Jan Wietzes de Vries (-1883)

De W.L 12

De W.L 12 heette "De Jonge Wealtjes". Het was een blaas van 36 ton en in 1881 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. De waarde bedroeg f 7000,-

De eigenaresse was Weduwe Wealtje K. Post.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Frederik Wealtjes Post, schipper, 33 jaar gehuwd (Nabestaanden vrouw Dirkje Wietzes de Vries 34 jaar, Wealtje 5 jaar, verder inwonend Eelkje Frederik Sousma, weduwe van Wealtje Kornelis Post 72 jaar)

Kornelis Wealtjes Post, 46 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje Pieters Visser 47 jaar, Minke 13 jaar, Eeke 9 jaar, Wealtje 6 jaar,)

Haye Dirks de Boer, 71 jaar de oudste van de bij de ramp omgekomen mensen, gehuwd, (Nabestaanden vrouw Gietje Jans Verhagen 76 jaar, Thijs 37 jaar,)

Monte Lieuwes Koudenburg, 63 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Atsje Jacobs de Jong 51 jaar, Jacob 21 jaar, Ate 20 jaar, Aafke 16 jaar, Martje 12 jaar)

Jan Wietzes de Vries, te Paesens, ongehuwd.

"De Jonge Wealtjes" in zijn naam waarschijnlijk een eerbetoon dragend voor de vader van de twee broers aan boord, is ten zuiden van Ameland gezonken en reddeloos verloren gegaan.

 

- Willem Tietes Visser (-1883)
- Tiete Frederiks Lei (-1883)
- Klaas Teakes Visser (-1883)
- M.T. Visser (-)
- Monte Pieters van der Lei (-1883)

De W.L 14

De W.L 14, "De Vier Gezusters" Deze blaas was in 1878 te Makkum door Jan H. Alkema gebouwd. De waarde bedroeg f 6000,-

De eigenaren waren Frederik Willems Lei 2/3, Willem Tietes Visser 1/3.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Willem Tietes Visser, schipper 52 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Jantje Wiltjes Meinderstma 46 jaar, Treintje 21 jaar, Tietje 17 jaar, Eeke 12 jaar, Pietje 10 jaar,)

Tiete Frederiks Lei, 30 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Orseltje Aukes Visser 26 jaar, Frederik 3 jaar, Aukje, 1½ jaar, Tjeen 6 maanden.)

Klaas Teakes Visser, 24 jaar, ongehuwd, Zoon van Teake Montes Visser van de W.L 8.

Monte Pieters van der Lei, 28 jaar, gehuwd, (Nabestaanden vrouw Hiltje Engels van Dijk 29 jaar, Pieter 2 jaar,)

De W.L14 kwam terecht op het Amerlanderstrand en kon gered worden. W. van Dijk scheepsbouwmeester te Dokkum, herstelde het vaartuig ten koste van f 2646,87,- Het kon wegens het gebrek aan geschikte bemanning niet eerder dan in 1884 weer uit varen.

 

 
- Hendrik Jans Pilot (-1883)
- Jan Hendriks Pilot (-1883)
- Willem Hendriks Pilot (-1883)
- Minne Thijns Dubblinga (-1883)
- Jacob Aatzes Koudenburg (-1883)

De W.L 16

De W.L 16 "De Twee Gebroeders" stond onder bevel van de schippereigenaar Hendrik Jans Pilot. Het was een in 1875 gebouwde aak van 32 ton, waarde f 5500,-

De omgekomen bemanning bestond uit:

Hendrik Jans Pilot, 61 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Eelkje Williams Mans 60 jaar, Anna 23 jaar, Gooike 17 jaar.)

Jan Hendriks Pilot, 31 jaar, gehuwd (Nabestaanden Vrouw Mesina Thijns Dubblinga 32 jaar, Wietske 9 maanden, Jantje geboren na de ramp en vernoemd naar zijn omgekomen vader.)

Willem Hendriks Pilot, 29 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Aaltje Annes Groen 25 jaar, Willemke geboren na de ramp en vernoemd naar de omgekomen vader.)

Minne Thijns Dubblinga, ongehuwd 22 jaar, woonde bij twee zusters. Trijntje 36 jaar, Minke 27 jaar,

Jacob Aatzes Koudenburg, Zoon van Aatzes Lieuwes Koudenburg, van de W.L5, ongehuwd.

De plaats van stranding van dit vaartuig is volslagen onbekend. Ook het aanspoelen van enig wrakstuk is nergens geregistreerd. Het vaartuig verdween zonder enig spoor achter te laten.

 

 

- Jan Eintes van der Zee (-1883)
- Sape Eintes van der Zee (-1883)
- Auke Martens Buurmans (-1883)
- H.endrik Pieters Visser (-1883)
- Gerlof Aatns Post (-1883)

De W.L 17

De ondergang en redding van de W.L 17 is wel een van de meest bewogene geweest van deze ramp. De W.L 17 was een in 1873 gebouwde aak van 32 ton met een waarde van f 4500,- De naam was "De Twee Gebroeders"

De eigenaren waren:

Wed. Einte Sapes van der Zee, T. Hacquebord van Dokkum was voor f 2250,- medebelanghebbende.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Jan Eintes van der Zee, schipper, 29 jaar, ongehuwd woonde bij zijn moeder Antje Jan Visser Weduwe van Einte van der Zee, 66 jaar, en een zuster Leentje 25 jaar,

Sape Eintes van der Zee, 32 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Sijke Foppes Post 33 jaar, Montje 2 jaar, Anna 6 maanden)

Auke Martens Buurmans, 59 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Eelkje Eintes de Vries 62 jaar, Jitske 33 jaar, Marten 21 jaar,)

Zijn zonen Klaas en Einte kwamen om met de W.L6.

Hendrik Pieters Visser, 34 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Douwes Basteleur 37 jaar, Douwe 9 jaar, Sibbeltje 7 jaar, Pieter 6 jaar, Gelf 3 jaar, Aelze 1 jaar)

Gerlof Aants Post, 46 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Akke Jans Jansma 48 jaar, Frederikje 22 jaar, Martje 19 jaar, Antje 13 jaar, Aant 11 jaar)

Op 10 maart 1883, dus 4 dagen na de ramp, drijft deze boot op de balggronden en werd er een tros en een zilveren horloge geborgen. Een dag later komt het bericht, dat het schip weer uit het gezicht verdwenen is en op nieuw een zwerftocht voor onze Waddenkust is begonnen. Na ongeveer een week strand het definitief op het Amelanderstrand en werd het met succes geborgen. Ook dit schip werd hersteld. Het is het enige schip dat zonder hulp van het fonds weer in de vaart werd gebracht.

 

- Douwe Jacobs de Haan (-1883)
- Jacob Douwes de Haan (-1883)
- Andries Douwes de Haan (-1883)
- Cornelis Jacobs de Haan (-1883)
- Hille Cornelis de Haan (-1883)

De W.L 19

De W.L 19 was een aak genaamd "De drie Gebroeders" Gebouwd in 1871, waarde f 4500,-

De eigenaren waren:

Douwe de Haan 3/8, Cornelis de Haan 3/8, Burgermeester Doederus de vries van Dokkum 1/8, Apotheker Boekhout van Dokkum 1/8.

De omgekomen bemanning bestond:

Douwe Jacobs de Haan, schipper ,51 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje Andreis Botstra 53 jaar, Trijntje 18 jaar,) Zijn zonen Jacob Douwes de Haan 24 jaar, ongehuwd, Andries Douwes de Haan 22 jaar ongehuwd. Verder aan boord zijn broer Cornelis Jacobs de Haan, 47 jaar, gehuwd (nabestaande vrouw Leentje Hilles Groen 47 jaar, Treintje 20 jaar, Richtje 17 jaar, en diens zoontje Hille 12 jaar.

De W.L19 is aanvankelijk gestrand op Schiermonnikoog, later hiervan weer weggeslagen en verdwenen. Op de kust van Groningen zijn later nog enkele wrakstukken aangespoeld.

 

- Tjeerd Sietse Groen (-1883)
- Jan Folkert Visser (-1883)
- Taeke Pieters Visser (-1883)
- Tjerk Eetzes Schregardus (-1883)
- Jan Jans Buurmans (-1883)

De W.L 20

De W.L 20 heette de "Vrouw Jeltje" en was een in 1878 in Makkum gebouwde blaas. De bouwer was W. Zwolsman, terwijl het ijzerwerk geleverd werd door Klaas Willem Hoogeboom, de smid die voor de meeste in Makkum gebouwde blaazen het ijzerwerk leverde. Deze smederij, die later verplaatst is, bestaat nog steeds en maakt ook nu nog ijzerwerk voor de vaartuigen van de kustvisserij. De waarde van deze blaas was f 5500,- Groot 32 ton.

Eigenaresse: Jeltje Douwes Douma, Weduwe van Sietse Foppes Groen.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Tjeerd Sietse Groen, schipper, 20 jaar, ongehuwd (woonde bij zijn moeder wed. Sietze Foppers Groen 43 jaar, zijn zuster Treintje 17 jaar, en broers Douwe 15 jaar, en Foppe 9 jaar)

Jan Folkert Visser, 47 jaar, gehuwd (Nabestaanden Vrouw Sijke Aants Post 48 jaar, Jantje 17 jaar, Folkert 12 jaar,)

Taeke Pieters Visser, 24 jaar weduwnaar,

Tjerk Eelzes Schregardus, 25 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Gelfs Visser, Gooike 9 maanden)

Jan Jans Buurmans, 25 jaar ongehuwd zoon van Jan Jans Buurmans van de W.L9.

Deze blaas is gezonken aan de kust van Ameland.

 

- Frederik Martens Mei (-1883)
- Marten Frederiks Lei (-1883)
- Eetze Tjerks Schregardus (-1883)
- Marten Gerbens Lei (-1883)
- Bote Lieuwes Koudenburg (-1883)

De W.L 21

Het laatste schip was de W.L 21 genaamd "De Jonge Marten". Ook dit schip was in Makkum op de werf van W. Zwolsman gebouwd. Bouwjaar 1877, groot 36 ton waarde f 6000,-

De eigenaren waren: Freedrik Martens Lei 2/5, Wed. Gerben Martens Lei 1/5, Bote Lieuwes Koudenburg 1/5, Eelze Tjerk Schregardus 1/5.

De omgekomen bemanning bestond uit:

Frederiks Martens Lei, schipper 52 gehuwd (Nabestaanden vrouw Tietje Tietes Visser 63 jaar.) Zijn zoon Marten Frederiks Lei, 32 jaar ongehuwd,

Eelze Tjerks Schregardus, 51 jaar gehuwd (Nabestaanden vrouw Gooike Sietzes Visser 53 jaar, Janke 21 jaar, Jantje 18 jaar, Sietske 12 jaar,)

Marten Gerbens Lei, 30 jaar, ongehuwd.

Bote Lieuwes Koudenburg, 56 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Antje Tjerks Schregardus 56 jaar, Brechtje 21 jaar)

De W.L21 strandde op de Zuidwal van Schiermonnikoog. Het vaartuig werd evenwel zeer spoedig weer vlot gemaakt en afgebracht naar Ezumazijl. Op de werf van W. Dijk te Dokkum voor f1649.48 weer hersteld en in augustus weer in de vaart gebracht. In 1902 is dit vaartuig op het strand van Borkum uit elkaar geslagen, nadat de bemanning door de reddingsboot was gered.

Hiermede is de droeve rij afgesloten. Van de drie en tachtig omgekomen mensen hebben slechts veertien hun laatste rustplaats op het kerkhof van Paesens mogen vinden. Hier volgen hun namen:

Hille Botes Groen, Douwe Jelles Basteleur, Aant Tietes Post, Kornelis Aants Post, Aatse Lieuwes Koudenburg, Klaas Taekes Visser, Hille Kornelis de Haan, Auke Martens Buurmans, Willem Tietes Visser, Jan Gooitsen Basteleur, Kornelis Wiltjes Post, Jan Wietzes de Vries, Gooitsen Jans Basteleur, Kornelis Sipkes Visser.

Over twee van deze slachtoffers vertelt de Nieuwe Dockumer Courant meer bijzonderheden:

"Moddergat, 9 Mei 1883

Laatstleden Zaterdag den 5den Mei is ten Oosten van Schiermonnikoog een lijk op een zandbank gevonden.
Naar de kenteekens is het Hille Kornelis de Haan, oud 13 jaar, den 6den Maart verongelukt tijdens de ramp, als opvarende van de W.L. 19, in de nabijheid gestrand".

"Schiermonnikoog, 27 Augustus 1883

Uit een der omgekeerd op het strand liggende vischschepen van het Moddergat, werd den 8sten Maart l.l. een persoon, wiens hulpgeroep men hoorde, op eene bijzondere wijze gered. Men kapte ten dien einde een gat in de bodem, door het welk hij werd opgehaald uit een hachelijke toestand; hij kon verlost worden uit een sedert vele uren dreigend doodsgevaar.
Bij dien persoon, Basteleur geheten, bevond zich als deelgenoot van zijn verschrikkelijk lot en zeer in de nabijheid, zijn reeds meer bejaarde oom, Kornelis Sipkes Visser, oud 61 jaar. Hij hoorde dezen kermen, hoorde dezen wiens uitgeputte krachten, na lange worsteling, hem niet toe lieten, aan een balk of iets anders zich te blijven vasthouden, naar beneden in het water storten, om daarin de dood te vinden.

Bij de pogingen, sedert eenige tijd aangewend, om het schip uit het zand te werken, en vervolgens zoo mogelijk, af te brengen, welke voortdurend gelukkig slagen, welke waarschijnlijk ook binnenkort ten volle de gewenschte uitkomst zullen hebben is in de afgelopen week het lijk gevonden van den man, die zoo onder zulke akelige omstandigheden het leven moest verliezen.
't Verkeerde in nog betrekkelijk goede staat. Na behoorlijk in een kist geborgen te zijn, werd het lijk naar het Moddergat overgebracht, ten einde daar of te Paesens te aarde besteld te worden".

"Tot heden zijn slechts 5 teruggekomen"

Drie schepen wisten voor de wind het Friese Gat - de brede geul tussen de Engelsmanplaat en Schiermonnikoog - binnen te komen. Ze kwamen de Oostmahorn voor de wal. Het vierde schip kwam achterstevoren het Amerlander Gat, tussen Ameland en Terschelling binnen en bereikte zo de veilige Waddenzee. Anne Botes Groen, kwam met zijn schip eveneens achterstevoren door het Pinkengat of Wierumergat in rustig water. Over dit schip gaat het volgende oorspronkelijk in het Fries geschreven verhaal van 'Anders Minnes Wybenga'.

Schipper Anne Botes Groen, met aan boord zijn drie zonen, Jan, Hille en Klaas en de knecht Tiete. Groen begrijpt dat hij ter hoogte van het Wierumergat is. Daar wil hij in, maar er is geen kans op, om het schip zelfs maar een klein beetje te draaien. Tenslotte gaan ze er in, achterstevoren. Alle ballast brengen ze naar voor in het schip dan ligt het het stevigst.

Het is nu 's morgens een uur of zeven. Ze turen naar hun makkers. Van de 22 aken zijn er nu nog maar twaalf te zien. Nu komt het vreselijke. Een klein eindje van Groen z'n aak slaat één over de kop. Wild gejammer klinkt in de golven. Nog onstuimiger wordt de zee. Daar slaat weer een aak om, nu vlak bij die van Groen. Ze zien de bemanning vlak voor hun ogen wegzinken in de golven.

Ondertussen zij ze doodsbang dat de verongelukte tegen die van hun op zal botsen, want dan zijn ze verloren. Op het nippertje slagen zij er in om uit de buurt van het vaartuig te blijven. Weer slaat er één over de kop. Het is de Hendrik Pilot. Zijn zoon Willem die daar in de golven verdwijnt is getrouwd met een dochter van Groen. "O,ûs Aeltsje! want......

Al meer schepen treffen het zelfde lot. Het zijn allemaal familieleden en innige vrienden die daar worstelen met de dood. "Jonges, ik moat nei 't foarûnder,hâld jim jim hjirboppe mar goed" Schipper Groen gaat naar het vooronder. Daar bid hij, daar worstelt hij met God, zoals eertijds vader Jacob. Boven hem raast de woeste zee "Jan,hâld dy fêst! roepen de broers. Een grote golf stort zich over het schip. Jan wordt er bijna onder bedolven "Wei!" zeggen de broers, die wat groter zijn en op een betere plaats staan. O nee gelukkig Jan staat nog overeind, hij heeft zich uit alle macht aan het voor schip vastgeklampt.

Schipper Anne komt weer boven. Van zijn gezicht is alle angst verdwenen "Jonges,'t goed mei ús! Wy moatte moed hâlde" Ze laten het anker zakken. En ja het vind grond, en hij houd het. Wild deint de aan op en neer, maar tenslotte wordt het het weer beter en kunnen ze het anker lichten. Er is geen aak meer te zien. Ze komen bij Wierum aan de kust en 's avonds kunnen ze veilig aan wal gaan.

Dan naar huis toe. Het waait nog hard, maar al van verre kunnen het gejammer van vrouwen en kinderen boven de wind uithoren. Ze staan op de dijk en zien hoe nu iets van de ene dan van de andere aak aanspoelt. Omgeslagen, terwijl de bemanning de dood in de golven heeft gevonden. O, die arme weduwe en wezen daar in diepe rouw, bij die stormachtige wind en onstuimige zee.

 

 

| 1 | 2 |

Home

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.