De ramp van Moddergat. HET RAMPENFONDS. "De armvoogden geven U.E.A. kennis dat alle nagelaten betrekkingen van de verongelukten moeten worden geholpen, sommigen dadelijk, de anderen na enigen tijd". Dit was de hoofdinhoud van
een kort schrijven dat de burgemeester van Westdongeradeel, J.
Klaasesz, op 9 maart 1883 vanuit Moddergat ontving. Deze anderen stelden zich
onder leiding van de toenmalige Commissaris des Konings in de
provincie Friesland, Mr.B.P. Baronvan Harlnxma thoe Slooten. a.
Het ondersteunen van
de nagelaten betrekkingen der verongelukte vissers. Tevens werd een
plaatselijke commissie benoemd .ondervoorzitterschap van de
burgemeester van Westdongeradeel met als secretaris P.
Suringbroek, hoofd der school te Moddergat. Verder telde deze
commissie 10 leden. Deze 10 leden waren, op één graanhandelaar
na, allen gegoede landbouwers.
Door het provinciale comité
werd intussen een krachtige actie gevoerd teneinde de nodige
bijdragen te verzamelen. Aan alle gemeentebesturen in Nederland
werd een circulaire gezonden waarin werd aangedrongen een
plaatselijk comité te stichten welke de inzameling der gelden
zou kunnen organiseren. Van Schiermonnikoog lezen we in de Nieuwe Dockumer Courant het volgende: "Schiermonnikoog, 14 Maart 1883. Ten einde onverwijld iets
te doen, wat strekken kan tot althans eenige leniging van den
zwaren druk der talrijke ongelukkigen in het Moddergat is hier
reeds eene collecte gehouden, waarin ieder met de meeste
bereidwilligheid het zijne heeft bijgedragen. (Dat de eilander bevolking een voor die tijd groot bedrag bijeen bracht voor de nabestaanden van de slachtoffers moge blijken uit de opbrengst van een collecte bestemd voor nabestaanden van een ramp in het toenmalige Nederlands-Indië; gehouden op 4 oktober 1883, opbrengst f 18,60). Binnen tien dagen na de oproep kwamen reeds giften binnen van Bunschoten, Rholen, Hindeloopen, Zierikzee enz. Maar ook andere Friese gemeenten zonden snel hun giften, zoals op 29 maart de gemeente Leeuwarden een bedrag van f 5677,56 ½ op 4 april 1883 de gemeente Weststellingwerf f 768,17,-. op 14 april1883 de gemeente Sneek f 1420,53,-. uit Wonseradeel (Makkum) f 1632,-. Ook de kustplaatsen
Heinikenszand, Harderwijk, Nijkerk, Vollehove, Bruinisse,
Brielle, Zoutkamp, Blokzijl en Katwijk zonden spoedig hun
bijdragen.
Kop en schotel, speciaal gemaakt voor een fancy fair, te Middelburg. De opbrengst ging naar de slachtoffers van de ramp. De zeer actieve voorzitter van het comité was de burgemeester Mr. Sjoerd Anne Vening Meinesz, afkomstig uit Friesland; hij werd bijgestaan door de heren R. Mees en W. Wijt. Maar ook uit gemeenten die weinig betrekkingen onderhielden met de zee kwamen aanzienlijke giften. Zo kwam uit Maastricht f 1196,53½. uit Arnhem f 1913,87,-. en uit Deventer f 815,72,-. Door de Liedertafel "Apollo" te Amsterdam werd een concert gegeven waarvan de netto-opbrengst f 404,20 bedroeg. Met dit bedrag steeg de
totale bijdrage van Amsterdam boven de f 10.000,-. De hoofdstad
des lands was hiermede ook in milddadigheid de eerste. En met hen de toenmalige
kroonprins Alexander en prinses Marianne, dochter van Koning
Willem I. Het bijeengebrachte bedrag bedroeg dan ook totaal f 135.513,50½. Het reeds genoemde plaatselijke comité werd belast met de uitdeling der gelden, hetgeen onder nauwkeurig toezicht van het provinciale comité geschiedde. Dit comité moest ook verschillende gegevens verzamelen omtrent de algemene financiële toestand der bevolking. Hieruit kon dan de nood der verschillende gezinnen worden nagegaan. De totale verloren gegane waarde der vloot bedroeg f 89.500,--. Het verloren gegane jaarlijkse inkomen bedroeg f 31.500,-. Van dit inkomen leefde voor
de ramp direct 292 mensen, waarbij wij de neringdoenden en
verdere belanghebbenden buiten beschouwing laten. Na het omkomen
der 83 vissers bleven er 209 mensen in hulpbehoevende
omstandigheden achter. Reeds twee maanden na de ramp moest het plaatselijk comité bijspringen teneinde enkele ingestelde invorderingsvervolgingen af te kopen. Uit het voorafgaande kan een ieder narekenen dat de nood hoog was. De wintervoorraden waren op, crediet niet te verkrijgen. Er werd dan ook onmiddellijk overgegaan tot het betalen van bijstand. Over de maanden maart en april werd f 3.135,64½ uitbetaald,
Tevens werden belangrijke
bedragen als renteloze voorschotten voor het weer in de vaart
brengen der schepen uitbetaald.
De man waar deze nood in eerste aanleg geklaagd moest worden was
de secretaris van het plaatselijke comité, P. Suringbroek. (In
juli 1862 werd Pieter Suringbroek, hulponderwijzer te Holwerd,
aangesteld te Moddergat. Hij trouwde Zijn woning werd bestormd door de winkeliers van Paesens, Moddergat, Wierum en Ooster-Nijkerk, welke gedurende de winter aan de vissersbevolking hadden geborgd in de hoop hun geld tijdens de zomerteelt terug te krijgen. En hij was de man die de verwijten over de te geringe uitkeringen moest aanhoren en de tranen der ellende moest aanzien. Zijn beloning als secretaris van het comité bedroeg f 150,- per jaar. Een verzoek dit te verhogen tot f 200,-- per jaar werd door het provinciale comité afgewezen. Voor zover nog nagegaan kan
worden kwam deze man oprecht op voor de belangen van de
vissersbevolking. Hij was een toegevend persoon, begiftigd met
een helder verstand, een man die zelfs soms probeerde tegen de
zin van het plaatselijk comité in, iets bij de Commissaris des
Konings te bereiken. Op 22 juni 1883 reist hij met een visser
naar de Commissaris teneinde het verlenen van renteloze
voorschotten voor het opbrengen en herstel van enkele
vissersboten te bepleiten. De vice-voorzitter van het
plaatselijk comité schrijft hierop een brief aan de voorzitter,
de heer J. Klaasesz, burgemeester van Westdongeradeel, teneinde
de houding van het plaatselijk comité te rechtvaardigen. Het
resultaat is echter dat de voorschotten
worden verleend. Het fonds was toen geslonken tot f 80.000,--. Werd in april 1889 nog 61 gezinnen ondersteund met f 712,--, in mei moest dit verminderd worden tot 52 gezinnen met f 410,--. Deze teruggang was wel erg pijnlijk. Tot toen had het comité de volgende richtlijnen voor de uitkeringen:
Thans moest ook deze
regeling worden herzien en de uitkeringen nog ingekrompen. De
toestand werd schrijnend. Een nevenoorzaak van de ontstellende armoede was het slechte resultaat der kustvisvangst. Over 1888 schrijft het plaatselijk comité: "De visvangst over 1888 was slecht. Sommigen probeerden hun geluk in de Zuiderzee op ansjovis, maar het bracht weinig op. Later werd bij de kust nog wat rog gevangen, waarvan de prijzen goed waren. In de herfst werd schelvis gevangen waarvan de prijs behoorlijk was, zodat daaraan nog wat verdiend is. De WL 1 verdiende het meest van de hele vloot". Over 1889 vermeldt het
verslag o.a.: "Vroeger werd hier bij de kust vee! grote schol
gevangen en dan werd deze vis gedroogd en voor goede prijzen
verkocht. Nu is dit niets meer gedaan en zo is het ook met de
schelvis. Alleen één visser ving in deze herfst nog 1400
schelvissen en hij is dan ook het hoogste. Over 1896 schrijft men: "de visvangst is ver beneden het gemiddelde; de hulp van de armvoogdij moet worden ingeroepen". In 1904 komt er enige kentering in de algemene situatie ter plaatse. Men schrijft: "doordat de jongeren op de loggers gaan varen, verbetert de toestand in sommige gezinnen". Over 1907 wordt vermeld: "Vele, vele reizen ter visvangst, maar de kosten worden nauwelijks gedekt". In 1911: "De visserij is van weinig of geen betekenis". Het gevolg van de slechte
uitkomsten van de visvangst Is dat de schuldenlast der vissers
steeds groter werd. In het laatst van 1892 wordt er een rekest
opgesteld waarin een beroep wordt gedaan op het rampenfonds om
de schulden der vissers te betalen. Er gaat het verhaal dat de
rente-opbrengst van het rampenfonds groter is dan de uitkeringen
aan de nagelaten betrekkingen. Volgens het plaatselijk Van de uitgekeerde voorschotten groot f 17.986,36 werd f 6.744,19 terugbetaald. Een verlies voor het fonds van f 11.242,17. Wij gaan nu nog -het verdere verloop van het fonds na. In 1898 werden nog 45 weduwen ondersteund, welke per jaar totaal f 3.815,50 ontvingén. Het fonds was toen nog ruim f 58.278,77½ groot. In 1907 werden nog 34 weduwen ondersteund welke per jaar totaal f 3.181,25 ontvingen. Het fonds was toen nog ruim f 40.000,-- groot. In 1913 werden nog 21 weduwen ondersteund welke per jaar totaal f 2.235,-- ontvingen. Het fonds was toen nog ruim f 29.000,-- groot. In 1918 was het bezit van
het fonds nog f 19.212,44 en er werden nog 14weduwen
ondersteund. Men besloot voor deze weduwen van het nog
resterende bedrag een lijfrente te kopen. Van de Algemene
Friesche Levensverzekeringsmaatschappij ontving men een
aanbieding waarbij een lijfrente werd aangeboden voor elk der
weduwen van f 156,-- per jaar. Ingangsdatum 1 augustus 1918.
Tevens werd met Ingang van
1 juli 1918 het plaatselijk comité opgeheven. Dat deze maatschappij
vertegenwoordigd door de overheid een taak had tegenover
economisch weerloze nagelaten betrekkingen werd niet gevoeld.
Het verdelen van deze last over alle burgers van ons land
via een verantwoorde bijdrage uit 's Lands kas zoals dit na de
ramp van 1 februari 1953 werd gedaan, bleef achterwege. Gezien
in het licht van onze huidige opvattingen, werd hier een
schreiend onrecht bedreven tegenover deze arbeidzame eenvoudige
mensen. Inderdaad, indien met
overheidssteun te Oostmahorn aan de goed op diepte blijvende
vaargeul een haventje was Ingericht en aan de vissers van
Moddergat, slechts 5V2 km van Oostmahorn, in plaats van het
bekostigen van het herstel van blazers en aken, een 10-tal goede
haringloggers was toegewezen, waarschijnlijk waren de
levenskansen van deze vissersplaatsen hierdoor drastisch
verbeterd. "DE BEDELING" "Na het bedanken van den
Diaken (W. B. Meinsma) voor zijn gehouden beheer wordt de
vergadering met dankzegging gesloten".
Al deze mensen blijken geen
nabestaanden van de ramp te zijn. De oprichting van het monument.
Monument op de zeedijk te Moddergat, opgericht 1958, ter herinnering aan de ramp van 1883.
Er werd op de zeedijk een monument opgericht. Aan de ene kant de Waddenzee,"Maria Vadosa", de grillige binnenzee, die achter het vriendelijke rustige uiterlijk van een warme zomermiddag een inferno van gevaarlijke geulen,slenken en snel omslaande stemmingen verbergt. Die soms haar woede koelt op die zelfde zeedijk. Aan de andere kant een dorp. Moddergat. Als haar naam: nederig, eenvoudig, zich als het ware behoedzaam schuilend voor de vriend en vijand daar achter de dijk. En nu tussen die beide werelden als een grenspaal haar vinger waarschuwend omhoog wijzend, een monument, opgebouwd van basalt. Ingemetseld een steen, met het opschrift: A.D. 1883 stieken fan dit plak 109 fiskers mei 22 skippen yn sé. Yn in swiere stoarm binne 83 83 man en 17 skippen bleaun. As de dea it skip berint Dan is der gjin ûntkommen. O wetter, o wif elemint! De sé hat jown, hat nommen. 1883 6, maert 1958
In het Nederlands: A.D. 1883 kozen van deze plek 109 vissers met 22 schepen zee. In een zware storm 83 Man en 17 schepen gebleven. Als de dood het schip bedreigt Dan is er geen ontkomen. O water,o onzeker element! De zee heeft gegeven, heeft genomen.
Een korte mededeling slechts, maar met een ontstellende inhoud. Een inhoud die het beeld oproept van een ontzettend gebeuren. en het was dit gebeuren dat herdacht is door de oprichting van een monument dat op 6 maart 1958 door de Commissaris der Koningin in de provincie Frieslang, Mr.H.P.Linthorst Homan, werd onthuld. De idee om deze ramp te gedenken, werd geboren op het gemeentehuis van Westdongeradeel, de gemeente waar in het dorp Moddergat is gelegen. Dat was eind januari 1958. De voorbereidingstijd was dus kort. Een plaatselijke commissie werd ingesteld teneinde een en ander voor te bereiden en reeds begin februari kon - dank zij de medewering van vele instanties - een begin worden gemaakt met de bouw van het monument. Het ontwerp was van R. IJbema, die toen directeur van gemeentewerken was, nu in die zelfde functie in de gemeente Kollumerland. Het werd een eenvoudige zuil, aan de voet geschraagd door 4 keien van rood beiers graniet en verder opgetrokken van donkerblauwe basaltstukken. Aan de voorzijde voorzien van een hardstenen plaat met het reeds genoemde opschrift, verzorgd door de Friese dichter D.A. Tamminga. Gedurende de bouw woei een ijskoude Noord-Oosten wind, sneeuw en hagelbuien wisselde elkaar af. De bouwers hebben een zwaar karwei gehad, maar net taai doorzetten kwam het monument ruimschoots op tijd klaar. En dan de 6e maart. Om kwart over drie geselde opnieuw stormvlagen met sneeuw en hagelbuien de Oere,het gedeelte van Moddergat waar het monument op de dijk staat. Honderden mensen, niet alleen uit Paesens en Moddergat, maar van heinde en verre, uit heel Nederland, stroomde ondanks het ruwe weer, opnieuw naar de zelfde plek, waar 75 jaar geleden de vissers afscheid namen van hun vrouw en kinderen. Om half vier klaarde het weer evenwel op. Na het spelen van het Wilhelmus door het muziekkorps "Juliana" van Paesens, onthulde de Commissaris der Koningin het monument met de volgende woorden: "Het is mij een eer dit monument te onthullen, ter nagedachtenis van de vissers, die 75 jaar geleden van hier vertrokken en met hun schepen zijn ondergegaan". Toen klonk het Friese volkslied. In de Ned. Hervormde Kerk te
Paesens werd onder leiding van ds. T. Stehouwer de
herdenkingssamenkomst gehouden. Na het welkomstwoord door
burgemeester A. E. Hoving van Westdongeradeel, sprak de heer D.
Zwart, hoofd der Chr. School te Moddergat, een herdenkingsrede uit. Hierna houdt de Commissaris der
Koningin in de provincie Friesland Mr. H. P. Linthorst Homán, een
toespraak, waarin hij erop wijst dat de rampen er zullen blijven en
met hen het menselijk leed
dat zij veroorzaken. "We moeten niet blijven stilstaan bij het
verleden maar ons oog richten op de toekomst, die voor de
Waddenvisserij echter heel onzeker is. De inpoldering van het Wad
zal de totale ondergang van de visserij betekenen, of zal de
afsluiting van de Lauwerszee onze Noordfriese kust nog een extra
kansje geven?" Enkele dagen later vindt men
het z.g. "braakspit" , dit is de spil, waarom het ankerketting wordt
gewonden. Een zeker teken van het vergaan van hun boot, genaamd "De
vier gebroeders". 6 maart 1958 is voor Moddergat
en Paesens een belangrijke dag geworden.
Enkele oude panden aan de Reddingbootreed te Moddergat.
Het drogen van scharren te Moddergat.
Buurt ,De Oere, in Moddergat.
De Achterwei te Paesens met op de achtergrond de Gereformeerde kerk te Moddergat.
De Achterwei te Paesens met op de achtergrond de Gereformeerde kerk te Moddergat.
Paesens-Moddergat. Ten noorden van de brug naar de Zeedijk.
Moddergat-1910.
Oude vissershuizen aan de Reddingbootreed. Langs dit pad, midden op de foto, ging de reddingboot. Links achter is nog juist iets van het boothuis te zien.
Voormalige visserswonigng ,Fiskershúske, ,De Aek, te Moddergat, gebouwd in de 18e eeuw.
Aankomst garnalenvangst in Moddergat.
Paesens-Moddergat. Gereformeerde School. 1931
Paesens-Moddergat. Gereformeerde Kerk.
Prinses Beatrix en prins Claus brengen een bezoek aan museum 't Fiskershúske te Moddergat.
P. Groen vertelt prinses Beatrix en prins Claus het verhaal van de ramp van Moddergat.
Openluchtmuseum met oude vissershuisjes, wisselende exposities en
diavoorstelling Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|