Moddergat.



Bovenstaande foto's
van
Charlotte Sterk-Huiskes.
●●●
|
De ramp van
Moddergat.
R.
IJbema en H. de Haan.
|
1 |
2 |
Het
weer tijdens de ramp.
De
kelders waren leeg, de schulden bij
de bakker, kruidenier en andere
leveranciers stegen, en het
gedwongen niets doen maakte de
mannen onrustig en wanhopig; de
vrouwen niet minder. Al het werk dat
in de winter moest gebeuren aan de
schepen was klaar en toen dan ook
van 28 februari tot 4 maart 1883
voordurend een hogedrukgebied met
barometerstanden van 770mm tot
779,75 voor prachtig voorjaarsweer
zorgde, waren ze niet meer te
houden. De schepen werden van uit
hun winterligplaats, Ezumazijl,
gehaald en op de Paesumerrede voor
anker gelegd. De wind richting was
op de 4de maart O N O maar draaide
in de nacht van zondag op maandag
naar N en W N W. Het doel van de
reis was het zogenaamde scholveld.
Dit gebied bestaat uit zandruggen
ter diepte van 6-7 vadem (1vadem is
1,88 m) waartussen geulen met een
diepte van 9-12 vadem. Het is
gelegen ten noordoosten van Borkum.
Volgens overlevering was hier een
graanschip gezonken waar allerlei
soorten vis op af kwam. De afstand
naar het scholveld bedroeg ongeveer
50 kilometer. |

Klik op de foto voor
vergroting: + = Plaats van stranding
van de vissersschepen.
|
In
tegenstelling tot de algemene
opvatting vond het vertrek 's nachts
om plm. half één plaats. Toen het om
plm. half zes licht werd, waren de
schepen op de plaats van bestemming.
Volgens de waarnemingen uit
Leeuwarden betreffende de
barometerstand en de wind op maandag
5 maart was het weer die dag
tamelijk goed. De luchtdruk was de
hele dag nog aan de hoge kant, maar
wel dalende, met toenemende
snelheid, bij een wat aangroeiende
wind, krimpend van west naar
zuidwest. Het K.M.N.I voorspelde,
Noordoostwaarts veraf is een
depressie met een barometer stand
van 755 mm. Verwachting
Noordwestelijke wind en betrokken.
Op het scholveld is de wind
waarschijnlijk slechts van N.O naar
W.N.W gedraaid, waarna hij omstreeks
het middag uur uit N W begon aan te
wakkere. Een der ooggetuigen
verklaring vertelde dat er een
zwarte lucht plat op het water kwam
aan zetten die zodra men er onder
door kon kijken een storm deed op
steken vergezeld door hagel en
sneeuwbuien. Dit storm veld was zeer
uitgestrekt en nam gedurende nacht
in hevigheid toe, om dat volgens de
waarnemingen te Utrecht zich veraf
Oostwaarts een depressie met een
luchtdruk van755 mm kwikdruk. Dit is
waarschijnlijk de gepasseerde
depressie geweest welke zich op het
vaste land van Europa uitdiepte.
Even
laten wij ons verleiden tot een
kleine veronderstelling. Indien op
de maandagmiddag de weersberichten
hadden kunnen worden beluisterd, dan
zouden ze op dat ogenblik hebben
geluid. In district noord, de wind
toenemend tot storm uit het noord
westen, in de nacht toenemend tot
zware storm uit richtingen van
noordwest tot noordoost.
Ongetwijfeld was dan het besluit
gevallen zo gauw mogelijk naar huis.
Het heeft niet zo mogen zijn. Eerst
in de laten avond toen de storm
reeds tamelijk hevig was en de
opgezweepte golven van de Noordzee
vergezeld van hagel en sneeuwbuien,
in volle kracht kwamen aan rollen,
begon de vlucht. Deze zware golfslag
verenigde zich aan de kust met de
nog heersende deining uit oostelijke
richting. Mede door een telkens van
richting veranderde wind ontstond er
op de vroege dinsdag morgen een zeer
ongunstige situatie in het, rijk van
ondiepte voorziene, gebied voor de
kusten van Rottumeroog tot
Schiermonnikoog. Hier bij de
Borkumerrif, bij de geldzak, de
ballonplaat, het Huibertsgat, Ooster
Buitengronden en de Wierummergronden
is de zee in haar opstand
onberekenbaar, grillig en is
navigatie met alleen de zeilen
uitermate moeilijk, zo niet
onmogelijk. |

|
Een
replica van het houten zeilschip
waarmee vissers uit Paesens,
Moddergat en Wierum eeuwenlang de
kost verdienden.
Hierbij kwam nog dat de zware buien
oriëntatie op bepaalde punten
onmogelijk maakte en de gevaarlijke
branding niet vermeden kon worden.
Ooggetuigen verhalen ons verder dat
ze de zee zelden zo onstuimig hadden
gezien en dat het troebele water
soms op steeg tot 60 voet. Voegen we
al deze omstandig heden bij fijt dat
deze aken en blazers niet in alle
onderdelen zeewaardig genoemd konden
worden, dan neigt men tot het
oordeel dat een ramp wel
onvermijdelijk moest zijn. Wel waren
deze schepen zeer geschikt om voor
hun netten bij te leggen, dit is
drijven met de steven naar de golven
gekeerd, als snelzeilers ook, maar
om te lenzen, dus voor de wind de
hoogstaande zeeën te ontlopen, waren
ze door de lage bouw van het
achterschip ten ene male ongeschikt.
De
nacht van 5 op 6 maart zal voor deze
mensen verschrikkelijk zijn geweest,
maar toch zullen zij nog altijd de
hoop hebben gehad dat de dageraad
zou komen met een afnemende storm.
Het tegen deel bleek. De storm nam
nog in kracht toe en bereikte in
buien zeker windkracht 9 tot 10. Om
acht uur 's morgens sloeg het eerste
schip om, waarschijnlijk de W.L.7.
Dit schip opende de rij. Omtrent de
wijze van vergaan van de schepen
bestaat geen eenstemmigheid. Sommige
zeggen dat de schepen van achteren
besprongen werden door zulke
grondzeeën, dat ze kantelde in hun
lengteas, weer anderen zeggen dat ze
dwarszee sloegen en overzij
kantelde. Wanneer het laatste schip
vergaan is, is niet bekend maar wel
dat de plaats van stranding zich
over een kustlijn van 70 kilometer
uit strekte.
Omtrent de de plaats van het vergaan
van de schepen vertelt J.J.
Bruinsma, apotheker te Leeuwarden
(1807-1885 in zijn door ons
geraadpleegd artikel van 18 juni
1883 in de Leeuwarder Courant o.a.
nog dat een drietal ongeveer zes uur
ten Noorden van Ameland vergingen.
Deze schepen hebben waarschijnlijk
de volle zee opgezocht, maar zijn
desondanks toch nog vergaan. De
meeste schepen vergingen op de
gronden voor Schiermonnikoog en de
Kalkman (Engelsmanplaat).Tussen 12
en 16 uur na middag nam de wind in
kracht af, maar de zee bleef nog
zeer onstuimig, zo dat om half drie
als een der laatste schepen de W.L.
2, van Gerben Basteleur, voor de
kust van Schiermonnikoog kantelde.
Uit de
Leeuwarder courant van 1883.
Ontzettend is de toestand hier en in
het Moddergat. Maandag j.l. staken
de visschers van hier in zee.
Ernstig maakte men zich over hen
bezorgd bij het onweer in den nacht
van maandag op dinsdag. De
visschersaken toch zijn tegen geen
stormen en hooggaande golven
bestand. Nu waren ze afgevaren ter
scholvangst, op veel grooter afstand
dan ze in het najaar doen ter
schelvischvangst. Dinsdag kwamen
van de twee en twintig vaartuigen
drie te Oostmahorn binnen.
Ontzettende geruchten verspreidden
zich toen. De onrust steeg echter
tot wanhoop, toen Woensdag morgen
wrakhout en goederen in overvloed
aan het strand spoelden, en hout en
goederen van hier thuis behoorende
schepen werden herkend.
Het gekerm, gejammer, gegil der
visschersvrouwen was
hartverscheurend. Eén vaartuig was
hier gearriveerd. Van de anderen
niets dan de slechtste tijdingen, -
van velen reeds de zekerheid, dat ze
waren vergaan. Van veertien
vaartuigen meent men nu reeds
volkomen zekerheid te hebben, dat ze
zijn omgeslagen. Van de overige vier
wordt niet anders verwacht.
Wie is in staat de ellende alhier te
schetsen. Mijne pen is daartoe niet
bij magte. Ik zag heden eene moeder
meer dood dan levend huiswaarts
dragen. Zij heeft drie zoons en een
schoonzoon bij deze ramp verloren.
Naar men gelooft, zijn achttien
vaartuigen met negentig man, waarvan
ongeveer 60 hoofden van gezinnen,
omgekomen. De visscherij, het
hoofdmiddel van bestaan alhier, is
zoo goed als vernietigd. Geen der
visschersaken is verzekerd. Goed en
bloed, alles is verloren.
Het bovengemeld vermoeden krijgt te
meer grond, met het oog op een
berigt uit Schiermonnikoog, dat daar
in den nacht van 5 op 6 dezer
verscheidene wrakstukken van
vischaken zijn aangespoeld,
vermoedelijk afkomstig van de
vaartuigen nrs. 8, 6, 10, 16 en 4
allen te Moddergat tehuis
behoorende. In de branding bij
Schiermonnikoog lag nog onderste
boven de vischaak Nooit Gedacht,
schipper G. J. Basteleur, van
Moddergat.
Nadat de burgemeester van
Schiermonnikoog zich naar het strand
had begeven, kwam hij op de
gedachte, het omgekeerde vaartuig
nader te onderzoeken, om te zien, of
er zich ook lijken in bevonden. Twee
jonge zeelieden sprongen er op, en,
naauwelijks op het vlak of de kiel
omloopende, hoorden zij een
vreeselijk gejammer beneden in het
schip. Dadelijk ging men met zagen
en bijlen aan het werk, om een gat
in het vlak van het schip te kappen.
Dit gelukte spoedig, en hierna mogt
men de voldoening smaken, nog één
der bemanning levend naar boven te
halen.
Het was een der beide zoons van den
schipper Basteleur. De laatste was
met zijn anderen zoon en neef den
vorigen dag bij het kenteren van het
schip reeds over boord geraakt,
terwijl de oom, die bij den geredde
nog aan boord was, naast hem staande
in het vaartuig was bezweken. Wel
mag dit eene buitengewone redding
worden genoemd, als men weet, dat de
bedoelde persoon ongeveer twintig
uren in het omgekeerde vaartuig had
doorgebragt en slechts even het
hoofd boven water had kunnen houden.
Ieder visschersvaartuig had eene
waarde van ongeveer f 6000.
Pleisters voor de niet te heelen
wonden, zijn dringend noodzakelijk.
(10-3)
Het
genoemde stormveld moet wel een
grote uitgebreidheid hebben gehad.
Want naast de 17 schepen van
Moddergat en Paesens, vergingen er
ook 3 schepen uit Zoutkamp met 9
man, 8 schepen van Urk met 26 man en
één schip uit Nieuwendiep met drie
man. Zeven schepen uit Urk vergingen
in het Goereese Gat bij een poging
achter de loodskotter veilig naar
binnen te komen, één schip stranden
op het strand van Bloemendaal. Ook
op de Oostkust van Engeland zijn
verschillende schepen ten onder
gegaan.
Voorwaar, toen bij zonsondergang op
de zesde maart 1883 de storm luwde,
de wind ruimde naar het Noordoosten,
en hagelbuien achter wegen bleven,
en de vrouwen en kinderen op de Oere
bij Moddergat zich weer op de
zeedijk staande kon de houden om uit
te kijken naar de lage horizon, kon
met recht gesproken worden over een
rampdag voor de kustvisserij op de
Noordzee. In Nederland waren die dag
121 vissers verdronken,
achterlatende 80 weduwen en 200
minderjarige kinderen. De natuur had
toegeslagen, het onberekenbare weer
had deze mensen bedrogen en ten
ondergang gevoerd en op nieuw kon
men zeggen..........en de vis
word duur betaald!!

Fiskershuske Moddergat.

Overzichtsfoto vanaf de zeedijk over
Paesens Moddergat.
Arme
vissers.
Nog een
vertelling van dokter Schelthuis.
Het was de
6e maart. Hendrik Schelthuis was jarig
en Gerrit, Johan en Lize waren bij hen
op bezoek. Toen 't tegen het einde van
de avond liep en de kinderen moe van 't
spelen, rustig bij een zaten, zei
dokter, nooit zal ik op deze dag de
ontzettende ramp vergeten, waarvan ik in
1883 bijna ooggetuigen was. De kinderen,
die zich nog goed herinneren, hoe mooi
dokter verteld had van de vervolging
door wolven, schaarde zich al gauw om
hem heen, en of dokter wilde of niet,
hij moest vertellen.
Ik was
toen een jongen van jullie leeftijd en
woonde in Moddergat, een vissers dorpje
aan de Noordkust van Friesland. De
meeste dorpelingen leefde daar toen nog
van de visvangst. Hun visserij was
kustvisserij. Bij hoog water voeren zij
af, met pramen naar zee, waar onder
bescherming van de Engelsmanplaat de
aken en enkele blazers lagen. Hierop
stapte ze over, zeilde het Friese gat
uit, om bijnoorden Ameland en
Schiermonnikoog te gaan vissen, en 12 of
24 uur later bij vloed weer terug te
keren. Alleen in het voorjaar ging een
vloot voor een week of drie uit, om
verder op schol te vissen. Maar tegen
zulke tochten waren de kleine scheepjes
eigenlijk niet bestand. Nu was 't in 't
laatst van februari of begin maart van
't jaar 1883. 't Weer stond er niet
naar, om al met de visserij te beginnen.
Nog hoor ik de oude visser, die bij ons
op bezoek kwam, op de vraag van mijn
vader antwoorden: nou 'k denk niet dat
we de volgende week al de schol gaan
opzoeken. 't Weer is nog zo slecht en de
nachten zolang.
Toch werd
Vrijdag of Zaterdag het plan om uit te
varen vastgesteld en 's maandagsmorgens
vroeg, de 5e Maart, vertrokken de
schuiten. Twee en twintig scheepjes
vertrokken naar zee. Slechts vijf er van
zouden terug keren. Twee van mijn
vriendjes gingen ook mee, voor het eerst
van hun leven. De ene werd pas na bidden
en smeken meegenomen. De tweede had ook
al vaak gevraagd, om toch eens mee te
mogen gaan, maar 't was hem steeds
geweigerd. Nu was er op de schuit van
zijn vader een visser ziek en moest hij
mee. Doch plotseling had hij geen zin.
Zou hij een voorgevoel hebben gehad van
het geen hem wachtte? In zijn vrees liep
hij zelfs 's morgens weg, doch men liep
hem na en hij werd nogal hardhandig naar
het schip gebracht, Geen van beide
jongens heb ik terug gezien. Hun eerste
reis was ook hun laatste.
Van deze
droevige afloop had men natuurlijk die
Maandagmorgen geen vermoeden. De vrouwen
en kinderen brachten hun mannen, vaders,
broeders, ooms, en neven weg, zagen hen
aan boord gaan, uit zeilen en in de
verte verdwijnen. Dat hadden ze al zo
vaak gezien. Waarom zouden ze nu
angstiger zijn dan op andere dagen? Maar
Dinsdag tegen de avond begon het slecht
weer te worden, hevige ruk winden met
hagel en sneeuwbuien. De ganse nacht
duurde de storm voort en verergerde met
ieder uur. Toen sloeg de
achtergeblevenen de angst om het hart.
Oude van dagen lagen wakker, herinnerde
zich hun eigen gevaren uit vroeger tijd,
ze zagen in hun verbeelding de kleine
scheepjes strijden tegen wind en golven.
Vrouwen brachten de nacht wakend en
biddende door, meer malen hadden ze
gezien, hoe in andere gezinnen, de man
was weg genomen, zou het nu haar beurt
zijn? Velen hadden een familie lid te
betreuren, of wisten wie het was, bij
het aangespoelde lijk van een geliefde
vader of broeder te staan, of hadden op
de dijk uit gezien naar hun schip, dat
nimmer, nimmer terug zou keren.
Hoor hoe
de rukwinden gieren om de lage huisjes
om de kerktoren. Hoor, hoe de zee
buldert buiten de dijk. En als ze in hun
angst een ogenblik hun huis verlaten,
zien ze niets dan dikke duisternis,
alleen 't schijnsel van de lamp, vlak
bij de deur een dooreen gevlieg van
spookachtige sneeuwvlokken. Wat zal deze
nacht geven! De volgende Woensdagmorgen
ontwaken de kinderen. Zij althans hebben
geslapen. Maar nu ze de storm horen, die
nog steeds voort woedt, nu ze moeder en
grootmoeder zien, wel kalm, wel
zwijgend, maar wel met smartvolle angst
in de ogen, nu worden zij ook onrustig.
Stil kleden zij zich aan, ontbijten,
kijken naar buiten. Dan gaan
langzamerhand enkele vrouwen en meisjes,
enkele jongens naar de dijk, of er
wellicht iets te ontdekken valt. Ze
weten het wel, de zee zal niets te zien
geven dan hoge golven en vliegend
schuim, maar ze kunnen het thuis niet
uithouden, in de stilte van de kleine
kamer is het hun te benauwd. Als er maar
een tipje van een mast mocht op dagen,
zou dit al hoop geven. Uit zee moeten
toch de vaders en broeders terug komen,
dicht bij zee willen ze blijven om het
allereerste teken van behoud te mogen
begroeten. Doch, al dwalen ze de ganse
Woensdag langs de dijk, er komt geen
schip en moedeloos keren ze 's avonds
weer naar hun kamers terug, om daar
dodelijk vermoeid in slaap te vallen,
doch telkens weer wakker te schrikken
door een angst, die van geen slaap weten
wil.
Die angst
werd maar al te smartelijk bewaarheid.
Terwijl de achtergeblevenen uitzagen
naar zee, had deze reeds vele schepen
met ganse bemanning verzwolgen. Vijf of
zes schuiten, die 's Woensdags nog bij
elkaar waren, waagde het om naar binnen
te stevenen. De voorste, nog maar op
korte afstand van het stillere water,
sloeg om. Vlak daarachter vloog een
andere schuit, waarop een broer stond
van een der vissers, die daar voor hun
ogen waren vergaan. Op niet meer dan
twintig meter vlogen ze voorbij, ze
zagen nog een makker van hen in de
golven, ze konden hem niet redden, de
wind sloeg hen weg.
Drie of
vier schuiten kwamen te Oostmahorn
binnen. De geredde bemanning kon slechts
de boodschapper zijn van smartelijke
tijden. Verschillende schepen hadden ze
voor hun ogen zien omslaan. En de
anderen, die reeds van te voren uiteen
waren geslagen,- de volgende dagen werd
hun lot verhaald door de wrakken, die
men op de kusten van Ameland,
Terschelling, Schiermonnikoog en andere
plaatsen vond. Het hele dorp was
verslagen. Sommige families hadden al
hun mannelijke leden verloren. Schuin
voor ons woonde een oude visser, die
door deze ramp in één slag berooft was
van zijn drie zoons, een schoonzoon, en
elf neven. De man was als versuft. Doch
wáár was een huis waar niet getreurd
werd? Slechts vijf van de twee en
twintig schepen waren teruggekeerd. En
dan werd nog één op een wonderbaarlijke
wijze gered. Dat was Gerben Basteleur.
Zijn verhaal heeft men woordelijk uit
zijn mond opgetekend.

Gerben Basteleur, zoals hij er
volgens een oude betrouwbare tekening uitzag.

Gerben
Basteleur, tijdens de ramp op zo'n
wonderbaarlijke manier gered.

Een
schilderij waar Gerben op uitgebeeld is.
(Aquarel van Cornelis Jetses.)
De
redding van Gerben Basteleur
Het
gerucht zegt dat op Schiermonnikoog zes
aken, het ondersteboven op het strand
zitten en daar nog een man is gered.
'Wie aan
de ramp denkt, denkt aan Gerben
Basteleur, want spreekt z'n
wonderbaarlijke redding uit het
omgeslagen schip, de WL 2, niet tot
ieders verbazing? Vooral Jan Ligthart en
H. Scheepstra hebben Gerben Basteleur
bekendheid gegeven door het verhaal van
zijn redding op te nemen in een destijds
gewilde serie lees boekjes voor de
lagere school de wereld in! In 1943
verscheen hier van de 27ste druk.
De
oorspronkelijke maker van het verhaal is
dominee Dethmers, de eerste
gereformeerde predikant van Moddergat en
Paesens, die hier stond van 1891 tot
1900. Hij heeft in 1899 het verhaal zo
trouw mogelijk op geschreven. Hierin
spelen zijn vrouw en zijn kinderen Johan
en Lena de rol van belangstellende
toehoorders, terwijl hij zelf als
voorlezer optreedt. De schrijvers Jan
Ligthart en H. Scheepstra hebben deze
tekst woordelijk overgenomen, zij het
dat zij, voor de duidelijkheid, allen
Gerben Basteleur aan het woord lieten.
Het
verhaal hieronder is volgens het
originele handschrift van Chrisje
Visser. Zij heeft het overgeschreven van
dominee Dethmers. Chrisje Visser was
getrouwd met Andries Zeillinga, visser
op de WL 1. Hij was ziek op de zesde
Maart 1883. Voor hem in de plaats kwam
een jongen van 14 jaar: Aant Tietes
Post. Van de bemanning van de WL 1 is
niemand terug gekomen.
Over
het vischerleeven.
Het
verhaal van den geredde Vischer
En nu
leest U het verhaal van den geredden
vischer voor hé pa? vroeg Johan den
volgende avond. "Ja pa?" vroeg ook Lena.
Dominee stapte naar zijn schrijftafel en
kwam even later met een cahier in de
hand terug. Moeder had het verhaal vaker
gehoord, maar ze vond het, hoe eenvoudig
het ook was, altijd weer interessant en
daarom schikte ze net als de kinderen
aan tafel.
We
vertrokken den 5 Maart naar zee. "Wie
pa?" "Wie?" ik heb immers gezegd, dat ik
het verhaal uit den mond van den geredde
is Gerben Basteleur. Als er in het
verhaal 'we' gebruikt wordt, dan worden
daar mee Gerben Basteleur en de overige
Vischers bedoeld. Toe Johan wees nu
eens stil!, zei Lena. Ze verlangde
ernaar dat vader verder ging. Die begon
opnieuw. We vertrokken op 5 Maart naar
zee. Achter het Borkumer rif gingen wij
met het net op schol vischen.
Voor ons
doel waren we ver van huis, gewoonlijk
gaan we zoo ver niet. De vangst was niet
voordeelig, maar we bleven vischen.
Tegen zeven uur in de avond kwam de
lucht in het Noord Westen op. Om tien
uur reefden we de zeilen. De storm was
toen al vrij hevig, even wel in het
begin. Had jullie toen nog niet kunnen
terug keren. Hadden we dat maar gedaan,
Mijnheer dan waaren er drie en tachtig
menschen levens gespaard gebleven.
Onwillekeurig trilde de stem van den
eenvoudigen vischer toen hij deze
gedachten uit sprak. Maar hij herstelde
zich snel en vervolgde: Wij waren met
ons vijven: heit - ik bedoel mijn vader,
maar die kan ik niet anders dan Heit
noemen - een Omke, een oom, een broer en
een neef van mij en ik. Geen kwartier
later was de storm zoo hevig, dat we
niet meer konden zeilen. 't Schip
luisterde niet meer naar 't roer. We
hebben daarom den geheelen nacht het
schip maar laten drijven. Van vischen
was zelfs geen spraken meer. We hoopten
maar al, dat de wind en stroom ons door
een van de zeegaten naar de wadden
zouden drijven, want dan waren we
behouden, dat wisten we wel. Wat moet
jullie dien nacht een angst uitgestaan
hebben.
Mijnheer,
ik weet thans zelf niet, hoe 't mogelijk
geweest is, dat we het verdragen hebben.
Ik denk dat de gewoonte ons met het
gevaar vertrouwd heeft gemaakt. Toen 't
licht werd, waren, voor zover ik weet,
nog alle blazers drijvende. Om zeven uur
zagen we het eerste schip omvallen en in
de diepte verdwijnen. Een paar uur later
volgde er nog een, en zo ging het
telkens door. 's Middags om half drie
dreven er nog drie schuiten. Wij spraken
weinig. Wanneer zouden wij in de diepte
verdwijnen? Stil wachten wij onze beurt
af.
En toch,
wij hoopten nog steeds, dat het goed zou
gaan. Daar nam een grote golf Omke mee
in zee. Een tweede wierp hem weer binnen
boord. Omke kon niet meer op dek
blijven, hij voelde hem niet en wel en
ging in het vooronder. Pas was dit
gebeurd, toen onmiddellijk achter ons de
blazer van onze buurman opzij sloeg. De
zeilen lagen op 't water en toch richtte
het schip zich weer op. Maar een grote
golf smakte het achterover in de diepte.
Wij zaten stil bijeen in de eenvoudige
kamer. Alleen de stem van de verhaler
klonk. Nu en dan werd de herinnering hem
te machtig. Dan brak hij af, nam de pet
van 't hoofd en streek met de hand door
't haar. 't Was of hij daarmee de al te
droevige herinnerringen kon weg vegen.
Hij ging
voort: Nu waren er nog twee schepen.
Welk schip zou nu aan de beurt zijn? De
wind was bedaard, maar de zee stond zeer
hol. Onze toestand werd steeds
gevaarlijker. Ik ging in het vooronder,
om naar Omke te kijken, en wat er toen
gebeurt is weet ik niet. Ik had het
bewustzijn verloren en toen ik weer tot
me zelf kwam, stond ik tot mijn middel
in 't water. 't Was stikduister om me
heen. Al gauw merkte ik, dat Omke bij me
was. "Ben jo dér, Omke?" "Ja Gerben".
"Ik tink dat we kantele binne". "Ik tink
it ek". Na al het doorgestane waren wij
vrij onverschillig geworden omtrent ons
lot. Maar de trek om te leven was toch
zoo strek in ons, dat we op nieuw hoop
op behoud kregen. Tenminste ik. Zouden
we niet door het Friesche Gat kunnen
drijven? Dan zou men ons stellig gauw
oppikken. Omke had niet veel hoop op
behoud gekregen. Hij voelde zich zoo
ziek zoo naar, dat hij niet meer aan
redding dacht. Nog een poos dreven we
voort, toen voelde we een geweldigen
schok. Daarop volgde een gekraak, om er
doof van te worden. Het tuig had de
grond geraakt, de mast was afgeknapt.
Wij naderde blijkbaar het strand,
althans de ondiepten. Kort daarna werden
we op het strand geworpen.
Waar? Daar
wisten we niets van. Later bleek het,
dat het op het strand van
Schiermonnikoog was. Het schip woelde
zich nu spoedig in het zand. Het water
steeg hoger en hoger in 't vooronder. Ik
probeerde wat hoger met mijn hoofd te
komen. Na enig zoeken gelukte mij
dit,door dat ik een dwarsbalk boven me
vond, waar ik met armen en borst op ging
leunen. Omke was toen al zoo
uitgeput,dat hij niet meer omhoog kon
komen. Nog een tijd lang heb ik
geprobeerd hem boven water te houden.
Eindelijk bleek me, dat hij in mijn arm
was gestorven. De pet werd weer even van
't hoofd gelicht, de hand ging even door
't haar. We wisten nu wel wat dat
betekende. En we keken elkaar stil aan.
We spraken geen woord. De droefheid van
den vischer scheen ons heilig. Dominee
keek van zijn cahier op. Zijn vrouw en
kinderen keken hem met vochtige ogen
aan. De vischer, zoo ging hij voort,
vervolgde: 't Zal toen een uur of acht
in de avond zijn geweest. De ganschen
lange nacht moest ik nog in den blazer
blijven. Meer en meer werkte hij zich in
't zand en toen 't opnieuw vloed werd,
kon ik nog nauwelijks mijn hoofd boven
water houden. Toen verloor ik weer
opnieuw mijn bewustzijn en toen ik
opnieuw mijn bezinning terug kreeg,
deden alle leden me pijn. Vooral de
borst, waarmee ik op den balk had
gelegen. 't leven gold niets meer. Uit
wanhoop liet ik mij in het water
glijden, om een eind aan mijn lijden te
maken. Maar dat is mij niet gelukt.
Ik kwam
niet verder dan tot mijn borst in het
water, de eb was inmiddels ingetreden.
Honger en dorst begonnen mij te kwellen,
daarom voelde ik met mijn hand over 't
water, en werkelijk ik voelde een stukje
vet drijven. Daar heb ik een poosje op
gekauwd, wat me inderdaad verkwikte,
ofschoon ik het niet door de keel kon
krijgen. Opeens vernam ik stemmen boven
me, ik riep zo luid ik kon: hier ben ik,
hwa binnen jimme, wie bennen jelui, wat
men antwoorden kon ik niet verstaan.
Maar dat men mij hoorde begreep ik
dadelijk, want men begon te kappen. Zie
dat is nu meer dan vijftien jaar
geleden, en als ik aan dat ogenblik
denk, dan springt mij nog het hart van
blijdschap. En de stroeve trekken van
den vischer namen een heel andere
uitdrukking aan. Ik denk voegde hij er
op eenvoudigen toon aan toe, dat het de
aangeboren trek om te leven is. Men
trachten uit te vinden waar ik mij
bevond. Ik riep telkens en telkens weer.
Toch kapte men eerst nog op de verkeerde
plaats. Ik kon den blauwe hemel weer
boven mij weer zien. M'n ogen deden
eerst pijn, maar ik was te blij om me
daar aan te storen. Daar stak men mij
een broodje toe. Ik pakte het gretig
aan. Maar, ach arme,ik kon het niet op
eten. Waarom niet?, vroeg Johan. Ik denk
dat de vischer er geen kracht meer toe
had antwoorden de dominee. Lees nu
verder Pa, zei Lena.
Het gat
boven mijn hoofd werd grooter. Men
probeerde mij er door heen te trekken.
Dat ging niet,want ik kon mij zelf
nauwelijks bewegen. Toen sprong er een
flinke jonge kerel bij mij in 't
vooronder, trok mij de oli jas uit en
tilde me op. Nu konden mijn andere twee
redders mij naar buiten trekken. Loopen
kon ik niet in 't eerst. Daarom droeg
men mij op het drooge. 't Was woensdag
morgen om tien uur. Om twaalf uur had ik
reeds droge kleren aan en toen werd me
in 't dorp, ik heb immers al gezegd dat
ik op Schiermonnikoog was gekomen, een
lekker maal bereid, en dat smaakte mij
heerlijk.
Eerst den
volgende dag, nadat ik een uitstekende
nachtrust genoten had, begreep ik, welke
verschrikkelijke ramp ons dorp getroffen
had. Voor dien tijd had ik veel aan
mezelf gedacht, om me ook maar weinig
met anderen te bemoeien. Maar, de pet
ging af, de hand woelde door 't haar,
een ogenblik stokte de stem. Maar dit
sla ik liever over, dit kan ik niet goed
vertellen. De verhaler hield zich stil
en staarde voor hem uit. De
herinneringen werden hem blijkbaar te
machtig.
Om zijn
gedachten af te leiden, vroeg ik. Wat
doe je nu Basteleur?. Ik vaar nog. Ik
ben nu schipper op de blazer WDL 2 dat
is het zelfde schip, waar Heit, Omke,
een broer en een Neef van mij
verongelukt zijn. 't Speet me haast dat
ik hem weer op 't onderwerp had
gebracht. We rijkten hem de handen
schudde die recht hartelijk. Moge het je
gegeven zijn met vaste hand het schip
nog vele jaaren te besturen. Je bent nog
maar 47 jaaren als je voor ongelukken
bewaard blijft dan is daar alle kans op.
Dominee sloeg het cahier dicht, het
verhaal was uit. Na een poosje zei
Johan: Zoo iets is verschrikkelijk Pa.
Ja kind. Gelukkig dat dit niet vaak
gebeurt, maar de zee eischt jaarlijks
toch wel offers. Het cahier werd weg
geborgen. Enige tijd bleven allen onder
de indruk.
heb
gezegt.
Chrisje
Visser, Moddergat. (vrouw van Aant
Tietes Post, de De W.L.1)
Degene die Gerben Basteleur het leven
redden waren: De 16-jarige Jan de Jong,
de 15-jarige Theunis Riekert Visser, de
17-jarige Heine Kruisinga, de 20-jarige
Gerrit Willem Carst en de 59-jarige Jan
Teens Teensma, beter bekend als Kees
Nyne Jan.

|
Na de
ramp werden tweemastblazers verkocht
naar onder meer Goeree. De GO 15 was
zo’n ex-Peazumer schip. Deze schepen
werden in Makkum gebouwd door W.
Zwolsman en S. Alkema. Van de 17
omgeslagen schepen waren er 8 blazers,
de anderen waren aken.
Frans Lokker verteld: "Ook dit
schip is zijn leed niet
ontkomen. Mijn
over-overgrootvader heeft dit
schip gekocht. Daarna is dit
schip aan mijn overgrootvader
verkocht. In 1924 is het schip
in een onweersbui vergaan. Mijn
overgrootvader is met een broer
en zoon hierbij omgekomen. Nooit
is er iets van het schip meer
gevonden! Mijn overgrootmoeder
bleef met 9 kinderen achter (van
20 tot 1 jaar). Haar
schoonmoeder is gek geworden en
stond met iedere storm aan het
havenhoofd van Goedereede te
kijken of het schip terug
kwam....".
|
Mensen
en schepen.
|


- Tiete
Wiltjes Post (1819-1883)
- Tomas Tietes Post (1863-1883)
- Sytse Jans Jongeling (1846-1883)
- Johannes Hendriks Visser (1854-1883)
- A.T. Post (1869-1883) |
|
De
W.L.1
De
teruggekomen vissers vrezen, dat alle 17
achtergebleven schepen zijn vergaan.
Toen op de avond van de 6e maart 1883 de
storm over de Noordzee luwde, de zee
haar prooi verzwolgen had, de stranden
van Ameland en Schiermonnikoog weer
bespoeld werden door een rustige zee,
kon de balans van het gebeuren worden
opgemaakt. Her en der dreven gekantelde
vissersboten en wrak stukken rond en
strandden later op de kusten van
eilanden en zandplaten. De prooi der zee
had bestaan uit mensen en schepen, en
het zijn de namen van al die mensen, hun
nagelaten betrekkingen, de namen der
schepen, de plaats van stranding en vele
anderen bijzonderheden welke hierna
volgen.
De W.L.1
werd genoemd "De Vrouw Trijntje",
is vergaan op de noordzijde van
Schiermonnikoog. Deze
blaas werd in 1876 door W. Zwolsman te
Makkum gebouwd. Groot 38 ton, waarde
voor de ramp F.5000,--. De eigenaar was Tiete Wiltjes Post, te Moddergat.
De
omgekomen bemanning bestond uit: De
schipper Tiete Wiltjes Post, oud
63 jaar, wedn. (Nabestaanden, uit zijn
2e huwelijk: Tietje 17 jaar, Keimpe
11 jaar, Foppe 6 jaar). Verder aan boord
zijn twee zonen: Tomas, 20 jaar,
ongehuwd, Aant, 14 jaar ongehuwd
(ging mee voor Andries Zeilinga)
Verdere
bemanning: Sytse Jans Jongeling,
37 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, Sijke
Tietes Post, 37 jaar, Jantje, 11 jaar,
Jan 9 jaar, Tiete 6 jaar, en nog een
kind, Sietse, geboren na de ramp).
En
Johannes Hendriks Visser, 29 jaar,
ongehuwd.
"De Vrouw
Trijntje" dreef op de Noordkust van
Schiermonnikoog, maar was niet reddeloos
verloren. Het schip wordt door Klaas A.
Visser, weer vlot gemaakt, en bij W. Dijk
te Dokkum, ten kosten van f 4567, 81½
hersteld. Dezelfde zomer voer het schip
weer ter visvangst uit. De W.L.1 was
bekend als het schip, dat meestal het
gelukkigst was in de visvangst. Zoals
reeds vermeld, ging Aant Tietes Post, mee
voor Andries Zeilinga, die bij de
uitvaart der vloot ziek was, Zijn vrouw
heette Chrisje Christiaans Visser, 24
jaar.
|

- Gooitsen Jans Basteleur
(1817-1883)
- Jan Gooitzens Jans Basteleur (1850-1883)
- Kornelis Sipkes Visser (1822-1883)
- Sybren Doedes de Vries (1858-1883)
|
|
De
W. L. 2
De W.L.2
"De Nooitgedacht", is vergaan
op de noordzijde van Schiermonnikoog en is het bekendste schip
geworden van deze ramp. Het werd in 1882
door W. Zwolsman te Makkum gebouwd en
mat 37 ton. Waarde voor de ramp F
7000,--.
De
eigenaren waren: Gerben Gooisens
Basteleur 2/3 (na de ramp) en
Kornelis Sipkes 1/3.
De
bemanning bestond uit:
Gooitsens Jans Basteleur, 66 jaar,
weduwnaar. (Nabestaanden:gene) zijn
zonen Jan Gooitsens Basteleur, 33
jaar, gehuwd. (nabestaande, Elisabeth Gerrits Vanger, 33 jaar). Gerben
Gooitsens Basteleur, 31 jaar (deze werd
reeds omschreven, op het strand van
Schiermonnikoog gered). Kornelis
Sipkes Visser, 61 jaar, gehuwd
(Nabestaanden, H(e)iltje Doedes de Vries
60 jaar, Reinou, 25 jaar,
ongehuwd. Aan boord verder zijn
aangenomen zoon Sybren Doedes de
Vries, 25 jr., ongehuwd).
"De
Nooitgedacht" strandde op de Noordkust
van Schiermonnikoog. Eerst in augustus
bereikt men overeenstemming betreffende
het af of niet afhalen van dit schip.
Wanneer dan ook de latere bootsman der
reddingsboot, Klaas Aants Visser en een
V.d. Zee het schip proberen te bergen,
blijkt het bijna geheel bedolven onder
het zand. Met uiterste inspanningslagen
zij er in geslaagd de "de Nooitgedacht" te Dokkum
binnen te slepen. Ten koste van f
4547,99,- wordt deze blaas op de werf
van W. Dijk te Dokkum, weer in orde
gebracht.
In 1884
verscheen het weer op de Waddenzee. De
blazer van Basteleur, werd in 1908
aangekocht door W. Reder en heeft daarna
tot 1925 als zeilschip de zeevisserij
vanuit Goederee uitgeoefend. Daarna is
er een motor ingezet en in 1933 is hij
verkocht aan schipper A. Groenedijk. In
1939 is de blazer door een Duitse
vrachtboot 8 mijl W.N.W. van
Scheveningen overvaren en gezonken,
waarbij twee zoons van schipper
Groenedijk, jammerlijk verdronken. Dat is
dus het einde geweest van de blazer van
Gerben Basteleur.

3 Mei
1985 -Een prachtig model van deze blazer
de WL 2 "Nooitgedacht" werd namelijk
gistermorgen in Leeuwarden overgedragen
aan het museum "It Fiskershûske" door de
maker de 77-jarige oud-Wierumer Tjeerd
Hiemstra van wie er al tien scheepsmodellen in het bezit zijn van
"It Fiskershûske. De blazer van Gerben
Basteleur is echter wel het pronkstuk
van het museum. Het is verreweg het
grootste van alle modellen. Het bouwen
ervan kostte Hiemstra meer dan vier
maanden. De zeilen zijn gemaakt door
zijn echtgenote de in Moddergat geboren
mevrouw Anna Hiemstra-de Jong.
Op de
foto van links naar rechts mevrouw
Hiemstra en de heren Vanger, Dragt en
Hiemstra, rond het model van de WL 2 die
in 1883 op het strand van Schier
strandde met in het ruim Gerben
Basteleur, die door kloppen de aandacht
wist te trekken. Daarna werd van buitenaf een gat gehakt waardoor hij kon
worden gered. |

- Gerben
Eelses Visser (1821-1883) - Kornelis Eelses Visser (1826-1883)
- Jan Kornelis Visser (1858-1883) - Teade Jans Botstra (1853-1883)
- Jasper Pieters Visser (1854-1883)
|
|
De
W.L. 3
De W.L.3
droeg de naam "Zeldenrust", is vergaan
op de noordzijde van Terschelling en in 1880 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. Deze
blaas mat 37 tonen had een waarde van f
6500,
De
eigenaren waren: Gerben Eelses Visser
7/16; Kornelis Eelses 7/16 plus f 800,-
en Jasper Pieters Visser 1/8.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Gerben
Eelses Visser, schipper, 62 jaar,
Weduwnaar, (woonde met een aangetrouwde
zuster, Tietje D. Jansma).
Kornelis Eelses Visser, 57 jaar,
Gehuwd. (Nabestaanden, vrouw Janke J.
Basteleur, 57 jaar, Trijntje, 21 jaar,
Pieter 12 jaar. Zijn zoon Jan, 25 jaar Ongehuwd).
Teade
Jans Botstra, 30 jaar Ongehuwd, (woonde bij zijn moeder Martje
E. Visser. Weduwe van Teade Botstra)
Jasper
Pieters Visser, 29 jaar, Gehuwd. (Nabestaanden, vrouw, Aukje Tietes Post,
31 jaar Hendrikje, 6 jaar, Germ, 3 jaar,
Jantje 9, maanden.)
"Ik weet
het nog alsof het net gebeurd is. De
zee was zo overstuur, toen zijn ze
omgekomen. Er stonden mannen op de dijk,
die zeiden: Gerben Eelses is ook al
omgekomen. Dat was een oom van ons; hij
was de schipper die bij vader voer. Toen
ik dat hoorde ging ik naar moeder. Ik
zei; "Zo en zo zeggen die mannen".
Moeder
verdween, waar zij toen heen ging weet ik
niet meer. Van hun schip is niemand
teruggekeerd. Het is op het strand van
Ameland geslagen en daar is het later
weggehaald. Vader en de andere zouden
het op het strand zetten. Dat zeiden de
mannen hier later. Dicht bij het strand
keerde het zo maar om, want het waren
zulke hoge golven, als een boerenschuur
zo hoog. Degene die dat nu trof, die z'n
golf trof, die was verloren. Er zijn
hier toen 83 mensen omgekomen, een slag
voor z'n dorpje.
Ik was
toen bij een oude vrouw, een tante. Toen
ik bij hun huis kwam stonden, Tante Janke
Trientsje daar. Zij had haar man en haar
zoon verloren. Ze klapte in hun handen
en ze huilde, heel erg! Het gehele
Moddergat jammerde, men kon ze overal
horen. Zoiets vergeet men niet meer. Ik
was toen nog een meisje en werd die week
zes jaar. Moeder was toen dertig, zij
waren nog maar zeven jaar getrouwd
geweest"
Bovenstaand verhaal is ons oktober
verteld door de toen 92 jarige Hendrikje
Visser, de oudste dochter van Jasper
Pieters Visser, die, zoals U hebt kunnen
lezen, omgekomen is met de W.L.3. Dit
vaartuig strandde in de nacht van 11 op
12 maart op de Bosplaat van
Terschelling. Het wordt zeer spoedig
door de vissers Wiltje A. Post en Tjerk
J. Schregardus van het strand afgehaald
en naar Dokkum gebracht.
Op de werf
van G. Barkmeijer, aldaar wordt het schip
weer in orde gebracht. E. M. Sijtsema te
Aalsum en L. Hacquebord te Dokkum,
leverden het ijzerwerk, S. Bottinga het
vaatwerk, L. Hacquebord ook het touwwerk
en J. W. Maas te Makkum het zeilwerk. De
nieuwe mast kwam van S. J. de Vries, uit
Lemmer en kostte f 160,- H. Overeem te
Dokkum, vervaardigde de benodigde
blokken. De totale kosten van afbrengen
en herstel bedroegen f 2000,- Op 16 mei
1883 kwam het vaartuig weer in de vaart
met aan boord o.a. de geredde Gerben
Gooitsens Basteleur.
In de
eerste wereldoorlog is deze blaas in het
Friesche gat bij de Engelsmanplaat
vastgelopen en bij opkomende vloed
stukgeslagen. De opvarende, w.o. de zoon
van Kornelis Eelses Visser, Pieter
Kornelis Visser en diens zoon Jan
Pieters Visser, thans schipper op de
W.L. 18, worden door het rechercheschip
van de politie te water onder bevel van
Jaap Visser van Oostmahorn gered.
|

- Klaas Jitzes
Visser (1839-1883)
- Douwe Jitzes Visser (1842-1883)
- Abe Christiaans Visser (1855-1883)
- Joeke Doekes de Vries (1837-1883) |
|
De
W.L 4
De W.L. 4
heette "De Klopper". Het was een aak van
30 ton en gebouwd in 1846. De
mogelijkheid bestaat dat deze aak
bebouwd is in de Kuinre, hier vandaan
kwamen namelijk enkele oudere aken van
de Paesumer vissersvloot. De waarde
van dit schip werd geschat op f 2500,-
Eigenaren
waren: Klaas Jitzes Visser, 43 jaar.
2/5; Douwe Jitzes Visser 1/5; Hermanus
W. Wobma, een landbouwer uit Metzelawier
1/5; J. Veenstra, not. te Metselawier
1/5.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Klaas
Jitzes Visser, 43 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, vrouw, Pietje Taekes Visser
45 jaar, Taeke 14 jaar, Jitzes 12 jaar,)
Douwe
Jitzes Visser, 41 jaar Gehuwd
(Nabestaanden, vrouw Tjitske Frederiks
Visser 40 jaar Tjitske 13 jaar, Trijntje
11 jaar, Klaske 8 jaar, Frederik 6 jaar,
Jitze 3 jaar, en Hiltje 9 maanden)
Abe
Christiaans Visser, 28 jaar. Gehuwd,
(Nabestaanden, vrouw Saapke J. Wieringa
20 jaar).
Koeke
Doekes de Vries, te Paesens,
45 jaar. Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Seike K Visser. Kornelis 20 jaar, Doeke
18 jaar, Treintje 13 jaar, Elisabeth 9
jaar, Anna 8 jaar, Doetje 4 jaar.
Voor dit
schip geld "Met man en muis vergaan".
Niets heeft de zee ervan teruggegeven.
|

- Riemeren Willems Mans (-1883)
- Willem Riemeren Mans (-1883)
- Aatze Liewes Koudenburg (1817-1883)
- Liewe Aatzes Koudenburg (-1883)
- Bote Sipkes Visser (-1883) |
|
De
W.L 5
De
W.L
5 droeg de naam "De Gebroeders" of
ook wel "De Jonge Willem" .
Deze blaas
was evenals de W.L2 in 1882 door W.
Zwolsman te Makkum gebouwd. Het vaartuig
mat 36 ton en had een waarde van f
7000,-
Eigenaren
waren: Riemeren Willems Mans 1/2;
Burgermeester Sybenga te Metslawier 1/4.
Notaris J. Feenstra. Metslawier 1/4.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Riemeren Willems Mans, schipper, 62
jaar, (Nabestaanden vrouw, Boukje
Sjoerds de Vries 61 jaar, Richtje 20
jaar) a.b. verder zijn zoon Willem
Riemerens Mans, 32 jaar Gehuwd
(Nabestaanden vrouw, Beitske Jans Visser
33 jaar, Boukje 5 jaar, Riemeren 4 jaar,
Jan 2 jaar, Willemke na de ramp geboren,
inwonend, verder Gooike Hendriks
Dijkstra, Weduwe van Jan J.
Visser oud 85 jaar)
Aatze
Liewes Koudenburg, te Paesens,
gehuwd, (Nabestaanden,vrouw Liske Haaies Dykstra, 61
jaar. Aatze, omgekomen met de
W.L.16, 27 jaar)
Liewe
Aatzes Koudenburg, te Paesens,
gehuwd 24 jaar. (Nabestaanden, vrouw Jitske Sjolles Visser, Brechtje 2 jaar
en een kind geboren na de ramp, Lieuwe)
Bote
Sipkes Visser, 50 jaar gehuwd,
(Nabestaanden, vrouw Elisabeth Kornelis
Visser 56 jaar. Kornelis 19 jaar, Antje
16 jaar.)
Op de
noord kust van Ameland dreef het
vaartuig aan en kon zeer spoedig
geborgen worden.
Voor f 2524,20,- werd
het op de werf van W. Dijk te Dokkum,
hersteld en kwam in april reeds weer in
de vaart met de hier onder volgende
bemanning:
Gooitsen
Sapes van der Zee, grootvader van de
latere schipper van de reddingsboot
Gooitsen Sapes van der Zee, thans nog
wonende op de Oere te Moddergat; Tjeerd
J. Wieringa; Ritske J. Boonstra;
Kornelis de Vries. |


- Folkert
Pieters Visser (-1883)
- Jetze Pieters Visser (-1883)
- Wietze Folkerts Visser (-1883)
- Klaas Aukes Buurmans (-1883)
- Einte Aukes Buurmans (-1883) |
|
De
W.L 6
De W.L 6
was genaamd "Nooitgedacht"
Dit
vaartuig was de Veteraan van de vloot.
Nog gebouwd in de Napoleontische tijd
1813! Het was een aak en mat 30 ton.
Geschatte waarde f 2500,--
De
eigenaar was Weduwnaar, Pieter Folkerts
Visser.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Folkert
Pieters Visser, schipper, 31 jaar
gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Wietske Douwes Basteleur, 34 jaar. Minke 4 jaar,
Pietje 3 jaar, Pieter 1 jaar, en Folkert
geboren na de ramp. De gehele familie
ging later naar Amerika)
Zijn
broer, Jetze Pieters Visser, 25
jaar ongehuwd
Wietze
Folkerts Visser, 58 jaar gehuwd
(Nabestaanden, vrouw; Antje Eelzes Visser
58 jaar Antje 19 jaar)
Klaas
Aukes Buurmans, 29 jaar ongehuwd.
Einte
Aukes Buurmans, 25 jaar ongehuwd.
De
"Nooitgedacht" is gestrand op de
noordkust van Schiermonnikoog en
reddeloos uit elkaar geslagen.
|

- Jelle
Hendriks Visser (-1883)
- Jan Hendriks Visser (-1883)
- Sjolle Gooitsens Basteleur (-1883)
- Minne Gooitsens Basteleur (-1883)
- Douwe Jelles Basteleur (-1883) |
|
De
W.L 7
De W.L 7
heette "De twee gebroeders", gebouwd in
1874. Water verplaatsing 32 ton.
Geschatte waarde f 5000,-
Eigenaren:
Weduwnaar, Hendrik Jelles Visser 1/3;
Douwe Jelles Basteleur 1/3; Sjolle
Gooitsens Basteleur 1/9; Minne Gooitsens
Basteleur 1/9; Gerlof Koudenburg 1/9
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Jelle
Hendriks Visser, schipper, 32 jaar
gehuwd: (Nabestaanden, vrouw Dirkje Siebes van der Zee 28 jaar, Klaske 1
jaar)
Zijn
broer, Jan Hendriks Visser, 23
jaar ongehuwd.
Sjolle
Gooitsens Basteleur, 37 jaar gehuwd.
(Nabestaanden, vrouw, Gooike Sjolles
Zeilinga 39 jaar, Mientje 9 jaar, Sjolle
6 jaar, Gooitsen 1 maand.)
Minne
Gooitsens Basteleur, 41 jaar,
Weduwnaar. (Nabestaanden, Ettje 13 jaar,
Gooitsen 10 jaar, Jacob 8 jaar, )
Douwe
Jelles Basteleur, 64 jaar gehuwd. (Nabestaanden, vrouw Minke Gelfs Visser,
67 jaar, Janke 25 jaar.)
Deze aak
ging ten onder op het z.g. Simonszand
ten Oosten van Schiermonnikoog. Op de
Noordkust van Groningen kwam wrakgoed
aan, afkomstig van dit vaartuig. Van dit
schip vond de berucht geworden diefstal
plaats, waarvan de daders later voor de
arrondissementsrechtbank van Groningen
zwaar zijn bestraft. |

- Bote Hilles
Groen (-1883)
- Hille Botes Groen (-1883)
- Sape Gooitzen van der Zee (-1883)
- Teake Montes Visser (-1883)
- D.irk Sijbes van der Zee (-1883) |
|
De
W.L 8
De
W.L
8 Heette "De Vier Gebroeders"
Dit soort
namen kwamen veel voor en wijst op
uitermate hechte onderlinge
familiebanden. Deze aak was gebouwd in
1859 en had een waarde van f 4000,-
Water verplaatsing 32 ton.
Eigenaren
waren: Gooitsen
Sapes van der Zee 1/4, Bote H. Groen1/3,
Weduwnaar Siebe van der Zee1/4, K. J. de
Haan 1/12, Hille A. Groen 1/12.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
De
schipper Bote Hilles Groen, 43
jaar, Gehuwd (Nabestaanden, Vrouw Jantje Douwes Visser 41 jaar, Douwe 10 jaar,
Sape 7 jaar, Siebe 4 jaar) a.b. verder
zijn zoontje Hille, 13 jaar. Deze
ging mee voor Gooitsen Sapes van der
Zee, die bij het uitvaren ziek was;
Sape
Gooitzen van der Zee, 43 jaar,
Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Feikje Aants
Post 42 jaar, Gooitzen 8 jaar, Aafke 6
jaar, Aangenomen kind Aant 6 jaar)
Teake
Montes Visser, 50 jaar Gehuwd,
(Nabestaanden, vrouw Jeltje Klazes Groen
47 jaar, Richgtsje 18 jaar, Elisabeth 16
jaar, Johannes 14 jaar, Anna 11 jaar,
Kornelis 9 jaar, Trijntje 6 jaar, Hielke
3 jaar,) Zoon Klaas, 24 jaar en
Minte, 21 jaar. Omgekomen met de
W.L14.
Dirk
Sijbes van der Zee, 23 jaar,
ongehuwd, woonde in bij zijn moeder
Jantje Dirks Jansma, 53 jaar, Sape, 27
jaar (verstandeloos)
Enkele
dagen na de ramp werd in de keren voor
Paesens het z.g. "Braadspit" van dit
schip gevonden. En hiermede brak het
riet der laatste hoop, dat dit schip
misschien nog beschutting had gevonden
bij een van de Duitse Waddeneilanden. De
aak strandde op de Oostkant van
Engelsmanplaat en ging geheel verloren.
|

- Auke Wietzes
de Vries (-1883)
- Pieter Wietzes de Vries (-1883)
- Folkert Wietzes Visser (-1883)
- Douwe Tietes Visser (-1883)
- Jan Jans Buurmans (-1883) |
|
De
W.L 9
De W.L
9 Heette "De Jonge Dirkje". Het was
een blaas, in 1879 door W. Zwolsman te
Makkum, gebouwd. Groot 36 ton. Waarde f
6000,-
De
eigenaren waren: Wed.
Dirkje Andries de Jong, Wed. Jan P.
Visser 1/2, Sjolle P. Visser 1/2.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Auke
Wietzes de Vries, schipper 39 jaar
Gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Jans
Visser 38 jaar, Dirkje 10 jaar, verder
inwonend Dirkje Andries de Jong, wed.
van Jan Pieters Visser,72 jaar.
Pieter
Wietzes de Vries, te Paesens, 40
jaar Weduwnaar (Nnabestaanden Kornelis 20
jaar, Doeke 18 jaar, Treintje 13 jaar,
Elisabeth 9 jaar, Anna 8 jaar, Doetje 4
jaar.)
Folkert
Wietzes Visser, 26 jaar Ongehuwd.
Douwe
Tietes Visser, 48 jaar Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Saapke Jans Visser 46
jaar, Pieter 15 jaar,)
Jan
Jans Buurmans, 52 jaar
Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Sjutsje
Martens Post, 53 jaar, Heiltje 22 jaar)
zoon Jan 25 jaar omgekomen op de
W.L 20.
De plaats
van stranding van deze blaas is onbekend
gebleven, er werd niets van geborgen, de
zee had het schip met man en muis
verzwolgen. |


- Bote Foppes
Groen (-1883)
- Kornelis Aants Post (-1883)
- Fopke Foppes Steensma (-1883)
- Sjolle Minnes Zeilinga (-1883)
- Age de Jong (-1883) |
|
W.L
11
De
W.L
11 droeg de naam "De Twee
Gezusters", maar werd ook wel genoemd "Elisabeth". Het in 1872 gebouwde schip
mat 30 ton en had een waarde van f
5000,-
De
eigenaren waren: Bote
Foppes, 1/2, J. Hansma te Dokkum, 1/2
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Bote
Foppes Groen, 50 jaar Gehuwd
(Nabestaanden vrouw, Renske Aants Post
47 jaar, Janke 20 jaar, Jantje 18 jaar)
Kornelis
Aants Post 39 jaar Gehuwd (Nabestaanden
vrouw, Jantje Pieters Schregardus 39
jaar, Aant 12 jaar, Pieter 5 jaar,)
Fopke
Foppes Steensma, 49 jaar Gehuwd
(Nabestaanden vrouw, Sepke Wiltje
Meindertsma 44 jaar, Elisabeth 19 jaar
Wiltje 13 jaar, Fopke 10 jaar, Treintje
5 jaar.)
Sjolle
Minnes Zeilinga, 69 jaar Weduwnaar;
Age de Jong 26 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Mientje Sjolles
Zeilinga 24 jaar.)
Deze aak
strandde op 12 maart op de bosplaat van
Terschelling. Door Wiltje Aants Post en
Tjerk Johannes Schregardus werd het
geborgen en was reeds op 16 april in
Dokkum voor reparatie. W. Dijk herstelde
dit vaartuig voor f 2000,- en op 12 juni
d.a.v. kwam het weer in de vaart. Later
werd de aak door de vissers. De "Alde
Blauwe" genoemd. |

- Frederik
Wealtjes Post (-1883)
- Kornelis Wealtjes Post (-1883)
- Haye Dirks de Boer (-1883)
- Monte Liewes Koudenburg (-1883)
- Jan Wietzes de Vries (-1883) |
|
De
W.L 12
De
W.L
12 heette "De Jonge Wealtjes". Het
was een blaas van 36 ton en in 1881 door
W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. De waarde
bedroeg f 7000,-
De
eigenaresse was Weduwe Wealtje K. Post.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Frederik Wealtjes Post, schipper, 33
jaar gehuwd (Nabestaanden vrouw Dirkje
Wietzes de Vries 34 jaar, Wealtje 5
jaar, verder inwonend Eelkje Frederik
Sousma, weduwe van Wealtje Kornelis Post
72 jaar)
Kornelis Wealtjes Post, 46 jaar,
gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje
Pieters Visser 47 jaar, Minke 13 jaar,
Eeke 9 jaar, Wealtje 6 jaar,)
Haye
Dirks de Boer, 71 jaar de oudste van
de bij de ramp omgekomen mensen, gehuwd,
(Nabestaanden vrouw Gietje Jans
Verhagen 76 jaar, Thijs 37 jaar,)
Monte
Lieuwes Koudenburg, 63 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Atsje Jacobs de Jong
51 jaar, Jacob 21 jaar, Ate 20 jaar,
Aafke 16 jaar, Martje 12 jaar)
Jan Wietzes de Vries, te Paesens,
ongehuwd.
"De Jonge
Wealtjes" in zijn naam waarschijnlijk
een eerbetoon dragend voor de vader van
de twee broers aan boord, is ten zuiden
van Ameland gezonken en reddeloos
verloren gegaan. |

- Willem
Tietes Visser (-1883)
- Tiete Frederiks Lei (-1883)
- Klaas Teakes Visser (-1883)
- M.T. Visser (-)
- Monte Pieters van der Lei (-1883) |
|
De
W.L 14
De W.L
14, "De Vier Gezusters" Deze blaas
was in 1878 te Makkum door Jan H. Alkema
gebouwd. De waarde bedroeg f 6000,-
De
eigenaren waren Frederik Willems Lei
2/3, Willem Tietes Visser 1/3.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Willem
Tietes Visser, schipper 52 jaar,
gehuwd (Nabestaanden vrouw Jantje
Wiltjes Meinderstma 46 jaar, Treintje 21
jaar, Tietje 17 jaar, Eeke 12 jaar,
Pietje 10 jaar,)
Tiete
Frederiks Lei, 30 jaar, Gehuwd
(Nabestaanden vrouw Orseltje Aukes
Visser 26 jaar, Frederik 3 jaar, Aukje,
1½ jaar, Tjeen 6 maanden.)
Klaas
Teakes Visser, 24 jaar, ongehuwd,
Zoon van Teake Montes Visser van de
W.L 8.
Monte
Pieters van der Lei, 28 jaar,
gehuwd, (Nabestaanden vrouw Hiltje
Engels van Dijk 29 jaar, Pieter 2 jaar,)
De W.L14
kwam terecht op het Amerlanderstrand en
kon gered worden. W. van Dijk
scheepsbouwmeester te Dokkum, herstelde
het vaartuig ten koste van f 2646,87,-
Het kon wegens het gebrek aan geschikte
bemanning niet eerder dan in 1884 weer
uit varen.
|

- Hendrik Jans
Pilot (-1883)
- Jan Hendriks Pilot (-1883)
- Willem Hendriks Pilot (-1883)
- Minne Thijns Dubblinga (-1883)
- Jacob Aatzes Koudenburg (-1883) |
|
De
W.L 16
De W.L
16 "De Twee Gebroeders" stond onder
bevel van de schippereigenaar Hendrik
Jans Pilot. Het was een in 1875 gebouwde
aak van 32 ton, waarde f 5500,-
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Hendrik
Jans Pilot, 61 jaar, Gehuwd
(Nabestaanden vrouw Eelkje Williams Mans
60 jaar, Anna 23 jaar, Gooike 17 jaar.)
Jan
Hendriks Pilot, 31 jaar, gehuwd
(Nabestaanden Vrouw Mesina Thijns
Dubblinga 32 jaar, Wietske 9 maanden,
Jantje geboren na de ramp en vernoemd
naar zijn omgekomen vader.)
Willem
Hendriks Pilot, 29 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Aaltje Annes Groen
25 jaar, Willemke geboren na de ramp en
vernoemd naar de omgekomen vader.)
Minne
Thijns Dubblinga, ongehuwd 22 jaar,
woonde bij twee zusters. Trijntje 36
jaar, Minke 27 jaar,
Jacob
Aatzes Koudenburg, Zoon van
Aatzes Lieuwes Koudenburg, van de
W.L5, ongehuwd.
De plaats
van stranding van dit vaartuig is
volslagen onbekend. Ook het aanspoelen
van enig wrakstuk is nergens
geregistreerd. Het vaartuig verdween
zonder enig spoor achter te laten.
|


- Jan Eintes
van der Zee (-1883)
- Sape Eintes van der Zee (-1883)
- Auke Martens Buurmans (-1883)
- H.endrik Pieters Visser (-1883)
- Gerlof Aatns Post (-1883) |
|
De
W.L 17
De
ondergang en redding van de W.L 17
is wel een van de meest bewogene geweest
van deze ramp. De W.L 17 was een in 1873
gebouwde aak van 32 ton met een waarde
van f 4500,- De naam was "De Twee
Gebroeders"
De
eigenaren waren:
Wed. Einte
Sapes van der Zee, T. Hacquebord van
Dokkum was voor f 2250,-
medebelanghebbende.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Jan
Eintes van der Zee, schipper, 29
jaar, ongehuwd woonde bij zijn moeder
Antje Jan Visser Weduwe van Einte van
der Zee, 66 jaar, en een zuster Leentje
25 jaar,
Sape
Eintes van der Zee, 32 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Sijke Foppes Post 33
jaar, Montje 2 jaar, Anna 6 maanden)
Auke
Martens Buurmans, 59 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Eelkje Eintes de
Vries 62 jaar, Jitske 33 jaar, Marten 21
jaar,)
Zijn zonen
Klaas en Einte kwamen om
met de W.L6.
Hendrik
Pieters Visser, 34 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Douwes
Basteleur 37 jaar, Douwe 9 jaar,
Sibbeltje 7 jaar, Pieter 6 jaar, Gelf 3
jaar, Aelze 1 jaar)
Gerlof Aants Post,
46 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Akke Jans Jansma 48
jaar, Frederikje 22 jaar, Martje 19 jaar,
Antje 13 jaar, Aant 11 jaar)
Op 10
maart 1883, dus 4 dagen na de ramp,
drijft deze boot op de balggronden en
werd er een tros en een zilveren horloge
geborgen. Een dag later komt het
bericht, dat het schip weer uit het
gezicht verdwenen is en op nieuw een
zwerftocht voor onze Waddenkust is
begonnen. Na ongeveer een week strand
het definitief op het Amelanderstrand en
werd het met succes geborgen. Ook dit
schip werd hersteld. Het is het enige
schip dat zonder hulp van het fonds weer
in de vaart werd gebracht.
|

- Douwe Jacobs
de Haan (-1883)
- Jacob Douwes de Haan (-1883)
- Andries Douwes de Haan (-1883)
- Cornelis Jacobs de Haan (-1883)
- Hille Cornelis de Haan (-1883) |
|
De
W.L 19
De W.L
19 was een aak genaamd "De drie
Gebroeders" Gebouwd in
1871, waarde f 4500,-
De
eigenaren waren:
Douwe de
Haan 3/8, Cornelis de Haan 3/8,
Burgermeester Doederus de vries van
Dokkum 1/8, Apotheker Boekhout van
Dokkum 1/8.
De
omgekomen bemanning bestond:
Douwe
Jacobs de Haan, schipper ,51 jaar,
Gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje Andreis Botstra 53 jaar, Trijntje 18
jaar,) Zijn zonen Jacob Douwes de
Haan 24 jaar, ongehuwd, Andries
Douwes de Haan 22 jaar ongehuwd.
Verder aan boord zijn broer Cornelis
Jacobs de Haan, 47 jaar, gehuwd
(nabestaande vrouw Leentje Hilles Groen
47 jaar, Treintje 20 jaar, Richtje 17
jaar, en diens zoontje Hille 12 jaar.
De W.L19
is aanvankelijk gestrand op
Schiermonnikoog, later hiervan weer
weggeslagen en verdwenen. Op de kust van
Groningen zijn later nog enkele
wrakstukken aangespoeld.
|

- Tjeerd
Sietse Groen (-1883)
- Jan Folkert Visser (-1883)
- Taeke Pieters Visser (-1883)
- Tjerk Eetzes Schregardus (-1883)
- Jan Jans Buurmans (-1883) |
|
De
W.L 20
De W.L
20 heette de "Vrouw Jeltje" en was
een in 1878 in Makkum gebouwde blaas. De
bouwer was W. Zwolsman, terwijl het
ijzerwerk geleverd werd door Klaas
Willem Hoogeboom, de smid die voor de
meeste in Makkum gebouwde blaazen het
ijzerwerk leverde. Deze smederij, die
later verplaatst is, bestaat nog steeds
en maakt ook nu nog ijzerwerk voor de
vaartuigen van de kustvisserij. De
waarde van deze blaas was f 5500,- Groot
32 ton.
Eigenaresse: Jeltje
Douwes Douma, Weduwe van Sietse Foppes
Groen.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Tjeerd
Sietse Groen, schipper, 20 jaar,
ongehuwd (woonde bij zijn moeder wed.
Sietze Foppers Groen 43 jaar, zijn
zuster Treintje 17 jaar, en broers Douwe
15 jaar, en Foppe 9 jaar)
Jan
Folkert Visser, 47 jaar, gehuwd
(Nabestaanden Vrouw Sijke Aants Post 48
jaar, Jantje 17 jaar, Folkert 12 jaar,)
Taeke
Pieters Visser, 24 jaar weduwnaar,
Tjerk
Eelzes Schregardus, 25 jaar, gehuwd
(Nabestaanden vrouw Martje Gelfs Visser,
Gooike 9 maanden)
Jan
Jans Buurmans, 25 jaar ongehuwd zoon
van Jan Jans Buurmans van de
W.L9.
Deze blaas
is gezonken aan de kust van Ameland.
|

- Frederik
Martens Mei (-1883)
- Marten Frederiks Lei (-1883)
- Eetze Tjerks Schregardus (-1883)
- Marten Gerbens Lei (-1883)
- Bote Lieuwes Koudenburg (-1883) |
|
De
W.L 21
Het
laatste schip was de W.L 21
genaamd "De Jonge Marten". Ook dit schip
was in Makkum op de werf van W. Zwolsman
gebouwd. Bouwjaar 1877, groot 36 ton
waarde f 6000,-
De
eigenaren waren: Freedrik
Martens Lei 2/5, Wed. Gerben Martens Lei
1/5, Bote Lieuwes Koudenburg 1/5, Eelze
Tjerk Schregardus 1/5.
De
omgekomen bemanning bestond uit:
Frederiks Martens Lei, schipper 52
gehuwd (Nabestaanden vrouw Tietje Tietes
Visser 63 jaar.) Zijn zoon Marten
Frederiks Lei, 32 jaar ongehuwd,
Eelze
Tjerks Schregardus, 51 jaar gehuwd
(Nabestaanden vrouw Gooike Sietzes
Visser 53 jaar, Janke 21 jaar, Jantje 18
jaar, Sietske 12 jaar,)
Marten
Gerbens Lei, 30 jaar, ongehuwd.
Bote
Lieuwes Koudenburg, 56 jaar,
gehuwd (Nabestaanden vrouw Antje Tjerks
Schregardus 56 jaar, Brechtje 21 jaar)
De W.L21
strandde op de Zuidwal van
Schiermonnikoog. Het vaartuig werd
evenwel zeer spoedig weer vlot gemaakt
en afgebracht naar Ezumazijl. Op de werf
van W. Dijk te Dokkum voor f1649.48 weer
hersteld en in augustus weer in de vaart
gebracht. In 1902 is dit vaartuig op het
strand van Borkum uit elkaar geslagen,
nadat de bemanning door de reddingsboot
was gered.
Hiermede
is de droeve rij afgesloten. Van de drie
en tachtig omgekomen mensen hebben
slechts veertien hun laatste rustplaats
op het kerkhof van Paesens mogen vinden.
Hier volgen hun namen:
Hille
Botes Groen, Douwe Jelles Basteleur,
Aant Tietes Post, Kornelis Aants Post,
Aatse Lieuwes Koudenburg, Klaas Taekes
Visser, Hille Kornelis de Haan, Auke
Martens Buurmans, Willem Tietes Visser,
Jan Gooitsen Basteleur, Kornelis Wiltjes
Post, Jan Wietzes de Vries, Gooitsen
Jans Basteleur, Kornelis Sipkes Visser.
Over twee
van deze slachtoffers vertelt de Nieuwe
Dockumer Courant meer bijzonderheden:
"Moddergat, 9 Mei 1883
Laatstleden Zaterdag den 5den Mei is ten
Oosten van Schiermonnikoog een lijk
op een zandbank gevonden.
Naar de kenteekens is het Hille Kornelis
de Haan, oud 13 jaar, den 6den Maart
verongelukt tijdens de ramp, als
opvarende van de W.L. 19, in de
nabijheid gestrand".
"Schiermonnikoog, 27 Augustus 1883
Uit een
der omgekeerd op het strand liggende
vischschepen van het Moddergat, werd den
8sten Maart l.l. een persoon, wiens
hulpgeroep men hoorde, op eene
bijzondere wijze gered. Men kapte ten
dien einde een gat in de bodem, door het
welk hij werd opgehaald uit een
hachelijke toestand; hij kon verlost
worden uit een sedert vele uren dreigend
doodsgevaar.
Bij dien persoon, Basteleur geheten,
bevond zich als deelgenoot van zijn
verschrikkelijk lot en zeer in de
nabijheid, zijn reeds meer bejaarde oom,
Kornelis Sipkes Visser, oud 61 jaar. Hij
hoorde dezen kermen, hoorde dezen wiens
uitgeputte krachten, na lange
worsteling, hem niet toe lieten, aan een
balk of iets anders zich te blijven
vasthouden, naar beneden in het water
storten, om daarin de dood te vinden.
Bij de pogingen, sedert eenige tijd
aangewend, om het schip uit het zand te
werken, en vervolgens zoo mogelijk, af
te brengen, welke voortdurend gelukkig
slagen, welke waarschijnlijk ook
binnenkort ten volle de gewenschte
uitkomst zullen hebben is in de
afgelopen week het lijk gevonden van den
man, die zoo onder zulke akelige
omstandigheden het leven moest
verliezen.
't Verkeerde in nog betrekkelijk goede
staat. Na behoorlijk in een kist
geborgen te zijn, werd het lijk naar het
Moddergat overgebracht, ten einde daar
of te Paesens te aarde besteld te
worden".
"Tot
heden zijn slechts 5 teruggekomen"
Drie
schepen wisten voor de wind het Friese
Gat - de brede geul tussen de
Engelsmanplaat en Schiermonnikoog -
binnen te komen. Ze kwamen de Oostmahorn
voor de wal. Het vierde schip kwam
achterstevoren het Amerlander Gat,
tussen Ameland en Terschelling binnen en
bereikte zo de veilige Waddenzee. Anne
Botes Groen, kwam met zijn schip eveneens
achterstevoren door het Pinkengat of Wierumergat in rustig water. Over dit
schip gaat het volgende oorspronkelijk
in het Fries geschreven verhaal van
'Anders Minnes Wybenga'.
Schipper
Anne Botes Groen, met aan boord zijn
drie zonen, Jan, Hille en Klaas en de
knecht Tiete. Groen begrijpt dat hij ter
hoogte van het Wierumergat is. Daar wil
hij in, maar er is geen kans op, om het
schip zelfs maar een klein beetje te
draaien. Tenslotte gaan ze er in,
achterstevoren. Alle ballast brengen ze
naar voor in het schip dan ligt het het
stevigst.
Het is nu
's morgens een uur of zeven. Ze turen
naar hun makkers. Van de 22 aken zijn er
nu nog maar twaalf te zien. Nu komt het
vreselijke. Een klein eindje van Groen
z'n aak slaat één over de kop. Wild
gejammer klinkt in de golven. Nog
onstuimiger wordt de zee. Daar slaat
weer een aak om, nu vlak bij die van
Groen. Ze zien de bemanning vlak voor
hun ogen wegzinken in de golven.
Ondertussen zij ze doodsbang dat de
verongelukte tegen die van hun op zal
botsen, want dan zijn ze verloren. Op
het nippertje slagen zij er in om uit de
buurt van het vaartuig te blijven. Weer
slaat er één over de kop. Het is de
Hendrik Pilot. Zijn zoon Willem die daar
in de golven verdwijnt is getrouwd met
een dochter van Groen. "O,ûs Aeltsje!
want......
Al meer
schepen treffen het zelfde lot. Het zijn
allemaal familieleden en innige vrienden
die daar worstelen met de dood. "Jonges,
ik moat nei 't foarûnder,hâld jim jim
hjirboppe mar goed" Schipper Groen gaat
naar het vooronder. Daar bid hij, daar
worstelt hij met God, zoals eertijds
vader Jacob. Boven hem raast
de woeste zee "Jan,hâld dy fêst! roepen
de broers. Een grote golf stort zich over
het schip. Jan wordt er bijna onder
bedolven "Wei!" zeggen de broers, die
wat groter zijn en op een betere plaats
staan. O nee gelukkig Jan staat nog
overeind, hij heeft zich uit alle macht
aan het voor schip vastgeklampt.
Schipper
Anne komt weer boven. Van zijn gezicht
is alle angst verdwenen "Jonges,'t goed
mei ús! Wy moatte moed hâlde" Ze laten
het anker zakken. En ja het vind grond,
en hij houd het. Wild deint de aan op en
neer, maar tenslotte wordt het het weer
beter en kunnen ze het anker lichten. Er
is geen aak meer te zien. Ze komen bij Wierum aan de kust en 's avonds kunnen
ze veilig aan wal gaan.
Dan naar
huis toe. Het waait nog hard, maar al
van verre kunnen het gejammer van
vrouwen en kinderen boven de wind
uithoren. Ze staan op de dijk en zien
hoe nu iets van de ene dan van de andere
aak aanspoelt. Omgeslagen, terwijl de
bemanning de dood in de golven heeft
gevonden. O, die arme weduwe en wezen
daar in diepe rouw, bij die stormachtige
wind en onstuimige zee.
|

|
1 |
2 |
Home
|