Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Molkwerum.

 

 
 

Afdruk van: kerken.eldoc.ub.rug.nl Kaart van Hilarides.

Het Friesche Doolhof het beruchte Dorp Molk -warren in Friesland in de Griettenije van Heemelumer Olde- Ferd tusschen Staveren en Hindeloopen. Gemeeten en Geteekend 1718 door Joh Hilarides Rector Scholar te Bolsward, staat op de bekende kaart die Johannes Hilarides van 1671 tot 1682 rector aan de Latijnse school te Hindeloopen op koper graveerde.

'Indomita tentat' staat er nog bij en met dit opschrift is het Molkwerum van enkele eeuwen geleden ten voeten uit getekend. Het grootste dorp van Friesland gebouwd op zeven door sloten van elkaar gescheiden pollen zonder wegen of straten en bestaande uit tientallen kris-kras door elkaar gebouwde huizen.

Een waar doolhof dat door zn vorm in de Zuidwesthoek sterk uit de toon viel. Het is te begrijpen dat Hilarides, Indomita tentat op de kaart schreef want niemand voor hem zal de moed hebben kunnen verzamelen deze cartografische puzzle op te lossen.

Dr. J. H. Halbertsma gaf voor het ontstaan van de warrewinkel de volgende verklaring;  "Doe t de Friezen noch frij wiene sette elts syn hs op dat plak en nei dy kant ta drt de holle him opjoech. Sa lang as der romte wie koe dat Mar doet der mear minsken kamen bouden se it doarp sa fol as in aei. Yn Molkwar is it sa fier kaem dat de liken net op de skouders mar nder de earmen nei t hf brocht waerden den oars koenen se yn al dy hoeken en harnen net koarternch krieme".

Het was dus wel heel erg. Ook wordt verteld dat een eigen kofschipper dus geen vreemdeling de wimpel van zn schip wel zag wapperen maar het schip zelf niet kon vinden. Dit is natuurlijk wel een bijzonder sterk staaltje maar het is een feit dat iemand van buiten na een wandeling door het dorp zonder gids zn huis niet terug kon vinden.

Swantsje yn swart.

Op dezelfde kaart van Hilarides staat ook het dorpswapen van Molkwerum. Een witte zwaan op een zwart schild. In een oude steen in een splinternieuwe gevel van een huis aan de rand van het dorp is hetzelfde wapen gebeiteld "Die Godt vertrowt Had wol gebowt 1591" staat erbij. Dit klinkt heel anders dan het bekende rijmpje "Flokken en swarren dat is it wapen fan Molkwarren"

"It swantsje yn swart sit de Molkwarders yn it hart" maakt de laatste verdachtmaking weer goed. Toch kan men zich voorstellen hoe alle drie rijmpjes zijn ontstaan. Vroeger was Molkwerum voor honderd procent georinteerd op de zee. Zo volkomen dat s zomers alleen vrouwen kleine kinderen en boekhouders in het dorp waren te vinden.

De rest van de bevolking leidde aan boord een ruw mannenleven leven waar "flokken er swarren" geen taboe was. Ze waren echter afhankelijk van de elementen die alleen met voldoende Godsvertrouwen rustig tegemoet moet konden worden getreden.

Dat "it swantsje" de schippers in het hart zat is ook te begrijpen want aan de stengen van alle Molkwerumer schepen -op een goeie dag lagen er maar liefst zesennegentig op de rede van Riga- wapperde de blauwe vlag met de zilveren zwaan.

Dit alles is echter reeds lang verleden tijd. Het doolhof verdween, de taal stierf uit, de vloot is niet meer "it swantsje" zit in een nieuwe gevel goed in de verf.
Wat bleef er over van het vroegere beruchte qualyk gebouwde dorp Molkwarren.

De oude gevelsteen met het wapen van Molkwerum.

Het eeuwenoude dorp Molkwerum ligt aan het IJsselmeer, tussen de Friese Elfsteden Hindeloopen en Stavoren in. Zo heeft het een ruime geschiedenis, waarvan het accent ligt in de zestiende en zeventiende eeuw.

MOLKWERUM, Molquerum of Molkeren, volgens sommigen eigenlijk Munnikenwierum en van ouds ook Moqueren geheeten, vl., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindelopen.

Naar men wil, zoude de naam eigenlijk zijn: Molkwerren, dat zooveel gezegd is, als Melkweren, of waterachtige streken lands, geschikt om melkvee op te weiden. Het was voorheen het grootste d. der geheele griet., doch in de laatste jaren zijn er vele huizen afgebroken. Thans telt men er nog ongeveer 300 inw.

Wat dit vlek zonderling maakt, is de wonderlijke plaatsing der huizen, die niet in regt doorgaande rijen naast elkander staan, maar zeer verward, het een achter het ander, zoodat de tusschen loopende straten of stegen veel overeenkomst met eenen doolhof hebben, gelijk het ook, om die reden, de Friesche doolhof genoemd wordt.

Deze verwarring wordt aanmerkelijk vermeerderd, ter oorzake der doorloopende wateren, waardoor dit vlek in zeven kleine eilanden afgedeeld is. Deze eilandjes zijn bekend bij de zonderlinge namen van Kerkpolle, Aestrik, Westrik, Hindepolle, Kattepolle, Achthuizer-polle en Grinzerpolle.

Ook is het van buiten met een gracht omgeven, over welke onderscheidene bruggen liggen, die den toegang daartoe open stellen. Aangezien, uit hoofd van deze verwarde plaatsing, iemand, die te Molkwerum gelogeerd is, wanneer hij buiten het vlek gaat, het huis, waarin hij zijn intrek heeft, bezwaarlijk weder vinden kan, noch het hem, door benoeming van eenige straat, kan worden aangewezen, zoo zag men vroeger, aan de ingangen doorgaans jongens, die zig aanboden, om zich voor wegwijzers te laten gebruiken.

Vandaar heeft dit Molkwerum gelegenheid gegeven, om van zekere zaken, die verward gesteld zijn of verward en zonder orde worden uitgevoerd, te zeggen: dit is of dat gaat op zijn Molkwerums; gelijk ook eene manier van dammen, waarin de schijven, niet alleen in eene schuinsche rigting, maar ook regts en links, alsmede naar boven en naar beneden slaan, hetgeen het aanzien van een verward dammen geeft, Molkwerums-dammen genoemd wordt.

Had dit vlek vroeger veel bijzonders in de schikking zijner huizen, de bewoners verschillen ruim zoo zeer van de overige Friezen in kleeding en taal, beide nog zoodanig naar de oude Friesche zweemen, dat zij door hunne kleeding aanstonds kenbaar, en door hunne taal onverstaanbaar zijn voor allen, die zich niet bijzonder op de kennis daarvan hebben toegelegd. met die van Hindeloopen komen zij in beide opzigten wel het meest overeen, ofschoon er ook nog al merkbaar onderscheid tusschen beide plaats heeft.

Toen de scheepvaart hier nog bloeide, kon men somtijds huis aan huis gaan, zonder mannen, tenzij grijsaards, aan te treffen. Thans is Molkwerum eene zeer vervallene armoedige buurtschap, waarvan de smalle stegen tusschen heggen en onbehuisde heemsteden groen, met gras en ruigte zijn begroeid, waar tusschen scherphoekige en onregelmatige steenbrokken en puin opschieten. De inwoners bestaan meerendeels uit daglooners, en vinden hun bestaan voornamelijk in de koemelkerij.

Het vlek ligt binnendijks en als op een schiereiland, dat door de Zuiderzee, een bedijkt en twee onbedijkte meren gevormd wordt. Van den zeedijk loopt, over gevaarlijke bruggetjes, zonder leuningen, een slecht onderhouden weg door het weiland.

De Hervormden, die er 220 in getal zijn, onder welke 50 Ledematen, maken eene gemeente uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort. Molkwerum is tot in 1600 bediend door Gerhard Vocking, Predikant te Hindelopen. In 1601 is het gevoegd bij Warns-en-Scharl, waarvan het afgescheiden is in 1610, en heeft daarom voor het eerst een eigen Predikant bekomen in Julius Atzonis.

Men had hier vroeger kerk en toren, doch daarover is naderhand groot verschil gerezen, en de kerk wegens schulden verkocht geworden, zoodat thans alleen de kleine stompe toren op het kerkhof staat, waarom de Hervormden alhier hunne godsdienstoefeningen houden in een daartoe ingerigt gebouw, aan de gemeente afgestaan door zeker voornaam inwoner, met name Albert Heijes, en den 1 September 1799 plegtig ingewijd door den Predikant Hans Willem Cornelis Anne Visser, toen te Warns, daarna te Ysbrechtum.

De Doopsgezinden, van welke men er ongeveer 70 telt, maken met die van eenige uit den omtrek eene gemeente uit, welke 150 zielen, telt. Deze gemeente heeft eene kleine, doch nette kerk, zonder toren of orgel, doch geen eigen Predikant, wordende de dienst daarin waargenomen door den Predikant van Hindeloopen.

De 2 Evangelisch-Lutherschen, welke er wonen, behooren tot de gemeente van Workum. - De 11 Roomsch-Katholijken, welke men er aantreft, worden tot de stat van Bakhuizen gerekend. De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht. De kermis valt in op Paasch-Dinsdag.

Toen Stavoren, in het jaar 1400, in de magt der Hollanders was, hadden de Friezen hier eene schans, welke van eene sterke bezetting voorzien was, Walraven van Brederode, die in Stavoren bevel voerde, maakte eenen aanslag om die versterking te verrassen. Hij bestormde de werken met groote dapperheid, waartegen de Friezen zich met geene mindere kloekmoedigheid verweerden. De aanvallers verloren veel volk. Brederode, zwaar gewond, werd door de Friezen gevangen genomen, maar ontsnapte eerlang zijne wachters, en kwam weder binnen Stavoren.

Molkwerum had een omvangrijke vissersvloot, een eigen zee-haven in de Zuiderzee en Molkwerum had een eigen sluis om in het veilge binnenwater te kunnen komen. In de hoogtijdagen had Molkwerum zelfs een eigen kantoor in Amsterdam om Molkwerum te vertegenwoordigen.

MOLKWERUMER-VAART of Molquerumer-Vaart, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat te Molkwerum een begin neemt, en met eene kronkelende, noordwestelijke rigting, naar Stavoren loopt.

MOLKWERUMER-ZIJL (DE) of de Molquerumer-Zijl, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 1/4 u. N. van Molkwerum.

Deze sluis kan niet door groote schepen gebruikt worden, maar heeft veel toevloed van binnenwater uit de menigvuldige meren en waterplassen van de grietenij Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Het vlek Molkwerum heeft echter den last van de zijl voor zich in het bijzonder, waarover de ingezetenen, niet zonder reden, meermalen hebben geklaagd, van meening zijnde, dat de belasting zich even ver behoorde uit te strekken, als de uitwatering, welke door deze zijl in het bijzonder geschiedt.

In het begin der vorgie eeuw was de zijl toegedamd; maar Gedeputeerde Staten der provincie Friesland, beseffende het nadeel, hetwelk hierdoor veroorzaakt werd, gaven bevel aan de zijlpligtigen van deze plaats, om dien weder open en gangbaar te maken. Die van Molkwerum gaven daarop een verzoekschrift over aan de Staten des Lands, begeerende van dien last bevrijd te wezen, doch daarop volgde niets anders, dan dat de Heeren van het mindergetal, door de Staten gelast werden, om met die van het collegie nader aangaande dit stuk in overweging te treden, wordende den verzoekers inmiddels bevolen, waarop zij hun verzoek grondden.

De zijl is sedert op kosten van de ingezetenen geopend, en zij zijn naderhand verpligt geworden, eene som van 2200 guld., door het land daartoe verschoten, terug te geven, doch konden volstaan met de betaling in drie jaarlijksche termijnen in 1718, 1719 en 1720, en, in plaats van geld, met Landschaps obligatien volgens staatsbesluit van 30 April 1718. Wordende vervolgens het onderhoud van de zijl, bij besluit van 31 Mei 1721, als van ouds, ten laste van de gezamenlijke ingezetenen van Molkwerum gelaten.

vanderaa.tresoar.nl

Afdruk van: kerken.eldoc.ub.rug.nl

 

Naamlijst Predikanten, Molkwerum. Gecombineerd met Hindeloopen.

Gerhardus Focking, heeft hier den dienst tegelijk met dien te Hindeloopen waargenomen, doch is beroepen om Hindeloopen alleen te bedienen; in de klassis is dit goedgekeurd den 26 Augustus 1600.

Gecombineerd met Warns en Scharl.

1601. Johannes Johannes Bilt, is beroepen van Tjerkwerd, geapprobeerd den 9 Februarij, verroepen naar Workum , en gedimitteerd den 5 December 1603.

1604. Petrus Bandt, is geapprobeerd den 11 Junij, verroepen naar Zuidscharwoude en Broek, gedimitteerd in 1610, daar emeritus geworden in 1649 en overleden in 1653.

De Heeren Sappema en Thijssen zijn gecommitteerd om de volmachten van Molkwerum voor zich te roepen, tot uitvindinge van middelen, om een predikant te onderhouden.

Alleen.

1611. Julius Atzonis, is geboren 1587, beroepen en geapprobeerd 1 April, verroepen naar Oenkerk c a . en gedimitteerd den 5 September 1614.

1614. Ariaan of Adriaan Jansz Pijn-Appel, is beroepen en geapprobeerd den 3 October, verroepen naar Binnenwijsent en Westwoud, gedimitteerd den 16 Augustus 1619 , emeritus geworden in 1645, overleden te Opwier, en aldaar begraven in het laatst van Maart 1668.

1619. Mauritius Jacobs Stansius is als kandidaat geapprobeerd den 27 September, verroepen naar Edens, en gedimitteerd den 17 Julij 1626.

1626. Mattheus Vomelius is als kandidaat geapprobeerd den 16 October, verroepen naar Terschelling, en losgemaakt den 6 Augustus 1638.

1639. Hesselius Gerards Samplonius, geboren te Leeuwarden, broeder van Johannes Gerards op Ameland, is als kandidaat bevestigd den 18 Februarij, verroepen naar Kollum, en gedimitteerd den 23 Augustus 1641.

1641. Meliius Aegidius is als kandidaat geapprobeerd den 18 October, en overleden in 1673.

1674. Duco Sylvius, zoon van Bernardus Leuconis, is beroepen van Longerhouw, geapprobeerd en gedimitteerd den 7 September, verroepen naar Oosterend, en gedimitteerd den 10 Junij 1678.

1678. Gellius Horreus, zoon van Petrus, broeder van Ger. en Roch., is als kandidaat bevestigd den 15 September, en overleden in het begin van 1716.

1717. Johannes Noordbeek, geboren te Noordhoorn, zoon van Johannes Henricus, broederszoon van Rudolf en van Elb., broeder van Petrus te Stavoren en van Bernardus te ?, is als kandidaat geapprobeerd den 5 April, verroepen naar Heicoop in Zuid-Holland in 1734, endaar overleden den 13 December 1757, oud in het 62ste jaar.

1735. Arent Braunius, geboren te Deinum den 25 November 1710, zoon van Henr., broeder van Christ. Herman aldaar, is als kandidaat bevestigd den 17 Julij en nam, verroepen naar Sloten, afscheid den 5 December 1751.

1752. Ludovicus Schrader, geboren te Ternaard Januarij 1731 , zoon van Joh. Henr. , broeder van Joh. hoogleeraar te Franeker en van Ern. Will. te Marssum, is als kandidaat bevestigd den 23 Januarij en nam, verroepen naar Idaard, afscheid den 18 November 1753.

1754. Sicco Abbriag, geboren te Ezinge Januarij 1731, zoon van Georg, kleinzoon van Sicco te Visvliet, (prov. Groningen) en broeder van Godefr. op het Zand (prov. Groningen), deed als kandidaat zijn intreerede den 16 Junij en, verroepen naar Welsrijp, afscheid den 5 Junij 1757.

1757. Engel Meinarda, geboren Februarij 1725, deed, beroepen van Tjalbert, zijn intreerede den 26 Junij en, verroepen naar Hallum, afscheid den 20 November 1757.

1758. Wijtze Fenema, broeder van Jac., deed, beroepen van Oosterwolde, zijn intreerede den 17 September en verroepen naar Hantum, afscheid den 9 October 1768.

1769. Riemer Jelles Fennema, geboren te Franeker, broeder van Tjepko te Haskerhorne c.a., is als kandidaat bevestigd den 2 April; hij heeft zijnen dienst neergelegd en, zijn ontslag verkregen hebbende, afscheid genomen den 15 December 1782. In 1787 is hij als predikant naar Oost-Indin vertrokken.

1783. Willem Sannes, geboren te IJlst den 8 Mei 1756, kandidaat, bevestigd den 18 Mei, nam, verroepen naar Stiens, afscheid den 25 Mei 1788.

1789. Nicolaas Prijshoff, geboren te Leer, kandidaat, bevestigd den 10 Mei, nam, verroepen naar Eenigenburg, afscheid den 27 October 1793, ging naar Oudkarspel in 1795, naar Leer in 1813, overleed daar den 2 Februarij 1837, in den ouderdom van 73 jaren.

1794. Tjalko Wassenaar, geboren te St. Jacobi-Parochie den 28 Februarij 1772, (Jan Jarigs Wassenaar op de Joure, was de zoon van zijnen broeder,) is als kandidaat
bevestigd den 19 October en nam, verroepen naar Cubaard, afscheid den 14 October 1798.

1802. Horatius Nieubuur Ferf, geboren te Leeuwarden, deed, als kandidaat bevestigd, zijn intreerede den 28 Mei en, verroepen naar Bergum, afscheid September 1806.

1806. Wijtze Winsemius, geboren te Suawoude in het begin van 1783, zoon van Sibr., deed, als kandidaat bevestigd, zijn intreerede den 20 October en, verroepen naar Tjerkwerd, afscheid den 30 Junij 1811.

1811. Hector Jacob Coenraad Menzonides, geboren te Lingen den 6 Julij 1791, zoon van Hajo te Marssum, deed, als kandidaat bevestigd, zijn intreerede den 29 December en, verroepen naar Ulzen, afscheid den 22 Junij 1817.

1818. Cornelius Broersma, deed beroepen van Schiermonnikoog, zijn intreerede den 20 September en, verroepen naar Terkaple, afscheid den 6 Januarij 1822.

1823. Douwe Jans Faber, geboren te Bolsward, deed, als kandidaat bevestigd, zijn intreerede den 28 December en, verroepen naar Obdam, afscheid den 23 Julij 1826.

1827. Tamme Foppens de Haan, geboren te Duurswoude, was als kandidaat te Valkenswaard c.a. in 1819, en te Hurwenen in 1821. Wegens ongesteldheid (mentis
impos) is hij emeritus verklaard den 1 Julij 1824. Hier weder beroepen, deed hij zijn intreerede den 2 September en, verroepen naar Exmorra c.a., afscheid den 28 Junij
1829.

Er ontbreken: A. J. H. Reijs 1831 60; J. A. C. Wijnoldy 186071; J. J. Ehl Weurdinge 187276; S. D. van Veen 188184; W. van der Spek 1885.

Bron: tresoar.nl/wumkes/pdf

Dr. Sietse Douwes van Veen, geboren te Lemmer op 7 october 1856, werd op 19-jarigen leeftijd student te Utrecht, waar de proff. Doedes van Oosterzee en Beets, later ook Valeton. Jr. de theolog. faculteit vormden, en promoveerde er 15 Juni 1888, terwijl hij reeds predikant te Groningen was (1887-17 Mei 1896) tot doctor in de theologie op een proefschrift : De gereformeerde kerk van Friesland in de jaren 1795-1804.

Den 18e Sept. 1881 was hij N. Her. pred. geworden te Molkwerum, 24 Aug. 1884 te Rijperkerk, 9 Mei 1886 te Dedemsvaart en 11 Sept. 1887 te Groningen, terwijl hij van 17 Mei tot 27 Sept. 1896 pred. te Rotterdam was. Den 28e aanvaardde prof. Van Veen zijn hoogleeraarsambt aan de Utr. universiteit.

Dr. A. van Veldhuizen, geboren 1871 te Zeist. Deed zijn intrede bij de Herv. Gem. te Molkwerum in 1898. Na in 1901 te Utrecht zijn doctors titel behaald hebbende, vertrok hij naar Rotterdam.

 

School te Molkwerum.

 

Onderwijs en schoolmeesters te Molkwerum.

In maart 1591 werd Jacob de Herckel, schoolmeester van Balk, te Molkwerum beroepen en in mei 1591 kwam hij in functie.

In 1606 was Petrus Sixtinij "schooldienaer geweest zijnde te Molqueren". In de jaren 1616 en 1622 werd hij nog immer genoemd als voormalig schoolmeester van Molkwerum en ontving nog steeds de toelage van de Staten. In 1621 werd de schoolmeester Jelle Simons omschreven als zijnde oud en zwak.

Op 22 dec. 1621 werd mr. Piecke Jacobs, schoolmeester te Gaast, beroepen te Molkwerum. Hij begon zijn arbeid in mei 1622.

Op 26 maart 1629 was Ruyrd Pieters Herbayus, schooldienaar in Molkwerum.

In 1640 was Jacob Cornelis, hier als schoolmeester. Ook op 26 okt. 1641 en in febr. 1645 werd hij ook aangeduid als schoolmeester. Zijn vrouw heette Reynsk Lieuwes. Hij was hier in 1651 nog.

In 1652 was Pijtter Willems, hier en in sept. 1663 werd hij ook bepaaldelijk aangeduid als schoolmeester. Zijn vrouw heette Bauck Abes. Hij werd nogmaals genoemd in de jaren 1678, 1682-1683 en in de periode 1687-1693 en hij was tevens dorpsschrijver. Op 19 dec. 1693 was Pieter Willems, schooldienaar te Molkwerum getuige bij een testament. Tot mei 1695 was Pitter Willems, hier als "scholmeister", tegen een traktement van 80 per jaar.

In mei 1695 werd Claes Pijtters, hier schoolmeester; hij was blijkbaar een zoon van de vorige schoolmeester. Het traktement bedroeg nog steeds 80 per jaar. Hij was hier in 1708 nog, maar in 1709 werd 1 gulden 8 stuivers betaald voor het graf van meester Claas Pijters, terwijl aan Jan Abbes, als erfgenaam van de overleden schoolmeester in 1710 nog een jaar achterstallig loon werd betaald over de periode 1 nov. 1708 tot 1 nov. 1709.

In nov. 1709 werd Jappe Clasen, hier schoolmeester. Hij ontving op 1 aug. 1710 voor het laatst traktement als kerk- en schooldienaar.

In aug. 1710 werd mr. Jurjen Jans Ilpendam, hier schoolmeester en kerkdienaar; het traktement was nog steeds 80 per jaar. Hij trouwde hier op 15 juli 1714 met Marij Gerbrands. Hij was hier nog in mei 1718, doch in 1720 was hij inmiddels schoolmeester te Hindeloopen. (Vermoedelijk is hij in 1719 vertrokken, gezien een
andere hand in het trouwboek.)

Op 2 okt. 1742 was Theunis Rinia, hier schoolmeester en dorprechter. Hij was toen 45 jaar oud. In 1716 was hij schoolmeester te Oudega en Kolderwolde geweest. In 1749 was hij nog in Molkwerum.

In mei 1781 kwam hier J. de Buhr, als schoolmeester uit Hemelum, tegen een traktement van 100. Hij werd tevens kerkvoogd. Op 12 mei 1783 vertrok hij naar Langweer.

In mei 1783 kwam Koene Andries, uit Hemelum, tegen een salaris van 100. Hij is waarschijnlijk overleden tussen mei en nov. 1784. In nov. 1786 ontving zijn weduwe nog een half jaar salaris zijnde 50.

In mei 1784 kwam Marten Hayema, als schoolmeester tegen een traktement van 100 per jaar. Hij werd op 25 april 1788 ook tot dorprechter benoemd. Tot nov. 1786 was hij in functie als schoolmeester. Hij werd toen opgevolgd door Douwe Fekkes Renja, die tevens ontvanger werd. Tot mei 1788 was hij hier als schoolmeester; toen kwam M. Hayema, weer in functie. Het traktement bedroeg nog steeds 100 per jaar. In 1795/96 was Douwe Fekkes Renja, ontvanger voor Warns en Scharl en Molkwerum. In maart 1796 was Marten Hayema, nog schoolmeester te Molkwerum. Hij weigerde toen de "Verklaaring" te tekenen. Daarom verscheen in juli 1796 een oproep in de Leeuwarder Courant om sollicitanten voor de vacante school te Molkwerum; gevraagd werd een schoolmeester en voorzanger.

In jan. 1797 was Cornelis Wilhelm Schultze, 3e rang en geboren in 1769, hoofd van deze school. Zijn vrouw heette Sjoeck Gerrits. Zijn traktement bedroeg in 1804 162 en in 1810 was het 238. Hij ging begin 1839 met pensioen en leefde nog in 1850.

Op 6 mei 1839 kwam Harmen D. Jonkers, 3e rang. Zijn traktement bestond uit 146 van de grietenij, de schoolpenningen van ca. 40 leerlingen, plus 14 als koster en voorzanger en een vrije woning. In 1841 kwam er een nieuwe school; de aanbesteding vond plaats op 19 april 1841 en behelsde het afbreken van het oude schoolgebouw en de bouw van een nieuwe school. Harmen Jonkers vertrok in de zomer van 1841 naar Oldeholtpade.

Op 1 okt. 1841 kwam Anne Klazes Heerema, 2e rang. Zijn vrouw Hendrikje Groenewoud, overleed op 19 dec. 1862 op 43-jarige leeftijd. Hij kreeg op 1 mei 1866 eervol ontslag.

Op 2 juli 1866 werd Pieter Germeraad, hulponderwijzer te Leeuwarden, benoemd. Het salaris was toen 425 plus een woning.

In 1888 werd A. Alberda, onderwijzer te Oenkerk, benoemd als hoofd van deze school. In 1899 kwam hier een nieuw schoolgebouw. Hij vertrok in 1901 naar Rauwerd.

In 1901 kwam A. Bijlsma, van het Heidenschap. Hij vertrok in 1913 naar Ysbrechtum.

Toen kwam hier P.J. Braaksma, die op 16 nov. 1915 naar Stienser Tichelwerk vertrok.

In 1916 kwam H. Frankena, die op 1 april 1919 als onderwijzer naar Sneek vertrok.

In 1919 kwam W. Th. van der Meulen, die in 1924 naar Koudum ging. In dat jaar werd de school te Molkwerum opgeheven.

Bijzonder onderwijs.

Op 16 dec. 1915 werd te Molkwerum een bijzondere school voor christelijk onderwijs
geopend in het lokaal van de Nederlands hervormde gemeente. In 1916 werd een lokaal betrokken van de openbare school, die in zn geheel werd aangekocht toen die in 1924 werd opgeheven.
Als eerste hoofd werd in dec. 1915 R. van Goor, aangesteld. Op 18 mei 1916 werd Gerben Krol, hoofd van deze school. Hij is gestorven op 2 juni 1952, oud 61 jaar. Op 1 febr. 1953 werd J.P. Lenstra, onderwijzer te Lollum, benoemd aan het hoofd van deze school te Molkwerum.

Bron: www.fryske-akademy.nl

Van de tientallen Molkwerumer vissers is de heer Auke Zeldenrust, sedert 1936 de enige overgeblevene Waar hij nu staat, deinden voor jaren de kielen van vele schepen nu groeit er in de vergane haven een braamstruik.

 

1953: Molkwerums laatste visser zei de zee vaarwel.

In het wachtkamertje van het gemeentehuis te Koudum hangt een plattegrond van Molkwerum, zoals 't een paar eeuwen geleden heeft moeten zijn. Een flink dorp met een wirwar van straten en steegjes. Aan de zeekant lag een haventje....

Het tegenwoordige Molkwerum, geeft zelfs geen vage voorstelling meer van dit alles. De nauwe straatjes zijn zo goed als verdwenen, de bruggetjes werden geliquideerd of aangepast aan de moderne eisen en het haventje verzandde. De zee liet het dorp in de steek en het moest dezelfde weg bewandelen als zijn buren Hindeloopen en Staveren.

 

Voor de bedrijvigheid en de spanning van de scheepvaart kwam de zelfgenoegzame rust van het boerenbedrijf. Een degeneratie voor hen, die de hartenklop van het water nog hebben gevoeld, een doodsimpele zaak voor anderen, die zich nauwelijks het grote verleden realiseren.

 

Met de scheepvaart verkwijnde ook de visserij. Eertijds voer een flinke vloot (achtentwintig schepen?) jaar in jaar uit ter haring- en ansjovisvangst. Toen kwam de Afsluitdijk. De Zuiderzee werd een IJsselmeer en de vissersvloten krompen in tot een schaduw van wat ze eens waren. Vooral die van Molkwerum had het zwaar te verduren.

 

Een aantal jongeren zocht een baantje aan wal, de oudsten kregen een bescheiden pensioentje en slechts n visser bleef het water trouw. Auke Zeldenrust wilde volhouden zo lang hij kon. En hij heeft volgehouden, ondanks de tegenslagen, die hem niet werden bespaard. De haven werd zo ondiep, dat zijn zeewaardig schip (HL 12) niet meer kon binnen vallen, ziekte kwam een woordje meespreken en de nieuwe inpolderingen betekenden opnieuw een drastische beperking van het toch al sterk geslonken aantal vergunningen.

 

Dit laatste deed de zoon van Zeldenrust, die jaren achtereen met vader was opgetrokken, besluiten een baantje aan wal te zoeken. Het besluit is gevallen. De rails zullen in de rest van zijn leven de functie van het water overnemen De oude visser bleef alleen achter. Zijn gezondheid werd er niet beter op en het ingrijpende advies van de dokter kon niet uitblijven. Zwaar werk zou in het vervolg moeten blijven liggen.

 

Ng beter was het de zee en de visserij voorgoed vaarwel te zeggen. Zo komt het, dat Molkwerum ook zijn laatste visser moet missen. Een afscheid, dat vooral de heer Zeldenrust zelf heel zwaar valt. Een levenlang heeft het water hem brood gegeven. Vaak zonder boter, soms met beleg. Maar altijd was het er, en dat stemt dankbaar. Dankbaar tegenover een zee, die het hem heus niet gemakkelijk heeft gemaakt.

 

Voor Molkwerum is de omwenteling een voldongen feit geworden. De veeteelt is nu de enige bestaansfactor en de hoop op uitbreiding van het dorp werd naar het rijk der illusies verwezen. De veehouderij heeft immers steeds minder personeel nodig, en waar is de kans op nieuwe industrien?

Proeve van den tongval van het dorp Molkwerum, achttiende eeuw.

Onder de oude zuidhoeksche friesche tongvallen was vooral ook, nevens het Hindeloopersch, de tongval van het dorp Molkwerum (friesch: Molkwarren) zeer bijzonder, even als ook dit dorp, wat de kleeding en de zeden der bewoners aangaat, oudtijds en nog in de vorige eeuw zich scherp van het overige Friesland afzonderde en onderscheidde.

En evenals de Molkwerummer kleederdracht en de Molkwerummer zeden de meeste overeenkomst hadden met de Hindelooper kleeding en gebruiken, zoo was ook de Molkwerummer tongval het naaste verwant aan het Hindelooper dialect. Beide plaatsen genoten in den zelfden tijd een hoogen trap van bloei en welvaart door zeevaart en handel.

In het laatst van de zeventiende eeuw lagen er soms veertig of vijftig Molkwerummer schepen, die allen een zwaantje (het wapen van Molkwerum) in de witte baan van hun vlaggen voerden, te Amsterdam in het Damrak. Deze schepen voerden granen uit de Oostzee naar Holland. Als een bewijs van den bloei van Molkwerum in die dagen kan ook nog dienen dat er toen ook een boekdrukkerij was. Maar beide plaatsen zijn heden ten dage deerlijk vervallen en bijna al het eigenaardige dat aan den goeden ouden tijd, aan de dagen van voorspoed en weelde zou kunnen herinneren, is er verdwenen.

Te Hindeloopen is tenminste nog de eigene tongval in wezen gebleven; maar te Molkwerum is ook de eigenaardige tongval verdwenen. Tegenwoordig spreekt men te Molkwerum de gewone friesche landtaal, maar nog sterk met den zuidhoekschen tongslag (accent); echte oude Molkwerummer woorden komen er evenwel uiterst schaars en hoe langer hoe minder in voor.

Het oude Molkwerumsch was zeer zuiver friesch en stond, even als het Hindeloopersch, nader aan de oorspronkelijke friesche stamtaal dan het gewone friesch. Het dorp Molkwerum, oudtijds het friesche doolhof bijgenoemd, was op zeven verschillende kleine eilandjes of pollen gebouwd, die ten deele nog bestaan. Volgens Dr. J.H. Halbertsma.

Het heksenhol Molkwerum.

Bij Molkwerum woonde een boer die geen zin kon zeggen zonder minstens n keer te vloeken. Nou ja, n keer: vaak vloog de ene verwensing na de andere over zijn lippen. Dat was niet altijd zo geweest. De man was als jonge, levenslustige knaap met een even mooie als vrome meid getrouwd. Het ging het stel voor de wind en ze kregen vijf knappe dochters.

Toen sloeg het noodlot toe. Een ziekte trof het vee; de veearts stond machteloos en in een mum van tijd waren alle dieren dood. Daarop volgde misoogst na misoogst. De eens zo vrolijke knaap versomberde snel. Zijn vrouw zocht haar toevlucht in het geloof en bad als nooit tevoren. Regelmatig smeekte ze haar man dan ook om zijn verwensingen en vloeken achterwege te laten. Zonder resultaat, de boer ging steeds meer tekeer.

Zijn vrouw was niet bestand tegen zoveel godslasterlijke taal. Op een dag verdween ze. De boer liet de hele omgeving afzoeken, maar ze werd niet gevonden. Men vond wel haar kleren aan de voet van de Zuiderzeedijk. Voor de dorpelingen stond vast dat de vrouw zich had verdronken om zo verlost te zijn van het gevloek van haar man.

Een week later verscheen ze echter even onverwacht als ze verdwenen was. Ze beloofde te zullen blijven op voorwaarde dat haar man nooit meer zou vloeken. Dat beloofde hij maar al te graag. Ondanks zijn gevloek en getier was hij altijd van haar blijven houden.

Spoedig bleek dat de vrouw erg veranderd was. Ze ging niet meer ter kerke en verbood ook haar dochters daar heen te gaan. En was ze vroeger de zuinigheid zelve, nu verbraste ze het geld sneller dan de boer het kon verdienen. Meer dan eens moest hij de bank smeken om een lening. Het bleef echter water naar de zee dragen, het geld was zo weer uitgegeven aan allerlei nutteloze zaken. De boer verdroeg het allemaal lijdzaam, hij was als de dood zijn vrouw weer te verliezen.

De jaren verstreken en de boer zag met lede ogen aan hoe zijn dochters het gedrag van hun moeder overnamen. Geld had voor hen geen waarde, aan werken wilden ze hun tijd niet verdoen en hun grootste lust was het jongens te verleiden om ze vervolgens in de steek te laten. Als hij daar met zijn vrouw over sprak, zei ze lachend dat hij zich om niets druk maakte. En als het gesprek haar te lang duurde, kroop ze op zijn schoot om hem met liefkozingen het zwijgen op te leggen.

Na zo'n zeven jaar was de maat vol. De vrouw had weer eens onzinnige uitgaven gedaan en de boer had een van zijn dochters op de hooizolder betrapt met een zwerver. Hij barstte in vloeken uit en vertelde zijn vrouw eens ongezouten wat hij van haar en haar dochters vond. De man was nog maar nauwelijks uitgesproken of de vrouw liep de keuken uit en verdween weer.

Opnieuw liet de boer de omgeving uitkammen, maar de vrouw werd niet gevonden. Wel haar kleren, die keurig op een stapeltje aan de voet van de Zuiderzeedijk lagen, net als de eerste keer.

Het was de inwoners van Molkwerum al snel duidelijk hoe het in elkaar zat. Jarenlang had de boer samengeleefd met de duivel, die zich vermomd had als zijn vrouw. De echte vrouw had zich natuurlijk destijds verdronken en de duivel had daarvan geprofiteerd. Hij had er alles aan gedaan om het hele gezin mee te sleuren in het kwaad, en dat was hem aardig gelukt. De vijf dochters groeiden op als echte heksen die veel leed over Molkwerum brachten. En alsof dat nog niet genoeg was, baarde elk van hen ook weer vijf dochters, die allemaal heksen werden.

Zo had de boer met al zijn gevloek niet alleen leed over zijn eigen gezin gebracht maar ook over de hele omgeving. Vanaf die tijd heeft het flink gespookt in Molkwerum en het dorp werd al snel 'het heksenhol' genoemd, een bijnaam die vandaag de dag nog bestaat.

Hans Petermeijer.

 

Kaart van Gerben. D. Wijnja.

 

70-jarig jubileum IJsclub Molkwerum.

LC-1941-01-10. Men schrijft ons uit Molkwerum.

Dezer dagen herdacht de ijsclub Molkwerum haar zeventigjarig bestaan. Lag het eerst in de bedoeling om aan dit feit een meer feestelijke herdenking te verbinden in verband met de tijdsomstandigheden besloot men dit achterwege te laten blijven tot het vijf en zeventigjarig bestaan.

Toen wij dezer dagen de notulen eens ter inzage kregen hebben wij deze met aandacht gelezen. Bijna geen club zouden wij haast durven beweren die zoo goed alles tot in de puntjes bewaarde al ontbreken de noteeringen der eerste hardrijderijen. In den winter van 1870 71 gingen er stemmen op aldus de notulen dat het te Molkwerum eigenlijk wel eens tot oprichting van een ijsclub mocht komen.

Al spoedig daarna werd door de heeren P. Germeraad J. Kat en L. Jaagsma, een oproep tot een vergadering gedaan en kwam het inderdaad tot oprichting van een ijsclub. Als eerste bestuursleden traden op de heeren P. Germeraad J. Kat J. Kooistra L.H. Prins en S. L. Folkertsma de drie eerstgenoemden traden op als voorzitter penningmeester en secretaris de laatsten als commissarissen. In 1876 bedankte de heer Kooistra als penningmeester en werd in diens plaats gekozen de heer Jaagsma die deze functie gedurende bijna 25 jaar vervulde.

Ging het de club in de eerste jaren aardig goed ook heeft zij haar jaren van terugslag en weinig belangstelling gekend. Zoo vonden wij vermeld dat in de jaren 1882 85 er slechts een ledental was van 37 doch bovendien dar er slechts zeven personen ter vergadering verschenen.

Toch hield het bestuur den moed er in en ging steeds op den ingeslagen weg voort. Wat het gemeentebestuur aangaat ook dit werkte bijna steeds mee. Zelfs vonden wij vermeld dat in 1882 bij een hardrijderij de gemeente ter opluistering een trom ter beschikking stelde. In den winter van 1890 werden voor de club nogal belangrijke besluiten genomen.

Besloten werd n.l. dat de baan in het vervolg door de leden in orde zou worden gebracht doch bovendien dat in het vervolg de rijderijen naast bekendmaking door aanplakken ook in de krant bekend zouden worden gemaakt iets wat voor dien tijd zeker niet onbelangrijk was. Wij zien dus dat Molkwerum wel met den tijd mee wilde. Ook wat de banen aangaat kan Molkwerum meestal goed meekomen. Trouwens hiervoor is de baancommissaris de heer G. T. Franckena wel de rechte man op de rechte plaats.

Wat het uitloven van prijzen aangaat ook op dit stuk van zaken kan men in deze omgeving met Molkwerum rekening houden. De club ziet er heusch geen bezwaar in om eens flink uit den hoek te komen waardoor er dan ook dikwijls het puikje van de rijders of rijdsters aan den start verschijnt en de banen dan ook meestal goed met publiek bezet zijn.

Het bestuur der jubileerende ijsclub v.l.n.r. Tj. Sonsma, M. de Jong, A. Polma, voorzitter P. vd. Ploeg, penningmeester G. Tj. Franckena, baancommissaris J. van der Meer en F. Visser secretaris.

 

1931: Het 60-jarig bestaan der ijsclub Molkwerum: Het bestuur van links naar rechts, zittend: de heren D. Joustra, T. Visser, secretaris. A. van der Meer, voorzitter. G. van der Ploeg, penningmeester en A. van der Ploeg. Staande de heren: P. van der Ploeg, G.T. Frankena, N. Brandsma en L. Penning.

 

 

 

 

 

 

 

Een kast uit Molkwerum.

 

 

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.