Korte uitleg van de beschreven schepen.

 

Bark.

 

Een bark is de naam van een zeilschip met daarop minimaal drie masten.

De bark voert drie en later ook wel meer (vier, zelfs vijf) masten. Alle masten, behalve de achterste, zijn vierkantgetuigd. De achterste (bezaansmast) bestaat uit een lange ondermast met bezaan en een steng met daaraan een gaffeltopzeil.

 

Fregat.

 

Een fregat is de aanduiding voor een snel, zeilend oorlogsschip dat kleiner dan een linieschip maar groter dan een korvet was.

Fregatten werden vooral ingezet als begeleidingsschepen rondom de vloot (zoals heden ten dage nog steeds gebeurt), voor berichtenverkeer of voor heimelijke operaties. De bewapening van een fregat bestond uit 28 tot 44 kanonnen, opgesteld op één geschutsdek. Fregatten waren snelle zeilers en zwaar genoeg bewapend om in vredestijd koopvaarders te escorteren in gebieden die door piraten onveilig werden gemaakt. In oorlogstijd konden ze zelfs een plaats in de linie innemen.

Was het fregat van oorsprong een scheepstype bij de marine, later (19e eeuw) werd het meer de benaming voor de tuigvorm. Met fregat wordt dan bedoeld een schip met drie masten welke alle drie dwars-getuigd zijn, een zogenaamd volschip. Dit in tegenstelling tot een bark, welke geen ra's aan de achterste mast voert, doch alleen langsscheepse zeilen. De achterste mast op een fregat heet de kruismast, op een bark de bezaansmast.

 

Galjoot.

 

De galjoot was van oorsprong een kustvaarder. Een platboomd vaartuig met zijzwaarden, voor de koopvaardij. Het was in gebruik bij Scandinaviërs, Duitsers, Nederlanders en Vlamingen. Een roeizeilschip, dat ook wel in de vaart was voor de visserij en in de vijftiende en zestiende eeuw zelf als galeischip werd gebruikt. Vanaf de zeventiende eeuw werd het schip slanker. Het werd toen ook als adviesjacht of bombardeergaljoot ingezet bij de oorlogsvloot. De VOC gebruikte het voor de vaart op Oost-Indië.

 

Kofschip.

 

Een kofschip was een zeilschip voor binnen- en kustvaart. Het leek veel op een smak en had een ronde voor- en achtersteven, en een platte bodem. Het voerde meestal twee masten en had doorgaans geen zwaarden.

Het meest typische kenmerk van de koffen is dat zij een geveegd onderwaterschip hadden, wat direct terug te voeren was op de kogge en ewers. Ook hadden zij meer zeeg. De kleinere kofschepen tot circa 12 meter, die op het binnenwater en op de wadden voeren, waren wel voorzien van zwaarden, omdat een kiel dieper stak en ook problemen gaf met droogvallen.

De grote koffen tot circa 28 meter hadden een bezaansmast achter de roef. Zij werden hoofdzakelijk gebruikt voor de handel op landen rond de Oostzee en haalden daar onder andere graan, vis en hout. Deze lading werd verkocht tot in het zuiden van Frankrijk, en daar werd veelal wijn als retourvracht ingenomen.

 

Schoenerbrik.

 

Een brigantijn (ook wel schoenerbrik genoemd) is een zeilschip met twee masten. Zoals de naam schoenerbrik al doet vermoeden, is de brigantijn afgeleid van de brik. Bij de brigantijn is alleen de voorste mast vierkant getuigd. De achterste mast is gaffelgetuigd (schoenergetuigd), en voert bovenin nog een of twee razeilen.

De naam is afkomstig van een Italiaans roofschip, de bergantin of bargantin, een kleine galei van de Middellandse Zee, maar reeds in de 13e eeuw ook in gebruik bij de Portugezen, Spanjaarden, Turken en Fransen. Deze laatsten spraken van brigantin.

De brigantijn zoals wij hem kennen ontstond pas aan het begin van de 18e eeuw en had oorspronkelijk een ronde boeg en vallende spiegel. Het voorschip werd gaandeweg scherper en de latere brigantijn kreeg zelfs een klippersteven en een overhangend achterschip. Het zeilplan bleef min of meer hetzelfde, maar de razeilen aan de grote mast verdwenen; het werd een schoenerbrik.

De brigantijn werd in het verleden veelvuldig ingezet door smokkelaars en piraten. Zij waardeerden het schip vanwege zijn wendbaarheid en goede vaareigenschappen op aandewindse koersen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de marine en de kustwacht die deze schepen achterna zaten, al snel hun eigen brigantijnen in de vaart brachten.

 

Barkentijn.

 

Een barkentijn of schoenerbark is een zeilschip met drie of meer masten, waarvan de voorste mast dwarsscheeps is getuigd en de overige masten langsscheeps. Het scheepstype is vanaf de tweede helft van de 19e eeuw in gebruik gekomen en gebleven tot het einde van de tijd van de grote zeilvaart, in de jaren dertig van de 20e eeuw.

In de praktijk kwam dit scheepstype in allerlei mengvormen voor, door de Engelsen ook wel aangeduid als '‘jackass-barque’'; een term waarvoor geen goede Nederlandse vertaling is en die dan ook vaak als barkentijn geclassificeerd wordt. Ook werd lange tijd de term barkentijn gehanteerd voor het scheepstype dat wij nu kennen als brigantijn.

Het barkentijn-tuig is in de nadagen van de zeilvaart lang in gebruik gebleven omdat het het beste van twee werelden vertegenwoordigde. Zeelui zagen het type vaak als een lastige kruising tussen een bark en een schoener, hoewel ze in de praktijk vaak sneller bleken en als veelzijdig te boek stonden. Het is wellicht opmerkelijk dat juist déze vorm van tuigage veel werd toegepast als noodvoortstuwing op de vroege stoomschepen.

Verschillende bronnen en experts geven vaak een eigen uitleg aan scheepsclassificaties en –benamingen. Deze zijn lang niet altijd met elkaar in overeenstemming, wat het geven van een exacte definitie bijna onmogelijk maakt.

 

Schroefstoomschip.

 

Een schroefstoomschip is een schip, dat voor de voorwaartse beweging gebruik maakt van stoomkracht, en deze weer met gebruikmaking van de schroef (en niet van een schoepenrad).

Er zijn nog slechts zeven schroefstoomschepen op de wereld bekend, de SS Great Britain in Bristol, HMS Warrior (1860) in Portsmouth, de Fram in Noorwegen en de Jylland (1860) in Denemarken, en drie kleinere schepen: de Uruguay in Argentinië, HMS Gannet in Chatham en de ZM SS Bonaire (1856) in Den Helder. In dit rijtje is de Bonaire uniek, omdat zij van binnen een ijzeren huid heeft, die aan de buitenkant is omkleed door teakhouten balken, waardoor het lijkt alsof het een houten schip is.

 

Gebruikte Bronnen.

Tresoar.

Alle Friezen.

Marhisdata.

Zeemanshoop.

Scheepvaartmuseum.

Fries scheepvaart museum.

Noordelijkscheepvaartmuseum.

Katwijksmuseum.

Schouwen-duiveland.

Museaschouwenduiveland.

Wikipedia.

S.S. H.A.L.

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.