|
Naam schip:
Type
Jaar
Tonnage
Bouwer
Rederij
Materiaal
Afmeting
Seinletters
Registers
Gezagvoerder
Vlag nr:
College
Schilderij
Tekening
Foto's
Model
Literatuur
Bron (nen)
Bijzonderheden
|
Charlotta
Kof
1841
129
? Hoogezand
H.S. Kalkema, Hoogezand
Hout, gezinkt
Veritas
MarHisData
Winschoten, 30 Juni. Men verhaalt alhier, dat
zekere T.M.M, woonachtig te Pekela, kapt. van
een schip, op zijn terugreis van St. Petersburg
naar dat dorp boven bij de stuurman komende,
deze verweet, dat hij een verkeerde koers nam.
Onder het twisten daarover werd de kapitein
zodanig verwoed, dat hij de stuurman vermoordde,
hetzij met een mes hetzij door hem overboord te
werpen. Een knecht, die later op het dek kwam,
geraakte ook met de kapitein in twist en
onderging hetzelfde lot als de stuurman. Door
middel van een mes werd hij vermoord. De
kapitein schijnt na deze dubbele moord bedaarder
en op zijn eigen toestand bedacht geworden te
zijn. Vrees voor de hem wachtende straf, voor de
schande, deed hem besluiten ook de handen aan
zijn eigen leven te slaan. Hij ging beneden in
het schip en boorde gaten in deszelfs bodem,
zodat het schip spoedig in een zinkende toestand
geraakte. Drie nog op het schip zijnde
manschappen het gevaar bemerkende, waarin zij
verkeerden, hadden ternauwernood tijd genoeg
over om de sloep los te maken om zich daarin te
redden, terwijl het schip ogenblikkelijk daarna
met de kapitein in hetzelve zonk.
NRC 01-08-1850. De Provinciale Groningsche
Courant behelst thans een verhaal, dat wij om
enkele bijzonderheiden hier laten volgen.
In het begin van maart 1849 is het schip
CHARLOTTA, gevoerd door kapt. Timoteus
Meinderts Mulder, van Pekela, van
Amsterdam vertrokken naar Nantes. Vandaar heeft
het verscheidene reizen naar verschillende
plaatsen gedaan en is eindelijk in de maand
maart dezes jaars van Bergen in Noorwegen
vertrokken met bestemming St.
Petersburg. Ofschoon vroeger aan de
kapitein niets bijzonders te bespeuren was, had
het volk opgemerkt, dat op deze reis kapt. T.M.
Mulder reeds enige dagen stil en afgetrokken was
geweest en met duistere plannen zwanger ging. Op
zekere morgen lag de verhaler dezes te kooi met
een der matrozen - die te Antwerpen aan boord
was gekomen en wiens naam hem onbekend is - toen
iemand van het dek riep, dat de stuurman,
genaamd Johan Koop, overboord lag. Beiden
begaven zich dadelijk naar het dek, vonden de
kapitein aan het roer staan en het schip op de
wind liggen. Zij waren behulpzaam om het te doen
wenden ten einde te trachten om de stuurman, die
nog niet gezonken was, te redden. De kapitein
stond inmiddels alsof hij verwezen was. Alle
pogingen om de stuurman te redden, waren echter
vergeefs; hij zonk en men was genoodzaakt weder
koers te zetten. Kort daarna ging het volk naar
beneden om te ontbijten, waarbij de kapitein
tegenwoordig was. Hij sprak toen weinig, zeggen
de slechts enkele malen "onze beste man is weg".
Na het ontbijt ging de verhaler met de matroos
RB. Mulder naar het voorschip om de fokkeschoot
aan te halen. Zij hoorden, daaraan bezig zijnde,
een angstgeschrei. Omziende zagen zij de
bovenbedoelde te Antwerpen aan boord gekomen
matroos met de handen op het hoofd op het dek
nederstorten en de kapitein achter hem
staan. Zij ontwaarden, toen zij naderbij kwamen
om de matroos te helpen, dat deze bloedend neder
lag en dat de kapitein een mes in de handen had,
waarmede hij ook hen bedreigde. RB. Mulder
vluchtte toen in de voortop en de verhaler in de
achtertop, alwaar hij spoedig gevolgd werd door
de scheepsjongen P.D. Mulder, die, naar hij
meent, uit de kajuit was komen aanlopen, terwijl
naderhand ook RB. Mulder uit de voortop langs
het stag bij hem kwam. De kapitein trachtte hen
in het want te volgen, doch werd daarin
verhinderd, ook doordien de vluchtelingen
blokken uit het tuig sneden en daarmede naar hem
wierpen. Daarop nodigde hij hen uit om naar
beneden te komen en dreigde, op hun weigering,
het schip met man en muis te zullen laten
zinken, waartoe hij zich reeds met een bijl
wapende. Toen hadden zij geantwoord, dat zij
naar beneden zouden komen, indien de kapitein
zijn mes over boord wierp, waaraan deze slechts
schoorvoetend voldeed, tevens de matroos, die
hij vermoord had, in zee werpende en de bloedige
sporen op het dek wegwassende. Daarna ging hij
in het vooronder en nu kwamen de genoemde
matrozen naar beneden, vermoedende dat de
kapitein bezig was om de ballastpoort open te
hakken, ten einde het schip te doen zinken. Zij
verzochten de kapitein, toen hij weder boven
kwam, om de bijl, welke hij hun ook
overhandigde, en toen kapten zij de touwen,
waarmede de sloep op het dek was vastgemaakt, en
brachten deze in zee. Zij begaven zich daarin,
de kapitein toeroepende bij hen te komen. Kapt.
Mulder voldeed daaraan echter niet, en vermits
zij zagen, dat het schip begon te zinken,
verwijderden zij zich ten einde niet te worden
medegesleept. Zij zagen kort daarop het schip
wegzinken met de kapitein, die zich in de kajuit
had begeven. Zij werden vervolgens opgenomen
door een Russisch schip, dat zeer dicht bij hen
was, zodat men vandaar het gaan van de kapitein
naar de kajuit zelfs had kunnen zien. Met dat
Russisch schip zijn zij voorts naar Wyburg
gebracht, van waar de verhaler naar Kiel met een
ander schip en vervolgens naar Amsterdam
vertrokken is, terwijl RB. Mulder en P.D. Mulder
naar Stettin
zijn op reis gegaan.
www.archieven.nl

Fries scheepvaart museum.
|