|

Ate
Visser bleef niet drie jaar weg, maar voor altijd.
Arend J. Maris.
Volgeladen
met olie en benzine vertrekt het motortankschip Olivia eind
mei 1942 uit Koeweit naar Australië.
Half juni schiet een Duitse hulpkruiser het schip in de
Indische Oceaan in brand. Binnen een mum van tijd
staat het in lichterlaaie. Het duurt toch nog enkele uren
voordat de tanker in de golven verdwijnt. Vijf van de 48
bemanningsleden overleven de ramp. Een van de doden is 1e
stuurman Ate Visser. Hij is op het eiland
geboren en getogen.
Over zijn
leven en dood. Een verslag.
Zijn
ouders, Cornelis Visser en Trijntje de Groot wonen aan de
Middenstreek op de noordzijde, wat nu
politiebureau is. Hier wordt op 19 januari 1907 ook hun
tweede kind Ate geboren. Vader Cornelis is zeeman
en vaart bij rederij Lenzen in Terneuzen, een maatschappij
waarbij heel veel eilanders varen. Hij is 1e
stuurman wanneer zijn schip rond de kerst van 1917 in New
Vork ligt en Cornelis op 45 jarige leeftijd
aan vermoedelijk-een longontsteking overlijdt. Hij wordt daar
ook begraven. Moeder Trijntje is 37 jaar en blijft met vier
kinderen achter, in de leeftijd van 2 tot 12 jaar. Ate is
tien jaar als zijn vader wegblijft en zit nog bij meester
Gasau op school. Zijn moeder kan nog op geen enkele
financiële voorziening aanspraak maken. Eilander
zeemansvrouwen zijn echter wel gewend om er alleen voor te
staan. Trijntje weet dan ook van aanpakken. Ze verhuist van
de Middenstreek naar de Langestreek, neemt leerlingen van de
zeevaartschool in de kost en heeft in het zomerseizoen
badgasten in huis. Gelukkig is in die tijd familiehulp op
het eiland nog gebruikelijk. Zo woont haar oudere
ongetrouwde broer Thomas bij haar in. Hij is voerman en
heeft in de schuur in de tuin achter het huis wat vee staan.
Bovendien kan Trijntje rekenen op bijstand van haar jongste
broer Marten die kapitein op een eigen kustvaarder is. Na de
lagere school gaat ook Ate naar zee. Eerst vaart hij een
paar jaar. Daarna pas gaat hij naar de eilander
zeevaartschool. Als Ate niet op school is, maar wel op het
eiland verblijft, is hij met zijn hondje Hekkie buiten of in
het dorp te vinden: hij jut, vist, stroopt en bij
dorpsfeesten, zoals het Klozumen en de Kallemooi, is hij
altijd royaal van de partij. Bovendien voetbalt hij bij De
Monnik en is hij met o.a. Teade van Dijk en Wopke Fenenga
een geregelde gast bij Sake van der Werft, in zijn Herberg.
Na 1929 ondervindt ook Ate de gevolgen van de crisisjaren.
Hij is nog bezig met het behalen van zijn rangen en dat
vereist steeds een bepaalde vaartijd. Maatschappijen en
rederijen zitten echter niet op nieuw personeel te wachten,
laat staan personeel dat nog in opleiding is. Ate gaat dan
ook op het eiland een tijdje bij aannemer Zeeff aan de slag.
Hij verdient zo voldoende geld om bij een maatschappij een
opleidingsplaats in te kopen. Voor het behalen van zijn
rangen kan hij echter niet Ate Visser langer op de eilander
zeevaartschool terecht. Deze wordt namelijk in 1934
opgeheven. Voor een vervolgopleiding moet hij elders zijn.
Hij gaat in Groningen op de zeevaartschool. Een van de
stiefdochters van de op het eiland woonachtige aannemer
Zeeff heet Henderika Berendina Schuurman. Ze is in 1914 in
Ten Boer geboren. Het blijkt tussen haar en Ate Visser goed
te klikken. Ze trouwen in december 1936 en verhuizen even
later naar Groningen. Op 14 november 1937 wordt hier ook hun
eerste en enige- zoon Cor geboren. Ate vaart inmiddels op
schepen van de NV. Petroleum Maatschappij La Corona. Cor is
amper enkele maanden oud als zijn vader naar zee gaat.
Volgens plan blijft hij drie jaar weg. Maar dan breekt de
Tweede Wereldoorlog uit en is thuiskomst uitgesloten. Hij
vaart tenslotte als 1e stuurman op de motortanker Olivia.
De Olivia is een schip van 6.307 ton, wordt in 1939
opgeleverd en vertrekt meteen naar het Verre Oosten. In 1941
en 1942 vaart het met olieproducten tussen de Perzische Golf
en Australië, heen en weer. Op 28 mei 1942 vaart de Olivia
opnieuw uit met aan boord een lading bestaande uit 9000 ton
lichte olie en
vliegtuigbenzine. Een kleine maand later, moet het in
Australië aankomen. Aan boord zijn 48 bemanningsleden. Een
van de scheepsofficieren is de 35 jaar oude 1estuurman Ate
Visser. De Olivia vaart niet in konvooi. Om op vijandelijk
vuur voorbereid te zijn, worden geregeld sloepoefeningen
gehouden. Bovendien hebben alarmoefeningen plaats en wordt
met boordgeschut geoefend. Zonder problemen vaart de Olivia
de Arabische Zee uit. Dan breekt de avond van 14 juni aan.
De hemel is bedekt en met een nieuwe maan gaat het schip een
pikdonkere nacht tegemoet. Om 19.00 uur neemt Ate Visser de
wacht van zijn 3e stuurman over. Deze is amper weg of het
schip krijgt met vijandelijk vuur te maken. De bakboordzijde
krijgt een voltreffer. Weldra brandt het achterstuk als een
fakkel. Een hevige ontploffing in de machinekamer volgt,
terwijl een deel van de lading brandend uit het schip
stroomt. Door de voltreffer zijn de beide sloepen aan deze
zijde van het schip uitgeschakeld. Aan stuurboordzijde zijn
er echter nog twee. De kapitein geeft nu 1estuurman Ate
Visser opdracht om met een deel van de bemanning in een van
deze
sloepen te gaan. Wanneer de mannen in de sloep zitten, wordt
een van de davits echter door een granaat
getroffen. De sloep kapseist. Alle inzittenden vallen
overboord, niemand wordt gered. Ook Ate Visser niet.
De enig nu nog overgebleven sloep komt onder bevel van de 3e
stuurman onbeschadigd te water. Negen
bemanningsleden nemen plaats, terwijl in de buurt van het
schip nog drie overlevenden uit zee worden
opgepikt. Totaal zijn dan 12 koppen aan boord. De Olivia
brandt nu over de gehele lengte. Het vijandelijk
vuren gaat gewoon door. Om 22.00 uur, dus drie uur nadat het
schieten is begonnen, verdwijnt de Olivia in de golven.
Bijna een volle maand zwalkt de sloep op zee voordat land in
zicht komt. Dat blijkt de kust van Madagaskar te zijn.
Slechts vier van de 12 bemanningsleden overleven deze tocht.
Later blijkt dat de Duitse aanvaller een kanonnier van de
Olivia uit zee heeft opgevist. Van de totaal 48 man aan
boord overleven uiteindelijk dan ook slechts vijf deze ramp.
De man van Cornelia, de oudste zuster van Ate Visser, is
stuurman op schepen van de Koninklijke Pakketvaart
Maatschappij. Ze wonen in Batavia en krijgen twee kinderen.
In 1937 komt haar man echter bij een vliegtuigongeluk om het
leven. Cornelia gaat met haar beide jonge kinderen terug
naar Holland en woont in Amsterdam. Grootmoeder Trijntje
schiet haar dochter en beide kleinkinderen te hulp, verlaat
het eiland en blijft tot haar dood in 1947 bij haar dochter
in Amsterdam wonen. Riek, de weduwe van Ate Visser, is met
haar zoontje Cor in het begin van de oorlog naar Zuidlaren
verhuisd. Na de oorlog wordt daar een monument onthuld met
daarop de namen van inwoners die om het leven zijn gekomen.
De vermelding van de naam van Ate Visser blijkt niet
vanzelfsprekend. Hij heeft immers nooit in Zuidlaren
gewoond. Zijn naam komt er echter tenslotte toch nog op.
Bovendien komt zijn naam voor op het monument dat in de hal
van het hoofdkantoor van Shell in Den Haag is geplaatst.
Maar dat de naam van zijn vader in 1995 ook op de eilander
herdenkingsplaat voorkomt, heeft zijn zoon Cor het meest
getroffen.
|