Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Niet alle Lemsters waren arm.

 

Door Jaap van der Zwaag. Mail-adres: j.s.vanderzwaag@planet.nl

 

 

 
 

De relatie van Jan Wouda met Jacob Visser.

Uit de verschillende krantenartikelen van Jan Wouda blijkt dat zijn familie goed bevriend was met Jacob Visser en zijn vrouw Klaske. Zoals ik al eerder schreef was de broer van Jacob, Wiebe, meestal de knecht op Jacob's LE 48. Als Wiebe ziek was viel Jan Wouda wel voor hem in. Na het ansjoopvissen was Jacob altijd bothoeker. Jan Wouda heeft in een artikel in 1984 bestreden dat alle Lemster vissers arm waren (zie krantenartikel -Door Jan Wouda (ongeveer 1984-).

De ouders van Jan Wouda hebben omstreeks 1907 met Jacob Visser en Klaske een vakantiereis naar Amsterdam gemaakt. Hij schreef daarover:"Van armoe ga je ook niet op vakantie he! Nu, dat deden mijn ouders wel en wel met hun vrienden Jacob Visser van de LE 48 en zijn vrouw Klaske. Veel Lemsters zullen Japie van Kleis, zoals hij in de wandeling werd genoemd, nog wel kennen, want hij is 95 jaar geworden naar ik meen, mijn vader 88 jaar. Ze waren toen een week voor hun plezier in Amsterdam met onze botter".)

Door Jan Wouda (ongeveer 1984)

Beste lezers.

Het is een hele tijd geleden dat U een artikel van Jan Wouda uit Medemblik onder ogen hebt gehad. Maar hier is hij dan weer. Hij wordt wel oud en de fut gaat er wel een beetje uit, niet de Vut van nu hoor, maar hij heeft ze nog wel op een rijtje als U begrijpt wat ik bedoel. Er kwam een tijd niets van schrijven omdat mijn vrouw begin oktober achter ons huis gevallen is, wat er lelijk uitzag maar gelukkig is ze alweer bijna genezen.

Maar wat ik in mijn hoofd had, was het artikel van Henny Kingma van 25 september j.l. in dit blad over de armoede van de Lemster visserslui, waar ik het niet mee eens ben. Kingma had de cijfers van besommingen van vissers uit het jaar 1905 van Jan Brilleman uit Leeuwarden (overigens meer een Lemster), die ze weer gevonden hadden in oude rapporten. Brilleman is erg genteresseerd in Lemster aken en in de visserij van vroeger. En hij is gek op zijn aak LE 10.

Maar een commissie die is ingesteld om rapporten te maken van kosten die er zullen komen om de visserij schadeloos te stellen als de Zuiderzee wordt afgesloten, maakt alles natuurlijk zo zwart mogelijk. Ook onze Evert heeft gelijk dat er in die tijd veel armoede was, maar armoede was toen algemeen. Ook wel onder de vissersknechten en de werklozen vooral met lange winters.

Maar bij de schippers was er altijd nog wel brood op de plank. Wel werd er voor gezorgd dat er 's winters een voorraad aardappelen en een paar grote potten met gesmolten rundvet met kaantjes in de kelder lag en dat er brandstof in huis was. Maar bij de armsten kwam het er vaak niet van, als er 's winters was geborgd moest er 's zomers worden afbetaald. En bij de armsten waren vaak de meeste kinderen, soms kwam er elk jaar n. En zo bleven de armsten arm.

Ook was en is het vreemd dat als er in dagbladen en periodieken over vissersplaatsen werd geschreven het altijd over Marken, Volendam, Harderwijk en Elburg ging, een enkele keer over Enkhuizen maar nooit over Lemmer. Ik heb er vroeger wel bij dagbladen en bij wijlen Age Scheffer (journalist red.) tegen geprotesteerd. Want ik durf te beweren dat Lemmer de mooiste vissersvloot had en ook de welvarendste van de hele Zuiderzee.

Nu kan Peter Dorleyn boeken schrijven "Van gaand en staand want", maar ik ben er zelf bij geweest, en daar zijn er niet veel meer van, dat ze kunnen mij allemaal nog meer vertellen. Nergens langs de hele Zuiderzee zag je zo'n mooie gemengde vissersvloot als bij ons in Lemmer: botters en schouwen, maar vooral de mooie Lemster aken, gebouwd door de gebroeders de Boer uit Lemmer en Bos uit Echtenerbrug. En wat dacht U, dat dat van armoede kwam? Nee, dat kwam omdat er een goede boterham mee te verdienen was. Maar je moest, en dat is nog zo, wel je best doen, op de kleintjes letten en zo weinig mogelijk in de kroeg komen.

Zodoende ging het de n beter dan de ander. Ook moest je de tijd in ogenschouw nemen. Een jaar of zes geleden stond in dit blad een advertentie uit 1910, waarin een gemeentewerkman werd gevraagd die alles kon: timmeren, metselen enz. en die 10 cent per uur kon verdienen, dus met 60 uur 6 hele guldens en met de korte dagen 4 gulden. En dan waren er nog liefhebbers genoeg.

Nog van latere datum, Rein Kool was knecht op de nachtboot, werd in 1916 assistent havenmeester voor 6 gulden per week. Wel vlogen de lonen eind 1918 omhoog en toen zaten de ambtenaren beter. Maar daarvr kon een schoolmeester van zijn salaris niet eens zijn kostgeld betalen. Terug echter naar de visserij en ik zal dicht bij huis blijven. Mijn grootvader, Jan Wouda, was timmerman en had altijd werk bij Albert Bosma, maar 's winters was het altijd schraalhans keukenmeester.

In de gezinnen met kleine kinderen bij een werkman was het altijd armoede. Mijn vader, Hermanus Wouda (geboren 1878), had 't wel bekeken. Hij was in zijn jonge jaren knecht bij zijn oom Teade Wouda van de LE 2, ja dat was de grootvader van Teade Wouda uit Leeuwarden. Bij hem leerde hij het vak.

Er werd wel eens wat neerbuigend op een visserman neergekeken, ten onrechte, je moest doorzettingsvermogen hebben, niet lui zijn en inzicht hebben in oorzaak en gevolg. De armoede moe leende mijn vader van bakker Haveman 200 gulden. Hij kocht een tweedehands schouw en viste daarmee een paar jaar. Het zal in 1901 zijn geweest dat hij al een botter kon kopen met het nummer LE 101. Die kreeg de naam van 'Jonge Jan' wat nu 'Oude Jan' is. Dus met de verdiensten ging het niet slecht. En U kunt het geloven of niet maar vanaf mijn derde jaar weet ik alles nog en ik ken bijna nog alle mensen van vr 1927.

Niet alle Lemster vissers waren arm.

 

 

Jacob Kleis Visser.

 

 

Klaske Visser.


Door Jan Wouda (ca. 1984)

Een kleine gebeurtenis uit 1904 ga ik U nu vertellen. Het is tachtig jaar geleden maar het hele tafereel staat zo voor mijn ogen. Van armoe ga je ook niet op vakantie he! Nu, dat deden mijn ouders wel en wel met hun vrienden Jacob Visser van de LE 48 en zijn vrouw Klaske.

Veel Lemsters zullen Japie van Kleis, zoals hij in de wandeling werd genoemd, nog wel kennen, want hij is 95 jaar geworden naar ik meen, mijn vader 88 jaar. Ze waren toen een week voor hun plezier in Amsterdam met onze botter. Mijn broertje Sake was toen n jaar en ik drie en ik was al op de bewaarschool aan de Lijnbaan waar juffrouw Roefstra directrice was met de helpsters Dora de Jong en Aaltje Wierda. Als compensatie behoef ik 's middags niet naar school. We waren zo lang bij onze grootouders die ook aan de Lijnbaan woonden. Onze tante Margje die toen zestien jaar was verzorgde ons het meest.

Stel je voor lezer, de havendam en vluchthaven, zoals hij toen in 1904 was. Het is een middag in augustus en mooi zonnig weer met een flink zomers briesje. Er loopt tussen de grote ijzeren vuurtoren en het eindje van de dam een jonge vrouw met zo'n hoge bruine kinderwagen met een jongentje er in en de kleine Jan moest met zijn vuistje een stang vasthouden. In de verte komt een botter aanzeilen en kleine Jan geeft een schreeuw:"Dat zijn ze".

En laat het nog waar zijn ook. De botter was nog zwart en zat nog niet in het blik of was overijzerd, zoals dat toen genoemd werd. Later begreep Jantje dat de wind Noordwest moet zijn geweest, want de botter zeilde met ruime wind, met een knik noemden we dat, om het havenhoofd en kon net bij de wind opzeilen. Wij, zo hard als we konden naar de vluchthaven.

Want ze zouden voor mij in Amsterdam zo'n blikken speelgoed autootje kopen, die waren er nog niet zo lang. Je kon ze opwinden en ze reden dan over het linoleum dat het een lust was en alle dagen reed ik al in gedachten met mijn auto. We moesten de sluis over en Sander Coehoorn was bereid om ons over de smalle sluisdeuren heen te helpen. Toen we bij de botter kwamen was mijn eerste vraag naar de auto. Groot was de teleurstelling toen ze inplaats van een auto een mooie blokkendoos voor me hadden gekocht, wat een heftige huilbui tot gevolg had.

Maar laten we weer eens naar de armoede kijken onder de visserslui. Zo begin 1900 gingen veel schippers over op grotere vissersvaartuigen, ook kwamen binnenvissers de zee bevissen. Zoals Willem Toering met de botter 62. Siebe Kooistra met de aak LE 37, Willem v.d. Bijl met LE 28 en de Poepjesen van de Tjonger met dikke Jan voorop, maar die zat meestal op Urk, waar ook zijn vrouw vandaan kwam.

Dan had je Pieter die al in 1898 een aak liet bouwen in Joure die de LE 39 werd. Liekele liet een botter bouwen, ook in Joure, dat was de enige botter in Friesland gebouwd en dat was aan het model ook wel te zien. Het was wel een goed zeeschip, de LE 69. Dan volgt zijn broer Lambertus met de botter LE 30, Johannes met botter LE 57 en Douwe was palinghandelaar.

Ook begonnen toen vier broers Coehoorn. De oudste was Dirk met een mooie houten aak, de LE 23, Lubbert met de ijzeren aak LE 3 "Cresto", Janus met de LE 76 en Rienk met de LE 20, beide van hout, de aken dan. Dat waren leuke mensen en muzikaal! Lubbert en Rienk met trompet en trombone waren gewaardeerde leden van "Excelsior", evenals nog wel acht andere visserslui. Ik heb vroeger al eens geschreven over een "Concert in Staveren".

Het zal 1916 of daaromtrent zijn geweest dat op een zondagmiddag in Stavoren een groot gedeelte van de Lemstervloot lag. Het was in het ansjoopvissen, de beug was overgehaald, de middagpot was gebruikt, toen Seep Blaauw zei:"Solle we 'n stikje spielje?". Seerp viste toen met zijn broer Hendrik met de LE 15. De muzikanten zaten op de kant van de wal. Lubbert en Seerp bespeelden trompet of piston, Rienk en Johannes Wouda trombone, Hendrik de Blaauw, Andries en Johannes (laatste regels van het krantenknipsel ontbreken)

(naschrift van Jaap van der Zwaag: Jan Wouda schrijft schitterend maar zit er wel meer naast als het om jaartallen gaat. Het verhaal over de plezierreis naar Amsterdam kan om verschillende redenen nooit in 1904 zijn geweest. Mijn grootvader Jacob was toen nog niet met Klaske getrouwd; ze trouwden pas in 1907. Ik denk dan ook dat 1907 eerder voor de hand ligt. Bovendien kan een kind van drie nooit zoveel bijzonderheden hebben onthouden. In 1907 was Jan Wouda vijf of zes jaar en zijn broertje Sake vier jaar. Die leeftijden zijn logischer).

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.