Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 
De Lemster vissers, familie Visser en anderen uit Lemmer.

Geschreven in plusminus 1984 door de heer Jan Wouda, uit Medemblik.
 
 
 

Jan Wouda was in Medemblik sluiswachter. En heeft heel veel verhalen geschreven over de schippers en scheepvaart van Lemmer. Ook van zijn hand zijn de familie beschrijvingen van Lemsters, waaronder deze pagina.

Jan Wouda, geboren op 5 juli 1901 te Lemmer, zoon van Hermanus Wouda (30-03-1878/24-07-1966) en Mette Turksma (18-12-1877/12-02-1952) Jan was gehuwd met Neeltje Wijnand.

Uit dit huwelijk.

1. Manus Wouda.

2. Marie Wouda.

Beste lezers,

Ik zou haast schrijven net als het liedje "Uit mijn jeugd" zo vrij en blij. Maar je moest vroeger in je jeugd veel werk verzetten. Maar daar gaan we het niet over hebben.

Alhoewel je, als geboren Lemster al jaren niet meer in Lemmer woont, blijf je toch via onze onvolprezen Zuid Friesland, zeg maar Lemsterkrant, meeleven met alles wat er in Lemmer gebeurt. En niet alleen in ons land, ik krijg ook brieven uit Nieuw Zeeland en Canada.

Aan de namen van de tegenwoordige Lemsters, kun je wel afleiden dat er in de loop der jaren vreemde namen zijn bij gekomen. Maar ook familienamen van zo 70 á 80 jaar geleden zijn er nog. Maar het oudste geslacht dat ik van vroeger ken, wordt almaar kleiner. Zo trof ik ook weer de overlijdensadvertentie van Elske Visser Zandstra.

Bij de eerste oogopslag dacht ik aan Elske van Sake Zandstra en Urker Aaltsje, maar die was met Pieter Feenstra getrouwd. Maar al gauw zag ik de naam Wiebren Visser, die Elske al was voorgegaan en die ik ook goed heb gekend. Hij was, toen een opgeschoten jonge knecht bij zijn broer Japie Visser (Japie van Kleis). Als Sieberen soms ziek was werd ik soms nog wel eens uitgeleend als knechtje bij Jaap op de LE 48, omdat wij met meerdere broers altijd wat meer bemand waren.

Elske Zandstra, geboren op 21 oktober 1895 te Lemmer, overleden op 1 maart 1985 te Lemmer, dochter van Siebe Zandstra en Antje Vlig. Gehuwd op 29 juni 1911 te Lemmer met Wiebren Visser, geboren op 12 juli 1894 te Lemmer, overleden op 23 mei 1975 te Lemmer, zoon van Kleis Visser en Aaltje Jager.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Aaltje Visser.

2. Anna Visser.

3. Siebe Visser.

De "Import - Lemsters" en de jongeren, die de tijd van de visserij in Lemmer niet hebben meegemaakt, weten misschien niet eens waar ik het over heb. Nu dat was dan zo: In die tijd was het in de vluchthaven die vol vissersschepen lag 's morgens vroeg een drukte van belang. Zo'n 80 aken, botters en schouwen gingen tussen 4 uur en half zes de haven uit. Dan kwam het voor dat één of meer knechts ziek waren geworden en de vis moest evengoed uit de netten gehaald worden, die in zee stonden. Dat werd dan onder elkaar uitgemaakt wie een knechtje kon missen. Zo ging dat in die tijd, en viel ik wel eens voor Wiebren in. Zijn Elske was een dochter van Siebe Zandstra, zijn vrouw kende ik niet zo goed. Siebe had een houten aak, de LE 24. Zijn broer Sake voer met de LE 73. Ze woonde aan de Benedenschans achter Jouke (de klokkenmaker) (Wagenmakers)

Elske was klein maar dapper, vlug en bewegelijk. De goedheid scheen uit haar ogen, geloof maar dat die op Wiebren goed heeft gepast. Dan komen de namen Blokland, me ook bekend voor. Waarschijnlijk zijn het in Medemblik onze naaste buren geweest. Van 1934 tot 1943 was ik sluiswachter op de "Overlekkersluis" en toen lag Hannes Blokland, uit Sliedrecht met zijn ark in de Wieringermeerpolder, vlakbij de sluis en was voorman of uitvoerder bij de Firma Daalder. Toen het meeste werk daar klaar was, zijn ze naar Lemmer gegaan en ze lagen toen in de Dijksloot. Mijn broer lag daar ook met zijn ark "Albatros", want die was schipper op een bootje van de Firma Daalder. Ze zijn er ook allang niet meer.

Dan las ik Siebe Kuipers, zijn naam, vernoemd naar zijn pake Siebe van de LE 24. Als jongen heb ik hem wel gekend, zijn moeder Baukje, was net als Elske een lief en goed mens. Ik meen dat ze nog in hetzelfde huis aan de Weverswal, hebben gewoond als wij van 1908 tot 1913. Dan gaan je gedachten naar die lang vervlogen tijden, en kom je bij Siebe zijn vader Bouke Kuiper, terecht, in Lemmer genoemd als vader van het Lemster skûtsje. Hij heeft ook gevist met Klaas Jongsma, met de Botter LE 51.

Siebe Kuipers, geboren op 9 november 1913 te lemmer, overleden op 23 mei 1996 te Lemmer, zoon van Bouke Kuipers en Baukje Zandstra (zuster van bovenstaande Elske) Gehuwd met Aaltje van der Gaast, geboren op 6 juni 1915 te Lemmer, overleden op 25 september 2005 te Lemmer, dochter van Pier van der Gaast en Hendrikje de Weerd.

Geen kinderen bekend uit dit huwelijk.

De gedachten dwalen verder en ik kwam weer bij een Elske van der Neut-Kok, terecht. Toch een andere familie?. Nee, wel verwant want die Elske haar oude moeder Antje Kuipers, van 95 jaar is toch een zus van Siebe zijn vader Bouke Kuipers. Daar volgt dan uit dat Siebe en Elske, neef en nicht zijn. Er zullen Lemsters genoeg zijn die dat niet weten. Gaan we nog een generatie terug naar Siebe zijn grootvader Rauke Kuipers (Rauke van Akke) van de LE 47. Die aak is door Bos uit Echtenerbrug in ca. 1900 gebouwd. Ondanks vele naspeuringen is nooit achterhaald waar deze aak is gebleven. De aak was met de LE 44 van de familie Scheffer met mooi weer de snelste zeiler.

Rauke Kuipers, geboren op 19 februari 1858 te Lemsterland, overleden op 18 februari 1928 te Lemsterland, zoon van Tjibbe Raukes Kuipers en Geertje Siebes Kooystra. Gehuwd op 16 september 1881 te Lemsterland met Akke van Brug, geboren op 22 januari 1852 te Wymbritseradeel, dochter van Bauke Gurbes van Brug en Geertje Tjallings de Jong.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Tjibbe Kuipers, geboren op 2 januari 1882 te Lemsterland.

2. Bauke Kuipers, geboren op 25 juni 1883 te Lemsterland.

3. Geertje Kuipers, geboren op 4 november 1884 in Lemmer.

4. Pietje Kuipers, geboren op 11 oktober 1895 te Lemsterland.

Ze hebben in die jaren vele prijzen bij de zeilwedstrijden gewonnen. Rauke had als eerste een jager van zijde, die met een klein zuchtje wind bol stond, terwijl de grote kluiverfokken van katoen slap hingen. Nu heten ze ballonfokken of spinnakers. Het is meen ik eens gebeurd, ik meen in Amsterdam, dat hij in een wedstrijd vooraan lag. Hij ging door de wind die een beetje in zijn nadeel veranderde, waardoor hij uiteindelijk tweede werd. Gerrit de Blauw, die bij hem aan boord was heeft me jaren geleden eens verteld wat Rauke, toen tegen hem zei, "Ga nooit bij je tweede maat weg als je voor ligt". Rauke maakte dus een fout, die hem wel nooit meer zal zijn overkomen. Het is al jaren geleden want ik schat dat hij van 1860 á 1865 is geweest.

De oudjes in en buiten Lemmer, daarvan wordt de kring kleiner en kleiner. De oudste die ik ken is de oude bakker Klaas Knol, uit de Schans, die bij leven en welzijn 24 mei a.s. 102 jaar hoopt te worden. Dat heeft nog nooit een Lemster kunnen halen. In 1913 of 1914 was er een Andries Riemersma, die net voor zijn 100ste verjaardag overleed, hij was vroeger touwslager en omroeper, vandaar nog de Lijnbaan.

Dan een rijtje oud Lemsters boven de 85 jaar. Willem Kracht woont in Beverwijk en is 96 jaar en ik meen ook nog een oude Doeve Kier Kracht en zijn vrouw Jansje Verbeek, in Sneek zijn 94 en 93 jaar. Bertus Lemstra, in Stavoren zal zo'n 96 jaar zijn, ik heb trouwens in lange tijd niks meer van hem gehoord. Hij woonde op de Smidstraat 9. Dan de oude kolonel M.P. Kokje, uit Utrecht, die 10 december naar ik meen 91 jaar wordt. Dan Lies de Rook en mevrouw T. Klaver de Vries, die resp. 94 en 90 jaar zijn en in Den Haag wonen. Mevrouw Antsje de Beer de Blauw uit Purmerend, is nog kras met haar 92 jaren. Antsje is de enige overlevende van het grote gezin van Jan de Blauw (LE 8) van vroeger uit de Schans naast Bondiëtti.

Klaas Knol, geboren op 24 mei 1883 te Lemmer, zoon van Jentje Knol en Jantje Pen.

Andries Aants Riemersma, touwslagersknecht, geboren op 10 december 1816 te Lemmer, overleden (100 jr) op 12 december 1916 te Lemmer, zoon van Aant Andries Riemersma en Elizabeth Robberts Jasper. Gehuwd op 9 juni 1839 te Lemmer met Sytsche Raukes Bakker, geboren te Woudsend, gemeente Wymbritseradeel, dochter van Rauke Gerrits Bakker en Antje Annes Hofstra.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Aant Riemersma, geboren op 31 januari 1840 te Lemmer.

2. Antje Riemersma, geboren op 15 april 1842 te Lemmer.

3. Aant Riemersma, geboren op 28 maart 1844 te Lemmer.

4. Antje Riemersma, geboren op 19 augustus 1845 te Lemmer.

5. Elizabeth Riemersma, geboren op 25 oktober 1847 te Lemmer.

6 Aantje Riemersma, geboren op 13 februari 1853 te Lemmer.

7. Ike Riemersma, geboren op 14 augustus 1855 te Lemmer.

8. Jan Riemersma, geboren op 16 november 1859 te Lemmer.

Grietje Kokje Kracht, in Zaandam is met haar 88 jaar nog flink, jammer dat haar man Gerbrand Kokje, verleden jaar is overleden, hij is 90 jaar geworden. Ook in Zaandam het echtpaar Albert van der Gaast en Janke de Jong, ze zijn de 85 al overschreden of er tegenaan. Sake Los, nog een neef in Rotterdam, is ook al 89 jaar en zorgt nog voor zichzelf. In Makkum zijn ook nog oude Lemsters als Klaas Koornstra, ik schat hem op 95 jaar, Heiko Bootsma, 84 jaar en Bertus Koornstra, 85 jaar, Fokke Hofman in Norg ook 85 jaar.

Er zullen ongetwijfeld nog wel meer oude Lemsters zijn, die ik ben vergeten, de leeftijden 'schat ik', kunnen ook wel een jaar schelen, maar neem me dat niet kwalijk. En mensen jonger dan 85 jaar zal ik maar niet aan beginnen, want daar zijn er nog velen van en daar hoor ik ook bij. In Suderigge zullen nog wel mensen wonen die ik heb gekend.

Ik was om U de waarheid te vertellen, van plan geweest om net als ik al eens de Sake's heb genoemd die omstreeks 1910 in Lemmer rond liepen, nu de Andries-en eens op te zoeken want dat waren er ook verscheidene. Te beginnen met de grootouders die ik nog heb gekend. Als eerste Andries Visser, al een oude man toen ik een jongen was, maar ik weet nog precies hoe hij er uit zag. Hij was visserman en had een pluutsje (oud model visserscheepje) meestal zijdenetter, die op bot visten. Zijn vrouw was Baukje. Dat echtpaar had drie zoons en vier dochters, ook de dochters zal ik er bij betrekken. Die hebben wel geen Vissers voortgebracht maar wel Andries en Baukjes, zoals U wel zult merken.

De oude Andries kan ik me nog voor de geest halen. Baukje niet. Vrouwen zag je in die tijd weinig op straat. Toen ik een jochie was, was Andries al een oude man. Hij had altijd al sluik haar over zijn voorhoofd, en keek altijd of hij binnenpret had. hij had een pluutsje, een oud model vissers scheepje, die lag altijd aan de gorring (remming) en viste meestal op bot met zijn netten. Ik vermoed dat zijn schoonzoon Auke Bakker, voor die naar ik meen in 1903 de LE 6 kreeg, die nu van Schirm is, nog met dat pluutsje heeft gevist. Mijn moeder heeft mij eens verteld, dat toen Auke en Clara, pas waren getrouwd en Dominee op bezoek kwam en vroeg welk scheepje haar man had, dat ze tegen de Dominee zei: "Het is een Skipke mei een heech kopke en in leech kontsje, Dominee" en zo was het inderdaad.

Andries Visser, (Andries Jelles Visser) visser, geboren op 4 april 1842 te Lemmer, overleden (85 jr) 10 mei 1927 te Lemmer, zoon van Jelle Visser en Klara Jacobs de Blaauw. Gehuwd op 13 mei 1866 te Lemmer met zijn nicht Baukje Rinses Visser, geboren op 8 augustus 1845 te Lemmer, overleden (64 jr) op 15 december 1909 te Lemmer, dochter van Renze Stevens Visser en Fettje Riemersma.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Klara Visser.

2. Fetje Visser.

3. Jelle Visser.

4. Francina Visser.

5. Rinze Visser.

6. Frans Visser.

7. Kaatje Visser.

De oudste zoon Jelle Visser, was ook visserman en had de aak LE 58. Hij was getrouwd met Metsje Meester. De eerste zoon was een Andries, later getrouwd met Trien Rienksma. Ze zijn na de afsluiting in Den Oever gaan wonen. Wij hebben daar ten tijde van de afsluiting ook twee jaar gewoond, ik voer toen op een directieboot 'De Vlieter'

 

Jelle Visser (bijnaam Bogaard) en Metsje Meester, woonden aan de Emmakade, naast Leen Kruis. Die Leen, schudde destijds zijn zieke vrouw, flink door elkaar want ze had van de dokter een drankje gekregen, waarop op het etiket van het flesje stond flink schudden, waar gebeurd! Jelle had een ijzeren Aak. de LE 58. Het was een beetje een nonchalante man, maar wel een goede vissersman, liet veel aan zijn knechts over en later aan zijn zoons, en had altijd een sigaar in de brand. Jelle en Metsje, hadden vier zoons.

 

De oudste natuurlijk Andries naar zijn grootvader vernoemd. In die tijd waren er nog geen Monique's en Edwins en de familie verhoudingen konden slecht zijn, maar de familienamen bleven, dat was een ongeschreven wet. Andries trouwde met Trien Rienksma. Een dochter van in de wandeling genoemd Reade Aant, toen een binnenvisser. Ze zijn later naar Den Oever vertrokken, waar hun kinderen nog wel zullen wonen.

Rinze was van mijn leeftijd en getrouwd met Neeltje Meester. Rinze heeft net als broer Andries, eerst bij zijn vader aan boord gevist en is later naar Oldenboorn vertrokken, alwaar ze een viswinkel dreven. Ik heb ze nooit meer gezien. Dan kwam Bernhard, getrouwd met G. de Heij. Ik weet alleen dat we hun huwelijksfeest hebben gevierd en de naam van zijn vrouw heb ik onthouden.

Jelle Visser, bijnaam Bogaard, visser, los werkman, geboren op 18 september 1871 te Lemmer, overleden (64 jr) op 24 november 1935 te Heerenveen, begraven te Oldeboorn, zoon van Andries Visser en Baukje Rinses Visser. Gehuwd te Lemmer op 22 mei 1896 met Metje Berends Meester, geboren op 26 november 1869 te Luinjeberd, dochter van Berend Jans Meester en Grietje Pieters Zwerver.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Andries Visser.

2. Berend Bernard Visser.

3. Rinze Visser.

4. Bernard Visser.

Jelle Visser en Metje Berends Meester-Visser.

 

Rinze Visser, visser, loswerkman, geboren op 28 oktober 1901 te Lemmer, overleden (89 jr) op 29 november 1990 te Oldeboorn, zoon van Jelle Visser en Metje Berends Meester. Gehuwd met Nelligje Meester, geboren 26 mei 1907 te Oosterzee, overleden 17 februari 2003. Begraven te Lemmer, dochter van Minze Berends Meester en Trijntje de Vries.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Metje Visser.

2. Arend Visser.

3. Trijntje Visser.

4. Jeltje Visser.

5. Arend Visser.

6. Minze Visser.

7. Betje Visser.

8. Jelle  Andries Visser.

9. Grietjes Visser.

10. Rinze Visser.

De personen staand zijn: Arend, Metje en Jeltje. De personen zittend zijn: Betje, Triensje. Bij beppe Nelligje op schoot, is Rinze. Bij pake Rinze, op schoot, is Grietje. Dan volgen Jelle en Minze.

 

De zoon Rinze Visser, was ook visserman met de aak LE 64, getrouwd met Anna Seldenthuis (Anna van Hielke) en Renze, werd altijd Reenze van Beike, genoemd. Hij was een rustige man en een goede visser. De oudste zoon uiteraard een Andries trouwde met Fetsje Ritsma, ze woonden aan de Vissersburen, waar ik hem een jaar of drie vier geleden heb opgezocht.

 

Andries zal ook wel bij zijn vader hebben gevist. Andries was een broer van Wieb. waar Evert vaak mee door Lemmer wandelt (zie 1 na bovenstaande foto). Renze en Anna hebben lang in het Leeg, gewoond, boven de baan van Jan Pen, daar woonden veel visserlui.

 

De LE 64: Foto van Hielke Roelevink.

Dan komen de dochters van de oude Andries en Baukje. Fetsje getrouwd met Hidde Koornstra, ook visser met de mooie aak LE 50. Zij woonden in de Beneden Schans, in het laatste huis voor de R.K. Kerk en hadden o.a. een zoon Andries, die later getrouwd is met Grietje Poepjes, dochter van Jan en Jans Poepjes. Hun eerste huis was aan het buurtje bij de R.K. Kerk daar was Siebe Kooistra, uitgegaan naar de Visserburen. Andries was toen knecht op de nachtboten en ze zijn later weer gaan wonen en vissen in Makkum en Harlingen, beiden hebben een hoge leeftijd bereikt.

Dan komt dochter Francine, geboren op 7 november 1873 te Lemmer die trouwde met Klaas de Boer van de helling, geboren op 19 augustus 1873 te Lemmer, wiens vader Pier de Boer met zijn vrouw Sjoerdsje, in 1876 de houten helling aan de Zeedijk, hebben opgericht, ongeveer op de plaats waar nu Gebroeders Hummel zitten. In 1900 hebben vier zoons van Pier de ijzeren helling opgericht, wat in die jaren een hele investering was.

De oudste zoon van Klaas en Francine, kon niet anders zijn dan een Pier, die later zou trouwen met ons buurmeisje Antje Kooistra. Die woonde eerst in Langelille en later in Den Haag. Maar er zou ook een zoon Andries komen, die trouwde met Gea de Vries. Toen de Gebroeders de Boer in 1925 uit elkaar gingen begon klaas aan de Langestreek een kolenhandel, wat geen succes werd, maar de manufacturenwinkel werd dat wel. Die zal wel gerund zijn door zijn dochters Klara en Boukje.

Andries de Boer kreeg later de zaak en die werd uitgebreid met woninginrichting. Dan volgt Clara, het kan ook andersom zijn geweest, wat leeftijd betreft, die is getrouwd met Auke Bakker, de enige visser met die naam in Lemmer. Hij had een mooie aak de LE 6 nu van Douwe Schirm. Ze woonden eerst aan de Nieuwedijk en later in het Achterom, tegen over Jager, Wietse Postma, die eens erg hoestte en van dokter Nauta, 'de pijp die altijd warm was' moest laten. Wietse zei "dan maar dood dokter" en de pijp bleef warm tot het einde.

Toen heeft Auke met zijn gezin lang gewoond in het huis met uitzicht op de bleek van het armhuis. Zoon Jelle, de gepensioneerde sluiswachter, woont nog in Lemmer en is de 80 jaar ook al gepasseerd, maar hij liep onlangs nog met Evert, een streekje om. Maar het gaat om zoon Andries als ik het goed heb is hij getrouwd met Ymke Koornstra, dochter van Jelle en Betsje, van de Nieuwedijk. Hij had een Botter, de LE 72, ze zijn ook al vroeg uit Lemmer weggegaan.

De vaste drie wandelaars, van Links naar rechts: Evert de Vries, Jelle Bakker en Wieb Visser: (Evert schreef altijd in zijn columns in de Zuid-Friesland over hun wandelingen, waarin de oude verhalen over Lemmer niet ontbraken)

 

Ik hoorde, dat hij jachthavenmeester is geworden in Zaandam, en daar is Johannes Visser van Jan en Fetsje, jarenlang schipper geweest op de Boeier van Bruynzeel. Nu kom ik voor zover ik weet bij de jongste dochter van oude Andries en Baukje, namelijk een Kaatje. Ze was getrouwd met Jan Poepjes, die uit Ossenzijl kwam en binnenvisser was. Ze lagen vaak met een grote Ark, in het tweede Hellinggat. Uit mijn kinderjaren weet ik nog, dat daar ook vaak een grote aak, de LE 78, bij de Ark lag. Dertig jaar of meer duikt die zelfde aak, die omstreeks 1900 bij Bos in Echtenerbrug, is gebouwd, via Vollenhove, Enkhuizen weer in Lemmer, op en werd de LE 21, eigendom van Andries Fleer. Hun kinderen heb ik niet zo goed gekend, maar er zal wel een Andries bij zijn geweest.

 

Dan volgt Frans Visser, een goedmoedige man, ik heb hem nooit kwaad gezien, getrouwd met Roelofje Bootsma, een bijdehante vrouw. Roelofje, was een halfzuster van mijn moeder, dus voor mij waren ze Ome Frans en Tante Roel. Ome Frans, was meestal eerste knecht bij broer Jelle, ze hadden een groot gezin met negen kinderen. Ze leven allemaal nog op Jelle na, die verleden jaar op 81 jarige leeftijd is overleden. Ze woonden in de steeg van de Beneden Schans, waar vooraan Urker Aalstje, met haar man Sake Zandstra een winkeltje dreef.

Dan volgt Frans Visser, een goedmoedige man, ik heb hem nooit kwaad gezien, getrouwd met Roelofje Bootsma, een bijdehante vrouw. Roelofje, was een halfzuster van mijn moeder, dus voor mij waren ze Ome Frans en Tante Roel. Ome Frans, was meestal eerste knecht bij broer Jelle, ze hadden een groot gezin met negen kinderen. Ze leven allemaal nog op Jelle na, die verleden jaar op 81 jarige leeftijd is overleden. Ze woonden in de steeg van de Beneden Schans, waar vooraan Urker Aalstje, met haar man Sake Zandstra een winkeltje dreef.

Frans Visser, visser en Gemeente ambtenaar, geboren op 4 december 1879 te Lemmer, overleden (70 jr) op 6 november 1949 te Lemmer, zoon van Andries Visser en Baukje Rinses Visser. Gehuwd te Lemsterland op 9 november 1900 met Roelofje Bootsma, baakster, geboren op 6 december 1881 te Lemmer, overleden (83 jr) op 7 mei 1964 te Lemmer, dochter van Sake Bootsma en Judik Turksma. Zie:  Stamboom Bootsma

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Baukje Visser.

2. Jette Visser.

3. Andriesje Visser.

4. Pietsje Visser.

5. Andries Visser.

6. Zwaantje Visser.

7. Sake Visser. (jong overleden)

8. Jelle Visser.

9. Sake Visser.

10. Renze Visser. (jong overleden)

11. Mette Visser. (jong overleden)

12. Mette Visser.

Op deze foto staat het gezin van bovenstaand echtpaar; zittend van links naar rechts: Baukje, Pake Frans. Oate Roelofje, Jette. Staand: Jelle, Pietsje, Andriesje, Andries, Mette, Zwaantje, Sake Visser.

 

Baukje, de oudste is getrouwd met Jacob de Rook. Dat was een man uit één stuk, die voor niemand zijn mond hield. ook niet voor de Duitsers, die hem dan ook hebben vermoord, maar zijn naam zal altijd verbonden blijven met de Lemmer, in de Jacob de Rookstraat.

Dan volgt Jette, getrouwd met Leendert Wagemakers, wiens ouders ook oud-Lemsters waren. Ze hebben altijd in Amsterdam gewoond, waar Leendert als kapitein op een rondvaartboot voer.

Derde was Pietsje, getrouwd met Meint Visser, ik zou haast schrijven Gaasbeek, maar dat was zijn moeders naam. Meint en Pietsje wonen nu in Suderigge, in vroeger jaren was hij werkzaam bij 'Mast en Blokmaker' Jan de Vries, later van der Neut. Meint, geniet bekendheid als schrijver van toneelstukken. Meint zijn overgrootvader heb ik nog gekend, maar die komt later in het artikel aan de beurt, hij was immers ook visser.

Nu is het de beurt aan Andriesje, ze hadden er zeker niet op gerekend, dat er ook nog een Andries zou komen. Andriesje, is getouwd met Hendrik Tuinman. Ze zijn naar Amsterdam vertrokken, ik heb ze nooit meer gezien. Ik heb Hendrik nog wel eens aan de telefoon gehad, toen hij werkte bij de Schellingwoudebrug, waar een vriend van mij brugwachter was.

Dan kwam Andries, getrouwd met Jeltje Schotanus, ze woonden voor zover mij bekend in de Beneden Schans, ik dacht waar vroeger Bartle en Imkje, woonden die een aardappelhandel hadden. Andries verdiende zijn brood in de vishandel, en was tot op hoge leeftijd een goede kaatser.

Zie ook het levensverhaal van Cor Visser (Panne) jongste zoon van Andries en Jeltje.

Volgt Zwaantje, getrouwd met Jan Rozema, geboren op zondag 3 juni 1906 in Lemmer, hij was een Zaandammer en hebben daar ook altijd gewoond. De moeder van Rozema, was een geboren Lemster, namelijk de oudste dochter van Jan Visser en Jansje Poepjes (Jan van Fetsje) HILTJE VISSER, geboren op zondag 10 februari 1878 in Lemmer. HILTJE is overleden op donderdag 9 januari 1958 in Amsterdam NH, 79 jaar oud. Haar man was rechercheur in Zaandam.

Dan is zoon Jelle aan de beurt, getrouwd met Jantje Hoekstra. Haar grootvader was Wouter Hoekstra, van de LE 63. Jelle was ook visserman, ze zijn na de afsluiting naar Makkum vertrokken. Hij viste daar met Bertus Koornstra.

Dan krijgen we Sake, bij vele bekend als een gezellige man tijdens de de zeilweek.

Zijn vrouw is een Jager (Tabine (Bienke) Jager) haar heb ik niet zo goed gekend. Sake heeft lang in Zaandam, gewoond en gewerkt bij Honig, later woonde hij in Heerenveen. Waar hij op 22 februari 1999 is overleden.

(Sake is de vader van Roelie Spanjaard-Visser. (spanvis)

Als jongste komt dan Mette, getrouwd met Sjoerd de Wrede. Ze is naar mijn moeder vernoemd en nog een "fleurig jongfaam" Sjoerd, is jaren lang broodbezorger geweest er zullen niet veel Lemsters zijn die hem niet kennen.

Dan stuurde Fokke Hofman, me een verhaal met grote foto uit de Leeuwarderkrant, wat natuurlijk over Lemmer ging. Velen van U zullen wel niet weten wie Fokke is, dat zal ik U dan even vertellen. Fokke zijn vader was Sieger Hofman, Hij dreef een flinke bakkerij vooraan in de Schans, die bakkerij stond naast de brede steeg, die liep van de Schans naar het Achterom. Daar stond aan de andere kant een paardenstal, van uitspanning hotel Eilers. Vooraan woonden de dames Tullener, en aan de andere kant de woning van zadelmakerij Bijlhout, die zo prachtig op zijn orgel kon spelen. In de zomer ging dan het raam open, en konden de mensen onder de hoek er naar luisteren. Fokke, inmiddels ook al 84 of 85 jaren oud, is in verschillende gemeente's secretaris geweest.

Er was nog een bakkerszoon, Wiebe Brouwer*, van de Nieuwburen, die gemeentesecretaris was, ik meen in het Bilt. Dit moet dan haast een zoon zijn van Wiebe Brouwer, geboren te Sloten. Zoon van Jan Wiebes Brouwer en Jeltje Wiebrens van der Vaart. (* Deze Wiebe was stoombootkapitein, gehuwd met Johanna Maria Fredelina Nauta)

Sieger Hofman, geboren op 26 oktober 1872 te Lemmer, zoon van Fokke Hofman en Margje Bakker. Gehuwd op 15 oktober 1896 te Lemmer met Janke Knol, geboren te IJsselham, provincie Overijssel, dochter van Symen Jans Knol en Dieuwke Franzes Bootsma.

Uit dit huwelijk is 1 kind bekend.

1. Fokke Hofman.

We gaan nu verder met twee Sakes; Engelse Sake en Sake Bootsma. Ik herinner nog wel meer Sakes uit die tijd. De grootvader waar die Sakes, naar vernoemd zijn, waren Sake Visser (de Rus) en zijn vrouw Akke koornstra. Maar we zijn er nog niet. De oude Sake had ook een broer Anne (de bregewipper), hij was brugwachter op de brug naar de Schans, die er nu niet meer is. Ze woonden in de Dubbelstraat, z'n vrouw ken ik niet van naam, maar ze was een grote vrouw. Die hadden ook een Sake, getrouwd met Akke van der Bijl, een dochter van Pieter, van de nachtboot. Ze woonden in het huis van de vader en moeder van het oude armenhuis. Dan had de oude Sake, nog een zus Jeltsje, getrouwd met Bram de Jong, die op de grote vaart voer. Ze hebben nog naast Evert, gewoond, en later in de Schans en op de Nieuwedijk. Ze hadden ook een Sake, getrouwd met Maaike Duim, die woonden ook aan de Nieuwedijk, hij was van mijn leeftijd. Opmerkelijk is dat een broer van Akke van Sake, Hidde Koornstra, die toch veel jongens hadden, er geen Sake bij hadden.

We gaan verder met de nazaten van Sake en Akke. Hun oudste zoon was Jacob, vernoemd naar zijn grootvader. Jacob zijn vrouw was Margaretha Gaasbeek. Hun oudste zoon Sake, was getrouwd naar ik meen met Metsje de Vries, een nicht van Evert en vernoemd naar zijn moeder. Tweede zoon was Klaas, getrouwd met Klaske, die dan ook een zoon Sake, hadden, die 'Engelse Sake' wordt genoemd, en wiens levensverhaal niet altijd rozengeur was. Zoon Jan, is getrouwd met Rimke Visser, ze zullen ook wel een Sake, hebben. Dan zijn er ook nog dochters die wel een Sake, hebben voortgebracht maar die ken ik niet.

Sake Visser (Sake de Rus), geboren te Lemmer op 6 februari 1857, overleden (87 jr) op 20 december 1944 te Lemmer, zoon van Jacob Visser en Albertje Sakes Bergsma. Gehuwd op 29 april 1881 te Lemmer met Akke Koornstra, geboren op 9 mei 1861 te Lemmer, overleden (72 jr) op 26 september 1933 te Lemmer, dochter van Klaas Hiddes Koornstra en Elizabeth Jans Lacrooy.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Pietertje Koornstra.

2. Jacob Visser.

3. Elizabeth Visser.

4. Albertje Visser.

5. Anne Visser.

6. Klaas Visser.

7. Adriaan Visser.

8. Adriaan Visser.

9. Albertje Visser.

10. Jan Adriaan Visser.

11. Jelle Visser.

12. Klara Visser.

13. Hidde Visser.

14. Renske Visser.

15. Jeltje Visser.

16. Andriesje Visser.

17. Adriana Visser.

Sake Visser.

Sake Bergsma (Grûte Sake)

Waar ik een beetje mee in de knoop zit. Het gaat om Sake Bergsma (Grûte Sake, ook wel Sake van Tijne, genoemd) Aan de familienamen te horen moeten zijn ouders Andries en Ymkje, zijn geweest. Ik heb ze niet gekend en Sake zijn vrouw haar naam ken ik ook niet, ik meen dat ze geen Lemster was.

Maar waar komt de naam Tijne, met een lange of korte ij vandaan ?, was dat een bijnaam? Maar ik heb wel begrepen dat in het verhaal van Rinsma, zoon Jan in geding was. De oudste zoon van Sake Bergsma, was Okke of hete die Andries en was Okke zijn bijnaam?.

Okke is nooit getrouwd, wel was er een Andriesje, een klein druk levendig meisje. Ymke en Jan, uit dat gezin, waren bekende mensen in Lemmer. Ik heb ze niet anders gekend dan wonende bij het Dooie gat. Dat was een van de twee dwarsgaten van de Rien, en de dus nog natte Vissersburen. Sake en Andries (of Okke) werkte altijd bij het laden en lossen van de Tramboot. Sake had ook een broer, Jan van Tijne, je wist niet eens of hij Bergsma, heette. Die had wel een zoon die Andries heette. Zijn vrouw naar ik meen, was geen Lemster en zij woonden aan de Lijnbaan, boven de smederij van Frans ten Veen.

Teade Wouda, schreef eens een tijd geleden, een stukje in de krant dat zijn Oom Wiebe en Age Boem, en zijn maats eens een oudejaarsavond hadden gevierd, bij Jan van Tijne, in zijn arkje bij de Trambrug. Ik trok dat verhaal in twijfel, maar een familielid belde mij en bevestigde mij, dat het daar wel had gelegen.

Er waren vier zusters, waarvan een tante Sietske, al jong naar Amsterdam vertrokken, ik denk dat zij de jongste was. De oudste was Jansje van Tijne, en getrouwd met Evert de Vries, ja U hebt het goed daar is onze stukjes schrijver naar vernoemd, diens grootvader Ferdinand, kan ik nog wel uittekenen.

Van Evert zijn drie zoons Koert, Evert en Meinze, waren de oudste zoons een Ferdinand, maar geen van hen is in Lemmer, blijven wonen. Het was, zoals in de meeste huishoudens in die tijd een groot gezin, waarvan Sake, bij mij op school zat. Toen we 12 jaar waren, werden we samen derde man bij mijn vader op de LE 75. Die we toen de eerste jaren hadden. Sake had een oudere broer Andries, die was getrouwd toen wij al niet meer in Lemmer woonde. Met de jongste dochter Sietske, getrouwd met Cor Visser, komen we door middel van de Jan Nieveen nog wel eens in contact.

Sake Bergsma, geboren op 27 februari 1862 te Lemmer, zoon van Andries Sakes Bergsma en Ymkjen Jans Stuurman. Gehuwd op 18 mei 1894 te Lemmer met Cornelisje de Jong, geboren op 27 september 1864 te Oosterzee, dochter van Andries Hendriks de Jong en Albertje Jacobs Regeling.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Andries Bergsma, geboren op 30 augustus 1895.

2. Albertje Bergsma, geboren op 21 januari 1897.

3. Andriesje Bergsma, geboren op 23 december 1899.

4. Jan Bergsma, geboren op 30 mei 1902.

● Aanvulling op Sake Bergsma van Wies Noppert uit Kampen:

(Wies is gehuwd met Jacob Noppert) geboren in de Lemmer op 21-08-1934 zijn moeder was Andriesje Bergsma, gehuwd met Gosse Noppert. Haar vader was Sake Bergsma, geb. 27-02-1862 in de Lemmer en gehuwd met Cornelisje de Jong, geb 26-09-1864. U wist namelijk niet of Andriesje ook een Sake had, die had ze niet, ze hadden èèn zoon mijn man Jacob en Vier Dochters Cornelia, Antje ,Ymke en Saapke. Andriesje is gaan verhuizen naar Heerenveen, daar is ze ook overleden op 13-04-1967 mijn man Jacob is in de Lemmer geboren de andere kinderen in Heerenveen.

Nu komen de Sakes aan de beurt die vernoemd zijn naar Sake Bergsma (grote Sake). Die had voor zover ik weet vier kinderen, waaronder een zoon met de naam Andries, Ymkje getrouwd met Schotanus, Jan is ook getrouwd, van Andriesje weet ik niets. De Sakes, die daar eventueel uit voort gekomen zijn ken ik dus niet. Ik heb er niet eerder bij stil gestaan, maar op de Nieuwedijk woonde ook een Sake, later getrouwd met Klaske Tijsseling. Ze zijn in Makkum gaan wonen. Sake was een zoon van Jelle Koornstra (LE 72). en Betsje Bergsma, want ze hadden ook allen een Ymkje, en een Sietske.

Dan hebben we pake Sake van oate Jette (Sake Leeuwke Bootsma) en Sake Zandstra met zijn Urker Aaltje

Sake Leeuwke Bootsma, geboren op 17 mei 1841 te Lemmer, zoon van Leeuwke Gerbens Bootsma, en Berendje Andries Bergsma. Gehuwd op 10 juni 1881 te Lemmer met Judik (Jette) Turksma, geboren op 4 januari 1845 te Leeuwarden, overleden op 3 juni 1915 te Lemmer, dochter van Zwaantje Turksma.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Roelofje Bootsma.

2. Leeuwke Bootsma.

3. Pietertje Bootsma.

4. Berendje Bootsma.

Sake Bootsma & Judik (Jette) Levie Turksma.

Dan volgt Sake Bootsma, die aan de Zevengesternte, woont. En een zoon is van ome Jouke en tante Pietje.  Tante Pietje heeft haar oude vader, die 93 jaar oud is geworden, wel meer dan 20 jaar verzorgd ze woonden lang in de Tuinstraat Nr 1.

Dan Sake Bootsma, hij is een zoon van Leeuwke Bootsma en Johanne Visser, die in ongeveer 1909 uit Stavoren, met haar familie naar Lemmer is komen wonen. Sake woont in de Lemstervaart.

Als laatste aartsvader nog Sake Zandstra en zijn vrouw, beter bekent als Urker Aaltje. Sake had een aak de LE 73. maar was veel ziek. Daarom moest de oudste zoon Leeuwke, al heel jong als schipper optreden samen met broer Jan.

Aaltje was ook veel ziek, maar zoals het spreekwoord zegt (krakende wagens duren het langst) want ze is 84 jaar geworden. Leeuwke, zijn vrouw hete Hiske en kwam uit een schippers familie. Die hadden ook een Sake, die we een keer bij Leeuwke, in de Parkstraat, hebben ontmoet. Ook weet ik dat de oudste dochter Roelofje, ook een zoon Sake had. Ik hoorde dat die ook in Lemmer, heeft gewoond. Roelofje, haar man werkte bij de spoorwegen en op doortocht naar het Zuiden hebben we hen eens opgezocht. Ze woonde toen in Elst, in de Betuwe.

We hadden vrienden wonen in Roermond en zijn toen zes jaar achtereen op de fiets er naar toe gereden, dat was vanaf Lemmer 240 kilometer. Ze vinden het nu te ver voor een brommer. Toen spraken de centjes nog een groot woord mee!. Ik weet niet of er nog meer Sakes, van die stam zijn. Want er was nog een Anna, die naar Amerika is vertrokken. Zo dat waren de Sakes.

Sake Zandstra.

Geboren op 20 mei 1862 te Lemmer, overleden op 27 februari 1931 te Lemmer, zoon van Wybren Zandstra en Elske Leeuwkes Bootsma. Gehuwd op 11 oktober 1888 te Lemmer met Aaltje Post (Urker Aaltje) geboren op 17 maart 1866 te Urk, overleden op 19 oktober 1950 te Lemmer, dochter van Jan Post en Anna de Vries.

Kinderen bekend uit dit huwelijk.

1. Roelofje Zandstra.

2. Anna Zandstra.

3. Leeuwke Zandstra.

4. Leeuwke Zandstra.

5. Elske Zandstra.

6. Leeuwke Zandstra.

7. Jan Zandstra. Jan is getrouwd met Albertsje Brandsma en had een haringkar in Amsterdam.

8. Grietje Zandstra.

Nu kom ik bij de familie met Andries-sen.

In het grote gezin van Evert de Vries en Jantje Bergsma, was een Andries, die een poosje geleden naar Suderrige is vertrokken.

Ze hadden veel dochters; het rijtje heeft laatst nog in de krant gestaan, Om de jongens Sake, te noemen daarvoor was het aantal te klein, daarom hebben ze van de jongste dochter maar een Saakje gemaakt Ze trouwde met Jaap Palmer, ze wonen in Zaandam en hij is ook een neef. Zijn moeder Jansje Wouda, was een zus van mijn vader.

Enige jaren geleden had ik nog een merkaardige ontmoeting in een ziekenhuis in Den Helder. Wij waren op bezoek bij een zwager, Koos van der Leeuw, die zei tegenover mij ligt ook een Friese vrouw. Ik er naar toe, bekijk ze eens goed en zeg U bent Ymkje. Ik had haar zeker in geen 50 jaar gezien. Dat was dan de oudste dochter van Evert en Jantje, toen al 86 jaar, ze heeft het nadien niet meer lang gemaakt, Ymkje was de vrouw van Klaas Bijlsma (Klaas Saske). Die had in 1923 de schouw van Andries Fleer (putemesju) overgenomen, dat werd toen de LE 29. Het model staat nu nog in het gemeente kantoor van Lemmer. De Schouw was gebouwd in 1916 door Gerrit Wierda (de wijnmaker) en in het klein gemaakt door Schelte Bijlsma. De Familie Bijlsma, is na de afsluiting in Den Oever gaan wonen en vissen; hun kinderen wonen er nog.

Dan denk ik dat we bij Betsje (Albertje) Bergsma komen, getrouwd met Jelle Koornstra en visserman met de Botter LE 72, in de wandel 'Jelle van Betsje' (Albertje Bergsma). Ik heb nooit geweten dat Betsje, een Bergsma, was en dat is mij ook nooit verteld. Door vergelijking van namen van de broers en zusters, kon het niet anders, allen een Sietske, Ymkje en een Andries, en deze Andries, was getrouwd met een dochter van Wietse Postma, was ook visser en had een oude Botter. Hij viste meest met hoekwant op paling, die werden geaasd met rouwe garnalen, de paling had een hekel aan oud aas en reukjes. Als je de aak of botter geteerd had, kwam je geen enkel palinkje tegen. Maar dat sluit de fabel wel uit, dat de paling bedorven aasvreters zijn. Dan krijgen we zus Maaike, getrouwd met Gauke Bootsma. Het was dan ook altijd Gauke van Maaike. Hij was ook visserman en had een tijd lang de aak LE 25.

Jelle Koornstra, geboren op 16 februari 1870 te Lemmer, overleden (69 jr) op 25 december 1939, zoon van Elisabeth Lackrooy en Klaas Hiddes Koornstra. Gehuwd op 16 januari 1891 te Lemmer met Albertje Bergsma, geboren op 1 september 1871 te Lemmer, overleden (70 jr) op 11 april 1942 te Lemmer, dochter van Andries Sakes Bergsma en Ymkje Jans Stuurman.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Renske Koornstra.

2. Jan Adriaan Koornstra.

3. Jacob Koornstra.

4. Hidde Koornstra.

5. Levenloos meisje.

6. Akke Koornstra, geboren op 23 augustus 1901. Gehuwd met Jan Visser

7. Adriaan Koornstra.

8. Hidde Koornstra.

9. Jelle Koornstra.

Albertje Sakes Bergsma.

Kruisende wegen.

Zoals ik een paard het mooiste zoogdier vind, zo bekijk ik de Lemsteraken als de mooiste vaartuigen, die de Hollandse wateren bevaren. Als er dan ook een Lemsteraak, de haven van Medemblik binnenkomt en ik kan er bij komen, want vaak liggen ze bij een ander opzij en over schepen klauteren gaat niet meer, maak ik een praatje met de schipper. Als ze dan merken dat je belangstelling hebt voor de aak, is het ijs snel gebroken en wordt je vaak uitgenodigd om aan boord te komen. Als het om vroegere visseraken gaat, moet je alles vertellen over de vroegere eigenaren en alle bijzonderheden, betreffende de visserij van weleer.

Zo lag er een tijdje geleden een mooie aak voor de wal. Ik zag wel dat het geen vroegere vissersaak was, maar dat hij gebouwd was door Yge Blom, in Hindelopen, wat het geval ook bleek. Na een inleidend praatje, zei de schipper, dat hij wel vaak in Lemmer kwam en dan altijd op bezoek ging bij Jan Visser. Ik vraag is dat Jan van Akke , ja zegt de schipper. Nu was dat vroeger mijn kameraad en ik kwam ook veel bij hem thuis. Op de foto ziet U twee kameraden toen 16 jaar oud.  Ze zijn inmiddels al tachtig jaar oud geworden. Waar blijft de tijd.

Links: Jan Visser en rechts Jan Wouda (verteller van deze pagina). De twee kameraden.

 

Maar het mooiste komt nog. Ik zeg tegen de schipper, toen we jongens waren gingen we na het ansjovisvissen seizoen, met vakantie naar Zaandam. Daar woonde Renze, de oudste broer van Jan Visser, die bij de gemeente werkte. Ik weet nog dat ze in een huis woonden aan de Zuiddijk. Ook Jan zijn oudste zuster Hiltje, woonde in Zaandam en was getrouwd met ene Rozema, die bij de recherche werkte

Jan Visser, geboren op 19 juli 1855 te Lemmer, overleden (81 jr) op 28 juli 1936 te Lemmer, zoon van Renze Visser en Fetsje Riemersma. Gehuwd op 30 september 1877 te Lemmer met Jantje Poepjes, geboren op 17 maart 1858 te Scherpenzeel, overleden (72 jr) op 2 oktober 1930 te Lemmer, dochter van Jannes Egberts Poepjes  en Hiltje Hendriks Dijkstra.

Viste van 1900 tot 1913 met de LE 71, later met een schouw.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Hiltje Visser, was gehuwd met Tiede Rozema. Uit het huwelijk van Tiede en Hiltje, werd Jan Rozema, geboren die weer gehuwd was, met Zwaantje Visser.

2. Fetje Visser.

3. Rinze Visser.

4. Johannes Visser.

5. Steven Visser.

6. Hendrik Visser.

7. Fetje Visser.

8. Johannes Visser.

9. Bauke Visser.

10. Egbert Jan Visser.

11. Grietje Visser.

12. Jan Visser.

13. Jan Visser.

De schipper zegt, dat komt dan mooi uit dat is mijn grootmoeder, Ik ben ook een Rozema. Ik zeg straks zijn we nog familie. Tot familie is het niet gekomen, maar wel tot verwantschap. De Rozema's, hadden toen twee jongens, een Theunis en een Jan, later zijn er nog twee bijgekomen, Jelle en Renze. Ik ben een zoon van Jelle, zegt Rozema. Zijn oom Jan was getrouwd met Zwaantje Visser en dat, was meer een nicht van mij. Zij was een dochter van ome Frans Visser en tante Roelofje Bootsma. Vandaar al verwantschap. Het zal U lezer wel duizelen van al die namen, maar er is nog veel familie in Lemmer en daar buiten, die het allemaal wel kunnen volgen.

Om het nog even duidelijk te maken, Jan Visser Sr. (Jan van Fetsje) en zijn vrouw Jansje Poepjes (een kordate vrouw) woonden vroeger vooraan aan de Nieuwedijk. Hun oudste zoon Renze en Hiltsje, gingen omstreeks 1910 of eerder naar Zaandam. Dan was er een dochter, van wie ik de naam niet ken. Maar ze is naar ik meen al jong in Leeuwarden gaan wonen. Dan kwamen Steven en Hendrik. Ze trouwden met Aaltsje en Akke Vlig, dus dubbel familie. Steven noemden ze ook wel de speelman. Hij kon mooi harmonica spelen. Hij had een twee rijer en werd veel gevraagd op bruiloften. Dan kwam Johannes en daar leek Rozema, sprekend op. Die trouwde met een dochter van Jan en Bauke Visser, en zij woonden aan de Lijnbaan, achter de openbare school, waar nu de Helling staat (stond)

Hierop volgt Bauke, ze noemden hem ook wel Riekeltsje, ik meen dat dat een bijnaam was. Dan krijgen we Egbert, hij was getrouwd met Richtsje, die van Vierhuizen kwam. Hij heeft een aak gekocht van Geb. Kingma, die op hielden met vissen. Het werd toen de LE 1. Dan volgt Grietje, die trouwde met Andries Koornstra. Ze woonden nog naast ons bij de R.K. Kerk, (het huis is al afgebroken) Andries voer toen op de Lemmer nachtboot, maar was te licht gebouwd voor de 100 kilo zakken.

In 1926 waren mijn ouders 25 jaar getrouwd en er werd een grote bruiloft gegeven. Er waren zo'n honderd man, waaronder Andries en Grietje. Andries, was na een paar borrels zo opstandig, dat hij niet meer op die rot boot wou. Ik verzuip me net zo lief, zei hij. Hij is dan ook al gauw weer gaan vissen en na de afsluiting naar Makkum en Harlingen, gegaan. Jan en zijn vrouw Akke, kennen jullie nog wel. Jan, is de enigste van het grote gezin, die nog over is. Zo gaat dat in het leven. Wij waren ook met zes broers, waarvan ik de oudste was, maar er zijn er ook al drie overleden.

De aak van Rozema, heette "De Vrijheid". Ik had nog een meningverschil met hem. De broer van zijn grootmoeder, Renze Visser, was getrouwd met Gepke van Brug. Dat is niet zo zegt Rozema, Renze zijn vrouw kwam uit Assendelft. Maar ik had wel gelijk. Kolonel b.d. Kokje, uit Utrecht heeft ook al eens in ons blad geschreven. Als je wat van de Lemster bevolking van vroeger wilt weten, moet je niet naar de Burgerlijke stand gaan, maar naar Jan Wouda, dat is wel wat overdreven maar van voor tweeduizend weet ik wel alles. Gepke van Brug, is nog ver voor mijn tijd vriendin geweest met mijn moeder en die was van 1878. Wat de tijd betreft kan dat zowat uit komen.

Tjalling en Jansje, zoals het ouderpaar Van Brug, genoemd werd in de wandeling, woonden aan de Vissersburen, en dreven een kruidenierswinkeltje. Vader van Brug, was ook turfhandelaar en hij had een mooie lange golvende baard. 's Morgens ging hij met de handkar vol turf bij de klanten langs. In ieder huis stond in die tijd een fornuis met een grote turfmand, waar elke morgen 25 turven werden ingestopt. Elke wijk had zijn eigen turfboer. Voor de Schans en Achterom, was dat Geert Pen, die zijn opslag had in een oude boerderij, ongeveer daar waar nu de Rabobank gebouwd is. Gerrit Zijlstra (Gerrit van Sipke) was zijn concurrent. Die hadden ook een winkeltje achter bakker Haveman, en zijn pakhuis stond naast het eerste dooie gat aan het Achterom. Dan was er nog een Vaartjes, in het huis met de kogels bij de brug de lange houten brug over het Dok lag toen zuidelijker of eigenlijk oostelijker bij schoenmaker Bottekoper, later kapper van der Horst tot ca. 1909 of 1910.

Dan lag er nog altijd voor de Gedempte Gracht, het houten Skûtsje "Dorp Lemmer" van schipper Hornstra. Dochter Anna, zat bij mij in de klas en schipper Booi, lag altijd voorbij de muziektent. Dat waren dus ook turfschippers. Maar om op Tjalling Jansje, terug te komen, hun oudste dochter Gepke, was dus getrouwd met Renze Visser. Dan kwam een zoon die ik niet heb gekend. Ik meen een Andries, en hij is al jong naar Rotterdam vertrokken. Dan kwam Richtsje, zij was jaren lang huishoudster bij de gebroeders Lyklema, de ene broer dreef het café en de ander werkte op het Gemeente secretarie. Hij had altijd een slipjas aan, die zwart was geweest, maar groenig scheen van ouderdom. Later was het café van Uilke Kooistra, nadien van Piet Plooier. Richtsje, was ook al niet zo jong meer toen ze trouwde met Geert Plantinga. Hij was fotograaf en hij had een drogisterijwinkel aan de Vissersburen, later woonde hier Harm van der Wolf. Richtsje, is in het kraambed gestorven, nog maar 36 jaar oud en het kind stierf na vijf dagen.

Op deze foto staan twee dochter van Tjalling van Brug (1853 - 1927) en Jantje Andries Scheffer (1857 - 1927). Tjalling was varensgezel. Hij en zijn vrouw hadden elf kinderen, waarvan hier links Martje en rechts Richtje. Martje ( 1895 - 1976) was in 1917 gehuwd met met de brugwachter en havenmeester Wouter Kingma (1893 - 1974). Zij kregen drie kinderen. Martje, vertrok in 1912 als dienstmeisje naar Zaandam. Richtje (1884 - 1920) was gehuwd met de van Heeg, afkomstige Geert Plantinga. Deze was schilder te Lemmer. Richtje, stierf in de kraam bij de geboorte van haar eerste kind op 11 juni 1920. Haar kind, een dochter Akke, was toen al overleden. De foto dateert van omstreeks 1910.

 

Na haar werd Akke geboren nu 93 jaar oud. Zij wordt verpleegt in Bolsward ik denk dat zij de enige is die nog leeft. Haar man was Renze Hoekstra van de LE 63. Hun dochter Jansje Hoekstra is getrouwd met mijn neef Jelle Visser en ze wonen in Makkum. Dus alweer verwantschap, een tijdje geleden zijn ze bij ons op bezoek geweest. Dan volgde Foekje, ze was getrouwd met Bertus Lemstra, en zij hebben altijd in Zaandam gewoond.

Bertus woont nog in Staveren en is ook al over de 90 jaar. Na Foekje, volgde Wiebe, die vroeger een smederij in de Vissersburen had. Daarvoor was dit een mastenmakerij van de Vries. Later is de zaak overgeplaatst naar het Turfland, zoon Sjoerd is nu de baas. Hierop volgde Martha, die getrouwd was met Wouter Kingma, geboren op 24 januari 1893 te Lemmer, overleden op 14 november 1974. Nog wel bekend als brugwachter en Havenmeester. Ik weet niet of de volgorde goed is, want als je in de Schans, woonde kende je de mensen van Vissersburen niet zo goed, want de wijken waren toen gescheiden door de Lemster Rien. Alles is bovendien zo'n 60 a 70 jaar geleden. Nu ik toch in de oude families aan het graven ben, er kwam vroeger af en toe een houten Tjalk in Lemmer. De schipper was een Poepjes, een broer van Jansje Visser Poepjes, dus de moeder van Jan Visser Jzn.

De man was gezegend met 7 dochters. De Lemsters hadden een speciale naam voor de Tjalk die verband hield met het vrouwelijk geslacht. De oudste dochter was Hiltsje, zoals ook de oudste dochter van het echtpaar Jan Visser en Jansje Poepjes. Nu die Hiltsje Poepjes, is de vrouw geworden van Andries Fleer van de LE 21... dat waren dus de ouders van Jan Fleer, van de reddingsboot en Jan zijn vader Andries, was weer een stiefbroer van mijn vrouw Neeltje Wijnand. De andere dochters van schipper Poepjes, kan ik mij nog wel herinneren, doch ik weet hun namen niet meer allemaal. Wel een Elske, die getrouwd is met Harm Bloem, zij zijn later in Haarlem gaan wonen, Harm werkte bij de Gebr. de Boer, op de Helling. Dus U ziet beste lezer de kruisende wegen.

Er is de laatste negen jaar al veel geschreven over het oude Lemmer en haar inwoners van vroeger. Van zowat alle mensen van 1910 en later, en ook nog wel van daarvoor, kan ik alle gezichten en gelaatstrekken voor me halen, met hun eigenaardigheden erbij. Het is jammer dat ik niet kan tekenen, anders zou ik al de karakteristieken, die er toen waren op papier kunnen zetten, vooral die van de visserslui. Deze maal wil ik voor U de Lemster vissers beschrijven, die de naam Visser dragen en dat zijn er heel wat zoals U zult merken. Ik zal het wel eens mis hebben, want ik heb niemand gebeld, dus alles uit mijn hoofd geschreven. Ik heb nog voorvaders gekend, die omstreeks 1830 -1840 moeten zijn geboren en zal U daarvan twee geslachten beschrijven. Van de derde generatie leven er nog wel, van het tweede geslacht niet meer. Maar daar word niet over geschreven, want het is pijnlijk als je iemand overleden verklaard en de man of vrouw is nog in leven en omgekeerd ook. De ouderen onder U kennen nog vele ouderen, en de latere generatie zijn gaan zoeken of zij er wel bij zijn, of hun schoonouders. Mocht ik enkelen hebben vergeten, dan mijn excuses ik heb wel een sterk geheugen, maar ben toch geen computer.

Nu gaan we weer verder met aartsvader Andries Fleer en zijn vrouw Grietje Stuurman, uit het Achterom, ze zijn 80 en 96 jaar geworden. Ze zullen van ongeveer 1845 zijn geweest, ze hadden een dochter Trien Fleer, die in 1903 is overleden en de moeder was van de vroeger in Lemmer, bekende Gerbrand Kokje, die verleden jaar op 90 jarige leeftijd is overleden in Zaandam.

De oude Andries, had een kromme rug van het sjouwen van 100 kilo zware zakken van de Lemmer nachtboot. Zijn zoon Jan Fleer, was ook, je kunt het nu wel zeggen slaaf op de boten, 's nachts varen en overdag laden en lossen, en hij had dan ook dezelfde kromme rug. De mensen pleegden roofbouw op hun gezondheid, en dan stonden ze tot 1905 's nachts op het open dek, achter op de boot te sturen. Op aandringen van kapitein Kokje, is daar toen een eind aan gemaakt en werden er mooie stuurhutten op de koelkasten gebouwd. Dat was een geweldige verbetering.

Ook de oude Jan, had een zoon met de naam Andries, maar die moest niets van die 100 kilo zware zakken hebben en werd visserman en kreeg in 1916 een mooie eiken schouw, gebouwd door Gerrit Wierda, met nummer LE 21, welk nummer hij ook op zijn latere botter en aak kreeg, die nu zijn zoon Jan nog heeft. Diezelfde LE 29, werd later eigendom van Klaas Bijlsma. Ze is door Schelte Bijlsma, nog op schaal nagebouwd en staat nog te pronk in het gemeentehuis, een lust voor het oog. Andries zijn zoon Jan, nu schipper op de reddingsboot, heeft weer een zoon Andries, Jan van de reddingsboot zullen we maar zeggen, zijn grootvader Jan Fleer, trouwde in 1913 met Marie Kok. Jan was weduwnaar met zeven kinderen waarvan al vijf de deur uit waren.

Marie, was in 1909 weduwe geworden en Coba, de jongste was anderhalf jaar. Coba, stond een tijdje terug nog op een foto van Evert, met de dansclub van Jouke de Boer, die ons de danskunst zingende (en hijgende) ook heeft bij gebracht. Maar als vroeger in een gezin een van de ouders weg viel, was dat niks minder dan een ramp. Ze kregen samen nog een zoon, Klaas Fleer, die helaas verleden jaar is overleden. Marie Kok, beter bekend als Moeke Wijnands, had ook een zoon Andries en Moeke, zou in 1927 mijn schoonmoeder worden, een lieve en goede schoonmoeder. Van de vijftien kinderen uit dat gezin zijn alleen mijn vrouw en haar in Amsterdam wonende zuster van 85 jaar nog over.

www.stuurmankolenbrander.nl

Foto van Martha Bogaard: In het midden; Klaas Fleer, de zoon van Moeke Wijnand en Jan Fleer. Klaas was getrouwd met Rees, en hebben samen nog een dochtertje gekregen: links is Martha Bogaard, rechts Teun Bogaard.

 

Foto van Martha Bogaard: Vier generaties Wijnand, met links Moeke Wijnand, (kleindochter) Marie Wulder, (dochter) Margje Wijnand, (achterkleindochter)  Martha Bogaard.

 

Marten Fleer, zoon van Hannes Fleer en Antje ?

 

Foto van Martha Bogaard: Geheel rechts is Teun Bogaard, met aan zijn hand zijn zoon Teun, meisje met pop is Reesje, meisje met strik in het haar is Martha Bogaard, de twee dames links zijn, Marie Wilder en rechts Klaas Fleer, zijn vrouw Rees.

 

Ook had Andries, van de LE 21, nog een broer Jan, die ook weer een zoon Andries had, die in Amsterdam woonde. Nu komen we bij een familie met veel Andriesen. De grootouders heb ik niet gekend, maar dat moeten Steven Visser en zijn vrouw Afke, zijn geweest. Hun oudste zoon was Andries, getrouwd met Wietske van der Meer. Hij was visserman met zijn schouw de LE 5, Nu vermoed ik dat die Steven van Afke, een broer is geweest van, laten we zeggen de schoonvader van Klaas de Boer. Andries Visser en Boukje, van c.a. 1845. Dan zijn de Meeste Andriessen die nu volgen naar die oom vernoemd. Want de oudste van de broers en zussen zijn allemaal Stevens.

Voor ik het vergeet, ik begin met de oudste zoon Steven, die getrouwd is met Rinske Feenstra, hun zoon Andries, kan nog leuk uit de hoek komen in de Lemsterkrant. Broer Renze, van mijn leeftijd trouwde met Anna van Veen, uit Urk. Zijn kinderen ken ik niet, maar er zal wel een Andries, bij zijn. Ook waren er een Jan en Âlle, en ik denk wel vijf of zes dochters. Daar zullen ook wel weer Andriesen, bij zijn. Volgt Rinze Visser, ook visserman op een aak. Hij had een groot gezin met zijn vrouw Boukje. Ze zijn de grootouders van raadslid Rinze Visser, en ze woonden in die jaren aan de Benedenschans. Steven Visser, de oudste directeur van Lemmer, met z'n 81 jaar, is zijn vader, Renze van Bouk, zoals hij werd  genoemd, had meerdere zoons maar er was geen Andries bij.

Steven Visser, geboren op 28 maart 1840 te Lemmer, overleden op 26 maart 1907 te Lemmer, zoon van Rinze Stevens Visser en Fettje Riemersma. Gehuwd met Afke Andries Spiekholt, geboren op 25 juni 1838 te Lemmer, overleden op 26 september 1914 te Lemmer, dochter van Andries Alles Spiekholt en Rinskjen Jans Urk.

Dan komt Jan Visser (Jan van Afke) getrouwd met Rees Friso, ze hebben ook een zoon Andries, wiens vrouw ik niet zo goed ken. Hij was jaren lang eerste knecht bij Johannes Visser, op de LE 21. Ze woonde in de Bredesteeg, achter Jilling Kingma, in de Schans. Zoon Andries, werkte naar ik meen in het Kuinderbos, Âlle, praatte zo vlug, dat hij vaak over zijn eigen woorden struikelde. Ik viel wel eens in bij Johannes van Hansje, als de derde man ziek was, bij het haring vissen en dan onder het reepjes klaren in de haringvlet, praatte Âlle aan een stuk door en ik zei altijd maar ja. En als Âlle zijn mond open deed zei Johannes al "wat seit Âlle"?

Zus Fetsje Visser, getrouwd met Gauke Bootsma, uit het leeg (Rub(p)ert) had behalve dochters, zonen met de naam Steven, Gerben en Fimme, ze visten met de Schouw LE 28. Zus Rees, die naar Amerika was geëmigreerd, kwam hier in 1909 met vakantie naar Lemmer terug. Dat was een geweldige belevenis, want er was nog nooit iemand uit dat verre land terug gekomen. De halve Lemmer, liep dan ook uit om haar van de tram te halen. Verder zijn er ook nog wel oomzeggers met een Andries, zoals Marius Visser, die getrouwd is met Geertje Kelderhuis.

Nu gaan we eens op bezoek bij de familie De Blaauw met één of twee á 's. Laat ik beginnen met Andries de Blaauw, die een visrokerij had en in het eerste huis boven de baan woonde, en later naar het huis van herenboer Jan de vries, in de schans verhuisde. Zoon Sjerp, had bij mijn weten geen Andries. Van zoon Henderik de armmeester, uit die jaren en zijn vrouw Bonsje Poepjes, weet ik dat niet. Wel had zoon Willem en zijn vrouw Trientje Jongsma, een Andries, getrouwd met Zwaantje Los. Ze is een nicht van mij en ze wonen in Almelo. Andries, had een mooie aak de LE 15.

Beste Lemsters en oud Lemsters.

Ik vind het prettig, dat er een schrijfster van stukjes in onze krant is bijgekomen. U zult wel begrijpen dat dit slaat op Mevr. K. Klaver-de Jong. Nu vermoed ik, dat de K. een Kaatje zal zijn, vernoemd naar haar grootmoeder Kaatje Feenstra. Dan is zij een dochter van, zoals ze haar moeder aanduidde Geesje de Jong-Feenstra en haar vader Feite de Jong, wiens ouders ik ook nog heel goed heb gekend, ze woonden aan de Nieuwedijk. In haar jonge jaren was Geesje, vriendin met mijn vrouw. Toen ze pas getrouwd waren en Feite, machinist was op de tramboot en Geesje, 's avonds vaak alleen was, waren we vaak bij haar. Wij hadden toen nog verkering. Zij woonde aan het Oare Ein, even voorbij smid Hollander. Wat is dat lang geleden! Geesje, wist van haar school klas nog vier klasgenoten te herinneren waaronder Jan Wouda en die zal U nu de andere uit de klas voorstellen, waarvan er inmiddels al vele zijn overleden.

Ik begin de reeks dan met Jansje Koning, dochter van slager Koning, kwam denk ik uit Overijsselse aan de spraak te horen, ze hadden eerst een slagerij aan de Schans, later aan de Bakkershoek, naast bakker Haveman en nog later op de hoek van de Gedempte Gracht, alwaar eerst slager Dooitsen, de Jong was gevestigd, die toen de slagerij van Gebr. Van der Woude, kocht, die er mee op hielden.

Dan Anna Hornstra, dochter van turfschipper Hornstra. Hij lag altijd met zijn houten skûtsje "Dorp Lemmer" even voorbij schoenmaker Euverman.

Dan Janke de Jong, haar vader werkte op 'De Helling'. Janke, is later getrouwd met Albert van der Gaast, en is in ca. 1925 samen met nog een stuk of vijf andere houtbewerkers vertrokken naar Zaandam. Janke, belde mij een poosje geleden op en we hebben gezellig gebabbeld. Erwin en Ronald Koeman, de bekende voetballers uit Groningen, zijn haar kleinzoons, waar ze als grootmoeder erg trots op is. Ook had een zoon een Lemster aak. Piet de Jong, die met Treintje de Roos, was getrouwd en aan de Polderdijk woonde, is haar broer.

Albert van der Gaast, (houtzager) geboren op donderdag 2 februari 1899 te Lemmer, zoon van Jelle van der Gaast (sluisknecht) en Lamkjen Bakker. Gehuwd op 30 september 1920 te Lemsterland met Janke de Jong, geboren op zaterdag 4 mei 1901 te Makkum, dochter van Gerrit de Jong (ijzerwerker) en Saakje Ladenius.

We komen nu bij Aagje Scheffer, kleindochter van Erik Scheffer, die jong naar Amerika zijn geëmigreerd.

De vader Jan Scheffer, werd geboren in 1877 en was 29 jaar oud toen ze aankwamen in Amerika. Zijn vrouw Cristina Scheffer, geboren in 1875 was 31 jaar oud toen ze aankwamen.

1e dochter Aagje Scheffer, geboren in 1902 en 4 jaar oud toen ze aankwamen.

2e dochter Elisabeth Scheffer, geboren in 1903 en 3 jaar oud toen ze aankwamen.

3e dochter Gepke Scheffer, geboren in 1905 en 11 maanden oud toen ze aankwamen.

Bron: Siemen Spaan

Zie ook: Meer Lemsters: familysearch.org

In de klas zat ook Matsje Visser, dochter van aannemer Hendrik Visser, ze woonden aan de Visserburen. Matsje, is later getrouwd met Du(i)rk van der Bijl, zoon van slager Geert van der Bijl, toen slager in het Achterom, ze zijn later naar Grouw verhuist.

Geert van der Bijl,  geboren op 23 oktober 1854 te Lemmer, overleden op 13 februari 1942 te Lemmer, zoon van Hidde Geerts van der Bijl en Dirkje Dirks Seldenthuis. Gehuwd op 18 mei 1883 te Lemmer met Jantje Bosma, geboren op 18 september 1855 te Lemmer, dochter van Dirk Egberts Bosma en Cornelia Egberts Vogelvanger.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Dirkje van der Bijl.

2. Antje van der Bijl.

3. Hidde van der Bijl.

4. Jan van der Bijl.

5. Janke van der Bijl.

6. Afke van der Bijl.

7. Dirk van der Bijl.

8. Fimke van der Bijl.

9. Hendrik van der Bijl.

Verder zat in de klas Willem de Jong, wiens vader in de hang van de Jager werkt. Ze woonden aan het streekje woningen aan de Lijnbaan, bij de bewaarschool. Hij had later met zijn schoonzoon Klaas Sterk, een visrokerijtje aan de haven. Diens zoons, zette de palingrokerij voort in een gedeelte van de hang van vroeger Tjebbe en Bertus de Jager. Later Willem en Lotte, die woonden aan het eind van de Benedenschans. Poppe Bootsma, woonde Tuinstraat 3. Vader Gauke, was visserman en had een aak de LE 66. En zijn moeder was Antje Vlig een knappe vrouw met gitzwarte ogen.

Dan dacht ik aan Greta Meijer, dochter van Doris Meijer, die was nachtwacht, schoorsteenveger en had nog meer baantjes en in de winter was hij baanveger op het ijs en als het kon had hij een koek en zopie tent. Ze woonde achter de Grote kerk.

 

V.l.n.r: Politie Bosma, Ate Knol, Djoeke van Tiggelen Knol, ?, Stoffel Blessinga, ?, mevr. Tjalma, daarboven Jotsje, ?, vrouw Rottiné (de moeder van de klûtskes, dhr. Tjalma, daarachter Vrouw Meijer, Dorus Meijer, ?, ?, en als laatste Rienk Coehoorn.

Volgt Anna Bouma, een grote meid. Haar vader was Libbe Bouma, lakkerij (Libbe Lak) en had een lakstokerij achter de Schans. Hij heeft ook nog een winkel gehad in scheepsbenodigdheden, die niet zo best liep en later een kruidenierswinkel, in het pand dat Jan Pen had verlaten. Een broer van Anne, had in de jaren dertig een taxi, dit heeft wel niets met de school te maken, maar het zal in 1935 zijn geweest toen we met de kinderen op vakantie naar Lemmer, zouden gaan. Ik schreef twee taxi bedrijven aan. De ene vroeg 18 gulden en Bouma, 16 gulden, daar moest vier keer 110 kilometer voor worden gereden, bleef ook niet veel van over?

Gerben Bootsma, woonde in het Leeg, zoon van Visserman Fimme-Betsje, LE 61.

Krijgen we Douwe Schaaf. Zijn moeder was weduwe en ze woonde in het tweede huisrechts vanaf de Rien, naar het Achterom. Douwe was een vlug klein kereltje en was later postbode.

Douwe Schaaf, (sluiswachter) geboren op 11 september 1856 te Workum, overleden op 14 november 1904 te Lemmer, zoon van Cornelis Douwes Schaaf en Antje Rienks Baarda. Gehuwd op 20 april 1888 te Lemmer met Anna de Wreede, geboren op 29 oktober 1863 te Lemmer, overleden op 19 december 1932 in Lemmer, dochter van Cornelia de Wreede.

 

Foto van Jan Smits. Anna Schaaf-de Wreede.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Cornelia Schaaf.

2. Cornelis Schaaf.

3. Antje Schaaf.

4. Bauke Schaaf.

5. Sjoerd Schaaf.

6. Douwe Schaaf, geboren op 17 september 1900 te Lemmer, gehuwd met Tietje de Jong, geboren op 16 september 1901 te Wonseradeel. Dochter van Gerrit de Jong en Saakje Pieters Ladenius.

7. Anna Schaaf.

8. Baby Schaaf.

9. Cornelia Schaaf.

Dan krijgen we Anna Poepjes, dochter van Pieter Poepjes, ook van de Nieuwedijk. Hij had een houten aak, de LE 39. In 1898 gebouwd bij van der Zee in Joure, en dat is de enige aak van hout die nog in de vaart is. De aak is thans eigendom van een aannemer uit Huizen. Anna, is later getrouwd met Jan Bootsma, zoon van Fimme Bootsma en Betsje, en ze zijn naar Makkum vertrokken.

Anna Poepjes, geboren op 23 januari 1901 te Lemmer, overleden op 30 april 1990 te Makkum, dochter van Pieter Hanzes Poepjes en Trijntje Scholten. Gehuwd met Jan Bootsma, zoon van Fimme Bootsma en Elisabeth Akkermans.

Volgt.. Bertus Vogelzang, die in het Leeg naast Fimme Bootsma, woonde. Zijn vader was de eerste arbeiderskapitein op een Lemmernachtboot (De Groningen III), zoals ze het in die tijd noemden, omdat daarvoor kapiteins van de grote vaart als Kokje en Jonker, de dienst uit maakten. Van Bertus, heb ik nooit meer wat gehoord.

Volgt Sietse Haagsma, ook uit het Leeg. Zijn vader Jan was nettentaander, eerst in een grote taanketel achter het Leeg en later in een oude Scheveningse Bom, achter in de haven. Sietse, heeft dat werk ook nog gedaan, hij is voor zover ik weet ongetrouwd gebleven. Het was een bijzaakje van Jan Pen. Ook was er een Ida van der Bijl, haar vader was binnenvisser ze woonden aan het "Ein".

Dan krijgen we Geert Poepjes, beter bekent als Geert Mels. Ze woonden aan het "Oare Ein" vader Liekele, had een botter LE 69 met de naam "schön Wiederein, zal nooit de leste zijn". Het was een buitenmodel botter en was waarschijnlijk als enige in Joure, gebouwd, maar wel een goed zeeschip.

Een tijdje was er ook Leeuwke Zandstra, die op het end woonde, ze zijn vermoedelijk uit Lemmer vertrokken, hij zal wel een neef zijn geweest van Leeuwke Zandstra, uit de Schans.

Jansje Knol, was een dochter van bakker Jan Knol, van de Kortestreek. Later trouwde ze met Tjeerd van der Bijl, die nog directeur zou worden van het postkantoor. Tjeerd, was een zoon van Pieter van de nachtboot, wiens achternaam je nooit hoorde, zodat ik er nog even bij na moest denken of de naam wel goed was.

Ida Bosma, was een dochter van Louwe Bosma. Ze hadden een galanteriewinkel aan de Kortestreek, een paar huizen verder waar toen dokter Dillewijn, zijn praktijk had, die man had zo'n prachtige lange baard, wat je in die tijd niet veel zag. Ida, haar vader was ook hofmeester op een Lemmer nachtboot.

Dan herinner ik mij Stoffel Blessinga (staat ook op bovenstaande foto van de hardrijderij te Lemmer), van wiens levensloop ik weinig weet. Zijn vader had een soort luxe bakkerij aan de Schulpen. Stoffel, was een wat ernstige, serieuze jongen. Wel vermoed ik dat de tegenwoordige wethouder een zoon is van Stoffel.

Dan was er ook Wilge (Wilco?) Andringa, die ook aan de Kortestreek, woonde, ik denk naast Bosma. Wilge, was een leuke jongen en een veel belovende leerling. Hij kwam een enkele keer bij mij thuis op woensdagmiddag, dan gingen wij tekenen, wat wij allebei goed konden. Tegen donker kwam een dienstbode hem weer halen. Hij droeg ook klompen net als wij, waar onder de sokken leren zooltjes waren genaaid. Zijn vader had meen ik een kantoor van de Nederlandse Bank of zoiets. Ik had nooit weer iets van Wilge, gehoord, ik denk dat ik jaren geleden zijn naam eens heb genoemd. Toen kreeg toen een brief van Mr.dr. Luikinga, dat Wilge, een vooraanstaande doctor in de medicijnen was geworden en in Frankrijk met een Française was getrouwd en in Amerika veel naam had gemaakt, maar door ziekte weer terug was gegaan naar Frankrijk, en daar betrekkelijk jong ik meen op 43 jarige leeftijd is overleden.

Dan zat in onze klas Geertje Tjalma, zij woonde aan de Straatweg waar haar vader een boerderij had, voor zover ik mij herinner de zevende rechts van de Straatweg vanaf de Lemmer, op het grote dak stond middels gekeurde dakpannen "Welgelegen". Haar vader was Rense Tjalma, ze had ook nog een zus Bertha en een broer Piet, die ouder waren. Geertje was een goede leerlinge, maar ik heb nooit meer iets van haar gehoord.

 

V.l.n.r. Rense Tjalma (boer), Froukje Knol van Zandbergen, Wiebren Tjalma met echtgenote, mevr, Tjalma (echtgenote van Rense) ?, mevr. Kokje, staande met hoed Titie Lenz (de latere echtgenote van de heer Faber (directeur v.d. gasfabriek) en Gezina Anna Visser (van de drankhandel) dan de heer Kokje, zittend op de stoel Lex Loen.

Dan Rinze Visser, die aan de Emmakade woonde. Zijn vader Jelle Visser, was ook visserman en zijn aak was de LE 58. Zijn moeder was Metje Meester. Ik heb Renze nooit meer gezien, maar ik heb gehoord dat hij met Neeltje Meester is getrouwd en een viswinkel drijft in Oldeboorn.

Dan krijgen we weer een Rinze Visser, dat is al de derde keer en ook hij heette Visser en was visser. Zijn ouders waren vroeger beter bekend als Andries en Wiets. Ze woonde in de Benedenschans, achter Marten Kokje. Ze hadden een Schouw de LE 5. Renze moest er al jong aan geloven, wat het werk betreft. Toen hij bij ons in de klas zat, kwam het al vaak voor, dat hij de hele nacht met zijn vader in de weer was geweest, in de zijden nettenvisserij. Als hij dan om negen uur in de klas zat, viel hij natuurlijk als een blok in slaap, en was niet meer wakker te krijgen. Zo ging dat in vroeger jaren. Hij is later getrouwd met Anna van Veen, afkomstig uit Urk. Ze woont nog in de Lemstervaart.

Dan zat bij ons in de klas Janke Bijma, die aan de Nieuwedijk woonde. Haar broers Jan en Jeen en later Hendrik, visten met de aak de LE 53. Janke zou later trouwen met Obbe Poepjes. Broer Hendrik, zat ook bij ons in de klas. Ik heb gehoord dat die een boerderijtje heeft gehad, in de buurt van de Zaan, maar zeker weet ik het niet. Obbe Poepjes, woonde ook aan de Nieuwedijk. Zijn vader was Lambertus, had een Botter de LE 30. En was als alle Poepjesen, een goede visser en er waren er nogal wat. Pieter, Jan, Johannes, Arend, Liekele, Bertus en Douwe met een palinghandel, had grote karren bij de trambrug. Dat waren allemaal broers.

Hun vader had ook een boerderij bij de Tjonger, waar ook nog een broer was. Ze waren eerst binnenvissers en later goede Zuiderzeevissers, met allemaal een Botter of een aak. Wel mensen met ondernemingsgeest Obbe, was getrouwd met Janke Bijlsma, die is niet oud geworden en Obbe is er ook al niet meer.

Skutsjecommissie/zevenwolden; staande van rechts naar links, Ulrich Jager (getrouwd met Sietske Mink, woonden aan de Langestreek, veearts Luitjens (straatweg), ?, Klaas Deinum, waterpolitie, woonden aan de Bantegastraat, recht tegenover de school. Klaas Deinum, (zijn partner Jennie Atsma (Jenny haar vader Jan Atsma, had de bijnaam Jan Rijs, omdat hij gek was op op droge rijst met boter en suiker) was eerder gehuwd met Bote Keizer, Bote en Jenny, hebben twee kinderen gekregen, Jetze en Hammie, Hammie was negen maanden oud toen haar vader Bote, overleed, nadat hij vermoedelijk iets heeft opgelopen, tijdens zijn werkkamp in Kiel. Dit openbaarde zich later in tbc. Hij heeft geruime tijd in Aekinga te Appelscha geweest. Uiteindelijk is hij overleden aan een fatale hartaanval in het ziekenhuis te Sneek. Klaas Deinum, is overleden op de terugreis van een vakantie. Dat was op de dag dat Nederland Europees voetbalkampioen werd. Bote, zijn vader Jetze Jan Keizer, was werkzaam bij het waterschap, zijn vader is op 7 februari 1912 4e geworden bij de Elfstedentocht. Ze hebben gewoond op de Parkstraat, Nieuwedijk, ten hoogte van de kolk en op het Pasveer. Bote, had 1 broer genaamd Jan, deze was gehuwd met Hiltje van der Wal)

Voor van links naar rechts: Arie de Boer, Obbe Poepjes, Siebe Kuipers, Tjeerd v.d. Bijl,  Bosma, Volken Berger, (overleden, was getrouwd met Bettie Berger, overleden, kinderen: Tim en Sjoerdje (Sjoerdje is ook overleden), Fredrik Bosman, was destijds directeur van de Raiffeisenbank aan de Vissersburen.

Achter: Joop Jongsma, Klaas Deinum, onbek, Luitjens en Ulrik Jager.

Ik dacht dat ik er was, maar er schieten mij nog een paar klasgenoten te binnen en dat is eerst Jurjen Bootsma. Zijn ouders Gauke en Antje Vlig, woonden toen aan de Spinhuispolle. Gauke, moest in de eerste Wereldoorlog opkomen voor de Landstorm en had toen al vier kinderen. Jurjen is dan ook grotendeels opgegroeid bij zijn grootmoeder die weduwe was en in de volksmond Meuke Auk, werd genoemd. Ze dreef een handeltje in appels en woonde in de buurt van bakker Fortuin, achter de Benedenschans.

Achteraan links: Pieter Vlig , Albertje Bootsma, Henkie Bootsma, Tietje Bootsma, Gepke Bootsma, Anna Bootsma, Gauke Bootsma. Daaronder links: Zwaantje Bootsma, Antje Vlig, Gauke Bootsma, ?, Poppe Bootsma. Stamboom Bootsma

Daar in de Benedenschans.

Daar in de Benedenschans, woonde ook Gooikje Wierdsma. Haar vader had een mooie slagerij naast de pomp van Pieters Ansje (Pieter Wouda) alles is allang verdwenen, al staan de huizen er nog. Gooike, had een groot handicap, ze liep erg moeilijk, ik meen dat ze later in Sneek, woonde. Dan als laatste Tine Kokje, een dochter van Jaap Kokje, de kapitein van de Lemmer nachtboot. Zijn oudste zoon M.P. Kokje, de oud kolonel uit Utrecht, die ik mij herinner als als een jong slank Luitenantje, van zo'n dikke 60 jaar geleden, heeft op zijn 90 ste jaar pas het levensverhaal afgesloten, van zijn ouders boers en zussen. Wat dan ook een kras staaltje was op die leeftijd. (Het Fries schippersgeslacht Kokje(n) M.P. Kokje).

Zoals U heeft kunnen lezen, heeft Tine, die nu in Harderwijk woont, haar hele leven in dienst gesteld voor haar familie, een zware opgave. Maar volgens Kokje, had Jan Wouda, geschreven dat de jongste zus Eefje, van 1903 zo goed kon rekenen, maar dat moest Tine, zijn van 1901. Maar mag je je vergissen op die leeftijd. In alles wat ik nu heb geschreven zal ook wel eens een foutje zitten.

Klaas Lenos, was mijn vriendje toen ik een jaar of zes was, hij heeft nog bij mij in de klas gezeten voor ze uit Lemmer weg gingen. Vader Lenos, was machinist op de tramlocomotief en droeg een grote zware zwarte snor evenals zijn collega's Prins en Kramer. Ik denk dat het door de spoorwegstaking van 1903 kwam, dat mijn moeder zei, dat zijn gevaarlijke mensen en ik er beter bij weg kon blijven. En het waren zulke lieve mensen, ze woonde achter de timmerwerkplaats van Nijholt, aan de Benedenschans, later Willem de Blauw. Het was maar een arbeiders huisje maar keurig ingericht en zulke mooie gordijnen voor het raam, zo aan de zijkanten opgehaald.

Op een zomeravond, mocht ik met Klaas en zijn moeder mee om zijn vader op te halen, die zijn laatste dienst reed. We zaten te wachten onder de grote afkapping, voor de tramboot het was schemerig en het onweerde in de verte. Het was een mooi gezicht, telkens die hele horizon rood. Maar Klaas, was bang en kroop bij zijn moeder op schoot en hij werd liefkozend geknuffeld. Ik weet nog dat ik jaloers was op Klaas, want ik had er ook behoefte aan om eens te worden aangehaald, maar dat vonden ze bij ons thuis maar flauw. Dus ouders knuffel je kinderen eens af en toe, ze zullen hun hele leven lang er dankbaar voor zijn.

Nu zou ik toch werkelijk geen klasgenoten meer weten. De ouderen onder U zullen vele van de lichting van 1901 weer herinneren en Oma Geesje, nu ook wel weer. Dan heb ik bij de Sake's nog een paar vergeten. Cor Visser, van de Jan Nieveen, maakte mij er op attent, maar toen ik de brief in de bus gooide voor de krant, schoot het mij al te binnen. Het ging om Sake Bootsma, die met een dochter van Albert Reijenga, was getrouwd en in de Jol 2, in de Lemstervaart woonde. Toen we beiden 12 jaar waren, deden we bij mijn vader het werk van de derde man.

Sake, heeft later nog bij de spoorwegen gewerkt, ik meen in Winschoten. Maar toen na het afsluiten van de Zuiderzee, het barste in het IJsselmeer van de larve muggen, was er evenveel paling en er werd dik verdiend. Het bloed kroop waar het niet gaan kon en Sake, ging weer vissen bij zijn broer Willem, met de LE 25 een grote aak.

Dan was er nog een Sake, zoon van Jan Feenstra en Rees Visser, dochter van Sake de Rus. Ze woonden later in Zaandam. Daar vandaan is Sake, geëmigreerd naar Nieuw Zeeland, een neef van mij ook, een Jan Wouda, die een zoon was van Teade Wouda en Lupke Feenstra, zou ook naar Nieuw Zeeland, maar dan liftend. Hij is echter in Rangoon in Siam, nu Thailand blijven hangen. Hij is daar verleden jaar op 66 jarige leeftijd overleden. Hij was verpleegkundige, maar liet weinig van zich horen.

De vorige maand hebben wij nog een oud Lemster, opgezocht in Den Haag, in een mooi rusthuis. Ze woonden daar al 14 jaar. Het was Tietsje Klaver de Vries. We hebben een middag gezellig gebabbeld, onze dochter Marie, was er ook bij, en onze kleinzoon, heeft ons met zijn auto gehaald en gebracht. Er is heel wat over het oude Lemmer, boven water gehaald, want het hoofd was nog helder. Tietsje, haar vader was Koenraad de Vries, één van de oprichters van Excelsior en haar moeder was Akke Zijlstra. Dus de bekende Pietsje Propsma Zijlstra, is een nicht. Griet en Henny de Rook, woonden daar ook, maar zijn op hoge leeftijd overleden. Maar Lies Rook, met haar 94 jaar woont daar nog.

Velen van U zullen die mensen niet meer kennen. Het zijn kinderen geweest van de vroegere hangbaas Poppe de Rook en zijn vrouw Judikje Van Gulik, geboren te Vollenhove. De vrouw van Albert Schirm, is naar Judith, vernoemd, dus naar haar grootmoeder. Ik kreeg nog een leuke brief van mevr, Westra - Visser uit Joure. Ook weer na aanleiding van de Sake's, haar vader was er namelijk één. Het was een Sake Visser, haar moeder Akke van der Bijl, een kleindochter van Anne Ybel de Bréggewipper.

Jan de Blaauw, met zijn vrouw Hielkje Meijer en zoon Lieuwe.

 

Jan de Blaauw, is geboren in 1852 en overleden op 1 april 1932. Zijn vrouw was vrijwel van dezelfde leeftijd en zij kwam uit Wolvega. Lieuwe, was hun jongste zoon. Het gezin de Blaauw, woonde in de Schans, naast kruidenier Joost de Vries, later Bönditti. Ik heb Jan, niet gekend toen hij zelf nog viste. Toen was hij al een oude man en ik nog een jongen. Hij was niet groot van postuur, maar een "dreech kereltsje" zouden ze in Lemmer zeggen. Hij was van nature een vrij ernstige man, had wel ondernemingsgeest en was een goed visserman.

Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat de houten aak de LE 65 zijn eerste schip was. Hij was waarschijnlijk ook wel fuikenvisser, want zijn zoons hebben daar later ook wel mee gevist. Dat werd dan gedaan bij het Hondenest en op het Kooizand, dat is tussen de Hoek van de Ven en Enkhuizen. Het zal ongeveer 1913 zijn geweest, in het laatst van februari tijdens het haringvissen.

Het was stormweer uit het Oosten en bitterkoud, de hele vloot was in de haven gebleven. Alleen de jongens van Jan de Blaauw, waren naar zee gegaan. De oude Jan, stond altijd aan de haven als de jongens binnen kwamen. Al was het bitterkoud, Jan wachtte en ging niet naar huis. Ik stond alleen bij hem bij het "Skiethuske" toen nog op het west-einde van de haven. Door het stormachtige weer was het water grotendeels weggewaaid, door die mooie gelegenheid stroomde de spuisluizen ook nog, die stonden toen op de plaats waar nu de Riensluis is. De dam aan de overkant leek nu te bestaan uit twee dammen en in de haven was nog maar een stromend slootje overgebleven.

De jongens de Blaauw, lagen altijd midden in de haven, en moesten toen ze binnen kwamen tegen stroom en wind in laveren, wat natuurlijk heel moeilijk ging. Na veel moeite kwamen ze aan het eind van de remming. De oude Jan, doet zijn handen aan de zijkant van zijn mond en begint te brullen, bij het "skiethuske", bij het "skiethuske", daar moesten ze bij uitzondering gaan liggen. Ze hadden ook nog maar weinig haring in de beug. De andere dag was het weer alweer beter, en met die kou bleven de haringen toch wel goed, het werd dan een dubbel schot, zoals dat genoemd werd als de beug twee dagen in zee stond.

We gaan nu weer even terug in de tijd, naar 1907... Jan de Blaauw, zijn zonen werden groter, en Jan wilde er wel een tweede aak bij hebben. Op 10 juli 1907 gaf hij opdracht aan de Gebr. de Boer, om een grote Lemsteraak voor hem te bouwen. Het zou de grootste van de vloot worden. Ik denk zo'n 50 voet, in maart 1908 werd hij afgeleverd. Het was een mooi schip. Maar erg groot voor de Lemsterhaven. De wind waaide driekwart van het jaar uit het zuidwesten of westen, dan moest er altijd de haven uitgelaveerd worden.

Bij het haring of ansjovisvissen, zat er nog een grote vlet achteraan. Nee alles was te zwaar, grote zwaarden en zeilen en alles moest in die tijd met de handen gebeuren, dat ze kregen er in 1912 waarschijnlijk genoeg van. Want op 24 december 1912 ging Jan, weer naar de Gebr. de Boer, om een wat slankere aak te bestellen. De tweede LE 8 kwam in 1913 klaar. Dat was een mooi schip was 45 voet lang en was handzamer. De grote LE 8 werd verkocht aan Lub Bakker, uit Urk, ik heb hem later nog wel eens in Lemmer gezien, als Lub Bakker passagiers aan boord had voor de pleziervaart, iets wat je in die tijd niet veel zag.

Een Enkhuizer, had in die tijd ook een mooie aak, die hij verhuurde, maar die had een roef, de eigenaar hete Goos. Hij had een kruidenierswinkel in de haven van Enkhuizen, waar de Lemsters vissers in de ansjovis tijd hun inkopen deden. Zoon Gerrit, is vermoedelijk in 1913 getrouwd met Jeltje Wagter, uit Wolvega, en is in datzelfde jaar voor eigen rekening begonnen te vissen met een mooie aak, ook gebouwd door de Gebr. de Boer, de LE 67 45 voet lang, kon wat zeilen betreft goed meekomen. Ik heb ze nooit anders gekend als woonachtig aan de Visserburen. De oudste zoon Jan, was in die tijd schipper op de LE 65. Andries, was in die tijd de schipper op de LE 8 met zijn broer Lieuwe.

Verder werden de bemanningen aangevuld met knechten. Gerrit en Andries, waren tweelingbroers, maar leken niet veel op elkaar. Als je het wist kon je wel zien dat het broers waren, maar hun naturen hadden wel veel punten van overeenkomst. Jongste zoon Lieuwe, was getrouwd met Tjitske Brandsma. Hun zoon Jan, met zijn vrouw, een nicht van mij, komen een enkele keer bij ons, soms op doorreis naar tante Ansje, in Purmerend. Ze hadden het een keer over Ome Willem en Tante Aaltje, en wat bleek, Willem was een zoon van Koenraad de Vries en Akke Zijlstra, waar ik al eerder over heb geschreven en tante Aaltje, was een dochter van Jan de Blaauw. Heb ik al niet eens eerder geschreven dat alle Lemsters van vroeger van elkaar verwant zijn.

Dan was er een dochter Elizabeth, die heb ik nauwelijks gekend. Ze was getrouwd met Tiede Wassenaar, en ze woonde in St. Annaparochie, dan was er een dochter Fokje, die is altijd ongetrouwd gebleven, evenals oudste broer Jan en Andries. Roelofje, was getrouwd met Gooitse de Jong, die was timmerman aannemer in Lemmer, bij velen van U nog wel bekend. De jongste dochter was Antje, de enigste nog in leven zij woont in Purmerend, is 86 jaar en het koppie glas helder. We vinden het fijn als ze een enkele keer bij ons komt praten en dan vanzelf over het oude Lemmer.

Haar dochter Hielkje, die in Amsterdam woont, komt haar dan brengen. Haar man Cornelis de Beer, is helaas vorig jaar overleden. De ouderen onder U kennen de Beer, nog wel. Ze woonden naast W.A.F. Koopman, waar later Lemstra, een groentehandel had. Een broer van Cornelis, had een kwaal en kon daarom niet op het water, hij dreef een winkel in dat pand, meest snoep.

Vader de Beer, had een aak met een roef. Die werd gehuurd door de Visserij Inspectie. Visserij Inspecteur de heer Klein, was wekelijks op stap met de Beer. Van zijn beroep uit, moest hij eigenlijk de vijand van de vissers zijn, maar iedereen respecteerde hem, omdat hij een beschaafd zacht mens was. Een keer, het was in het ansjovisvissen seizoen, lag een gedeelte van de Lemstervloot, in de haven van Urk. Ze gingen 's morgens tegen het dagen naar zee, en moesten het licht voeren op de kop van de schepen, maar je weet hoe dat gaat, het is zo dag en het is de moeite niet meer waard. Maar Klein, zat op het eind van de havenmond, en ze kregen allen een bon. Maar dat werd sportief opgenomen. Zo, U heeft kennis kunnen maken met de oude visserfamilie Jan de Blaauw, zijn vrouw en negen kinderen. Op een enkele na, ken ik de klein kinderen niet, maar ze zullen het wel leuk vinden als ze dit lezen.

Koenraad de Vries en Akke Zijlstra.

Dit keer een verhaal over een oude Lemster-familie, die geen visserslui waren, maar wel een familie die het waard is, dat er een verhaal over wordt geschreven. Op bijgaande foto staat het echtpaar Koenraad de Vries, geboren 1864, overleden in 1936, zijn vrouw Akke Zijlstra, geboren in 1866 en overleden in 1936.

Akke was een zus van Minze Zijlstra, de snelle insimmer in de baan van Jan Pen. Pietje Propsma-Zijlstra van de Oude Sluis, was dus een oom en tante zegger van Akke en Koenraad. Dan weet U zo'n beetje over welke familie ik het heb.  Ze woonden in het brede gedeelte van de Potterbakkersteeg. Met als buurman gemeenteveldwachter "Tsjinder Bosma". Nu is alles al afgebroken. Ik kwam er als jongen wel eens spelen met vriendjes, waaronder Anne de Vries, Poppe Bootsma (Tuinstraat 3) en Jan Rippen, die woonde daar tegenover.

Zijn vader was machinist op de Groningerboot. Dat is al lang geleden, zo in de jaren 1908 - 1910. Waarom ik nu over de familie de Vries, schrijf zal ik U vertellen. Het was een armoedige tijd en kinderbijslag was onbekend, als je één kind had of tien, de inkomsten waren hetzelfde. Dus U begrijpt wel dat in een opgroeiend gezin, al had je vast werk, schraalhans keukenmeester was.

Koenraad was een vakman op de toenmalige stoomhoutzagerij van de familie Sleeswijk. Maar hij was een werkman, die zich niet neerlegde bij de toestanden die er toen heersten. Dat een arbeider meestal in een één kamerwoning moest wonen, en meneer Sleeswijk, in een paleis aan de Nieuwburen, met een deur die een vesting niet zou misstaan.

Het zal ca. 1912 zijn geweest, dat Pieter Wouda (Pieters Antje) die zijn hele leven op de houtmolen had gewerkt, maar toen hij te oud werd, zo op straat werd gezet, en toen zijn hand moest op houden om het hek bij Wierda, open en dicht te doen, voor de boeren en dan 1 of 2 cent kreeg. Geen cent pensioen. Om die toestanden te verbeteren was Koenraad, een van de eerste socialisten in Lemmer. Hij was natuurlijk een drank bestrijder en om de arbeiders op een hoger cultureel peil te brengen, was hij ook mede oprichter van Muziekvereniging Excelcior, naar ik meen te herinneren had hij ook een medestander in Hielke Lemstra, die ook op de houtmolen werkte, wiens enig levende zoon Bertus nog in Stavoren woont.

Dat was ook een man die wist wat hij waard was. Er was in die tijd een grote moed voor nodig om voor je principes uit te komen, want je moest niet raar opkijken, als je in die tijd op de keien werd gesmeten door je broodheer, als je je mond open durfde te doen. Dus alle respect voor die mensen van het eerste uur. Koenraad en Akke, hadden zeven kinderen, wat in die tijd niet veel was, meestal was het in die tijd negen of meer kinderen.

De oudste was Willem dan Wibbigje, roepnaam Wim, Tietsje, zoon Anne, dan Froukje en Meintsje en dan de jongste Menze. De kinderen hebben het in de maatschappij goed gedaan. Allen hadden een eigenwaarde van vader en moeder meegekregen. Willem de Vries, was getrouwd met Aaltje de Blaauw, een dochter van Andries de Blaauw, uit de Schans en was timmerman. Wibbigje (Wim) was getrouwd met Gosse van der Gaast, waarover straks meer. Tietsje, was getrouwd met Jan Klaver. Ik ken ze nog dat ze verkering hadden. Jan was bij de PTT en was lang voor die tijd 1.95 meter.

Hij was bij Jan Hofman, in de kost, die conciërge was op het gemeentehuis en legde altijd nieuwe papierrollen, in de automatische pijlschaal van het oostelijke sluishokje op de sluis. Hij had ook nog een kruidenierswinkel aan de Prinsessekade. Jan Klaver, heeft ook door zelfstudie een behoorlijke positie bereikt bij de PTT. Zijn laatste standplaats was Den Haag, waar zijn vrouw nu nog woont, zij is al 87 jaar. Zoon Anne, was getrouwd met Ria Nijmeijer. Anne was machinist, later op de IJ ponten in Amsterdam.

In de tijd dat ik sluismeester was in Amsterdam, trof ik hem nog wel eens. Hij was toen controleur van de gemeentelijke IJ-ponten, en is verleden jaar overleden hij is 78 jaar geworden. Froukje, is Lemmer trouw gebleven en getrouwd met de bekende Pieter Wagenmakers (Pieter de klokkenmaker) ook PTT-er. Meintsje, was getrouwd met Klaas Vos en woonde in Groningen. De jongste zoon Menze, was getrouwd met Afke Bruinsma, uit Sneek en ze woonden in Den Haag. U zult wel denken er staat steeds: was getrouwd, maar alleen Tietsje en Meintsje, zijn overgebleven en de aangetrouwde Pieter Wagenmakers, Ria Nijmeijer, en Afke Bruinsma. Zo gaat dat in het leven.

Zo kregen we drie jaar geleden ook Tietsje Klaver-de Vries op bezoek, met haar nicht Y. Aafjes Gaastra, die nu in Avenhorn, woont die haalt haar dan op met de auto uit Den Haag. Ik doe de deur open en daar staat een lief dametje, keurig verzorgd en ze zei "Siz mar Tietsje jer" ik herkende haar direct, al had ik haar misschien in geen 55 jaar gezien. Het ijs was zo gebroken en we hebben uren gezellig gesproken, meestal over het oude Lemmer. Zoveel oude foto's en kranten knipsels uit de Lemster krant.

Ook nog van Jan Kokje. Ze vertelde dat ze vaak op bezoek kwam, bij nazaten van de vroegere hangbaas Poppe de Rook, t.w. Dr. Henny de Rook, Lies de Rook, U weet wel die als enigste vrouw de 2e maart 1929 met nog 8 mannen op de schaats naar Amsterdam, zijn gereden en op 3 maart weer terugreden naar Lemmer. Op 4 maart begon het te dooien. Die zijn nu 89 en 96 jaar oud. Ze is dan wel een beetje moe, wat een sterk ras!. Dan is er nog een zus Griet 96 jaar, die loopt nog elke dag 5 kilometer.

Y. Aafjes van der Gaast, is verleden jaar weer geweest en nam 43 verhalen mee van haar vader Gosse van der Gaast, die in 1968 en 1969 in de Zuid Friesland had geschreven. Ik heb Gosse van der Gaast, niet gekend. Hij was zeker al jong de Lemmer uit. Maar zijn vrouw Wim, kan ik mij heel goed herinneren. Zij was een mooi meisje. Uit de verhalen te lezen heb ik de indruk dat van der Gaast, een intelligent man was. Zijn eerste verhaal in de Zuid Friesland, begon er mee dat Gosse als 12 jarige jongen op de houtenhelling, van de Harm de Boer, met werken begon. Zijn eerste karwei.. een houten strontpraam schoonmaken, waar de drollen nog in dreven. Nu was het zeker de gewoonte dat de knechts een fooitje voor zo'n vies karwei kregen, toen het werk die dag was afgelopen, zeiden de grote knechts tegen hem "jouw deel zit in je zak Gosse". Gosse, trekt zijn jack aan en zat nieuwsgierig in zijn zak voelen. Ze hadden er een grote drol ingedaan, zo ging dat vroeger als je als jongste begon. Wim de Vries en Gosse van der Gaast, hebben 3 kinderen gekregen en ze wonen in Utrecht.

Twee dochters zijn beiden met een huisarts getrouwd, mevrouw Aafjes van der Gaast, haar man is helaas overleden. De zoon Koenraad, is ingenieur, geb.1923 ovl.1993 K. van der Gaast, architect bij de spoorwegen en zijn vrouw Sonja van der Gaast (bakker Schut) beweegt zich in de politiek, en zit in het partijbestuur van de P.V.A. wat zou de oude Koenraad, trots en blij zijn geweest als hij dit allemaal zou hebben meegemaakt, maar daar is een mensenleven te kort voor.

Afdruk van: www.paulwagenaar.nl

Het bewogen leven van een Lemster visser in vroeger dagen.

Het echtpaar Jan en Akke Visser.

 

Ook Akke Visser, hielp haar echtgenoot regelmatig bij het schoonmaken van de netten. De 2e persoon van rechts is Akke Visser-Koornstra, met naast haar (derde van rechts) haar man Jan Visser. 

Lemmer/Bolsward: Jan Visser en Akke Visser-Koornstra, vierden dinsdag 26 maart jl. in kleine kring het feit dat ze die dag 60 jaar getrouwd waren. Veel Lemsters kennen hen vast nog wel, het resp. 84 en 83 jaar oude echtpaar, dat momenteel in het bejaarden verzorgingcentrum "Bloemkamp" in Bolsward woont. Jan Visser, stond in Lemmer bekend onder de bijnaam "Jan mei de sinten". Samen met zijn vrouw Akke, leidde hij een vissersbestaan in Lemmer en Makkum. Over alles wat hij in zijn veel bewogen leven mee maakte, kan Jan uren lang vertellen.

Jan Visser.

Jan Visser, werd in 1901 geboren als dertiende kind van Jan en Jantje Poepjes, toen hij elf jaar oud was ging hij met zijn vader naar zee. De Lemster vissersvloot bestond in die dagen uit zeilschepen. Visser: "ik voer een half jaar mee, en was ook een half jaar lang zeeziek". De 84 jarige Visser, herinnert zich nog als de dag van gisteren, hoe zijn vader hem van boord stuurde met de woorden "Gean mar nei dyn mem, en sjoch mar da'st bei de skoanmakker komme kinst"

De kleine Jan Visser, echter kwam bij groenteman en vishandelaar Berend Bruin, uit de Schans, in dienst. Hij werd aangenomen voor een salaris van f 1,- gulden per week. De eerste dag dat Jan, voor Berend Bruin, ging werken, werd hij op pad gestuurd met kistjes gevuld met stro - bokkingen. Eén kistje met 100 stuks, moest aan de man worden gebracht voor twee kwartjes. Nog voor etenstijd had Jan, vijf kistjes verkocht. Zo verkocht hij in een halve dag voor f 2.50,- en dat terwijl hij maar één gulden zou krijgen per week. Dat zag Jan, helemaal niet zitten. Dat handelen kon hij zelf ook wel. Zo kwam het dan dat de bijna 12 jarige Jan Visser, slechts een halve dag in dienst was van Berend Bruin. Dan maar weer met vader de zee op.

Houtmolen.

In 1918, toen hij 17 jaar oud was, was de visserij volgens Jan Visser "Striemin". Vandaar dat hij aan de slag toog op De Houtmolen in Lemmer. Dit was voor hem een waar rampenplan. Hij kon de dagen bijna niet om krijgen. Na het werk en op zaterdag en zondag was Jan Visser, altijd aan boord van de Vissersboot, van zijn vader te vinden. Op een dag er woei een harde bries over de Zuiderzee, zag Jan Visser, vanaf de zolder van De Houtmolen, twee schepen voor de wind aan komen zeilen. Er ontstonden moeilijkheden en er ging een vrouw overboord. Zonder ook maar een seconde na te denken, liet Jan, zich bij de loods neerzakken en sprong aan boord van het bootje, dat net zou uitvaren om hulp te bieden. Met man en macht werd gewerkt, om de vrouw aan boord te krijgen, en de schepen te helpen. Dit gelukt wonder wel. Visser: "Toen ik terug kwam op De Houtmolen, die zich dicht bij de buitenhaven bevond, bleek dat niemand hem had gemist".

Schouw.

Drie jaar lang werkte Jan Visser, op De Houtmolen. Hij spaarde in die tijd f 800,- bij elkaar. Zodat hij een eigen Schouw kon laten bouwen. Die koste f 1.640,- Toen zijn eigen vissersboot klaar was, lachten zijn kameraden hem uit. Er was in die tijd namelijk wel veel vis, maar die werd slecht betaald. De spiering bracht in die dagen 2 cent per pond op. Door echter samen te werken en hard te ploeteren, lukte het Jan Visser, toch per dag soms wel voor tien tot twaalf gulden aan handel binnen te brengen. Na twee jaar te hebben gevist besloot Jan Visser, in het huwelijk te treden met Akke Koornstra, de dochter van "Jan mei it bottertsje" die hij al van zijn 15e kende. Akke, was als dienstmeisje werkzaam geweest bij bakker Haveman, in Lemmer, en een drietal jaren bij een familie in Haarlem.

Trouwen.

Akke, was 22 jaar oud toen ze trouwden en Jan, 23. Ze kwamen te wonen in het Achterom. De dag na de bruiloft zou Jan, thuisblijven van zee. Age, van Jan van Bouke, zou een paar dagen samen met mijn schoonvader mee naar zee. Het was echter slecht weer. Toen ik vanuit het Achterom, naar de haven liep om even een kijkje te nemen, kwam ik mijn maat Bouke Tijsseling, tegen. Die vertelde mij dat Age, niet mee durfde, omdat hij mijn schip te klein vond. Bouke en ik besloten ondanks de storm toch het water op te gaan. Dan maar geen vrije dag. Met twee reven in het zeil deden we drie streken. En wat voor streken. Ik kwam die eerste dag na mijn trouwen met een kapitaal van f 63,- thuis. En dat terwijl we anders amper voor f 30,- gulden per dag binnen haalden. Zo'n dag vergeet je echter nooit weer.

Gean do mar wer nei jim mem.

Datzelfde geld voor wat Akke Visser-Koornstra betreft, dat was toen ze haar man vroeg de schoorsteenpijp even schoon te maken. Jan, pakte de kachelpijp met beiden handen op, en slingerde het ding midden in de schone kamer van hun keurig ingerichte huisje, over zijn schouder. Het gevolg was, de hele brandschone kamer onder het roet, en zijn vrouw in alle staten. "Gean do mar wer nei jim mem" riep Akke, haar kersverse echtgenoot toe. De reactie van Jan Visser, op dit voorval: "Ja Akke wie ek alyd sa skietskjin".

De Friesland.

Toen ze goed anderhalf jaar getrouwd waren, ontdekte Jan, tijdens een schaatstochtje een ijsbootje, met zo'n bootje voorzien van glij-ijzers kon men ook in de winter open water bereiken, waardoor er gevist kon worden, zodat er toch nog wat te verdienen viel. Het bootje was van een helling baas uit Mildam. Jan Visser, kon het scheepje kopen voor 50 gulden van hem. Nu hadden Jan en Akke, wel 70 gulden in huis, maar de huur moest ook binnenkort betaald worden. En een inkomen was er in de winter niet. Met dat ijsbootje zou het alleen maar beter worden. Akke Visser, die nog steeds een goed contact had met haar oude werkgever de heer Haveman, kon zonder problemen de 50 gulden lenen, en zo kon de ijsboot worden aangekocht. Met deze ijsboot kwamen Lemster vissers in 1928 de bemanning en passagiers van de Lemmerboot "Friesland' te hulp toen deze in het ijs was vastgeraakt.

Bot.

In de zomer van 1928, was er volgens Visser veel bot. Samen met Steven, ook wel 'De Slide' genoemd verhandelde Jan Visser, de Zuiderzee-bot, die ze hadden gevangen in Sneek. Visser: "De bot ging voor 3 cent per pond weg. De vrouwen in Sneek waren er gek op. 150 kilogram waren we in een mum van tijd kwijt". Omdat ze de vis keurig ontdeden van ingewanden etc, voor ze aan de vrouwen werden meegegeven, nam het verkopen relatief veel tijd in beslag. Hierop hadden Jan en Steven, echter snel iets opbedacht, "Die 't de fisk sels tamakket giet foar" riepen ze al van verre. Zo nu en dan werd het schoonmaken van de bot, even voorgedaan en binnen de kortste keren kon heel Sneek bot schoon maken.

Makkum.

Toen in 1932 het laatste gat in de Afsluitdijk werd gedicht en de Zuiderzee IJsselmeer werd, was zoals Jan Visser beschreef "De put uit" de visserij bij Lemmer. Er moest door veel vissers worden omgekeken naar andere bestaansmogelijkheden. Jan en Akke Visser, besloten zich te gaan vestigen in Makkum, om zich daar te richten op de IJsselmeer-visserij. Zo was Jan, de eerste man in Lemmer, die deze stap nam. Er zouden er meer volgen, o.a. Andries Koornstra, Ale van der Bijl en Janus Koornstra, 25 jaar woonde en werkte Jan, in Makkum. Waar hij de eerste jaren net als Akke, ontzettend last van heimwee had.

Voor als  hij 's morgens in alle vroegte alleen over de haven naar zijn boot liep, dacht hij vaak met weemoed terug, aan de gezellige dagen waarin hard gewerkt moest worden in De Lemmer. Na zich in Makkum, in eerste instantie met de haringvisserij te hebben bezig gehouden, moest Jan Visser, toen er geen haring meer was, het roer omgooien en zich richten op zoetwatervis als snoekbaars. De vis werd in Makkum, waar in die tijd een begin werd gemaakt met de afslag, in eerste instantie op straat met de mond worden afgeslagen. Export kende men in die dagen niet en de belangstellenden waren daarom vlot voorzien van vis. De snoekbaars die soms wel met 1000 tot 1200 pond werd aangevoerd, bracht slechts 4 cent per pond op.

Zonnehoekje.

Het huis dat Jan en Akke, in Makkum, hebben laten bouwen werd het "Zonnehoekje" gedoopt en had een prachtig uitzicht over het water. Jan Visser, zag vanaf de bovenverdieping vrijsnel dat er onraad was op zee, en kwam zo met zijn vissersboot, menig in noodverkerend schip, en in latere jaren veel zeilschepen te hulp.

Oorlog.

Toen in 1940 de oorlog uitbrak, vluchten de familie Visser, voor de Duitsers naar Hindelopen, waar ze in de eerste oorlogsdagen een kleine week doorbrachten in een lege boerderij. Na de capitulatie van Nederland, keerden Jan en Akke, weer huiswaarts. In Makkum, troffen ze in de haven drijvende auto's aan, en Duitse soldaten die het als spel zagen handgranaten in het water te laten ontploffen. Waarna er honderden dode visjes kwamen bovendrijven. In hun woning aan het water ving het echtpaar Visser, talrijken evacués uit Holland op, die vaak onder de luizen zaten, als ze na een barre tocht in Friesland arriveerden.

Nooit vergeten Jan en Akke, de dag vóórdat Makkum werd bevrijd. Met de Canadezen in zicht, vond Jan Visser, het maar beter om de hele familie, zijn vrouw, pleegdochtertje en de evacués, naar de kelder van de woning te laten gaan. Het zat er volgens hem dik in, dat ze de brug vlakbij hun woning zouden opblazen. Eenmaal in de kelder herinnerde Jan, zich echter, dat alle ramen van hun woning nog open stonden, hij snelde naar boven om ze te sluiten. Jan: "Ik had het kozijn nog maar amper vast, toen ik ineens een enorme klap hoorde en meteen daarna verblind was.

Ik zag werkelijk helemaal niets. Op handen en voeten ben ik naar de kelder gekropen. De granaatscherven zaten in mijn blauwe kiel, ik had goed geluk gehad". De volgende dag hoorden we, dat de buurman de dood had gevonden, en we bevrijd waren. Vanwege het vele schieten vonden we het toch verstandig om te vluchten. Met onze buren en een stel vrouwen, die in de oorlog veel bij de Duitse soldaten waren, doken we onder. Met z'n allen werden we naar de hooizolder gebracht. Daar verscheen nog dezelfde avond de ondergrondse. Alles en iedereen moest van boven komen. Met gemak selecteerden de mannen van de ondergrondse, de Duitse hoertjes, uit het gezelschap die meteen werden kaal geschoren.

Onwennig.

Hier was hij echter de eerste jaren even ongelukkig, door heimwee als de eerste jaren in Makkum. Nu echter was het geen heimwee vanwege zijn woonplaats, maar omdat hij het drukke vissersbestaan enorm miste. Als compensatie begon Jan, te knutselen. Hij maakte vele tientallen voetenbankjes, tafels, kapstokken etc. Ook legde hij zich lange tijd toe op het kweken van kanaries. Jan Visser, was zelfs de eerste voorzitter van de 'Lemster Volière' vereniging. Vanuit de Bantegastraat, waar momenteel hun dochter Jannie en haar man en kinderen wonen, verhuisden Jan en Akke, naar hun woning aan de Emmakade, die eveneens "Het Zonnehoekje" werd gedoopt. Hier woonde het echtpaar een kleine 20 jaar lang, tot ze in 1981 naar Bolsward gingen.

Links, het schouwtje dat Jan Visser, rond 1920, liet bouwen en waarmee hij op de Zuiderzee, voor Lemmer viste.

 

Langs de haven in oude tijden.

Zo langs de haven, was vroeger altijd wel wat te beleven, als je schooljongen bent, maken veel dingen en gebeurtenissen een diepe indruk op je, omdat je nog een onbeschreven blad bent. Als je later gaat nadenken over gesprekken en gebeurtenissen van oudere mensen, zie je er nog vaak een humoristisch kant aan zitten.

Zo stond ik er als jongen bij, dat een clubje vissers hevig aan het debatteren was over het geloof, en praten, dat konden ze hoor op de haven en onder de hoek. Zo was alweer Andries Blaauw, die was buitenkerkelijk, in debat met Jelle Kalsbeek, die gereformeerd was. Ze waren allebei goed thuis in het onderwerp, en de discussie laaide soms hoog op, er werden dingen gezegd, die ik nu nog niet voor mijn rekening zou willen nemen. De bijbel en de teksten, daaruit werden veelvuldig gebruikt, en zoals het altijd gaat, ze kwamen er niet uit. Toen kwam in de discussie de stad Jeruzalem voor. Jelle van Betsje (Koornstra) draaide zich om, en ik hoor hem nog zeggen "Here mijn tijd, nu heb ik toch altijd gedacht dat Jeruzalem in de hemel lag".

Het was zowat in 1907, dat mijn vader een nieuwe knecht aannam, voor het haring en ansjovisvissen, een zgn. derde man, want ome Teade, was altijd eerste knecht. Hij heette Zwarte Jan, en woonde in Gaasterland, hij was dacht ik toen 18 of 20 jaar oud. Vader was gewaarschuwd, dat hij zo veel kon eten, dat hij niet te verzadigen was. Maar vader zei "Daar weet ik wel wat op, ik laat hem net zoveel vet eten als hij op kan, dan zakt dat vele eten wel af". Het bleek, dat hij zijn portie wel op kon, want hij bleef ook zondags wel eens bij ons thuis eten. Hij was kameraad met ome Leeuwke, die woonde nog bij zijn moeder thuis, die aten dan wat later, en daar begon hij van voren af aan. Maar vader zei altijd "Beter voor de bakker dan voor de dokter".

Zwarte Jan, had ook een fiets en die waren er in die tijd maar weinig. Hij ging dan meestal zondagmorgens op de fiets naar Gaasterland en dan mocht ik mee rijden op de stang, wat toen een belevenis was. Op de stang tot aan het 'Witte húske' want daar moest ik terug lopen, dat was voor een zes jarig jochie, toen een heel eind. Ik denk dat Zwarte Jan, hij hete Wierda, een broer was van Gosse Wierda, die kolenhandelaar was en dat de defensie specialist kolonel b.d. Wierda, een zoon was van Zwarte Jan.

Een jaar of mogelijk twee jaar later, was Zwarte Jan, derde man bij Andries de Jong (pippie) op de LE 42. Op een dag had hij ruzie met Andries, waar het over ging weet ik niet, maar er was al gauw, zoals dat ging, veel publiek om heen, en dat was bekvechten, en de mensen erom heen, ze maar tegen elkaar op hitsen, opeens was het lachen geblazen, want Zwarte Jan zei, "Ja je bent een beste vent, je smeert tien keer boter op je brood, maar de elfde keer haal je alles er weer af". Er werd bijna het hele jaar aan boord gegeten en het was een publiek geheim, waar de slechtste of beste kost werd gegeven, alhoewel dat meestal vis was.

Zo was mijn vader, toen hij jong was, knecht bij een schipper, die was nog familie ook, daar was een zoon aan boord, die eerste knecht was en dat was zo'n chagrijn, dat het brood wat 's morgens werd meegenomen naar zee, daar kerven ingesneden werden, zodat de sneden brood te tellen waren. Zelfs als ze dan thee hadden gedronken, ving hij een vlieg en deed die in de suikerbus. Was de vlieg weg, dan had men aan de suiker gezeten, buiten het rantsoen om.

Zo was er altijd wel wat. Op een keer sta ik bij het 'botwegen' te kijken, er stonden twee driepoten waaraan een flinke evenaar om bot te wegen, bij het 'Skiethúske' De kopers en ontvangers waren, Klaas Sterk en Durk Bosma, er stonden nogal wat mensen bij te kijken. Wat er geweest was weet ik niet, maar ineens was er een grote vechtpartij, ik zie Klaas Sterk, en dat was een driftkop hoor op Durk Bosma, afkomen met een zwart kilo gewicht in z'n vuist, en geeft Durk, daarmee een klap op zijn voorhoofd, dat het bloed er uitspatte.

Ineens lag een kluwen mensen te rollen en te vechten over de keien. Ik stond erbij dat Bertus de Jager, van de rokerij een ander te pakken had en hem vroeg: "Wie help jij nu mee"? Ze bleken medestanders te zijn en lieten elkaar los, maar messen werden er nooit getrokken, alles werd met de mond en soms met de vuist afgewerkt.

Dan had je Renze van Bouk, ook zo'n kleurrijk figuur wat woorden betrof, zonder het zelf te weten. Hij had een klein aakje en was een botvisser met zijden netten. Hij had ook een geit, die was altijd bij hem en hij praatte met de geit of het een mens was. Ging hij 's middags naar huis om te eten, de geit achter hem aan en die sprong net als Renze, bij de muur neer in de Benedenschans.

Op een middag moest een zoontje met de geit naar de bok, een klein geitje erbij leek hun wel leuk. Afijn, na het eten ging Renze, bij de muur op klimmen en zoon lief met de geit aan een touw op weg naar de bok. Renze, maakte van zijn handen een toeter en schreeuwt op zijn Lemsters, "denk erom dat hij het goed doet hoor want het kost zeven stuivers"! Zijn ligplaats was altijd achter in de haven in de luwte van de taanboom van Jan Haagsma. Maar op een keer moest de walmuur gerepareerd worden en moest Renze, aan de gorring (remming) liggen en dat zinde hem maar matig. Een collega vroeg of het voldeed aan de remming, waarop hij zei "Praat me er niet van, ik lig liever met een dikke kelere (cholera) achter de bom dan gezond aan de gorring".

En dan hadden we nog Pieter de Lieger, die kon smakelijk vertellen en liegen of het gedrukt stond. Hij had altijd een ploeg trouwe toehoorders om zich heen en woonde op het andere end. Ik stond er wel eens bij, dat hij het volgende vertelde: Er was in het stinkhoekje, dat was daar waar vroeger de tramhaven begon een zeehond aangespoeld, deze was blijkbaar pas gestorven en Pieter zag er wel brood in, want een zeehond werkt nogal op de fantasie van de mensen. Hij had of leende een licht karretje en lade de zeehond er op, een zak er overheen en hij Gaasterland, in en overal waar mensen waren, mochten ze de zeehond zien voor 5 centen, Pieter ging er fantastische verhalen bij vertellen. Nu lijken 5 centen niet veel, maar toen kon je, je haar er voor laten knippen bij Hulscher in de Schans. Afijn hij is bij het Rijsterbos, vertelde Pieter en hij moest van de broek af, liep daarvoor een bospaatje in. "Ik ben klaar en ga overeind, schrik me rot, geef een schreeuw, wat dacht je zit ik met m'n kl........in een hazestrik"! De mensen krom van het lachen en Pieter voldaan.

Dan hadden we onder de hoek nog een echte verteller, A.M. de Jong, dat was Roelof van Slageren, die woonde alleen in een klein aakje op de LE 31. Die viste nu echt om te leven en leefde niet om te vissen. Hij was een hartstochtelijk lezer van boeken en viste niet eerder dan zijn geld op was.. en hij had niet veel nodig, want hij leefde sober. Hele bibliotheken heeft hij uitgelezen en kon daar mooi over vertellen onder de hoek. Maar om acht uur ging hij altijd zijn bootje op zoeken. Hij had altijd een aandachtig gehoor om zich heen, en ik stond er een keer bij, het zal ongeveer 1912 zijn geweest dat Roelof, in boeken had gelezen dat er in de toekomst een apparaat zou komen, dat je zo door de lucht kon praten door middel van ethervonkjes, en je elkaar ook nog op een plaatje zou kunnen zien. Niemand geloofde er wat van, maar Roelof, zijn voorspellingen zijn uit gekomen.

Een jaar of wat later kwam er een kleine revolutie in Lemmer, want er kwam een politieverordening, en die hield in dat mensen, zich niet meer onder 'De Hoek' mochten ophouden, noch op brugleuningen zitten, wat toch dé geliefde plekjes waren en Doede Kok, hield er nogal streng de hand aan, maar de oude Jan Vleer, vertikte het om onder de hoek weg te gaan. Hij kreeg een bekeuring, "Hij zei ik wil wel eens zien of ze een oude man van 80 jaar in de bak stoppen", en betaalde geen boete. Het liep tegen de tijd dat ze hem zouden komen halen, toen heeft zijn zoon de boete maar betaald.

Het was ongeveer 1916, dat er bij Ameland een zeeboot, was gestrand die grotendeels geladen was met vaten wijn van het merk "Westhalheta" De Amelander jutters, hadden vaten bij vaten begraven in de duinen, en een Amelandersloep trok langs de kusten van de Zuiderzee, om de wijn te verkopen voor 40 cent per liter. Het had gretig aftrek zoals te begrijpen is, het was erg lekker, maar wel koppig. Het werd gedronken, langs de haven als was het slappe thee en de uitwerking was al gauw te merken. Langs de haven, liepen verscheidene lallende en zingende mensen langs de kant. Het was in het ansjovisvissen seizoen en de netten lagen in de schuiten, toen er iemand van de wal sprong op de kurken van de netten bij Aant Toering, dat het flink kraakte. De indringer en Aant, waren al gauw slaags, maar de rel liep weer zonder verwondingen af.

In Vollenhove, moeten er mensen zijn geweest, wiens magen leeg gepompt moesten worden. Mijn vader had een mandfles, waar wel tien liter in ging, gekocht en als we dan een zwarte haalder hadden gehad, kregen we soms wel een eens half kopje, als we in de haven lagen. Het was misschien om dezelfde tijd dat we met de aak voor wal lagen. Wij en de meeste andere schippers jongens, sliepen altijd aan boord. Het was zondagmorgen, je kreeg niet teveel slaap en je wou wel eens uitslapen, maar toch als het zo'n uur of tien was, schaamde je je wel een beetje, als je zo laat uit kooi kwam, als er mensen op de wal stonden te praten. Je wachtte soms dan wel even tot ze weg waren.

Zo stonden in het begin van het haringvissen, twee vissers te praten, de een was Aant Toering, die toen eerste knecht was bij zijn vader Willem Toering. Ze hadden een nieuwe derde man en dat was Obbe Poepjes, aangenomen. De andere visser vroeg aan Aant, hoe de nieuwe knecht voldeed. Nou zegt Aant, het is wel een flinke vent, maar hij wast zich 's morgens en dat was in de ogen van Aant, geen pluspunt. Dat waren dan weer de belevenissen van een oud Lemster om en langs de haven. Ik hoop dat de oudere zich een beetje betrokken hebben gevoeld, bij vernoemde gebeurtenissen.

 

Wiep Visser.

 

Wiep Visser.

 

Dan is Wieberen, aan de beurt, voor zover ik weet is die nooit getrouwd. Dat is dan dezelfde Wiep, waar Evert, altijd zijn wandelingen mee door Lemmer maakte, ook hij was visserman. Dan komen er drie dochters, Boukje, ken ik nog wel als meisje, toen ze veel met Wieb, van buurman Johannes Visser, speelde. Ze is naderhand getrouwd met Koehof, ze wonen nu in Amsterdam. Ter nagedachtenis aan mijn moeder, Baukje Visser

Hielkje, trouwde met ene Evelaar en wonen in Roden. De jongste van de drie was Clara, zij trouwde met Paulus Meester, die ik persoonlijk niet ken.

Nu belde een poosje geleden mij een oude vriendin, Tytsje Klaver de Vries, ook negentig of er tegen aan. Zij is een nicht van Pietsje Propsma-Zijlstra, wier vader een broer was van Tytsje, haar moeder. Pietsje Propsma, had een zeer bekende tabakzaak aan de Sluis nr 1. Zij is op 84 jarige leeftijd overleden, zij was weduwe van Jurjen Propsma. Tytsje, is zo'n echte lieve vrouw, ze woont in een bejaardenhuis in Den Haag, in dat bejaardenhuis wonen ook drie nazaten van Poppe de Rook, de vroegere Hangbaas en zijn vrouw Judikje Van Gulik, geboren te Vollenhove. Grietsje, de oudste is 96 jaar geworden. Dr. Henny de Rook, is meen ik 92 jaar geworden. Mr.dr. H. Luiking, uit Naarden, heeft destijds nog een memoriam, in de Zuid Friesland, geschreven. Maar Lies de Rook, met haar 94 jaar is er nog.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.