Beste Lemsters en oud Lemsters. Ik vind het prettig dat er een schrijfster van stukjes in onze krant is bijgekomen. U zult wel begrijpen dat dit slaat op mevr. K. Klaver - de Jong. Nu vermoed ik dat de K. een Kaatje zal zijn, vernoemd naar haar grootmoeder Kaatje Feenstra. Dan is zij een dochter van, zoals ze haar moeder aanduidde Geesje de Jong Feenstra en haar vader Feite de Jong, wiens ouders ik ook nog heel goed heb gekend, ze woonden aan de Nieuwedijk. In haar jonge jaren was Geesje vriendin met mijn vrouw. Toen ze pas getrouwd waren en Feite machinist was op de tramboot en Geesje 's avonds vaak alleen was, waren we vaak bij haar. Wij hadden toen nog verkering. Zij woonde aan het Oare Ein even voorbij smid Hollander. Wat is dat lang geleden! Geesje wist van haar school klas nog vier klasgenoten te herinneren waaronder Jan Wouda en die zal U nu de andere uit de klas voorstellen, waarvan er inmiddels al vele zijn overleden. Ik begin de reeks dan met Jansje Koning, dochter van slager Koning, kwam denk ik uit Overijselse aan de spraak te horen ze hadden eerst een slagerij aan de Schans, later aan de Bakkershoek naast bakker Haveman en nog later op de hoek van de Gedempte Gracht, alwaar eerst slager Dooitsen de Jong was gevestigd, die toen de slagerij van Gebr. Van der Woude kocht, die er mee op hielden. Dan Anna Hornstra, dochter van turfschipper Hornstra. Hij lag altijd met zijn houten skûtsje "Dorp Lemmer" even voorbij schoenmaker Euverman. Dan Janke de Jong, haar vader werkte op de helling. Janke is later getrouwd met Albert van der Gaast en is in ca. 1925 samen met nog een stuk of vijf andere houtbewerkers vertrokken naar Zaandam. Janke belde mij een poosje geleden op en we hebben gezellig gebabbeld. Erwin en Ronald Koeman de bekende voetballers uit Groningen, zijn haar kleinzoons, waar ze als grootmoeder erg trots op is. Ook had een zoon een Lemster aak. Piet de Jong, die met Treintje de Roos was getrouwd en aan de Polderdijk woonde, is haar broer.
We komen nu bij Aagje Scheffer, kleindochter van Erik Scheffer, die jong naar Amerika zijn geëmigreerd.
In de klas zat ook Matsje Visser, dochter van aannemer Hendrik Visser, ze woonde aan de Visserburen. Matsje is later getrouwd met Durk van der Bijl, zoon van slager Geert van der Bijl, toen slager in het Achterom, ze zijn later naar Grouw verhuist.
Verder zat in de klas Willem de Jong, wiens vader in de hang van de Jager werkt. Ze woonde aan het streekje woningen aan de Lijnbaan bij de bewaarschool. Hij had later met zijn schoonzoon Klaas Sterk een visrokerijtje aan de haven. Diens zoons zette de palingrokerij voort in een gedeelte van de hang van vroeger Tjebbe en Bertus de Jager. Later Willem en Lotte, die woonden aan het eind van de Benedenschans. Poppe Bootsma woonde Tuinstraat 3. Vader Gauke was visserman en had een aak de LE 66. En zijn moeder was Antje Vlig een knappe vrouw met gitzwarte ogen. Dan dacht ik aan Greta Meijer, dochter van Doris Meijer, die was nachtwacht, schoorsteenveger en had nog meer baantjes en in de winter was hij baanveger op het ijs en als het kon had hij een koek en zopie tent. Ze woonde achter de Grotekerk.
V.l.n.r: Politie Bosma, Ate Knol, Djoeke van Tiggelen Knol, ?, Stoffel Blessinga, ?, mevr. Tjalma, daarboven Jotsje, ?, vrouw Rottiné (de moeder van de klûtskes, dhr. Tjalma, daarachter Vrouw Meijer, Dorus Meijer, ?, ?, en als laatste Rienk Coehoorn.
Volgt Anna Bouma, een grote meid. Haar vader was Libbe Bouma, lakkerij (Libbe Lak) en had een lakstokerij achter de Schans. Hij heeft ook nog een winkel gehad in scheepsbenodigdheden die niet zo best liep en later een kruidenierswinkel in het pand dat Jan Pen had verlaten. Een broer van Anne had in de jaren dertig een taxi, dit heeft wel niets met de school te maken, maar het zal in 1935 zijn geweest toen we met de kinderen op vakantie naar Lemmer zouden gaan. Ik schreef twee taxi bedrijven aan. De ene vroeg 18 gulden en Bouma 16 gulden, daar moest vier keer 110 kilometer voor worden gereden. bleef ook niet veel van over? Gerben Bootsma woonde in het Leeg, zoon van Visserman Fimme-Betsje, LE 61. Krijgen we Douwe Schaaf. Zijn moeder was weduwe en ze woonde in het tweede huisrechts vanaf de Rien naar het Achterom. Douwe was een vlug klein kereltje en was later postbode.
Dan krijgen we Anna Poepjes,dochter van Pieter Poepjes,ook van de Nieuwedijk. Hij had een houten aak, de LE 39. In 1898 gebouwd bij van der Zee in Joure en dat is de enige aak van hout die nog in de vaart is. De aak is thans eigendom van een aannemer uit Huizen. Anna is later getrouwd met Jan Bootsma, zoon van Fimme Bootsma en Betsje en ze zijn naar Makkum vertrokken.
Volgt Bertus Vogelzang, die in het Leeg naast Fimme Bootsma woonde Zijn vader was de eerste arbeiderskapitein op een Lemmernachtboot (De Groningen III), zoals ze het in die tijd noemden, omdat daarvoor kapiteins van de grote vaart als Kokje en Jonker de dienst uit maakten. Van Bertus heb ik nooit meer wat gehoord. Volgt Sietse Haagsma, ook uit het Leeg. Zijn vader Jan was nettentaander, eerst in een grote taanketel achter het Leeg en later in een oude Scheveningse Bom achter in de haven. Sietse heeft dat werk ook nog gedaan, hij is voor zover ik weet ongetrouwd gebleven. Het was een bij zaakje van Jan Pen. Ook was er een Ida van der Bijl,haar vader was binnenvisser ze woonden aan het "Ein". Dan krijgen we Geert Poepjes, beter bekent als Geert Mels. Ze woonden aan het "Oare Ein" vader Liekele had een botter LE 69. met de naam "schön Wiederein, zal nooit de leste zijn". Het was een buitenmodel botter en was waarschijnlijk als enige in Joure gebouwd, maar wel een goed zeeschip. Een tijdje was er ook Leeuwke Zandstra die op het end woonde, ze zijn vermoedelijk uit Lemmer vertrokken hij zal wel een neef zijn geweest van Leeuwke Zandstra uit de Schans. Jansje Knol was een dochter van Bakker Jan Knol van de Kortestreek. Later trouwde ze met Tjeerd van der Bijl, die nog directeur zou worden van het postkantoor. Tjeerd was een zoon van Pieter van de nachtboot, wiens achternaam je nooit hoorde, zodat ik er nog even bij na moest denken of de naam wel goed was. Ida Bosma was een dochter van Louwe Bosma. Ze hadden een galanteriewinkel aan de Kortestreek, een paar huizen verder waar toen dokter Dillewijn zijn praktijk had, die man had zo'n prachtige lange baard, wat je in die tijd niet veel zag. Ida haar vader was ook hofmeester op een Lemmer nachtboot. Dan herinner ik mij Stoffel Blessinga (staat ook op bovenstaande foto van de hardrijderij te Lemmer), van wiens levensloop ik weinig weet. Zijn vader had een soort luxe bakkerij aan de Schulpen. Stoffel was een wat ernstige, serieuze jongen. Wel vermoed ik dat de tegenwoordige wethouder een zoon is van Stoffel. Dan was er ook Wilge (Wilco?) Andringa, die ook aan de Kortestreek woonde, ik denk naast Bosma. Wilge was een leuke jongen en een veel belovende leerling. Hij kwam een enkele keer bij mij thuis op woensdagmiddag, dan gingen wij tekenen, wat wij allebei goed konden. Tegen donker kwam een dienstbode hem weer halen. Hij droeg ook klompen net als wij, waar onder de sokken leren zooltjes waren genaaid. Zijn vader had meen ik een kantoor van de Nederlandse Bank of zoiets. Ik had nooit weer iets van Wilge gehoord, ik denk dat ik jaren geleden zijn naam eens heb genoemd. Toen kreeg toen een brief van Mr.dr. Luikinga dat Wilge een vooraanstaande doctor in de medicijnen was geworden en in Frankrijk met een Française was getrouwd en in Amerika veel naam had gemaakt, maar door ziekte weer terug was gegaan naar Frankrijk, en daar betrekkelijk jong ik meen op 43 jarige leeftijd is overleden. Dan zat in onze klas Geertje Tjalma, zij woonde aan de Straatweg waar haar vader een boerderij had, voor zover ik mij herinner de zevende rechts van de Straatweg vanaf de Lemmer, op het grote dak stond middels gekeurde dakpannen "Welgelegen". Haar vader was Rense Tjalma, ze had ook nog een zus Bertha en een broer Piet die ouder waren Geertje was een goede leerlinge, maar ik heb nooit meer iets van haar gehoord.
Dan Rinze Visser die aan de Emmakade woonde. Zijn vader Jelle Visser was ook visserman en zijn aak was de LE 58. Zijn moeder was Metje Meester. Ik heb Renze nooit meer gezien, maar ik heb gehoord dat hij met Neeltje Meester is getrouwd en een viswinkel drijft in Oldeboorn.
Dan krijgen we weer een Rinze dat is al de derde keer en ook hij hete Visser en was visser. Zijn ouders waren vroeger beter bekent als Andries en Wiets. Ze woonde in de Benedenschans, achter Marten Kokje. Ze hadden een Schouw de LE 5. Renze moest er al jong aan geloven wat het werk betreft. Toen hij bij ons in de klas zat, kwam het al vaak voor dat hij de hele nacht met zijn vader in de weer was geweest de zijden nettenvisserij. Als hij dan om negen uur in de klas zat viel hij natuurlijk als een blok in slaap, en was niet meer wakker te krijgen. Zo ging dat in vroeger jaren. Hij is later getrouwd met Anna van Veen, afkomstig uit Urk. Ze woont nog in de Lemstervaart.
Dan zat bij ons in de klas Janke Bijma, die aan de nieuwe dijk woonde. Haar broers Jan en Jeen en later Hendrik visten met de aak de LE 53. Janke zou later trouwen met Obbe Poepjes. Broer Hendrik zat ook bij ons in de klas. Ik heb gehoord dat die een boerderijtje heeft gehad in de buurt van de Zaan, maar zeker weet ik het niet. Obbe Poepjes woonde ook aan de Nieuwedijk. Zijn vader was Lambertus, had een Botter de LE 30. En was als alle Poepjesen een goede visser en er waren er nogal wat. Pieter, Jan, Johannes, Arend, Liekele, Bertus en Douwe met een palinghandel, had grote karren bij de trambrug. Dat waren allemaal broers. Hun vader had ook een boerderij bij de Tjonger, waar ook nog een broer was. Ze waren eerst binnenvissers en later goede Zuiderzeevissers, met allemaal een Botter of een aak. Wel mensen met ondernemingsgeest Obbe was getrouwd met Janke Bijlsma, die is niet oud geworden en Obbe is er ook al niet meer.
Skutsjecommissie/zevenwolden; staande van rechts naar links, Ulrich Jager ( getrouwd met Sietske Mink wonen aan de Langestreek, veearts Luitjens ( straatweg), ?, Klaas Deinum waterpolitie woonden aan de Bantegastraat recht tegen over de school. (Klaas Deinum zijn partner (zij waren niet gehuwd) Jennie Atsma ( Jenny haar vader Jan Atsma, had de bijnaam Jan Rijs, omdat hij gek was op op droge rijst met boter en suiker) was eerder gehuwd met Bote Keizer, Bote en Jenny hebben twee kinderen gekregen, Jetze en Hammie, Hammie was negen maanden oud toen haar vader Bote overleed, nadat hij vermoedelijk iets opgelopen heeft tijdens zijn werkkamp in Kiel. Dit openbaarde zich later in tbc. Hij heeft geruime tijd in Aekinga te Appelscha geweest. Uiteindelijk is hij overleden aan een fatale hartaanval in het ziekenhuis te Sneek. Klaas Deinum is overleden op de terugreis van een vakantie. Dat was op de dag dat Nederland Europees voetbalkampioen werd. Bote zijn vader Jetze Jan Keizer was werkzaam bij het waterschap, zijn vader is op 7 februari 1912 4e geworden bij de Elfstedentocht. Ze hebben gewoond op de Parkstraat, Nieuwedijk ten hoogte van de kolk en op het Pasveer. Bote had 1 broer genaamd Jan, deze was gehuwd met Hiltje van der Wal) Voor van links naar rechts: Arie de Boer, Obbe Poepjes, Siebe Kuipers, Tjeerd v d Bijl, Bosma, Volken Berger (Berger (overleden) was getrouwd met Bettie Berger. ( overleden; kinderen Tim en Sjoerdje ( Sjoerdje is ook overleden), Fredrik Bosman, was destijds directeur van de Raiffeisenbank aan de Vissersburen. Achter Joop Jongsma Klaas Deinum onbek. Luitjens en Ulrik Jager.
Ik dacht dat ik er was, maar er schieten mij nog een paar klasgenoten te binnen en dat is eerst Jurjen Bootsma. Zijn ouders Gauke en Antje Vlig woonden toen aan de Spinhuispolle. Gauke moest in de eerste Wereldoorlog opkomen voor de Landstorm en had toen al vier kinderen. Jurjen is dan ook grotendeels opgegroeid bij zijn grootmoeder die weduwe was en in de volksmond Meuke Auk werd genoemd. Ze dreef een handeltje in appels en woonde in de buurt van bakker Fortuin achter de Benedenschans.
Achteraan links: Pieter Vlig , Albertje Bootsma, Henkie Bootsma, Tietje Bootsma, Gepke Bootsma, Anna Bootsma, Gauke Bootsma. Daaronder links: Zwaantje Bootsma, Antje Vlig, Gauke Bootsma, ?, Poppe Bootsma.
Daar in de Benedenschans. Daar in de benedenschans woonde ook Gooikje Wierdsma. Haar vader had een mooie slagerij naast de pomp van Pieters Ansje (Pieter Wouda) alles is allang verdwenen al staan de huizen er nog. Gooike had een groot handicap ze liep erg moeilijk, ik meen dat ze later in Sneek woonde. Dan als laatste Tine Kokje, een dochter van Jaap Kokje, de kapitein van de Lemmer nachtboot. Zijn oudste zoon M.P. Kokje de oud kolonel uit Utrecht, die ik mij herinner als als een jong slank luitenantje van zo'n dikke 60 jaar geleden heeft op zijn 90 ste jaar pas het levensverhaal afgesloten van zijn ouders boers en zussen. Wat dan ook een kras staaltje was op die leeftijd. (Het Fries schippersgeslacht Kokje(n) M.P. Kokje). Zoals U heeft kunnen lezen heeft Tine die nu in Harderwijk woont haar hele leven in dienst gesteld voor haar familie, een zware opgave. Maar volgens Kokje had Jan Wouda geschreven dat de jongste zus Eefje van 1903 zo goed kon rekenen, maar dat moest Tine zijn van 1901. Maar mag je je vergissen op die leeftijd. In alles wat ik nu heb geschreven zal ook wel eens een foutje zitten. Klaas Lenos was mijn vriendje toen ik een jaar of zes was, hij heeft nog bij mij in de klas gezeten voor ze uit Lemmer weg gingen. Vader Lenos was machinist op de tramlocomotief en droeg een grote zware zwarte snor evenals zijn collega's Prins en Kramer. Ik denk dat het door de spoorwegstaking van 1903 kwam, dat mijn moeder zei dat zijn gevaarlijke mensen en ik er beter bij weg kon blijven. En het waren zulke lieve mensen, ze woonde achter de timmerwerkplaats van Nijholt aan de Benedenschans, later Willem de Blauw. Het was maar een arbeiders huisje maar keurig ingericht en zulke mooie gordijnen voor het raam, zo aan de zijkanten opgehaald. Op een zomeravond mocht ik met Klaas en zijn moeder mee om zijn vader op te halen, die zijn laatste dienst reed. We zaten te wachten onder de grote voor de tramboot het was schemerig en het onweerde in de verte. Het was een mooi gezicht, telkens die hele horizon rood. Maar klaas was bang en kroop bij zijn moeder op schoot en hij werd liefkozend geknuffeld. Ik weet nog dat ik jaloers was op Klaas, want ik had er ook behoefte aan om eens te worden aangehaald, maar dat vonden ze bij ons thuis maar flauw. Dus ouders knuffel je kinderen eens af en toe, ze zullen hun hele leven lang er dankbaar voor zijn. Nu zou ik toch werkelijk geen klasgenoten meer weten. De ouderen onder U zullen vele van de lichting van 1901 weer herinneren en Oma Geesje nu ook wel weer. Dan heb ik bij de Sake's nog een paar vergeten. Cor Visser van de Jan Nieveen maakte mij er op attent, maar toen ik de brief in de bus gooide voor de krant schoot het mij al te binnen. Het ging om Sake Bootsma die met een dochter van Albert Reijenga was getrouwd en in de Jol 2 in de Lemstervaart woonde. Toen we beiden 12 jaar waren deden we bij mijn vader het werk van de derde man. Sake heeft later nog bij de spoorwegen gewerkt, ik meen in Winschoten. Maar toen na het afsluiten van de Zuiderzee het barste in het IJsselmeer van de larve muggen was er evenveel paling en er werd dik verdiend. Het bloed kroop waar het niet gaan kon en Sake ging weer vissen bij zijn broer Willem met de LE 25. een grote aak. Dan was er nog een Sake, zoon van Jan Feenstra en Rees Visser, dochter van Sake de Rus. Ze woonde later in Zaandam. Daar vandaan is Sake geëmigreerd naar Nieuw Zeeland, een neef van mij ook een Jan Wouda, die een zoon was van Teade Wouda en Lupke Feenstra zou ook naar Nieuw Zeeland, maar dan liftend. Hij is echter in Rangoon in Siam, nu Thailand blijven hangen. Hij is daar verleden jaar op 66jarige leeftijd overleden. Hij was verpleegkundige, maar liet weinig van zich horen. De vorige maand hebben wij nog een oud Lemster opgezocht in Den Haag in een mooi rusthuis. Ze woonde daar al 14 jaar. Het was Tietsje Klaver de Vries. We hebben een middag gezellig gebabbeld, onze dochter Marie was er ook bij, en onze kleinzoon heeft ons met zijn auto gehaald en gebracht. Er is heel wat over het oude Lemmer boven water gehaald, want het hoofd was nog helder. Tietsje haar vader was Koenraad de Vries, één van de oprichters van Excelsior en haar moeder was Akke Zijlstra. Dus de bekende Pietsje Propsma Zijlstra is een nicht. Griet en Henny de Rook woonden daar ook, maar zijn op hoge leeftijd overleden. Maar Lies Rook met haar 94 jaar woont daar nog. Velen van U zullen die mensen niet meer kennen. Het zijn kinderen geweest van de vroegere hangbaas Poppe de Rook en zijn vrouw Judikje Van Gulik, geboren te Vollenhove. De vrouw van Albert Schirm is naar Judith vernoemd, dus naar haar grootmoeder. Ik kreeg nog een leuke brief van mevr, Westra - Visser uit Joure. Ook weer na aanleiding van de Sake's, haar vader was er namelijk één. Het was een Sake Visser haar moeder Akke van der Bijl, een kleindochter van Anne Ybel de Bréggewipper.
Jan de Blaauw met zijn vrouw Hielkje Meijer en zoon Lieuwe.
Jan de Blaauw is geboren in 1852 en overleden op 1 april 1932. Zijn vrouw was vrijwel van dezelfde leeftijd en zij kwam uit Wolvega. Lieuwe was hun jongste zoon. Het gezin de Blaauw woonde in de Schans naast kruidenier Joost de Vries, later Bönditti. Ik heb Jan niet gekend toen hij zelf nog viste. Toen was hij al een oude man en ik nog een jongen. Hij was niet groot van postuur, naar een "dreech kereltsje" zouden ze in Lemmer zeggen. Hij was van nature een vrij ernstige man, had wel ondernemingsgeest en was een goed visserman. Ik weet het niet zeker maar ik denk dat de houten aak de LE 65. Zijn eerste schip was. Hij was waarschijnlijk ook wel fuikenvisser, want zijn zoons hebben daar later ook wel mee gevist. Dat werd dan gedaan bij het Hondenest en op het Kooizand, dat is tussen de Hoek van de Ven en Enkhuizen. Het zal ongeveer1913 zijn geweest, in het laatst van februari tijdens het haringvissen. Het was stormweer uit het Oosten en bitterkoud, de hele vloot was in de haven gebleven. Alleen de jongens van Jan de Blaauw waren naar zee gegaan. De oude Jan stond altijd aan de haven als de jongens binnen kwamen. Al was het bitterkoud, Jan wachtte en ging niet naar huis. Ik stond alleen bij hem bij het "Skiethuske" toen op het westeinde van de haven. Door het stormachtige weer was het water grotendeels weggewaaid, door die mooie gelegenheid stroomde de spuisluizen ook nog, die stonden toen op de plaats waar nu de Riensluis is. De dam aan de overkant leek nu te bestaan uit twee dammen en in de haven was nog maar een stromend slootje overgebleven. De jongens de Blaauw lagen altijd midden in de haven, en moesten toen ze binnen kwamen tegen stroom en wind in laveren, wat natuurlijk heel moeilijk ging. Na veel moeite kwamen ze aan het eind van de remming. De oude Jan doet zijn handen aan de zijkant van zijn mond en begint te brullen, bij het "skiethuske", bij het "skiethuske", daar moesten ze bij uitzondering gaan liggen. Ze hadden ook nog maar weinig haring in de beug. De andere dag was het weer alweer beter, en met die kou bleven de haringen toch wel goed, het werd dan een dubbel schot, zoals dat genoemd werd als de beug twee dagen in zee stond. We gaan nu weer even terug in de tijd, naar 1907 Jan de Blaauw zijn zonen werden groter, en Jan wilde er wel een tweede aak bij hebben. Op 10 juli 1907 gaf hij opdracht aan de Gebr. de Boer om een grote Lemsteraak voor hem te bouwen. Het zou de grootste van de vloot worden. Ik denk zo'n 50 voet, in maart 1908 werd hij afgeleverd. Het was een mooi schip. Maar erg groot voor de Lemsterhaven. De wind waaide driekwart van het jaar uit het zuidwesten of westen, dan moest er altijd de haven uitgelaveerd worden. Bij het haring of ansjovisvissen zat er nog een grote vlet achteraan. Nee alles was te zwaar, grote zwaarden en zeilen en alles moest in die tijd met de handen gebeuren, dat ze kregen er in 1912 waarschijnlijk genoeg van. Want op 24 december 1912 ging Jan weer naar de Gebr. de Boer om een wat slankere aak te bestellen. De tweede LE 8. kwam in 1913 klaar. Dat was een mooi schip was 45 voet lang en was handzamer. De grote LE 8. werd verkocht aan Lub Bakker uit Urk, ik heb hem later nog wel eens in Lemmer gezien als Bakker passagiers aan boord had voor de pleziervaart, iets wat je in die tijd niet veel zag.
Een Enkhuizer had in die tijd ook een
mooie aak, die hij verhuurde, maar die had een roef, de eigenaar hete
Verder werden de bemanningen aangevuld met knechten. Gerrit en Andries waren tweelingbroers, maar leken niet veel op elkaar. Als je het wist kon je wel zien dat het broers waren, maar hun naturen hadden wel veel punten van overeenkomst. Jongste zoon Lieuwe was getrouwd met Tjitske Brandsma. Hun zoon Jan met zijn vrouw, een nicht van mij, komen een enkele keer bij ons, soms op doorreis naar tante Ansje in Purmerend. Ze hadden het een keer over Ome Willem en Tante Aaltje en wat bleek, Willem was een zoon van Koenraad de Vries en Akke Zijlstra, waar ik al eerder over heb geschreven en tante Aaltje was een dochter van Jan de Blaauw. Heb ik al niet eens eerder geschreven dat alle Lemsters van vroeger van elkaar verwant zijn. Dan was er een dochter, Elizabeth die heb ik nauwelijks gekend. Ze was getrouwd met Tiede Wassenaar en ze woonde in St. Annaparochie, dan was er een dochter, Fokje die is altijd ongetrouwd gebleven, evenals oudste broer Jan en Andries. Roelofje was getrouwd met Gooitse de Jong, die was timmerman aannemer in Lemmer, bij velen van U nog wel bekend. De jongste dochter was Antje, de enigste nog in leven zij woont in Purmerend, is 86 jaar en het koppie glas helder. We vinden het fijn als ze een enkele keer bij ons komt praten en dan vanzelf over het oude Lemmer. Haar dochter Hielkje, die in Amsterdam woont, komt haar dan brengen. Haar man Cornelis de Beer is helaas vorig jaar over leden. De ouderen onder U kennen de Beer nog wel. Ze woonden naast W.A.F.Koopman, waar later Lemstra een groentehandel had. Een broer van Cornelis had een kwaal en kon daarom niet op het water, hij dreef een winkel in dat pand, meest snoep. Vader de Beer had een aak met een roef. Die werd gehuurd door de Visserij Inspectie. Visserij Inspecteur de heer Klein was wekelijks op stap met de Beer. Van zijn beroep uit moest hij eigenlijk de vijand van de vissers zijn, maar iedereen respecteerde hem, omdat hij een beschaaft zacht mens was. Een keer, het was in het ansjovisvissen seizoen, lag een gedeelte van de Lemstervloot in de haven van Urk. Ze gingen 's morgens tegen het dagen naar zee, en moesten het licht voeren op de kop van de schepen, maar je weet hoe dat gaat, het is zo dag en het is de moeite niet meer waard. Maar Klein zat op het eind van de havenmond, en ze kregen allen een bon. Maar dat werd sportief opgenomen. Zo U heeft kennis kunnen maken met de oude visserfamilie Jan de Blaauw, zijn vrouw en negen kinderen. Op een enkele na ken ik de klein kinderen niet, maar ze zullen het wel leuk vinden als ze dit lezen.
Dit keer een verhaal over een oude Lemster familie die geen visserslui waren, maar wel een familie die het waard is, dat er een verhaal over wordt geschreven. Op bijgaande foto staat het echtpaar Koenraad de Vries, geboren 1864, overleden in 1936, zijn vrouw Akke Zijlstra is geboren in 1866 en overleden in 1936. Akke was een zus van Minze Zijlstra, de snelle insimmer in de baan van Jan Pen. Pietje Propsma - Zijlstra van de oude Sluis was dus een oom en tante zegger van Akke en Koenraad. Dan weet U zo'n beetje over welke familie ik het heb. Ze woonden in het brede gedeelte van de Potterbakkersteeg. Met als buurman gemeenteveldwachter "Tsjinder Bosma". Nu is alles al afgebroken. Ik kwam er als jongen wel eens spelen met vriendjes, waaronder Anne de Vries, Poppe Bootsma (Tuinstraat 3) en Jan Rippen die woonde daar tegenover. Zijn vader was machinist op de Groningerboot. Dat is al lang geleden, zo in de jaren 1908 - 1910. Waarom ik nu over de familie de Vries schrijf zal ik U vertellen. Het was een armoedige tijd en kinderbijslag was onbekend als je één kind had of tien, de inkomsten waren hetzelfde. Dus U begrijpt wel dat in een opgroeiend gezin, al had je vast werk, schraalhans keukenmeester was. Koenraad was een vakman op de toenmalige stoomhoutzagerij van de familie Sleeswijk. Maar hij was een werkman, die zich niet neerlegde bij de toestanden die er toen heersten. Dat een arbeider meestal in een één kamerwoning moest wonen, en meneer Sleeswijk in een paleis aan de Nieuwburen, met een deur die een vesting niet zou misstaan. Het zal ca. 1912 zijn geweest dat Pieter Wouda (Pieters Antje) die zijn hele leven op de houtmolen had gewerkt, maar toen hij te oud werd, zo op straat werd gezet, en toen zijn hand moest op houden om het hek bij Wierda open en dicht te doen, voor de boeren en dan 1 of 2 cent kreeg. Geen cent pensioen. Om die toestanden te verbeteren was Koenraad, een van de eerste socialisten in Lemmer. Hij was natuurlijk een drank bestrijder en om de arbeiders op een hoger cultureel peil te brengen was hij ook mede oprichter van Muziekvereniging Excelcior, naar ik meen te herinneren had hij ook een medestander in Hielke Lemstra, die ook op de houtmolen werkte, wiens enig levende zoon Bertus nog in Stavoren woont. Dat was ook een man die wist wat hij waard was. Er was in die tijd een grote moed voor nodig om voor je principes uit te komen. want je moest niet raar opkijken als je in die tijd op de keien werd gesmeten, door je broodheer als je je mond open durfde te doen. Dus alle respect voor die mensen van het eerste uur. Koenraad en Akke hadden zeven kinderen, wat in die tijd niet veel was, meestal was het in die tijd negen of meer Kinderen. De oudste was Willem dan Wibbigje, roepnaam Wim, Tietsje, zoon Anne, dan Froukje en Meintsje en dan de jongste Menze. De kinderen hebben het in de maatschappij goed gedaan. Allen hadden een eigenwaarde van vader en moeder meegekregen. Willem de Vries was getrouwd met Aaltje de Blaauw, een dochter van Andries de Blaauw, uit de Schans en was timmerman. Wibbigje (Wim) was getrouwd met Gosse van der Gaast, waarover straks meer. Tietsje was getrouwd met Jan Klaver. Ik ken ze nog dat ze verkering hadden. Jan was bij de PTT en was lang voor die tijd 1.95 meter.
Hij was bij Jan Hofman in de kost, die
conciërge was op het gemeentehuis en legde altijd nieuwe papierrollen,
in de automatische pijlschaal van het oostelijke sluishokje op de sluis.
Hij had ook nog een kruidenierswinkel aan de Prinsessekade. Jan Klaver
heeft ook door zelfstudie een behoorlijke positie bereikt bij de PTT.
Zijn laatste standplaats was Den Haag, waar zijn vrouw nu nog woont, zij
is al 87 jaar. Zoon Anne was getrouwd met Ria Nijmeijer. Anne was
machinist, later op de IJ ponten in Amsterdam. In de tijd dat ik
sluismeester was in Amsterdam trof ik hem nog wel eens. Hij was toen
controleur van de gemeentelijke IJ-ponten, en is verleden jaar overleden
hij is 78 jaar geworden. Froukje is Lemmer trouw gebleven en getrouwd
met de bekende Zo kregen we drie jaar geleden ook Tietsje Klaver - de Vries op bezoek met haar nicht Y. Aafjes Gaastra, die nu in Avenhorn woont die haalt haar dan op met de auto uit Den Haag. Ik doe de deur open en daar staat een lief dametje, keurig verzorgd en ze zei "Siz mar Tietsje jer" ik herkende haar direct al had ik haar misschien in geen 55 jaar gezien. Het ijs was zo gebroken en we hebben uren gezellig gesproken, meestal over het oude Lemmer. Zo veel oude foto's en kranten knipsels uit de Lemster krant. Ook nog van Jan Kokje. Ze vertelde dat ze vaak op bezoek kwam bij nazaten van de vroegere hangbaas Poppe de Rook t.w. Dr. Henny de Rook, Lies de Rook, U weet wel die als enigste vrouw de 2e maart 1929 met nog 8 mannen op de schaats naar Amsterdam zijn gereden en op 3 maart weer terugreden naar Lemmer. Op 4 maart begon het te dooien. Die zijn nu 89 en 96 jaar oud. Ze is dan wel een beetje moe, wat een sterk ras!. Dan is er nog een zus Griet 96 jaar, die loopt nog elke dag 5 kilometer. Y. Aafjes van der Gaast is verleden jaar weer geweest en nam 43 verhalen mee van haar vader Gosse van der Gaast die in 1968 en 1969 in de Zuid Friesland had geschreven. Ik heb Gosse van der Gaast niet gekend. Hij was zeker al jong de Lemmer uit. Maar zijn vrouw Wim kan ik mij heel goed herinneren. Zij was een mooi meisje. Uit de verhalen te lezen heb ik de indruk dat van der Gaast een intelligent man was. Zijn eerste verhaal in de Zuid Friesland begon er mee dat Gosse als 12 jarige jongen op de houtenhelling, van de Harm de Boer met werken begon. Zijn eerste karwei een houten strontpraam schoonmaken waar de drollen nog in dreven. Nu was het zeker de gewoonte dat de knechts een fooitje voor zo'n vies karwei kregen, toen de werk die dag was afgelopen zeiden de grote knechts tegen hem "jouw deel zit in je zak Gosse". Gosse trekt zijn jack aan en zat nieuwsgierig in zijn zak voelen. Ze hadden er een grote drol ingedaan zo ging dat vroeger als je als jongste begon. Wim de Vries en Gosse van der Gaast hebben 3 kinderen gekregen en ze wonen in Utrecht.
Twee dochters zijn beiden met een huisarts
getrouwd mevrouw Aafjes van der Gaast haar man is helaas overleden. De
zoon Koenraad is ingenieur, geb.1923 ovl.1993
Het bewogen leven van een Lemster visser in vroeger dagen.
Het echtpaar Jan en Akke Visser
Lemmer / Bolsward Jan Visser en Akke Visser Koornstra vierden dinsdag 26 maart jl. in kleine kring het feit dat ze die dag 60 jaar getrouwd waren. Veel Lemsters kennen hen vast nog wel resp. 84 en 83 jaar oude echtpaar dat momenteel in het bejaarden verzorgingcentrum "Bloemkamp" in Bolsward woont. Jan Visser stond in Lemmer bekend onder de bijnaam "Jan mei de sinten". Samen met zijn vrouw Akke leidde hij een visserbestaan in Lemmer en Makkum. Over alles wat hij in zijn veel bewogen leven mee maakte kan Jan uren lang vertellen. Jan Visser. Jan visser werd in 1901 geboren als dertiende kind van Jan en Fetsje, toen hij elf jaar oud was ging hij met zijn vader naar zee. De Lemster visservloot bestond in die dagen uit zeilschepen. Visser: "ik voer een half jaar mee, en was ook een half jaar lang zeeziek". De 84 jarige Visser herinnert zich nog als de dag van gisteren hoe zijn vader hem van boord stuurde met de woorden "Gean mar nei dyn mem, en sjoch mar da'st bei de skoanmakker komme kinst" De kleine Jan Visser, echter kwam bij groenteman en vishandelaar Berend Bruin uit de Schans in dienst. Hij werd aangenomen voor een salaris van f 1,- gulden per week. De eerste dag dat Jan voor Berend Bruin ging werken, werd hij op pad gestuurd met kistjes gevuld met stro - bokkingen. Eén kistje met 100 stuks moest aan de man worden gebracht voor twee kwartjes. Nog voor etenstijd had Jan vijf kistjes verkocht. Zo verkocht hij in een halve dag voor f 2.50,- en dat terwijl hij maar één gulden zou krijgen per week. dat zag Jan helemaal niet zitten. Dat handelen kon hij zelf ook wel. Zo kwam het dan dat de bijna 12 jarige Jan Visser slechts een halve dag in dienst was van Berend Bruin. Dan maar weer met vader de zee op. Houtmolen. In 1918, toen hij 17 jaar oud was, was de visserij volgens Jan Visser "Striemin". Vandaar dat hij aan de slag toog op de houtmolen in Lemmer. Dit was voor hem een waar rampenplan. Hij kon de dagen bijna niet om krijgen. Na het werk en op zaterdag en zondag was Jan Visser altijd aan boord van de Visserboot, van zijn vader te vinden. Op een dag er woei een harde bries over de Zuiderzee, zag Jan Visser vanaf de zolder van de houtmolen twee schepen voor de wind aan komen zeilen. Er ontstonden moeilijkheden en er ging een vrouw over boord. Zonder ook maar een seconde na te denken liet Jan zich bij de loods neerzakken en sprong aan boord van het bootje, dat net zou uitvaren om hulp te bieden. Met man en macht werd gewerkt om de vrouw aan boord te krijgen, en de schepen te helpen. Dit gelukt wonder wel. Visser: "Toen ik terug kwam op de houtmolen, die zich dicht bij de buitenhaven bevond , bleek dat niemand hem had gemist". Schouw. Drie jaar lang werkte Jan Visser op de houtmolen. Hij spaarde in die tijd f 800,- (gulden) bij elkaar. Zodat hij een eigen Schouw kon laten bouwen. Die koste f 1.640,- Toen zijn eigen vissersboot klaar was lachten zijn kameraden hem uit. Er was in die tijd namelijk wel veel vis, maar die werd slecht betaald. De spiering bracht in die dagen 2 cent per pond op. Door echter samen te werken en hard te ploeteren, lukte het Jan Visser toch per dag soms wel voor tien tot twaalf gulden aan handel binnen te brengen. Na twee jaar te hebben gevist besloot Jan Visser in het huwelijk te treden met Akke Koornstra, de dochter van "Jan mei it bottertsje" die hij al van zijn 15e kende Akke was als dienstmeisje werkzaam geweest bij bakker Haveman in Lemmer, en een drietal jaren bij een familie in Haarlem. Trouwen. Akke was 22 jaar oud toen ze trouwden en Jan 23. Ze kwamen te wonen in het Achterom. De dag na de bruiloft zou Jan thuis blijven van zee. Age van Jan van Bouke zou een paar dagen samen met mijn schoonvader mee naar zee. Het was echter slecht weer. Toen ik vanuit het Achterom naar de haven liep om even een kijkje te nemen kwam ik mijn maat Bouke Tijsseling tegen. Die vertelde mij dat Age niet mee durfde omdat hij mijn schip te klein vond. Bouke en ik besloten ondanks de storm toch het water op te gaan. Dan maar geen vrije dag. Met twee reven in het zeil deden we drie streken. En wat voor streken. Ik kwam die eerste dag na mijn trouwen met een kapitaal van f 63,-- thuis. En dat terwijl we anders amper voor f 30,- gulden per dag binnen haalden. Zo'n dag vergeet je echter nooit weer. Gean do mar wer nei jim mem. Dat zelfde geld wat Akke Visser - Koornstra betreft voor de dag, dat ze haar man vroeg de schoorsteenpijp even schoon te maken. Jan pakte de kachelpijp met beiden handen op, en slingerde het ding midden in de schone kamer van hun keurig ingerichte huisje, over zijn schouder. Het gevolg was, de hele brandschone kamer onder het roet, en zijn vrouw in alle staten. Goan do mar wer nei jim mem riep Akke haar kersverse echtgenoot toe. De reactie van Jan Visser op dit voorval: Ja Akke wie ek alyd sa skietskjin. De Friesland. Toen ze goed anderhalf jaar getrouwd waren ontdekte Jan tijdens een schaatstochtje een ijsbootje, met zo'n bootje voorzien van glij-ijzers kon men ook in de winter open water bereiken waardoor er gevist kon worden, zodat er toch nog wat te verdienen viel. Het bootje was van een helling baas uit Mildam. Jan Visser kon het scheepje kopen voor 50 gulden van hem. Nu hadden Jan en Akke wel 70 gulden in huis, maar de huur moest ook binnenkort betaald worden. En een inkomen was er in de winter niet. Met dat ijsbootje zou het alleen maar beter worden. Akke Visser die nog steeds een goed contact had met haar oude werkgever de heer Haveman. Kon zonder problemen de 50 gulden lenen, en zo kon de ijsboot worden aangekocht. Met de ijsboot kwamen Lemster vissers in 1928 de bemanning en passagiers van de Lemmerboot "Friesland' te hulp toen deze in het ijs was vastgeraakt. Bot. In de zomer van 1928 was er volgens Visser veel bot. Samen met Steven ook wel de Slide genoemd verhandelde Jan Visser de Zuiderzee bot die ze hadden gevangen in Sneek. Visser : "De bot ging voor 3 cent per pond weg. De vrouwen in Sneek waren er gek op. 150 kilogram waren we in een mum van tijd kwijt". Om dat ze de vis keurig ontdeden van ingewanden etc, voor ze aan de vrouwen werden meegegeven, nam het verkopen relatief veel tijd in beslag. Hierop hadden Jan en Steven echter snel iets opbedacht, "Die 't de fisk sels tamakket giet foar" riepen ze al van verre. Zo nu en dan werd het schoonmaken van de bot even voorgedaan en binnen de kortste keren kon heel Sneek bot schoon maken. Makkum. Toen in 1932 het laatste gat in de Afsluitdijk werd gedicht en de Zuiderzee IJsselmeer werd, was zoals Jan Visser beschreef "De put uit" de visserij bij Lemmer. Er moest door veel vissers worden omgekeken naar andere bestaansmogelijkheden. Jan en Akke visser besloten zich te gaan vestigen in Makkum, om zich daar te richten op de IJsselmeervisserij. Zo was Jan de eerste man in Lemmer die deze stap nam. Er zouden er meer volgen, o.a. Andries Koornstra, Ale van der Bijl en Janus Koornstra, 25 jaar woonde en werkte Jan in Makkum. Waar hij de eerste jaren net als Akke ontzettend last van heimwee had. Voor al 's hij morgens in alle vroegte alleen over de haven naar zijn boot liep. dacht hij vaak met weemoed terug aan de gezellige dagen waarin hard gewerkt moest worden in De Lemmer. Na zich in Makkum in eerste instantie met de haringvisserij te hebben bezig gehouden, moest Jan Visser, toen er geen haring meer was, het roer omgooien en zich richten op zoetwatervis als snoekbaars. De vis werd in Makkum, waar in die tijd een begin werd gemaakt met de afslag, in eerste instantie op straat met de mond worden afgeslagen. Export kende men in die dagen niet en de belangstellenden waren daarom vlot voorzien van vis. De snoekbaars die soms wel met 1000 tot 1200 pond werd aangevoerd, bracht slechts 4 cent per pond op. Zonnehoekje. Het huis dat Jan en Akke in Makkum hebben laten bouwen werd het "Zonnehoekje" gedoopt en had een prachtig uitzicht over het water. Jan Visser zag vanaf de bovenverdieping vrijsnel dat er onraad was op zee, en kwam zo met zijn visserboot menig in noodverkerend schip, en in latere jaren veel zeilschepen te hulp. Oorlog. Toen in 1940 de oorlog uitbrak vluchten de familie Visser voor de Duitsers naar Hindelopen, waar ze in de eerste oorlogsdagen een kleine week doorbrachten in een lege boerderij. na de capitulatie van Nederland keerden Jan en Akke weer huiswaarts. In Makkum troffen ze in de haven drijvende auto's aan, en Duitse soldaten die het als spel zagen handgranaten in het water te laten ontploffen. Waarna er honderden dode visjes kwamen bovendrijven. In hun woning aan het water ving het echtpaar Visser talrijken evacués uit Holland op, die vaak onder de luizen zaten als ze na een barre tocht in Friesland arriveerden. Nooit vergeten Jan en Akke de dag vóór dat Makkum werd bevrijd. Met de Canadezen inzicht vond Jan Visser het maar beter om de hele familie; zijn vrouw, pleegdochtertje en de evacués naar de kelder van de woning te laten gaan. Het zat er volgens hem dik in dat ze de brug vlak bij hun woning zouden op blazen. Eenmaal in de kelder herinnerde Jan zich echter, dat alle ramen van hun woning nog open stonden hij snelde naar boven om ze te sluiten. Jan : "Ik had het kozijn nog maar amper vast, toen ik ineens een enorme klap hoorde en meteen daarna verblind was. Ik zag werkelijk helemaal niets. Op handen en voeten ben ik naar de kelder gekropen. De granaatscherven zaten in mijn blauwe kiel, ik had goed geluk gehad". De volgende dag hoorden we dat de buurman de dood had gevonden, en we bevrijd waren. Vanwege het vele schieten vonden we het toch verstandig om toch te vluchten. Met onze buren en een stel vrouwen die in de oorlog veel bij de Duitse soldaten waren, doken we onder. Met z'n allen werden we naar de hooizolder gebracht. Daar verscheen nog dezelfde avond de ondergrondse. Alles en iedereen moest van boven komen. Met gemak selecteerde de mannen van de ondergrondse, de Duitse hoertjes uit het gezelschap die meteen werden kaal geschoren. Onwennig. Hier was hij echter de eerste jaren even ongelukkig, door heimwee als de eerste jaren in Makkum. Nu echter was het geen heimwee vanwege zijn woonplaats, maar omdat hij het drukke visserbestaan enorm miste. Als compensatie begon Jan te knutselen. Hij maakte vele tientallen voetenbankjes tafels kapstokken etc. Ook legde hij zich lange tijd toe op het kweken van kanaries. Jan Visser was zelfs de eerste voorzitter van de Lemster Volière vereniging. Vanuit de Bantegastraat, waar momenteel hun dochter Jannie en haar man en kinderen woont, verhuisden Jan en Akke naar hun Woning aan de Emmakade, die eveneens "Het Zonnehoekje" werd gedoopt. Hier woonde het echtpaar een kleine 20 jaar lang tot ze in 1981 naar Bolsward gingen.
Links, het schouwtje dat Jan Visser rond 1920 liet bouwen en waarmee hij op de Zuiderzee voor Lemmer viste. Rechts: Ook Akke Visser hielp haar echtgenoot regelmatig bij het schoonmaken van de netten. De 2e persoon van rechts is Akke Visser Koornstra, met naast haar (derde van rechts) haar man Jan Visser.
Langs de haven in oude tijden. Zo langs de haven was vroeger altijd wel wat te beleven, als je schooljongen bent, maken veel dingen en gebeurtenissen een diepe indruk op je, omdat je nog een onbeschreven blad bent. Als je later gaat nadenken over gesprekken en gebeurtenissen van oudere mensen, zie je er nog vaak een humoristisch kant aan zitten. Zo stond ik er als jongen bij dat een clubje vissers hevig aan het debatteren was over het geloof, en praten dat konden ze hoor op de haven en onder de hoek. Zo was alweer Andries Blaauw, die was buitenkerkelijk, in debat met Jelle Kalsbeek, die gereformeerd was. Ze waren allebij goed thuis in het onderwerp, en de discussie laaide soms hoog op, er werden dingen gezegd, die ik nu nog niet voor mijn rekening zou willen nemen. De bijbel en de teksten daaruit werden veelvuldig gebruikt, en zoals het altijd gaat, ze kwamen er niet uit. Toen kwam in de discussie de stad Jeruzalem voor. Jelle van Betsje (Koornstra) draaide zich om en ik hoor hem nog zeggen "Here mijn tijd, nu heb ik toch altijd gedacht dat Jeruzalem in de hemel lag". Het was zowat in 1907 dat mijn vader een nieuwe knecht aannam, voor het haring en ansjovisvissen, een zgn. derde man, want ome Teade was altijd eerste knecht. Hij hete Zwarte Jan, en woonde in Gaasterland, hij was dacht ik toen 18 of 20 jaar oud. Vader was gewaarschuwd dat hij zo veel kon eten, dat hij niet te verzadigen was. Maar vader zei daar weet ik wel wat op, ik laat hem net zoveel vet eten als hij op kan, dan zakt dat vele eten wel af. Het bleek, dat hij zijn portie wel op kon, want hij bleef ook zondags wel eens bij ons thuis eten. Hij was kameraad met ome Leeuwke, die woonde nog bij zijn moeder thuis, die aten dan wat later, en daar begon hij van voren af aan. Maar vader zei altijd "beter voor de bakker dan voor de dokter". Zwarte Jan had ook een fiets en die waren er in die tijd maar weinig. Hij ging dan meestal zondagmorgens op de fiets naar Gaasterland en dan mocht ik mee rijden op de stang, wat toen een belevenis was. Op de stang tot aan het "Witte húske" want daar moest ik terug lopen, dat was voor een zes jarig jochie toen een heel eind. Ik denk dat Zwarte Jan, hij hete Wierda, een broer was van Gosse Wierda, de kolenhandelaar was en dat de defensie specialist kolonel b.d. Wierda, een zoon was van Zwarte Jan. Een jaar of mogelijk twee jaar later was Zwarte Jan derde man bij Andries de Jong (pippie) op de LE 42. Op een dag had hij ruzie met Andries, waar het over ging weet ik niet, maar er was al gauw, zoals dat ging veel publiek om heen, en dat was bekvechten, de mensen ze maar tegen elkaar op te hitsen, opeens was het lachen geblazen, want Zwarte Jan zei, "ja je bent een beste vent, je smeert tien keer boter op je brood, maar de elfde keer haal je alles er weer af". Er werd bijna het hele jaar aan boord gegeten en het was een publiek geheim waar de slechtste of beste kost werd gegeven alhoewel dat meestal vis was. Zo was mijn vader, toen hij jong was, knecht bij een schipper, die was nog familie ook, daar was een zoon aan boord die eerste knecht was en dat was zo'n chagrijn, dat het brood wat 's morgens werd meegenomen naar zee, (kerven werden er ingesneden zodat de sneden brood te tellen waren) zelfs als ze dan thee hadden gedronken, ving hij een vlieg en deed die in de suikerbus. Was de vlieg weg dan had men aan de suiker gezeten buiten het rantsoen om. Zo was er altijd wel wat. Op een keer sta ik bij het botwegen te kijken, er stonden twee driepoten waaraan een flinke evenaar om bot te wegen, bij het "Skiethúske" De kopers en ontvangers waren Klaas Sterk en Durk Bosma, er stonden nogal wat mensen bij te kijken. Wat er geweest was weet ik niet, maar ineens was er een grote vechtpartij, ik zie Klaas Sterk en dat was een driftkop hoor op Durk Bosma afkomen met een zwart kilo gewicht in z'n vuist, en geeft Durk daarmee een klap op zijn voorhoofd, dat het bloed er uitspatte. Ineens lag een kluwen mensen te rollen en te vechten over de keien. Ik stond erbij dat Bertus de Jager van de rokerij een ander te pakken had en hem vroeg: "Wie help jij nu mee"? Ze bleken medestanders te zijn en lieten elkaar los, maar messen werden er nooit getrokken, alles werd met de mond en soms met de vuist afgewerkt. Dan had je Renze van Bouk, ook zo'n kleurrijk figuur wat woorden betrof, zonder het zelf te weten. Hij had een klein aakje en was een botvisser met zijden netten. Hij had ook een geit, die was altijd bij hem en hij praatte met de geit of het een mens was. Ging hij 's middags naar huis om te eten, de geit achter hem aan en die sprong net als Renze, bij de muur neer in de Benedenschans. Op een middag moest een zoontje met de geit naar de bok, een klein geitje erbij leek hun wel leuk. Afijn, na het eten ging Renze bij de muur op klimmen en zoon lief met de geit aan een touw op weg naar de bok. Renze maakte van zijn handen een toeter en schreeuwt op zijn Lemsters, "denk erom dat hij het goed doet hoor want het kost zeven stuivers"! Zijn ligplaats was altijd achter in de haven in de luwte van de taanboom van Jan Haagsma. Maar op een keer moest de walmuur gerepareerd worden en moest Renze aan de gorring (remming) liggen en dat zinde hem maar matig. Een collega vroeg of het voldeed aan de remming, waarop hij zei "praat me er niet van ik lig liever met een dikke kelere (cholera) achter de bom dan gezond aan de gorring". En dan hadden we nog Pieter de lieger, die kon smakelijk vertellen en liegen of het gedrukt stond. Hij had altijd een ploeg trouwe toehoorders om zich heen en woonde op het andere end. Ik stond er wel eens bij dat hij het volgende vertelde: er was in het stinkhoekje, dat was daar waar vroeger de tramhaven begon een zeehond aangespoeld, deze was blijkbaar pas gestorven en Pieter zag er wel brood in, want een zeehond werkt nogal op de fantasie van de mensen. Hij had of leende een licht karretje en lade de zeehond er op, een zak er overheen en hij Gaasterland in, en overal waar mensen waren mochten ze de zeehond zien voor 5 centen, Pieter ging er fantastische verhalen bij vertellen. Nu lijken 5 centen niet veel, maar toen kon je je haar er voor laten knippen bij Hulscher in de Schans. Afijn hij is bij het Rijsterbos, vertelde Pieter en hij moest van de broek af, liep daarvoor een bospaatje in. "Ik ben klaar en ga overeind, schrik me rot, geef een schreeuw, wat dacht je zit ik met m'n kl........in een hazestrik"! De mensen krom van het lachen en Pieter voldaan. Dan hadden we onder de hoek nog een echte verteller, A.M. de Jong. Dat was Roelof van Slageren, die woonde alleen in een klein aakje op de LE 31. Die viste nu echt om te leven en leefde niet om te vissen. Hij was een hartstochtelijk lezer van boeken en viste niet eerder dan zijn geld op was en hij had niet veel nodig, want hij leefde sober. Hele bibliotheken heeft hij uitgelezen en kon daar mooi over vertellen onder de hoek. Maar om acht uur ging hij altijd zijn bootje op zoeken. Hij had altijd een aandachtig gehoor om zich heen, en ik stond er een keer bij, het zal ongeveer 1912 zijn geweest dat Roelof boeken had gelezen dat er in de toekomst een apparaat zou komen, dat je zo door de lucht kon praten door middel van ethervonkjes, en je elkaar ook nog op een plaatje zou kunnen zien. Niemand geloofde er wat van, maar Roelof zijn voorspellingen zijn uit gekomen. Een jaar of wat later kwam er een kleine revolutie in Lemmer, want er kwam een politieverordening, en die hield in dat mensen zich niet meer onder de hoek mochten ophouden, noch op brugleuningen zitten, wat ook geliefde plekjes waren en Doede Kok hield er nogal streng de hand aan, maar de oude Jan Vleer vertikte het om onder de hoek weg te gaan. Hij kreeg een bekeuring, "hij zei ik wil wel eens zien of ze een oude man van 80 jaar in de bak stoppen", en betaalde geen boete. Het liep tegen de tijd dat ze hem zouden komen halen, toen heeft zijn zoon de boete maar betaald. Het was ongeveer 1916 dat er bij Ameland een zeeboot was gestrand die grotendeels geladen was met vaten wijn van het merk "Westhalheta" De Amelander jutters hadden vaten bij vaten begraven in de duinen, en een Amelandersloep trok langs de kusten van de Zuiderzee om de wijn te verkopen voor 40 cent per liter. Het had gretig aftrek zoals te begrijpen is, het was erg lekker, maar wel koppig. Het werd gedronken langs de haven als was het slappe thee en de uitwerking was al gauw te merken. Langs de haven liepen verscheidene lallende en zingende mensen langs de kant. Het was in het ansjovisvissen seizoen en de netten lagen in de schuiten, toen er iemand van de wal sprong op de kurken van de netten bij Aant Toering dat het flink kraakte. De indringer en Aant waren al gauw slaags, maar de rel liep weer zonder verwondingen af. In Vollenhove moeten er mensen zijn geweest, wiens magen leeg gepompt moesten worden. Mijn vader had een mandfles waar wel tien liter in ging, gekocht en als we dan een zwarte haalder hadden gehad, kregen we soms wel een eens half kopje als we in de haven lagen. Het was misschien om dezelfde tijd dat we met de aak voor wal lagen. Wij en de meeste andere schippers jongens sliepen altijd aan boord. Het was zondagmorgen, je kreeg niet teveel slaap en je wou wel eens uitslapen, maar toch als het zo'n uur of tien was schaamde je je wel een beetje, als je zo laat uit kooi kwam, als er mensen op de wal stonden te praten. Je wachte soms dan wel even tot ze weg waren. Zo stonden in het begin van het haring vissen twee vissers te praten, de een was Aant Toering, die toen eerste knecht was bij zijn vader Willem Toering. Ze hadden een nieuwe derde man en dat was Obbe Poepjes aangenomen. De andere visser vroeg aan Aant hoe de nieuwe knecht voldeed. Nou zegt Aant het is wel een flinke vent, maar hij wast zich 's morgens en dat was in de ogen van Aant geen pluspunt. Dat waren dan weer de belevenissen van een oud Lemster om en langs de haven. Ik hoop dat de oudere zich een beetje betrokken hebben gevoeld bij vernoemde gebeurtenissen. Wiep Visser.
Dan is Wieberen aan de beurt, voor zover ik weet is die nooit getrouwd. Dat is dan dezelfde Wiep waar Evert altijd zijn wandelingen mee door Lemmer maakte, ook hij was visserman. Dan komen er drie dochters, Boukje ken ik nog wel als meisje, toen ze veel met Wieb van buurman Johannes Visser speelde. Ze is naderhand getrouwd met Koehof, ze wonen nu in Amsterdam. Hielkje trouwde met ene Evelaar en wonen in Roden. De jongste van de drie was Clara, zij trouwde met Paulus Meester, die ik persoonlijk niet ken. Nu belde een poosje geleden mij een oude vriendin, Tytsje Klaver de Vries, ook negentig of er tegen aan. Zij is een nicht van Pietsje Propsma -Zijlstra, wier vader een broer was van Tytsje haar moeder. Pietsje Propsma had een zeer bekende tabakzaak aan de Sluis nr 1. Zij is op 84 jarige leeftijd overleden, zij was weduwe van Jurjen Propsma. Tytsje is zo'n echte lieve vrouw, ze woont in een bejaarden huis in Den Haag, in dat bejaardenhuis wonen ook drie nazaten van Poppe de Rook, de vroegere Hang baas en zijn vrouw Judikje Van Gulik, geboren te Vollenhove. Grietsje de oudste is 96 jaar geworden. Dr. Henny de Rook is meen ik 92 jaar geworden. Mr.dr.H. Luiking uit Naarden heeft destijds nog een memoriam in de Zuid Friesland geschreven. Maar Lies de Rook met haar 94 jaar is er nog.
Poppe de Rook
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||