Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Oudesluis nummer 9 te Lemmer.

 

Foto's afkomstig van eigen archief, Hillebrand Visser, Kees de Heij, Bertha de Heij-Vlig.

 

Met dank aan de familie Tijsseling, de huidige bewoners van het pand 'Het Vooronder'.

 

 
 

Deze zeer oude foto uit het archief van de familie Wegener Sleeswijk, dateert uit omstreeks 1860. Volgens overlevering n van de eerste foto's in de Lemmer gemaakt. De afbeelding toont een gezicht op de sluis, die toen nog als zeesluis dienst deed. Er overheen ligt de houten ophaalbrug, welke in 1864 werd vervangen door een basculebrug (blokjesbrug). Geheel links de z.g. Plugsbrge over de Rien, terwijl uiterst rechts de voorgevel van het pand Oudesluis 9 valt waar te nemen, op dat moment bewoond door Siebe Jans van Schoot. De foto is waarschijnlijk gemaakt door Rienk Sleeswijk (1828-1898)



Inleiding

Tijdens de jongste restauratie, die werd uitgevoerd in opdracht van de Firma A. Tijsseling en zonen, zijn meermalen vragen gesteld naar de geschiedenis van het huis Oudesluis 9 te Lemmer, en zijn bewoners. dit heeft uiteindelijk geleid tot een onderzoek, hetgeen heeft geresulteerd in een boek werkje van J.de Jong.

Dankzij deze nasporing kon een tip van de sluier worden opgelicht over de geschiedenis, waarbij in het verleden niet opgeloste vragen worden beantwoord. Er kon echter niets worden verteld over de ontwerper en over de bouwlieden. Toch bevatten de archieven voldoende gegevens om een goed beeld te geven van de historie van het huis. Voorts kon voor de achtergrondinformatie worden geput uit bestaande literatuur.

Het pand is in 1773 als pakhuis gebouwd, waartoe een ouder woonhuis moest worden afgebroken. In 1790 ging de eigenaar het huis bewonen, nadat hij het pand als zodanig heeft ingericht. Tot de dag van vandaag bleef het de functie van woonhuis behouden, alleen de kelder waarin nu een restaurant is gevestigd is veranderd

Bij het onderzoek in het archief van de Gemeente Lemsterland, ben ik welwillend geholpen door het personeel, waarvoor ik met name de heren Hoekstra, Blaauw, en Lassche veel dank ben verschuldigd. Tevens wil ik allen, die bij deze publicatie waren betrokken dank zeggen, waaronder zij die mij inlichtingen verschaften over de bewoners en het pand. Moge dit werk bijdragen tot een verhoogde belangstelling voor de weinige monumenten die Lemmer nog heeft.

De jongste van de tien kinderen van Jouwert Sybrens Stapert, Nanne Jouwerts Stapert, geboren 20 maart 1740 te Lemmer, was de stichter van pand 'Oudesluis 9' te Lemmer.

Evenals meerdere leden van zijn familie, heeft Nanne Jouwerts Stapert voordeel weten te trekken uit de bloei, die Lemmer in de tweede helft van de achttiende eeuw heeft gekend. Hij dankte zijn vermogen dan ook niet alleen aan vererving, doch ook aan zijn zin voor ondernemingsgeest.

Gelijk verscheidene Lemster kooplieden investeerde hij behalve in de handel, ook in huizen en grond. In het jaar 1800 was hij de eigenaar van niet minder dan zeven panden te Lemmer, en ook had hij grondbezit in de buitendorpen.

En en ander klopt uitstekend met wat bijvoorbeeld de 'Tegenwoordige Staat' (1786) over Lemmer zegt, namelijk "In dit vlek vind men vele schone huizen, toebehorend aan families en lieden, die hun vermogen en welvaart aan de zeevaart te danken hebben".

In 1773 liet hij het onderhavige pand aan de Oudesluis bouwen, zoals, naast de archivalia onder hoofdstuk 1 genoemd, blijkt uit de jaartal stenen in de voorgevel. Van Nanne jouwerts Stapert is voorts bekend dat hij in de jaren1775, 1873 en 1879 de hervormde (toen nog genoemd de gereformeerde) gemeente in zijn woonplaats diende als diaken.

De mensen, die sindsdien het pand bezaten en bewoonden, wil ik in een hierna volgend overzicht de revue laten passeren.

1. Nanne Jouwert Stapert.

Het huis werd voor het eerst bewoond in 1790, toen Stapert het pand dat hij in 1773 als pakhuis had gesticht, verbouwde als woonhuis. Het pand moest de familie tot nieuw onderkomen dienen, omdat de pas gehuwde oudste zoon zijn intrek nam in de naast gelegen ouderlijke woning. Nanne Jouwerts Stapert en zijn vrouw Foekjen Tysses Pekema hebben tot hun dood in het huis gewoond. Foekjen Pekema is in dit pand overleden op 12 juli 1815 (36), terwijl haar man haar elf jaar overleefde.

Hij stierf op 28 januari 1826, 85 jaar oud. Beiden werden begraven in de Nederlands hervormde kerk te Lemmer, waarin 1924, bij reparatiewerkzaamheden aan de kerkvloer hun grafstenen werden aangetroffen. Het gehele bezit van Nanne Jouwerts en zijn vrouw, werd gerfd door hun kleindochter Wiepkjen Jentjes Stapert, waaronder het pand Oudesluis 9. Wiepkjen was enig erfgenaam.

2. Wiepkjen Jentjes Stapert.

Wiepkjen Jentjes Stapert werd geboren op 25 september 1800 te Lemmer als dochter van Jentje Nannes Stapert, (koopman, zeilmaker en grootscheper en reder op de Oostzeevaart) en Antje Cornelis Sleeswijk, geboren op 17 september 1717. Zij was het enige kind uit dit huwelijk. Haar vader stierf enkele maanden na haar geboorte, op de leeftijd van 28 jaar, waarna haar moeder hertrouwde met Anne Jolles Vening, hoofdinspecteur der belastingen te Leeuwarden. Op 8 mei 1822 trad Wiepkjen in het huwelijk met Yde de Haan. Deze was koopman te Lemmer, en sinds 1827 te Leeuwarden, dan wonend aan de Breedzijde van de Nieuwstad, no. 22.

Als enig erfgenaam erfde Wiepkjen op 25 jarige leeftijd het gehele vermogen van haar grootouders. In de loop der tijd hebben Wiepkjen en haar man van dit bezit, het onroerend goed te Lemmer stap voor stap verkocht. Hieronder bevond zich ook de oude looierij in de Schans van haar overgrootvader Tys Jentjes Pekema.

Eind 1827 kwamen de beide panden aan de Langestreek onder de hamer, kort nadat het echtpaar naar Leeuwarden was vertrokken. Op 15 december 1827 vond de provisionele verkoping plaats door de gelastigde Folkert Johannes Witteveen, "Medicinae Doctor in de Lemmer", ten huize van de logementhouder Hendrikus Le Heux in de Wildeman te Lemmer. Precies een week later werden de panden finaal verkocht in 't Wapen van Friesland te Lemmer. (Folkert Johannes), geboren op 18 december 1793 te Metslawier, overleden te Lemmer op 12 october 1886, zoon van Mr. Jouwert W., vrederechter te Dokkum, en van Teltje Stapert, liet zich 19 september 1819 inschrijven als med. student aan de hoogeschool te Groningen, waar hij op 31 Mei 1822 promoveerde tot med. dr. op een proefschrift: De delirio tremente. Hij was in 1813 als garde d'honneur uitgetrokken en werd commandant van het 3de detachement. Hij trad in het huwelijk met Pietertje Stapert, en na haar overlijden op 11 september 1827 met Catharina Gerlsma te Sloten op 16 februari 1829. Hij vestigde zich als geneesheer in de Lemmer en was lid der Provinciale staten van Friesland).

Waarna Siebe Broers Stellingewerf voor een bedrag van f 2825,- eigenaar werd van het onderhavige pand no. 42. De naast gelegen woning werd voor f 2600,- verkocht aan een zekere Hermanus Geveke te Lemmer. (Medicinae Doctor). Hermanus huwde met Gelkjen Wiegers Visser, geboren op woensdag 5 maart 1794 in Gaastmeer, dochter van Wieger Jans Visser en Dieuwke Sijmens, op vrijdag 19 augustus 1814 in Hemelumer Oldeferd. Hermanus is geboren op woensdag 23 juli 1777 in Santpoort, zoon van Lodewijk Geveke en Anna van Gulik. Hermanus is overleden op woensdag 29 september 1841 in Lemmer, 64 jaar oud. Zie verder de broer van Gelkjen bij Carst Dirks Fortuin.

Naast de vermelding dat beide kelders onder de panden bijzonder geschikt zijn tot een berging van wijnen, staan in de verkoop voorwaarden een aantal belangwekkende details, waarvan ik er een paar wil noemen. Aangaande de trap aan de straat werd het volgende bepaald: de eigenaar van het tweede perceel (no.43) zal ten alle tijden moeten toestaan, dat de trap, vraan de straat tot uitgang dienende, voor het eerste perceel, en staande op de grond of erf van het tweede perceel, aldaar blijven op gelijke wijze als de zelve thans bestaat, zonder immer enigen stoornis of belemmering te mogen maken of veroorzaken, wanneer deze trap behoort te worden gerepareerd, blijvende desniettemin de kosten voor de eigenaar van het eerste perceel.

De twee deuren tussen beide panden, als ook de opening waarmee de twee kelders onderling waren verbonden, diende voor gemeenschappelijke rekening te worden dicht gemetseld. Deze doorgangen zijn teruggevonden na de brand in 1972, in het hier genoemde tweede perceel ( in 1972 bewoond door de familie Boonstra).

Over het gebruik van de regenwaterbak word het volgende vermeld: de koper van het eerste perceel zal het mandelige gebruik hebben der regenwaterbak, welke zich in het tweede perceel bevindt, en daarvoor ook in reparaties en het onderhoud der bak voor de helft moeten dragen. Voorts is uitvoerig beschreven op welke wijze het achter beide percelen liggende bleekveld, door middel van een schutting, gescheiden diende te worden.

Tenslotte wil ik U de indeling, zoals die in de akte wordt beschreven, niet onthouden. De hechte heren huizing bestond in een voor, een midden en een achterkamer, benevens een bovenvertrek, zolder en vliering, een ruime kelder onder het hele huis doorlopend, en een provisiekelder. Hoewel bewijzen ontbreken, is aan te nemen dat Yde de Haan en Wiepkjen Stapert behalve eigenaar ook de bewoners waren van n der panden, namelijk die naast de grootvader, (nu makelaardij Friesland).

Uit het feit dat Yde de Haan als wijnkoper de kelder onder beide panden aanprees als geschikt tot berging van wijnen, alsmede de wetenschap, dat de familie kort na vertrek naar Leeuwarden de panden te koop aanbood, geven aanleiding dit te veronderstellen, na verkoop van deze twee huizen, ging dit bezit van de familie Stapert, na respectievelijk 54 en 73 (42) jaar, over in andere handen.

3. Siebe Broers Stellingwerf.

Siebe Broers Stellingwerf werd op 30 januari 1772 te Joure geboren, overleden op 17 juli 1853 en was gehuwd met Grietje Franzes Mensesz. Sinds 22 december1827 waren zij de nieuwe eigenaren van het pand. Hij was grossier in wijnen en sterke dranken, en als zodanig mede-eigenaar van de firma Visser en Stellingwerf te Lemmer. Vanuit dit oogpunt beschouwd, is zijn interesse voor het huis goed te verklaren.

Stellingwerf was ook assessor der grietenij-Lemsterland, en ambtenaar der burgerlijke stand. Kort na de aankoop trad zoon Frans Stellingwerf, geboren op 13 februari 1807 te Lemmer in het huwelijk met Antje Hendrikus Le heux, namelijk op 4 mei 1828. Hij was eveneens koopman. Waarschijnlijk heeft Siebe Stellingwerf het pand aangekocht voor bewoning voor zijn zoon, en nam die vanaf dat moment de zaken waar.

Ruim drie en een half jaar daarna verkocht Siebe Stellingwerf de huizinge, aan zijn zoon voor een bedrag van f 3.500,-

4. Frans Siebes Stellingwerf.

Deze Frans Siebes Stellingwerf was 24 jaar oud, toen hij op 18 augustus 1831 voor f 3.500,- eigenaar werd. Ten behoeve van de aankoop werd een bedrag van f 3.000,- geleend van de Opziener der waterstaat Carst Dirks Fortuin. Frans Stellingwerf en zijn vrouw, die een dochter was van de logementhouder Hendrik Carolus Leheux 1776-1838, van de Wildeman te Lemmer, bewoonde waarschijnlijk al sinds hun huwelijk (in 1828), in het pand. Wat zich, nadat zij het huis in eigendom hadden verkregen, in het gezin van Stellingwerf heeft afgespeeld, is niet duidelijk, doch dat het niet ging zoals zij zich dat hadden voorgesteld staat vast.

Mogelijk door tegenslag in zaken, ziekte of anderszins, waren ze niet in staat de schulden af te betalen. Wat de juiste oorzaak ook geweest mag zijn, de werkelijkheid was zo, dat op 19 januari 1837 het huis werd verkocht door de schuldeiser Carst Dirks Fortuin. Nog dat zelfde jaar stierf Frans Siebes Stellingwerf op 2 oktober 1837 op de leeftijd van 30 jaar, dan zonder beroep wonende te Lemmer.

5. Carst Dirks Fortuin.

Met het doen van een lening aan de familie Frans Siebes Stellingwerf, werd de 73 jarige Carst Dirks Fortuin direct belanghebbende in het pand. Naar later zou blijken zonder enig financieel succes, want in 1837 doet hij de woning voor f 2.200,- van de hand, aan de koopman Jan Johannes van Schoot. Aangezien Frans Stellingwerf in 1831 nog f 3.500,- voor het pand betaalde, mogen we rustig spreken van een strop. Fortuin die in dit geval niet zo fortuinlijk was, zoals wordt genoemd als opziener der waterstaat, schipper en koopman, had hij het pand maar kort in eigendom.

Het valt dan ook te betwijfelen, of hij het daadwerkelijk heeft bewoond. Nu was zijn vrouw Jantje Hendriks Boersma al op 28 maart 1831 te Lemmer overleden. Ik ben daarom zo vrij te veronderstellen, dat hij zich als bijna 80 jarige en alleenstaande niet in een dergelijk groot huis vestigde. De korte tijd dat hij het pand bezat is daarvan het bewijs. Fortuin overleed op 14 november 1843 te Lemmer, 85 jaar oud.

De broer van Gelkjen Wiegers Visser, (die met Hermanus Geveke was gehuwd), Symon Wiegers Visser, (zeilmaker) geboren op 25 januari 1793 in Gaastmeer, zoon van Wieger Jans Visser en Dieuwke Sijmens, overleden op 6 oktober 1862 in Lemmer. Huwde (1) op 4 februari 1813 in Lemsterland met Anke Frederiks Sleeswijk, geboren op 5 april 1790 in Lemmer, overleden op dinsdag 10 juli 1827 in Lemmer, dochter van Frederik Hommes Sleeswijk en Janke Sybolts Cats. Huwde (2) op 24 februari 1828 in Lemsterland met Aaltje Carstes Fortuyn, geboren op 27 juli 1791 in Lemmer, overleden op donderdag 3 februari 1859 in Lemmer, dochter van Carst Dirks Fortuyn en Jantje Hendriks Boersma.

6. Jan Johannes van Schoot.

Met de aankoop van het huis, door Jan Johannes van Schoot, (1779-1843) werd een periode ingeluid, waarin het pand meer dan 50 jaar door leden van deze Rooms Katholieken familie werd bewoond. Jan Johannes van Schoot was een 58 jarige koopman uit Follega, die werd geboren te Oudeschoot. Vanaf 1824 had hij een kruidenierswinkel 'De Drie Kogels' te Follega, waarin ook Galanterie en textielartikelen te koop waren.

Sinds 1837 woonde hij in het pand aan de Oudesluis te Lemmer. Vermoedelijk heeft hij zich gaandeweg toegelegd op de verkoop van textielwaren, waartoe de kelder onder het huis zich uitstekend leende. Van Schoot was sinds 1829 gehuwd met Hinke Feringa, die 26 jaar jonger was dan hem. Het was zijn tweede huwelijk.

Eerder was hij getrouwd met Afke Siebes Zwaga, (1788-1826) die in 1826 te Follega was overleden. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, Johannes in 1810 en Siebe in 1812-1872. Na de dood van Jan Johannes van Schoot, in de winter van 1843, kregen de zoons het pand in eigendom. Daarna heeft hun stiefmoeder Hinke Johannes Feringa met 4 kinderen nog elf jaar in het huis gewoond. Totdat zij ook in 1854 overleed.

7. Johannes Jans van Schoot.

Na de dood van Hinke Feringa heeft Johannes van Schoot zich waarschijnlijk enkele jaren in het huis gevestigd, maar zeker is dat niet. Samen met zijn broer Siebe, was hij in 1844 eigenaar geworden van het pand. Op 10 november 1859 werd tussen hem en zijn broer Siebe de bestaande vennootschap ontbonden. Als gevolg hiervan verkocht hij de helft van het pand voor f 1.700,- aan Siebe van Schoot, die het huis daarmee geheel in eigendom kreeg.

Johannes van Schoot had daarna een textielzaak aan de andere kant van de sluis, tegenover zijn vorig huis. Later hebben nazaten van hem en zijn vrouw Catharina Hendriks Bergman, elders in de Lemmer gewoond, waaronder aan de Nieuwburen. Grotendeels zijn die nakomelingen tot op de huidige dag in de textielbranche werkzaam gebleven.

8. Siebe Jans van Schoot.

Siebe van Schoot (1812-1872) en zijn vrouw Sophia van Laar (1821-1866) woonden sinds 3 februari 1856 in het huis. Dit echtpaar had geen kinderen. Volgens het bevolkingsregister was Siebe, koopman in manufacturen. Hij had in de kelder van het pand een textielwinkel, waarin zijn ongehuwde nicht Pietje (Johannes zijn dochter) van Schoot werkte als winkeljuffrouw. Zij was in het gezin van haar oom en tante opgenomen, en woonde samen met hen in het pand aan de Oudesluis.

Na 1859 mocht Siebe van Schoot zich alleen eigenaar noemen. Hij bewoonde het pand tot zijn dood in 1872. Hij was toen al 6 jaar weduwnaar. Sinds 1871 bewoonde zijn schoonzus Wilhelmina van Laar, het pand, met haar man Bernhard Tuke , die zich zonder beroep vanuit Munster (Dld) te Lemmer had gevestigd. Twee dagen voor zijn dood, verkocht Siebe het pand voor f 4.400,- aan zijn jongste broer, met inbegrip van de winkel gereedschappen. Op 20 december 1872 stierf hij op de leeftijd van 60 jaar.

9. Wiebe Jans van Schoot.

Deze dertig jaar jongere broer van Siebe en Johannes van Schoot, was een zoon uit het tweede huwelijk van hun vader. Hij was gehuwd met Johanna Elizabeth Adriana van Bokhoven, die op 28 maart 1841 te 's Hertogenbosch geboren werd. Dit kinderloze echtpaar is na de dood van Siebe van Schoot het pand gaan bewonen, waarin zij de bestaande textielzaak hebben voortgezet. Op drie mei 1890 zijn ze vertrokken naar 's Hertogenbosch. Men had het huis verkocht aan de weledelgeleerde, Jan Gerardus Visser, die huisarts was te Lemmer.

Zo kwam er een reactie binnen van de heer Mient Hamstra: In de geschiedenis van dit pand (Oudesluis 9 te Lemmer) kwam ik de Familie van Schoot tegen. Textielhandelaren. Uit de genealogie van deze familie kon ik afleiden dat mijn vrouw Dorris Passenheim, een achter achter achter achter kleindochter is van Jan Johannesz van Schoot. Dorris Passenheim is de eigenaresse van Passenheim Modestad te Wolvega. Door alle generaties van de familie van Schoot nog steeds in de textielhandel dus. Passenheim Modestad is ontstaan uit de Winkels van Van Schoot te Steenwijk waar Lizette Van Schoot een tante van Dorris, de laatste Van Schoot winkel draaide en Dorris haar Moeder, Elizabeth overgestapt is op de naam Passenheim.

10. Dr. Jan Gerardus Visser.

Deze werd op 21 december 1889 eigenaar. Hij moest voor f 80,- tevens overnemen drie toonbanken met laden, 2 paar zonneblinden, vier jaloezien, en een fornuis. Jan Gerardus Visser, die gehuwd was met Froukje Ypma uit Arum, heeft het pand minder dan een half jaar in bezit gehad. Nadat de vorige bewoners op 3 mei het pand hadden verlaten, is het op 9 mei verkocht aan de boekhandelaar Hendrik Wilder. Visser is dan ook geen bewoner geweest van het pand.

11. Hendrik Wilder.

Hendrik Wilder werd op 11 november 1848 te Leeuwarden geboren. Hij was gehuwd met de drie jaar oudere Sjoukje Kuiken, die afkomstig was uit het Bildt. Ook zij hadden geen kinderen. Hendrik Wilder was boekdrukker en handelaar, die voorheen zijn bedrijf had in een pand aan de Nieuwburen. Nadat hij voor f 3.700,- eigenaar was geworden, heeft hij de kelder onder het huis ingericht als drukkerij, op de voorgevel kwam te staan Courantdrukkerij. Tot het drukkerswerk van Wilders behoorde het uit geven van ansichtkaarten, die tot de oudste van Lemmer mogen worden gerekend. Voorts werd er gedrukt het weekblad Lemsterland. Tegelijk met de opheffing van het bedrijf, in 1920 werd de uitgave van dit blad gestopt. Er waren toen slechts 12 betalende abonnees, de rest van de geringe oplaag bestond uit proef en bewijsnummers.

In de drukkerij van Hendrik Wilder was als letterzetter werkzaam zijn zwager Sijmen Kuiken. Deze was ongehuwd, en was in het gezin van Wilder opgenomen. In 1920 werd de drukkerswerkplaats van Hendrik Wilder opgeheven, nadat op 11 maart zijn vrouw was overleden. Enkele weken later vertrok zijn zwager naar Sint Annaparochie.

De bejaarde Wilder, die in zeer korte tijd alleen was komen te staan, verkocht daarna het pand aan de schipper Gosse Wierda, die er een brandstoffenhandel in begon. In het begin was Wilder als commensaal (kostganger) woonachtig in het gezin van Gosse Wierda, maar later woonde hij elders in Lemmer, tot hij daar in de strenge winter van 1929, op de leeftijd van 80 jaar is overleden.

Het pand Oudesluis 9, toen Hendrik Wilder (1848-1929) daarin een courantdrukkerij had, circa 1915.

Een offerte gemaakt door drukker Hendrik Wilder uit Lemmer, voor het leveren van  schoolbehoeften voor de Openbare Lagere Scholen in de gemeente Gaasterland in 1881. Afdruk van en met dank aan Johan Groenewoud: www.langsdeluts.nl en www.interneringsdepotgaasterland.nl

12. Gosse Wierda.

De familie Wierda woonde in het huis van 1920 tot 1954. Deze voormalige turfschipper, in 1887 te Nijemirdum geboren, werd in 1920 handelaar in brandstoffen, nadat hij in dat jaar het pand aan de Oudesluis van Hendrik Wilder had gekocht. Tien jaar later verkocht Wierda de zaak aan de steenkoolhandels vereniging te Leeuwarden. Als onderdeel van deze vereniging zou het bedrijf voortaan Steenkoolhandel G. Wierda N.V. heten, waarvan Wierda de directeur werd. Tot de bezittingen van de NV behoorde sindsdien het onderhavige pand aan de Oudesluis.

-Steenkoolhandel G. Wierda n.v.

Dit bedrijf heeft het pand zo'n 40 jaar in bezit gehad, waarin men met name voor de oorlog een bloeiende periode doormaakte, vooral door brandstofleveranties aan de Zuiderzeewerken. In die tijd waren 30 tot 40 werknemers in dienst, welk aantal door tijdelijke hulpkrachten, nodig voor het lossen van schepen tot meer dan 50 kon oplopen.

De opslagloodsen bevonden zich op een terrein aan de Stationsweg, achter het tramcomplex. In de zestiger jaren daalde de omzet van de steenkoolhandel zienderogen, vooral door de opkomst van aardgas. En en ander heeft er toe geleid, dat de steenkoolhandels vereniging (S.H.V.) in 1970 het bedrijf verkocht aan de Gebroeders Slump N.V. te Lemmer. Deze firma werkte eerder al nauw samen met de S.H.V.

Het pand aan de Oudesluis is in de S.H.V. periode door vier gezinnen bewoond geweest, in de hierna te noemen volgorde.

Gosse Wierda.

De familie Wierda bewoonde sinds 1920 het huis met vier dochters, waarvan de jongste Fimke in 1924 in het huis werd geboren. Later werd ten behoeve van de kinderen, een tweetal slaapkamers gemaakt op de zolder, waarzich door de eerste bewoner al een slaapkamer bevond. Voorts werd er een douche aangebracht, die bestond uit een houten met zink bekleed, met boven aan de balk een geiser.

In het voorjaar van 1954 ging Wierda met pensioen. Ter afscheid werd hem door zijn werkgever een reis aangeboden naar Amerika met een Grieks charterschip. Van deze vakantie keerde hij niet levend terug. Tijdens de terugreis kwam hij door een hartaanval om het leven. Zijn vrouw Feikje de Haan woont thans 1983 nog in een bejaardentehuis in Culemborg, op de respectabele leeftijd van 94 jaar.

Een foto van het huis toen bewoond door Gosse Wierda.

 

Jurjen de Boer.

Na de tweede wereldoorlog, van 1946 tot 1950, verhuurde Gosse Wierda de achterkamer van het huis aan het pas gehuwde echtpaar Jurjen de Boer. Daartoe was bij de achteringang, naast de achterkamer, een keukentje gemaakt. Wierda haalde de familie de Boer in huis, om inkwartiering van Indirs (uit Voormalig Nederlands Indi) te verkomen. Tijdens de inwoning werd het gezin de Boer verblijd met de geboorte van twee zoons, Johannes en Ynze.

Hermanus van der Heide.

De 51 jarige Hermanus van der Heide volgde in 1954 Gosse Wierda op als directeur van de gelijknamige steenkoolhandel. Van der Heide was afkomstig uit Leeuwarden, en had daar een nieuw huis bewoond. De vestiging in het ouderwetse en bewerkelijke koopmanshuis aan de Oudesluis, deed van der Heide besluiten het pand te moderniseren. In 1954 werd de voorheen erg donkere keuken (middelkamer) vernieuwd. De wand tussen keuken en voorkamer werd van glazen schuifdeuren voorzien, waartoe de bedstede in het eerst genoemde vertrek moest verdwijnen.

In 1963 werd uit de achterkamer een fraai beschot met snijwerk, en schoorsteenmantel verwijderd, als ook de binnenluiken van de ramen. Helaas is hiermee veel verloren gegaan van de oude betimmering, waardoor het interieur ernstig werd ontluisterd. Van der Heide heeft het huis bewoond tot in de nazomer van 1966, waarna zijn zoon directeur werd, en als zodanig ook de nieuwe bewoner.

Gerrit van der Heide.

Gerrit van der Heide Jr. heeft, met vrouw Catharina Veldkamp, en twee kinderen, waarvan de jongste, Baukje, die in 1969 in dit huis het eerste levenslicht aanschouwde, slechts vierenhalf jaar het pand bewoond. In 1968 heeft hij in de voorkamer de plafondbalken van een bekisting laten voorzien, en deze vervolgens laten houtkleuren door de oud schipper Klaas Vaartjes, en Hendrik Snijder.

Verder liet hij de oorspronkelijke schouw in dit vertrek wijzigen in de vorm zoals we die tegenwoordig kennen. De schouw werd geschikt gemaakt voor een openhaard, nadat in het huis centraleverwarming werd aangelegd.

Op 6 januari 1971 is dit gezin vertrokken naar Meppel, toen de steenkoolhandelsvereniging in november 1970 het gehele bedrijf met de gebouwen had verkocht aan de Gebroeders Slump NV. te Lemmer. Daarmee was een eind gekomen aan de steenkoolhandel G. Wierda N.V. welk bedrijf zo'n 50 jaar lang een belangrijke rol in de brandstofvoorziening, te Lemmer had gespeeld.

 

Het huis in 1975. De deur naar de kelder is weggehaald, waarachter zich twee etalageramen bevonden met een toegangsdeur. De kelderruimte deed dienst als showroom voor sanitaire artikelen.



13. Gebroeders Slump.

In het huis heeft van 20 januari 1971 tot 21 november gewoond de Heer Harm Ruiter met vrouw en kinderen. Ruiter is adjunct-directeur van het installatiebedrijf 'Gebroeders Slump', waarvan de brandstoffenhandel een klein deel uitmaakte. Tijdens de bewoning van de familie Ruiter, werd in de kelder vanuit het pand de verkoop van kachels en haarden vanuit een toonzaal voortgezet, zoals die reeds door de vorige bewoner was ingericht. Het voormalige kantoor was in het begin van de jaren zestig daaruit verhuist naar een nieuw kantoorpand op het tramcomplex. In november 1979 verkocht Slump het pand aan de huidige eigenaar, de firma A. Tijsseling en zonen te Lemmer.

Aanvulling van Tjitske Ruiter: Ten tijde dat mijn ouders (fam. Ruiter) op de Oudesluis 9 woonden, is het niet alleen een toonzaal geweest voor kachels. Mijn moeder heeft daar ook een winkeltje gehad waarin ze serviezen en speelgoed verkocht. Zij heeft ook de naam 't Vooronder bedacht voor haar winkeltje. Na de grote brand van Oene Boonstra, is de winkel ontruimd (teveel waterschade) en is het een showroom voor badkamers geworden.

 

fam. Ruiter

Gezicht op oude sluis 1972, met Beljons Vishandel en bar Dancing De Fuik, waar de brandweer om de hoek druk doende is om de brand te bestrijden in het winkelpand van Boonstra welke tot de grond toe afbrandde en het monumentale pand zwaar beschadigde, zodat dit weer geheel in originele staat is herbouwd.

Foto van de noord en westgevel, na de brand van 1972. In de gevel zijn duidelijk gaten te zien, waarin de vloerbalken hebben gezeten van het afgebrande huis.



14. A. Tijsseling en zonen.

De heer Arie Tijsseling, begon in 1968 met een cafetaria aan de Oudesluis, nadat hij de visserij vaarwel had gezegd. Het horecabedrijf is uit gegroeid tot de huidige bardancing 'De Fuik'. De zaak werd uitgebreid met de aankoop van het naast gelegen pand, waarin de zoon Douwe Tijsseling in 1980 een restaurant begonnen is genaamd 't Vooronder'. Douwe Tijsseling en zijn vrouw Jannie van der Sluis met hun twee jarige zoon Arie, zijn sindsdien de gelukkige bewoners van dit Oude koopmanshuis.

 

Beschrijving van het huis.

Exterieur.

Het pand toont een woonhuis onder zadeldak, tegen een klokgevel met rijke allure. De voorgevel is opgetrokken in een enigszins paars getinte baksteen, die als een soort spouwmuur is opgebouwd. Achter de vijf centimeter brede spouw is een binnenmuur aangebracht van gele baksteen. De top van de gevel heeft een van een in die tijd veel voorkomende klok, en wordt versierd met beeldhouwwerk in de stijl van Lodewijk XV (rococo).

Het beeldhouwwerk vertoont in het midden een cartouche, omringd met symbolische uitbeeldingen van de vier jaargetijden. Rechts onderin het werk stellen een paar schaatsen tegen een achtergrond van ijspegels, de winter voor. Daarboven beelden twee volle druiventrossen en een bos bloeiende tulpen, respectievelijk de herfst en de lente uit. Links onder tenslotte symboliseren rijpe korenaren en een sikkel de zomer.

De klokgevel wordt door bewerkte zandstenen vleugelstukken geflankeerd, welke aan de uiteinden uitmonden in gehouwen klauwstukken. De klauwstukken worden als het ware gedragen door rijkversierde cartouches (jaartal stenen), gedekt met een Ionisch kapiteel. In de cartouches staat de aanduiding "Anno1773".

De toegang naar de kelder (nu restaurant), met hardstenen dorpel, wordt geflankeerd door een tweetal ellipsvormige ramen. Tijdens de restauratie zijn ze opnieuw aangebracht. Voorheen is dat mogelijk gebeurd, toen in de kelder een winkel kwam. De voorkamer is voorzien van twee schuiframen, met rechts daarvan de door kolommen omlijste ingang, welke door een fronton wordt afgesloten, in de stijl van Lodewijk XVI.

Over de hele breedte van het huis, op het niveau van de woonverdieping, bevind zich een bordes, deels rustend op vier gedraaide pilaren van hout. Het bordes dat voorzien is van een hek met gietijzeren balusters, is bereikbaar via een houten trap, die is opgesteld langs de gevel van het naast gelegen pand aan de rechterzijde.

Het bordes is tijdens de eerste fase van de jongste restauratie opnieuw geplaatst, en van een nieuwe trap voorzien. Vroeger bevond dit platvorm zich alleen bij de voordeur, maar is later langs de hele gevel uitgebreid. De linker zijgevel bevat, bijna tegen de voorgevel, een raam in de voorkamer, over het geheel wat kleiner dan de ramen aan de voorzijde, maar in dezelfde verhouding. De afmetingen zijn geringer omdat de balkeinde van de bovenliggende balklaag juist boven het kozijn is geplaatst.

Voorst is deze gevel, die grenst aan de steeg, een raam rijk in de middenkamer (thans keuken), dat oorspronkelijk dezelfde afmeting had als voornoemd raam, zo leert ons een vermetseling.

Ook de ramen in de achtergevel zijn niet authentiek, de dagkanten bestaan gedeeltelijk uit klisklezoren, (Om het verband goed te kunnen leggen, worden stenen gehakt tot drieklezoren, klisklezoren of klezoren) de openingen zijn ingehakt. Voorheen bezaten de ramen zonneblinden. In deze eeuw werd een weinig fraai deurskozijn in de gevel aangebracht, die via het toilet toegang geeft tot de gang.

Tijdens de verbouwing van de kelder, in 1980 werd deze met een berging met platdak naar achteren uitgebreid. De rechterzijgevel (noord gevel) is aan het oog ontrokken, maar kwam vrij na de brand in het naast gelegen pand (makelaardij Friesland) in 1972. Daarbij bleek dat dit de oorspronkelijke zuid muur was van het verwoeste winkelpand.

In 1773 is deze gevel met een meter verhoogd, waarop vervolgens de muurplaat en de spantbenen van het in aanbouw zijnde huis werden geplaatst. De oude zuid muur is ook in de achtergevel nog terug te vinden, waar een bouwnaad de sluiting nog aangeeft van de bestaande en nieuw gebouwde gevel.

Het dak is gedekt met rode Hollandse pannen, de goten worden gedragen door gietijzeren gootbeugels, waarvan er nog slechts enkele bewaard waren gebleven, toen met de restauratie werd begonnen. Naar bestaand voorbeeld zijn daarna nieuwe beugels bijgemaakt.
 

Inventarisatietekening uit 1975

 

De voormalige tuin was enkele vruchtbomen rijk, met aan de kant van Makelaardij Friesland, een pand van oude Friese gele steen. Deze bestrating liep vanaf de woning naar het achter in de tuin gelegen olie hok. Tot 1954 bevond zich daar tevens, boven de sloot het "hske". Tijdens de bewoning van de heer G. van der Heide, heeft de tuin een metamorfose ondergaan, en verdween de bestrating onder een strook beton. De tuin werd verder voor een deel belegd met betontegels,en kreeg zelfs een vijver. Thans is het hele terrein verhard, ten behoeve van het restaurantbedrijf.

Interieur

Van het oorspronkelijke interieur is, behalve de betimmeringen in de voorkamer en enkele binnendeuren, jammer genoeg weinig bewaard gebleven. Ik wil dan ook bij de beschrijving van het interieur tevens enkele feiten vertellen, die die mij desgevraagd door enige oud bewoners zijn meegedeeld, over vroegere situatie.

Via de bordestrap komt men door de fraaie ingangspartij in de gang, waarin weinig meer aan de vroegere allure herinnert. De toegangen naar de voor en achterkamer bevatte nog de originele deuren. Voorheen bezat de gang aan de rechterzijde een blauw betegelde lambrisering, met daarin de voormalige toegang naar het naburige pand.

Ongeveer in het midden van de gang stond stond een hekwerk rond het trapgat, waardoor men via de trap naar de kelder kon begeven. Achter in de gang bevond zich een tweede trap, vanwaar uit men een hoger gelegen deel van de kelder kon bereiken. Op dit punt leidde een derde trap naar de slaapverdieping. Deze is thans nog aanwezig.

De voorkamer bezit een schouwpartij in de Lodewijk XVI stijl, die echter door een verbouwing tot openhaard, erg aan originaliteit heeft verloren. De versieringen, die we er op tegen komen vinden we terug in het snijwerk van het kalf der ingangspartij.

De schoorsteenmantel bevatte vroeger een schilderij. Hendrik Wilder gaf het mee aan een onbekende "deskundige" uit Amsterdam, ter restauratie. Men heeft het schilderij nooit meer terug gezien. Het stuk zou een gezicht tonen op het Dok, met voor de wal liggende schepen.

De schuifdeur naar de keuken werd in 1954 aangebracht. Daarvr waren beide vertrekken met elkaar verbonden door een deur tegen de buitenmuur, aan steegzijde. Rondom in de kamer vinden we een lambrisering met panelen, welke tezamen met de deur naar de gang, en de schoorsteenmantel in 1940 van gegipst smogwerk werden voorzien. Dit werk werd uitgevoerd door de plaatselijke schilder C. van Slageren. Alle ramen bezaten toen nog de originele binnenluiken.

Tegen de wand van de gang bevond zich in die tijd van Wierda nog een smalle hoge kast aangebracht over de volle hoogte van de wand.

De ronde balklaag kreeg in 1968 een bekisting, waarop een houtimitatie van lichteiken geschilderd. De tegenwoordige is geheel gemoderniseerd. Tegen het plafond zijn schrootjes aangebracht, en op de vloer ligt parket. Vr 1954 bezat deze keuken nog een bedstede tegen de voorkamerwand aan de gangzijde. Deze bedstede was tevens vanuit de voorkamer toegankelijk.

In het vertrek kwam schaars licht binnen door het raam in de steeg muur. Het was geschilderd in een donkergroene, bijna zwarte kleur. Het laat zich makkelijk raden hoe donker deze ruimte, zonder de suitedeuren naar de voorkamer, voorheen moet zijn geweest.

In de achterkamer bevond zich eerder, tegen de keukenmuur, een bedstedenwand. Hierin zaten twee bedsteden, en een kast, met in het midden een bedstede, die van binnen roze was geschilderd. Rond de deuren was een geprofileerde lijst aangebracht, omslingert met bloemguirlandes. Boven de deuren bevonden zich rococokrullen met tot in de periode Wilder, geschilderde taferelen.
 

Schouwpartij in Lodewijk XVI stijl, met moderne haard, in de voorkamer.

Detail, schoorsteenmantel bij de aansluiting met het balkonplafond.

Paneeldeur met lambrisering in de voorkamer. In deze kamer werden alle panelen in de deur, lambrisering en en schoorsteenmantel voorzien van gegipst smokwerk. Dit gebeurde in 1940.

Gerestaureerde voorgevel met balustrade en vernieuwde toegang tot de steeg (voorjaar 1983)

 

Voorts was in deze kamer een zwarte eenvoudige schoorsteenmantel tegen de steegmuur. De wanden waren van een lambrisering voorzien, die rond liep via de vensterbank. Deze thans nog aanwezige vensterbank bestaat uit een S-vormige versiering, die vroeger evenals de rest van het interieur, in groene tinten was geschilderd.

Behalve boven de bedstede deuren, bevond zich ook boven de deur naar de gang een schilderstuk, waarop menselijke figuren waren afgebeeld. Deze voorstellingen die waarschijnlijk op behang waren geschilderd, zijn verdwenen toen het pand door Hendrik Wilder werd bewoond. De zolder herbergde vroeger n slaapkamer tegen de voorkant. Dit vertrek was al in 1827 aanwezig, en bevatte tijdens de bewoning door de familie Wierda nog twee bedsteden en zeven kasten. Ten behoeve van zijn gezin liet Gosse Wierda later extra kamers maken en een douche.

De kelder, welke thans geheel als restaurant is ingericht, heeft een zoldering die bestaat uit een zware balklaag van grenenhout. Vermoedelijk is dit hout aangevoerd uit n der landen rond de Oostzee. De balk laag is bevloerd met houten delen van vijf centimeter dik, die herinneren aan de periode dat het pand als opslagruimte gebruikt werd. Het gebruik van de kelderruimte wijzigde doorgaans, zodra de bewoners plachten te verhuizen. Zo diende de ruimte aanvankelijk voor het opslaan van goederen. In 1837 werd het voorste deel als winkel ingericht. Dat is zo gebleven tot 1890, toen Wilder er een drukkerij in begon. in 1920 werd de ruimte gebruikt voor opslag van brandstoffen turf en steenkool. Later werd een gedeelte van de kelder geschikt gemaakt voor kantoorruimten.

In de jaren 60 was er een showroom van haarden en kachels in gevestigd, terwijl er daarna, tot de verbouwing tot restaurant, sanitaire artikelen in werden tentoon gesteld. Vermeldenswaardig is het feit dat van het achterstedeel van de kelder 'de voormalige provisieruimte' de wanden waren betegeld met blauwe tegels.

Tenslotte is de vondst van een kanonskogel het vermelden waard, deze werd door de voormalige bewoner G. van der Heide ontdekt in n van de vroegere doorgangen naar het naast gelegen woonhuis. Deze egaal ronden stenen kogel heeft een middellijn van zeven centimeter. Waarschijnlijk betreft het hier een kogel, die herinnerd aan een beschieting door Engelse oorlogsschepen in september 1799. Meer hier over te lezen in het boek "Lemsterlan,in kuijjerke troch it forline" van A.E. Klijnsma.

Restauratie.

De restauratie van het pand is in twee fasen uit gevoerd, en behelsde A. de verbouwing van de kelder tot restaurant met de daar bijbehorende wijzingen in de voorgevel, en B. de restauratie werkzaamheden aan het dak, de gevels en de kozijnen. Fase 1 is uitgevoerd in 1980. De bestaande kelder werd ontruimd, terwijl de vloer van het achterste deel moest worden verlaagd, om het vloer niveau in de gehele ruimte gelijk te krijgen. Naar achteren toe werd de ruimte vergroot met een bering, waarin tevens plaats kwam voor de verwarmingsketel.

Het restaurant werd gesitueerd aan de straatzijde, met daarachter de keuken en de sanitaire ruimte. De toegangsdeuren van de ingang zijn vernieuwd, terwijl de originele hardstenen onderdorpel, weggestopt onder de bestrating, in ere is hersteld. De voorgevel kreeg zijn balkon, over de volle breedte van de gevel, terug, waarbij oude foto's als voorbeeld hebben gediend. De daarbij aangebrachte gietijzeren balustrade is geen reconstructie, maar een alternatieve oplossing, die beter paste in het restauratieplan.

Voorts werden de vroegere segmentvorige etalageramen opnieuw aangebracht. Bij die gelegenheid is tevens de oude trap vervangen door een nieuwe. De bestrating onder het balkon onderging een wijziging. De oude Friese geeltjes kwam in de plaats voor betonnen tegels.

In de tweede fase, die in 1982 zijn beslag kreeg, is het dak grondig nagekeken, en waar nodig gerestaureerd. De kapconstructie bevond zich in goede staat, uitgezonderd de muur platen, die geheel werden vernieuwd, terwijl het bestaande hout werd door gespijkerd. Over de dakvloer is ter bescherming een ventilerende pvc folie aangebracht. De daklatten moesten allen worden vernieuwd, waarna de bestaande pannen weer konden worden gelegd.

Rondom het dak is een nieuwe, met zink beklede goot aangebracht, voorzien van een geprofileerde voorboei, passend bij de achttiende eeuwse architectuur van het pand. Het merendeel van de gootbeugels moest worden bijgemaakt na bestaand voorbeeld. Bij de aanvang van de restauratie waren daarvan nog slechts drie over.

Het metselwerk van de gevels verkeerde in het algemeen in goede staat. In de voorgevel hadden blinde ankers schade toegebracht aan het metselwerk. Dit was reden om de ankers uit te nemen, ze werden niet meer aangebracht. Vroeger was al eens een extra verankering gemonteerd door middel van zogenaamde rozetankers. De gescheurde gedeelten metselwerk zijn hersteld.

Het natuursteenwerk van de halsgevel is gerestaureerd met een twee componentenmortel. Met name de horizontale vlakken waren door verwering aan restauratie toe. Naderhand is al het zandsteenwerk geschilderd, waarbij de gebeeldhouwde voorstellingen op kleur werden gebracht. Onderzoek had opgeleverd, dat ook voorheen de afbeeldingen waren geschilderd, doch niet van af het eerste begin.

De buitenkozijnen verkeerden alle in goede staat. En onderdorpel, in een der ramen in de achtergevel moest worden vernieuwd. Het raamhout van de kozijnen van de achtergevel werd vervangen. Voor het oog zijn het schuiframen geworden in empirestijl, die echter zijn voorzien van een stolpraamconstructie. De roede verdeling van de ramen in de voorgevel is niet origineel. De wisseldorpel zat vroeger lager, blijkens opgevulde sponningen in de dagkanten van het kozijn.

Over de vraag, hoe de roede verdeling vroeger is geweest, werd overleg gepleegd met de Rijksdienst voor de monumentenzorg te Zeist, Ramen met twaalf (4 x 3 ) en vijfendertig ( 5 x 7 ) ruiten per kozijn werden waarschijnlijk geacht, maar gezien nooit de juiste zou worden achterhaald, werd besloten af te zien van reconstructie, en de huidige ramen te herstellen. Deze ramen hebben al een geschatte leeftijd van 130 jaar.

Ter herinnering aan deze restauratie heeft de opdrachtgever in de voorgevel een gedenksteen laten plaatsen, waarop de naam van de opdrachtgever, en het jaar van restauratie.
 

Restauratie 2e fase (herfst 1982)

Gerestaureerde ingangspartij in Lodewijk XVI stijl. Bovenlicht en toegangsdeur werden vernieuwd naar ontwerp van het Architectenbureau Feike Kroes in Lemmer.

 

Gezicht op de Oude Sluis van de noordzijde gezien. Rechts de twee panden, die eertijds werden bewoond door Nanne Jouwerts Stapert. Het meest rechtse huis van 1762 tot 1790 en het huis ernaast van 1790 tot 1826.

 

 

 

Een foto van het huis toen bewoond door Gosse Wierda

 

 

 

 

Foto: User:Gouwenaar|Gouwenaar (wiki CC BY-SA 3.0) Detail van de klokgevel met de afbeelding van de vier jaargetijden. Links onder de korenaren met sikkel, die de zomer uitbeelden. Daarboven een bos tulpen, de lente. Rechtsboven trossen met druiven, die het symbool zijn van de herfst en rechts beneden ijspegels met een paar schaatsen, de winter voorstellende.

 

 

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.