|
DE OUDE BEURTVAART OVER DE
ZUIDERZEE.
Drs. A. Schaper.
De beurtvaart, in de zin van een geregelde verbinding tussen twee
aan het water gelegen plaatsen, is in ons land niet ouder dan de
tweede helft van de zestiende eeuw, zoals Dr. J. M. Fuchs in zijn
proefschrift „Beurt- en Wagenveren" aantoont. In de Middeleeuwen
werd ook druk gevaren tussen de belangrijke plaatsen, maar toen
moesten de kooplieden of edelen een hele schuit van de schipper
huren voor een bepaald transport en wanneer zij bereid waren de
gevraagde som te betalen, vervoerde de schipper de goederen en
passagiers. Dit was dus ongeregeld vervoer, naar de behoeften van
het ogenblik. Een zekere regelmaat kwam er in door de marktschuiten,
die koopwaar naar de marktcentra voerden en ook wel passagiers
meenamen. Bij de grote opbloei van de handel in de 16e eeuw ging men
de noodzaak voelen van een vaste verbinding, ongeacht de hoeveelheid
vracht, tussen de belangrijkste plaatsen. Ook voor 't postvervoer
was geregelde vaart een noodzakelijkheid. De stadsbesturen zagen dit
in en stelden keuren op, waaraan de schippers werden onderworpen.
Zij moesten lid van het Binnenlands vaardersgilde zijn, een
deugdelijk schip bezitten, stipt op hun beurt en op tijd varen, zich
behoorlijk tegen de passagiers gedragen, niet dronken aan het roer
staan en zo meer. Ook verschenen er voor elke grote beurtdienst
vrachtlijsten, waarop de tarieven stonden vermeld. Voor belangrijke
beurtvaartlijnen sloten de magistraten van beide steden een
overeenkomst, waarin zij elkanders schepen ligplaats boden en waarin
de beurtschippers met name werden genoemd.

Beurtschip met vracht.
Er waren ook lijnen, waarvoor geen speciale overeenkomst was
gemaakt, maar die toch aan keuren waren onderworpen en tenslotte was
er de „wilde" beurtvaart, meestal door schippers van afgelegen
oorden bevaren en niet gebonden door enige keuren. Deze overgang van
vrije naar geregelde vaart bracht, naast grote voordelen, het nadeel
mee, dat op tijd gevaren moest worden, vracht of geen vracht, zodat
de ene beurt wel eens veel voordeliger voor de schipper was dan de
andere. Dit bezwaar onderving men door „in een beurs of
compagnieschap " te gaan varen. De helft of meer van het geïnde
vrachtgeld werd „in seeckere besloten busch" van het gilde
gedeponeerd en door de overheden van het gilde bewaard. Elke week of
om de twee weken werd dan de inhoud gelijkelijk onder de deelnemende
beurtschippers verdeeld. Een merkwaardige vorm van sociale zorg
vormde de bepaling, die met name bekend is van de beurtschippers van
Amsterdam op Deventer, dat bij overlijden van een schipper diens
opvolger gehouden was, het schip van zijn voorganger over te nemen
tegen de waarde, getaxeerd door het Binnenlands vaardersgilde.
Hierdoor voorkwam men, dat de weduwe „opgescheept" zat met een voor
haar onbruikbaar schip, terwijl zij door deze maatregel zeker was
van een sommetje geld. Amsterdam groeide in de 17e eeuw uit tot
verreweg de grootste en machtigste handelsstad. Het is dan ook
duidelijk, dat de stad als een spin in een web van beurtvaartlijnen
zat. Elke plaats van enig belang wilde een beurtdienst op de
hoofdstad hebben. Door na te gaan, welke diensten op Amsterdam er
bestonden, verkrijgt men dus een aardig overzicht van de beurtvaart
over de Zuiderzee.
De oudste geregelde beurtvaart over de
Zuiderzee is die tussen Hoorn en Amsterdam. De keur dateert van
1529. Bepaald wordt o.m., dat de karveelschepen dagelijks zouden
varen ; op weekmarktdag en 's Maandags twee keer, dat de overtocht
voor een passagier een stuiver zou kosten en dat voor 5 schellingen
groot een extra karveel gehuurd kon worden. Het veer tussen
Amsterdam en Enkhuizen werd in 1550 bij keur geregeld. De beurt
bestond al eerder, maar werd nu wettelijk geregeld. Dagelijks voer
van beide steden een beurtman af. Een extra karveel was te huur voor
2 Carolus guldens. Later werd de frequentie opgevoerd tot twee
diensten per dag 's zomers en één 's winters. De Hoornse en
Enkhuizer beurtdiensten op Amsterdam werden aanvankelijk uitsluitend
door schippers uit eerstgenoemde steden verricht. Zulke eenzijdige
veren zullen in de zestiende eeuw ook bestaan hebben van Amersfoort,
Harderwijk. Elburg, Kampen, Zwolle en Deventer op Amsterdam.
Stedelijke overeenkomsten worden in de 17e en 18e eeuw getroffen,
waarbij Amsterdam als ene partij als voorwaarde gaat stellen, dat
een deel van de schippers Amsterdammers moeten zijn. Daar er de
provincieplaatsen veel aan gelegen was om de beurt op de hoofdstad
te behouden, gaven zij meestal toe. Zo zien we, dat in 1662 voor het
Enkhuizer veer wordt bepaald, dat de Amsterdammers in het vervolg
van de beurt moesten bedienen. Voor de meeste grote lijnen kwamen
soortgelijke overeenkomsten tot stand. Van enkele diensten, o.a. die
op Leeuwarden en Medemblik, is bekend, dat zij de Amsterdamse eisen
afwezen en zelf de gehele beurt bleven bevaren. Wellicht waren die
lijnen niet zo belangrijk voor Amsterdam, dat zij een twist voor
haar wensen wilde riskeren. Behalve op Hoorn en Enkhuizen, had
Amsterdam in de 17e eeuw dagelijkse veerdiensten met wederzijdse
overeenkomsten op Harlingen (overeenkomst van 1605), Workum (1650),
Zwolle (16e eeuw), Harderwijk (16e eeuw), Amersfoort (ca. 1600),
Naarden (ca. 1600) en Muiden (ca. 1600). Zonder speciale
overeenkomsten, maar wel onder de keuren vallende, waren de
dagelijkse diensten op Texel en 't Vlie, Staveren, Lemmer, Edam en
Monnikendam. Voor stukgoederen, post en passagiers voer tussen
Amsterdam en Monnikendam, Edam, Hoorn, Muiden en Naarden bovendien
nog de trekschuit binnendoor. Belangrijke veren met een frequentie,
minder dan dagelijks, waren die op Deventer, Elburg, Groningen,
Hasselt, Kampen, Nijkerk, Zutfen en Doesburg. Tientallen kleinere
plaatsen hadden een beurtvaart op Amsterdam, die niet nader
gereglementeerd was.

Luinjeberd, Beurtschepen.
Ook met enige buitenlandsche havens ontstond via de Zuiderzee
regelmatige beurtvaart. De beurtdiensten op Londen en Rouaan werden
in 1611 geregeld. Op Londen zouden de schepen tweemaal per week
varen, op Rouaan vertrokken de vrachtboeiers tweemaal per 20 dagen.
De ordonnantie voor het veer van Amsterdam op Hamburg dateert van
1613 en dient om de heersende wanorde op deze lijn op te heffen. Men
komt overeen, dat Amsterdam twee beurten zal vervullen tegen Hamburg
één, „hoewel d'onse vermits de groote menichte van hare schepen wel
meerder beurten hadden behooren te hebben", zoals de Amsterdamse
magistraat opmerkt. Met Bremen had Amsterdam ook een
beurtverbinding, maar behoudens een akkoord van 1647 is nooit een
definitieve wederzijdse afspraak gemaakt. Niettemin is dit veer tot
omstreeks 1780 druk bevaren geweest. In 1699 kwamen overeenkomsten
van Amsterdam met Duinkerken en Emden tot stand. Ook voer men op St.
Valéry in Frankrijk. Ook Haarlem had verschillende beurtdiensten op
het buitenland. Op Hamburg voer men sinds 1669 om de honderd dagen,
van 1701 af elke week. In 1692 ging men ook op Altona varen en van
daar op Glückstadt, een eenzijdig door Haarlem bevaren dienst. Deze
dienst is spoedig weer verdwenen en in 1702 vinden we, dat de dienst
op Hamburg tevens op Altona is gaan varen. Toen ging elke 8 dagen
een schip uit Haarlem en elke 10 dagen een uit Hamburg en Altona af.
Ook hebben er beurtdiensten bestaan van Haarlem op Londen, Rouaan en
Duinkerken. Enkhuizen had als belangrijke aanvoer- en marktstad voor
de Noordzeeharing en als haven voor de grote vaart ook een aantal
beurtvaartlijnen buiten Amsterdam om. Deze lijnen gingen naar
Harlingen, Workum, Staveren, Lemmer, Sneek, Leeuwarden, Kuinre,
Zwolle, Kampen, Harderwijk (in 1669 weer opgeheven) en Haarlem. Tot
de 19e eeuw waren de Hoornse kagen en hektjalken met spriettuig de
meest gebruikte beurtschepen. Daarnaast kwamen steeds meer de „draai
overboord'-tjalken met gaffeltuig in gebruik. Voor de buitenlandse
beurtvaart werden smakken, koffen en vrachtboeiers gebruikt, smakken
en koffen vooral naar de „kleine Oost", boeiers vooral naar Rouaan.
Advertentie Leeuwarder Courant.
Beurtvaart in 1770: Daar wordt geadverteerd dat van nieuw aan alle
Zondags morgens een Beurtman van Leeuwarden op Rotterdam, Gouda en
Dordrecht zal afvaaren; zoo verzoeken dezelve Schippers, alle Heeren,
Burgers, Kooplieden en Ingezetenen haar gunst, beloven in alles een
Prompte behandelinge en goede Vigilantie; die iets heeft te bestellen,
gelieve maar kennisse te geven aan de Makelaar A. Miedema bij de
Groenmerk, die den schipper verders zal onderregten, en aan de Heeren
haar Huizen zenden.
De eerste stoombootdienst over de Zuiderzee was die met de raderboot
„IJssel" van Amsterdam via de rede van Harderwijk en die van Elburg
naar Kampen. Dit schip, eigendom van de „Amsterdamsche Stoomboot
Maatschappij" begon de dienst in 1826 en voer om de andere dag van
de hoofdstad. Met kleinere schepen werden passagiers en goederen van
de rede naar Harderwijk en Elburg gevoerd. Later kwam er ook op
Hoorn een stoombootdienst. Toch bleef de zeilvaart nog lang in stand
bij de beurtvaart en thans ziet men nog verscheidene beurtschepen
onder zeil, zij het dan als hulpkracht naast de motor. De beurtvaart
ondervond in de laatste eeuw de concurrentie van spoor- en
wegvervoer, maar, vooral voor omvangrijke goederen, is haar
betekenis nog groot. Men kan zeggen, dat het vervoer
gespecialiseerder is geworden. Spoedeisende, kleine of waardevolle
zendingen zullen meer per spoor of auto worden vervoerd, in de
eerste plaats natuurlijk alle bagage van „Tante Pos", voor het
overige is het watervervoer dikwijls voordeliger. Hoewel het aantal
beurtvaartlijnen is verminderd, vergeleken met vorige eeuwen,
vervult de beurtvaart dus nog een uiterst belangrijke functie in
oneconomisch leven. Het IJsselmeer speelt hierbij een grote rol als
waterweg.

Beurtschip te zien in Joure.
Beurtvaart van Lemmer naar Amsterdam.
Al in 1625 voeren er zeilschepen met
vracht heen en weer tussen Friesland en het Westen voornamelijk naar ’s
lands hoofdstad en de Zaanstreek zoals uit archiefstukken blijkt. In
1710 werd echter officieel vergunning verleend aan ene Albert Hannes om
een veerdienst op Amsterdam te beginnen. De beurtschepen hadden onder
normale omstandigheden twaalf uur nodig om de oversteek over de
Zuiderzee te
maken. Bij slecht weer en tegenwind duurde de reis echter vaker veel
langer. Meer dan een eeuw later te weten in 1828 deed de stoomvaart haar
intrede. De eerste dienst werd onderhouden met het stoomschip 'IJssel'
dat zes uur voor de overtocht nodig had.
Ook waren er ongelukken met Lemster
veerschepen. Het oudst-bekende gegeven over dit veer dateert uit 1709,
toen de Staten van Friesland aan Albert Hannes octrooi (vergunning)
verleenden om een veerdienst tussen Lemmer en Amsterdam te onderhouden.
Een jaar later wordt dit nog eens bekrachtigd en dan blijkt dat hij
tevens op Muiden en 'Zeeherg' vaart. Hij verklaarde deze dienst al
gedurende
25 jaar gevaren te hebben. De Staten verboden anderen om eveneens op
deze plaatsen te varen. Daarnaast bestonden er veerdiensten van Lemmer
op Kampen en Zwolle en van Lemmer op Groningen en Leeuwarden. In het
midden van de 18de eeuw waren deze in handen van Regnerus van Andringa,
de grietman van Lemsterland (1674-1754). Hij bewoonde de 'Andringastate'
te Lemmer en van hem is bekend dat hij de handel en nijverheid in zijn
woonplaats sterk bevorderde. Hierdoor kreeg deze plaats een soort
centrumfunctie. Vanuit zijn huis had hij een riant uitzicht over de
haven, vanwaar de veerschepen vertrokken. Van Andringa overleed
kinderloos in 1754. In zijn testament had hij bepaald dat een deel van
zijn bezittingen zou overgaan op de familie Van (Andringa) de Kempenaer.
Zo werden achtereenvolgens Daniël Livius de Kempenaer en diens neef
Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer - eveneens grietmannen in
Lemsterland - eigenaren van het bedrijf van veerschepen. Later verbond
men daar ook wagenveren aan.
Dat het bedrijf goed functioneerde blijkt uit het bericht dat men
omstreeks 1790 voor een overtocht naar Amsterdam dikwijls drie weken of
langer tevoren een plaats in de kajuit moest bespreken. Het waren ruime
schepen die iedere dag afvoeren. In 1823 en 1825 zijn door buitenlanders
pogingen ondernomen om een stoomschip in de vaart te brengen maar hun
verzoeken werden door de overheid afgewezen. Mogelijk wilde men het
bestaande bedrijf, waarin de grietman belangen had, beschermen. Er werd
toen op gewezen dat de zeilschepen veilig en snel waren. Dat werd door
een hoge marineofficier bevestigd. Met een erg gunstige wind kon men in
5Y2 à 6 uur over zijn maar
meestal duurde zo'n tocht ongeveer twaalf uur. De familie Van Andringa
de Kempenaer liet de bekende Friese scheepsontwerper Folkert Nicolaas
van Loon (geboren te Harlingen op 6 december 1775) enkele snelle schepen
in schets brengen.
Omstreeks 1850 voeren er gelijktijdig stoom- en zeilschepen.
Langzamerhand verdween de zeilvaart en ging men over op het gebruik van
motorschepen. Toen had de familie De Kempenaer het bedrijf echter niet
meer in bezit; vermoedelijk heeft zij het vlak na 1850 afgestoten. Toen
verkocht zij namelijk enkele schepen. Anderen namen de veerdiensten
over, waaronder de firma Nieveen uit Groningen die het tot 1959
volhield.
Hoewel het grietenijbestuur van Lemsterland in 1823 schreef dat het
vervoer over water veilig was, hebben zich toch enkele ongelukken
voorgedaan. De eerste keer gebeurde dat in 1767.Op 9 januari van dat
jaar schreef Daniël Livius de Kempenaer aan zijn broer Hendrik hoe dat
ongeluk zich afspeelde. Uit zijn brief hebben we verschillende passages
overgenomen die we hieronder laten volgen.
Het in 1764 gebouwde schip met de 'Moorekop',
dat onder gezag stond van schipper Evert Clases, ging op 1 januari 1767
op de toenmalige Zuiderzee als gevolg van een hoos ter hoogte van de Val
van Urk ten onder. Volgens het uitgebrachte rapport riep de schipper aan
de beide knechten: 'Ik sie een buij aankomen, maak het anker los!' En
tegen de dekknechten: 'Gaa terstond na beneden, trek spoedig de laarzen
aan, sneid een stuk eeten en kom haastig boven, want het sal overal
worden.'
Kort daarop riep de stuurman dat hij geen water meer onder het roer
voelde, waarna de schipper meteen de zeilen wilde strijken. Dat gelukte
niet meer want het schip kapseisde onmiddellijk; de schipper sloeg
overboord en verdronk. De beide knechten klommen op het omgeslagen
schip, evenals zeven passagiers die er binnen twee uur echter afsloegen.
Tien andere passagiers zijn vermoedelijk in de kajuit verdronken. De
zeventien slachtoffers waren allen zeevarend en, waaronder schippers en
stuurlieden van zeegaande schepen. De twee schippersknechten hadden de
tegenwoordigheid van geest zich met een touw aan het schip te
bevestigen, wat hun geluk geweest is. Zij overleefden de ramp maar wel
onder de zwaarst-denkbare omstandigheden.
Vanaf 's avonds zeven uur - toen het
ongeluk gebeurde - tot aan de volgende middag één uur waren zij
gedwongen bij het wrak te blijven, zonder dat er hulp kwam opdagen.
Toen pas werden zij door de bemanning van een lichter gered en in
Enkhuizen aan, wal gezet. 'U kunt denken dat dese twee knegts niet
weinig zijn gefatigeert (vermoeid) geweest, waarvan de eene sig wel
bevindt, schoon hij met het bloote hooft door het verlies van sijn muts
de geheele 18 benaude uuren heeft moeten doorstaan en de ander is wel
gesond maar heeft de beenen seer geswollen en de toonen zijn hem
vervroren geweest.'
Daniël de Kempenaer had al pogingen in het
werk gesteld om het wrak te bergen maar hij zag niet veel mogelijkheden.
'Ik ben verlegen en weet niet wat ik moet doen om wel te doen,' schreef
hij.
In 1766 had hij een nieuw beurtschip betaald en ook in 1767 zou hij er
één financieren. Hij kon zich echter niet permitteren het verongelukte
schip te vervangen omdat de erfenis van 'oom de grietman' (Van Andringa)
dat niet toeliet. Aan de andere kant voelde hij er ook weinig voor om
het veer te laten verlopen door het alleen te bevaren met de
overgebleven schepen. De Kempenaer vond tevens dat de volgende bezitter
van de veren niet benadeeld mocht worden door het bedrijf na deze ramp
te laten versloffen.
Hij was namelijk gebonden aan de bepalingen in het testament van
Regnerus van Andringa.
Het andere ongeluk met een Lemster
beurtschip vond in 1826 in Amsterdam plaats. De schipper Sikke S. Postma
lichtte vier dagen na het betreffende ongeluk de douairière R.L. van
Andringa de Kempenaer in Leeuwarden in. In zijn brief van 16 maart
beschreef hij op heldere wijze de toedracht.
Hij begon de brief als volgt: 'Het doet
mij leed Hoog Welgeboren Mevrouw dat ik 't ongeluk gehad heb maar dat is
zoo.' Hij lag met zijn schip 'in de Laag van de Nieuwenbrug', waar het
Harlinger beurtschip eerst en vervolgens de Harderwijker beurtman
langszij kwamen. Laatstgenoemd schip voer het eerst af, gevolgd door de
Harlinger en 'doe ging ik af'. Postma zag dat de twee andere schepen
elkaar in het IJ raakten en zei tegen zijn knecht: 'Pas wel op want 't
is met die beijde niet goed.' Hij wendde de steven, voer terug naar 'de
Laag' maar moest toen weer draaien. Zijn tocht vervolgende zag hij de
Harderwijker op zich afkomen, maar hij kon het schip ondanks grote
inspanningen niet meer ontwijken. Het voorschip van de Lemster
beurtvaarder raakte daarop het achterschip van de Harderwijker. Men
dient hierbij te bedenken dat een langzaam varend zwaar zeilschip
moeilijker wendbaar is dan een hedendaags motorschip van dezelfde
afmetingen. Het gevolg van de aanvaring was dat beide schepen
leksloegen.
De Lemster schipper schreef toen het
volgende gedaan te hebben: 'Ik smeet ons anker overboord om bevrijd te
sijn van de Laag om niet meer schade te bekomen, waardoor Inne J. Drint
alles gesien hebbende van zijn schip hoe dat alles gebeurd was, waarop
hij dadelijk met twee van zijn matroosen aan boord kwam om mij tot hulp
te weesen ! En al pompende doe ben ik 't gat van de niew herberg
ingegaan en
't schip daar op slijk geset. Doe heb late hale van de wal twee om te
pompen en een zijl onder 't schip gehaald daar mij dogte het lek te
zijn.'
De dag daarna voer hij naar de dichtstbijzijnde werf waar het schip werd
drooggezet. Bij inspectie bleek dat er drie 'boegen' (gangen of planken)
kapot waren. Deze zouden daar terstond vernieuwd worden, wat slechts
enkele dagen zou hoeven te duren. De kosten van het werk zouden naar
schatting zo'n 180 gulden belopen.
De grietman (jhr. O.R. van Andringa de) Kempenaer heeft 't schip gesien
en die viel 't mee, die dogt de schade groter was. En de Harderwijker is
ook aan de werf en soo al de mensen segge is sijn schade zoo groot niet
als 't geroep wel was.' Als de Lemsters niet zo goed opgelet hadden,
'dan hadden wij ook in de grond geraakt. Dus Hoogwelgeboren mevrouw zoo
is 't,' aldus schipper Postma.
Wat hij niet vermeldde was het feit dat de
Harderwijker schipper gewond raakte en dezelfde middag aan zijn
verwondingen bezweek. Jhr. Van Andringa de Kempenaer bracht zijn neef
W.C.G. van Welderen Rengers van de aanvaring op de hoogte. Twee van zijn
brieven zijn eveneens bewaard gebleven. Hij vermeldt dat er nauwelijks
koopmansgoederen aan boord waren. Als goed jurist lette hij nauwkeurig
op eventuele aansprakelijkheid die men zou kunnen dragen getuige het
volgende citaat: 'Wanneer er geen moedwillige beschadiging heeft plaats
gehad dan zal er voor ons geene andere gevolgen uit voort kunnen
spruiten, daar de Fransche wet bepaald dat in dusdanig geval
ieder zijn eigene schade houden moet.'
Bij het verzamelen van informatie in Amsterdam heeft jhr. De Kempenaer
ervaren dat alle getuigen het eens waren met het verhaal van Sikke
Postma. Voor hem kreeg de aanvaring echter nog een staartje. De weduwe
van de Harderwijker schipper, Gerritje van Heumen en haar zoon IJsebrant
de Vries lieten de deurwaarder namelijk een aanzegging doen bij Postma.
Van hem werd geëist de schade te vergoeden. Hij kwam in het geweer met
een 'contra-insinuatie' waarin hij uiteenzette hoe het ongeluk zich
afgespeeld had. In het dossiertje over deze kwestie in het archief van
de familie Van Andringa de Kempenaer bevindt zich verder nog een
dagvaarding voor Postma om voor de Amsterdamse Rechtbank te verschijnen.
Een vonnis van de rechtbank ontbreekt maar de afloop zal vermoedelijk
zijn geweest zoals jhr. De Kempenaer in zijn tweede brief voorspelde:
'Het zijn van beide kanten hooge klinkende woorden die niet anders
kunnen teweeg brengen dan dat ieder met zijn eigene schade moet raden.'

De haven van Lemmer in de 18de eeuw,
gezien vanaf de Oude Sluis. Links zijn enige beurtschepen te zien.
LC-1843-03-14. LEEUWARDEN den 13
Maart. In verband met de vroeger door ons vermelde verbeteringen in het
communicatiewezen dezer provincie welke ook voor de uitbreiding der
handelsbetrekkingen van zooveel belang zijn kunnen wij thans mededeelen,
dat er octrooi is aangevraagd tot het in werking brengen van eene
geregelde beurtvaart van Bolsward op Groningen en terug voorloopig om de
14 dagen des Dinsdags van Bolsward en des Vrijdags van Groningen te
varen.
Het is te hopen dat dat Veer door de betrokkene Besturen en de
Gedeputeerde Staten der beide provinciën spoedig worde toegestaan ten
einde er voorzien worde de in eene behoefte aan de stad Bolsward en
omstreken, ter bevordering van den handel met Groningen en aan den
wensch van onderscheidene voorname handel drijvende personen aldaar.
Advertenties.



Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|