LC-1941-04-03. De
geschiedenis van de haven.
Als de polder in het
najaar geheel zal zijn droog gemalen zal de haven van Blokzijl droog
en ala een zeer vreemd uitsteeksel in het nieuwe
land liggen. Reeds nu gaat de scheepvaart naar het IJsselmeer via
een nieuw gegraven kanaal naar Vollenhove vanwaar zij dan verder via
het randkanaal en de sluis bij Kadoelen gaat. Tusschen de Kolk te
Blokzijl en de haven ligt nu een dam en zoo zijn het nog slechts de
enkele motorvletten der Zuiderzeewerken of een paar
visschersscheepjes die voor het laatst in het Noordoostpoldergebied
visschen die thans nog het haventje uitvaren. Maar deze haven heeft
eens glorietijden vol drukte en vol vertier gekend. Aan die tijden
herinnert ook het oude rijmpje,
"Blokzijl heeft meer schepen In getal
Dan Overijssel heel en al"
In een thans reeds
honderd jaren geleden verschenen boek wordt van het toen
blijkbaar nog zeer bloeiende Blokzijl o.a het volgende gezegd.
Blokzyl een bloeiend vlek aan de Zuiderzee een uur ten noorden van
Vollenhove gelegen is eene zeer levendige plaats waar dagelijks een
groot aantal schepen aankomen en afvaren Tot een voorbeeld der
toeneming van handel en nijverheid kan strekken dat gedurende het
jaar
1833: 960 het jaar 1834: 1.149 het jaar 1835: 1.028
het jaar 1836: 1.588 het jaar 1837: 2.157 het jaar
1838: 2.341 en het jaar 1839: 2.124 vaartuigen
het havendiep te Blokzijl zijn doorgekomen.
De vestingwerken zijn thans bijna geheel vervallen. De inwoners 1670 in getal hebben eene
Hervormde en eene Doopsgezinde kerk.
Zoo was het dus honderd jaar geleden toen er
nog tal van mattenschippers woonden en de
scheepvaart bloeide. Veel heeft de oude haven
van Blokzijl zien gebeuren en veranderen. In
de hachelijke dagen van Februari 1825 toen een
ontzettende stormvloed Noordoost-Overijsel teisterde bracht de haven met de flinke vloot
schepen aan velen die in nood verkeerden uitkomst. Toch maakte men zich dien Donderdag
3 Februari die aan den ontzettenden Vrijdag
vooraf ging met recht ongerust want het water
stond al op 7 voet peil en het rees van uur tot
uur. Te middernacht was het al geklommen tot
12 voet en ’s nachts steeg het tot 14 voet boven
den gewonen waterstand. Toen werd de bevolking opgeroepen den zeedijk te versterken. Met
de kanonnen toen nog aan den dijk staande (nu
aan de kolk werden noodschoten gelost teneinde
de bewoners der lage streken n die tusschen
den zeedijk en het hooger gelegen Steenwijk te
waarschuwen.
Evenals te Blankenham bezweek hier ’s morgens de zware dijk op twee plaatsen waardoor
Blokzijl geheel onder water liep 28 huizen wegspoelden en 80 bouwvallig werden. Toen het
water het hoogst was stond het in het gemeentehuis anderhalven meter hoog.
Zij die de woningen moesten verlaten zochten
en vonden veiligheid op de vaartuigen. Er waren
jachten met meer dan 20 menschen. Aan stormvloeden wel gewend hadden vele inwoners geen
voorzorgsmaatregelen genomen en de veraf wonenden waren niet van de doorbraken op de
hoogte gesteld.
Er hebben zich te Blokzijl in die Februaridagen van 1825 ondanks de redding die velen
op de schepen vonden dan ook nog ontzettende
tooneelen afgespeeld 4 personen 50 runderen
1 paard en 8 schapen vonden den dood.
Veel is er veranderd te Blokzijl. De rijke
schepen liggen niet meer in de haven. Booten
in veel geringer aantal en met veel leelijker
uiterlijk worden door machines gedreven door
het rechte nieuwe kanaal naar Vollenhove.
En de haven van Blokzijl valt droog.
Oude huisjes aan de Kolk te
Blokzijl.

De haven loopt leeg. Nóg komt
een visschersschuitje het havengat binnen maar
het zal spoedig voor het laatst zijn.
Tussen 1750 en 1770
vestigden de eerste joden zich in Blokzijl. Onder hen bevond
zich een vleeshouwer en zijn gezin.
In 1771 kochten de joden van Blokzijl een begraafplaats aan
het Slingerpad. Tot aan de burgerlijke gelijkstelling in
1796 telde de plaats maar weinig joodse inwoners, maar in de
jaren daarna nam de gemeenschap in omvang toe.
De godsdienstoefeningen
werden vanaf 1791 aanvankelijk in een huissynagoge gehouden.
Na enige interne strubbelingen overwonnen te hebben kon de
gemeente in 1828 een gebouw betrekken aan de Zuiderstraat.
Daarin was plaats voor een synagoge, een school, een
vergaderzaal en een ritueel bad. In 1885 kwam er een einde
aan het joodse onderwijs in Blokzijl en kregen de kinderen
verder les van een leraar in Zwartsluis.
De joodse gemeenschap
van Blokzijl, die vanaf het begin van de negentiende eeuw
samen was gevoegd met de gemeente van Vollenhove, kende zijn
grootste omvang rond 1870. Het merendeel van de kostwinners
was werkzaam in de handel en in de vleeshouwerij. Er was
slechts één joodse vereniging: een vrouwengenootschap voor
liefdadigheid.
Aan het einde van de
negentiende eeuw liep de joodse gemeente behoorlijk terug en
in de twintiger jaren van de twintigste eeuw had ze in feite
reeds opgehouden te bestaan. De bouwvallige synagoge werd in
1925 verkocht en een jaar later afgebroken.
Alle joden uit Blokzijl
en Vollenhove zijn tijdens de bezetting om het leven
gebracht. In 1947 werd de gemeente formeel opgeheven en bij
die van Zwolle gevoegd. De oude begraafplaats aan het
Slingerpad wordt sinds 1949 onderhouden door de plaatselijke
overheid Blokzijl. De begraafplaats werd in 1999 op
particulier initiatief gerestaureerd en er werd een
herinneringssteen geplaatst ter nagedachtenis aan de
veertien omgekomen joden uit Blokzijl en Vollenhove.
Ook in Vollenhove
hebben zich tussen 1750 en 1770 voor het eerst joden
gevestigd. In 1783 kregen zij toestemming om in een
huissynagoge aan de Kerkplaatze godsdienstoefeningen te
houden. Vanaf 1775 maakten zij gebruik van een eigen
begraafplaats achter de Havesathe Old-Plattenburg.
Een synagoge, die gebouwd kon worden dankzij een gift van
koning Louis-Napoleon in 1809, is waarschijnlijk weinig
gebruikt. Sinds de oprichting van het
Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap in het begin van de
negentiende eeuw maakte de joodse gemeente van Vollenhove
deel uit van de gemeente Blokzijl.
Ook in Wanneperveen
bestond in de twintiger jaren van de negentiende eeuw
kortstondig een zelfstandige joodse gemeente
Aantal joden in
Blokzijl en omgeving:
|
1748 |
1 gezin |
|
1797 |
35 |
|
1809 |
93 |
|
1840 |
93 |
|
1869 |
115 |
|
1899 |
38 |
|
1930 |
9 |
|

De
afgebroken synagoge in de Zuiderstraat in
Blokzijl
|
Pier Pander’s
voorgeslacht kwam uit Blokzijl.
Ir. Van der Vlis gaf
levensbeeld.

Pier Pander.
De voorouders van de
Drachtster beeldhouwer Pier Pander (1864-1919), die
omstreeks vorige eeuwwisseling zo’n opgang maakte kwamen
van Blokzijl althans wat de mannelijke lijn betreft.
Daarnaast had Pier Fries bloed in de aderen wat hij te
danken had aan zijn moeder Engeltje Piers Wouda, wier
vooronders uit de Zuidwesthoek afkomstig waren. Naar
haar vader Pier Aukes Wouda timmerman van beroep droeg
de kunstenaar zijn voornaam. Het valt moeilijk uit te
maken van wie Pander zijn edel groot zuiver talent
zoals Louis Couperus na een bezoek aan de beeldhouwer in
Rome schreef, geërfd heeft.
Ir. Van der Vlis wees er
op dat schipperscentra als Zwartsluis en Blokzijl
personen hebben opgeleverd die van kleine staat tot
grote welstand zijn gekomen zoals de families Goedkoop
(scheepsbouw) en Buisman (industrie handel). Trouwens
ook een tak van de familie Pander heeft zich met succes
invde industrie begeven de Panderfabrieken in Den Haag.
De Panders hoewel in de 17de eeuw reeds schippers hebben
hun naam te danken aan de functie van de pander de
pandnemer die gerechtelijk beslag legde. Piers
grootvader is nog in Blokzijl overleden maar zijn vader
lag met zijn mattenschip in Drachten waar de jonge Pier
al spoedig de aandacht trok van de predikanten Ten Kate
en de Koo die (onder meer met geldelijke steun van de
familie Van Welderen
Rengers) hem konden laten leren aan de Quellinusschool
te Amsterdam welker directeur al spoedig een uitstekend
certificaat omtrent zijn bijzondere aanleg voor de
kunstindustrie (zoals dat heette) zijn leerlust en zijn
goed gedrag afgaf.
Een heuptuberculose
noodzaakte Pier zijn studie in Pariis af te sluiten waar
hij de Prix de Rome won met een nogal conventioneel
beeld (Stroomnimf) dat men echter moet zien in het licht
van zijn tijd. In Rome kon Pander verder studeren nadat
zijn ziekte hem opnieuw in
een Amsterdams ziekenhuis had gebracht. Het was juffrouw
de Canter die hem daar verpleegde en ook verder haar
hele leven aan de door haar verafgode invalide wijdde.
Snel rijst dan z'n ster in 1889 en 1893 gouden medailles
in 1898 de huwelijkspenning voor Koningin Wilhelmina en
beeldenaar voor de gulden en het gouden tientje, in 1903
ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Na 1900 tot zijn
dood in 1919 heeft Panders werk weinig groei meer
vertoond waarschijnlijk een gevolg van zijn ziekte, maar
ook van het milieu. Ware hij wat
minder omringd geweest met liefderijke zorgen en
kritiekloze vereerders waarschijnlijk had Pander tot de
grootsten behoort. Invloed van het Zuiden is in zijn
werk weinig aan te tonen de zuidelijke zon scheen wel op
zijn werk maar niet op hem heeft eens een deskundige
gezegd. Het oeuvre van Pander draagt een vergeestelijk
karakter. Hij wilde schoonheid geven en geen
realistische kunst
Zo werd gemeend tenslotte dat het geen hoogmoed van
Pander was toen hij in zijn testament beschikte dat er
een museum voor zijn artistieke nalatenschap gebouwd
moest worden veeleer was het zijn streven om het
nageslacht schoonheid te bieden. Dat hij
Leeuwarden koos moet gezien worden in verband met zijn
liefde voor Friesland. Hij achtte het museum in de
hoofdstad de beste plaats
De kunstzinnige aanleg van
Pier moet gezien worden in verband met de
volkskunsttraditie in Overijssel- zeer wel de erfenis
kan zijn
van zijn voorouders aan moeders kant onder wie
scheepstimmerlieden in Woudsend voorkwamen (Sjoerd van
Sloterdijk) De kunstvaardigheid van dergelijke
ambachtslui is bekend.
Dr. H. T. Piebenga, concludeerde uit het handschrift van
Pander een meer dan middelmatig verstand een voorliefde
voor klare duidelijke verhoudingen (dit óf dat typisch
Fries) en een tekort aan instinctief leven.
Tenslotte werd er op gewezen dat Piers vader zich daarom
weinig aan de opleiding van Pier gelegen had laten
liggen omdat hij Calvinist was terwijl de predikanten
die hem wilden doen opleiden modern georiënteerd waren.
Hij vreesde dat Pier op verkeerde paden zou komen.
















