Het
stadje Blokzijl.
Dr A. H. J. Prins.
|
1 |
2 |
3 |

Blokzijl.
Het stadje Blokzijl is een unieke verschijning onder de oude havens
rond de Zuiderzee. In tweeërlei opzicht is er een duidelijk verschil
met de andere kleine samenlevingen aan de zeekant van weleer. Ten
eerste is Blokzijl een duidelijk voorbeeld van kolonisatie van
overzee, van Hollanders voornamelijk, op Overijssels gebied. En in
de tweede plaats is het geen vissersplaats, maar een
schippersstadje, dit geheel in tegenstelling tot het zo bekende
algemene patroon. Bij beide aspecten wordt in de volgende pagina's
uitvoerig stilgestaan. Over Blokzijl is weinig geschreven; over de
schippers van het stadje nagenoeg niets. Dit laatste hoeft niet te
verwonderen in Nederland, waarvan een uitvoerige maritieme
literatuur (in tegenstelling tot de ons omringende landen) bepaald
geen sprake is. Ik was bij mijn onderzoek dan ook vrijwel geheel
aangewezen op gesprekken met bejaarde informanten en op
onuitgegeven, ja grotendeels ongeordende en gebrekkig bewaarde
stukken, zoals o.a. het archief van de gemeente Blokzijl. Niet alle
bronnen werden evenwel aangeboord. Indien men een werkelijk
diepgaande studie zou willen verrichten, zouden méér informanten
moeten worden gepolst (van wie velen de leeftijd der zeer sterken
reeds hebben overschreden) en méér bronnenverzamelingen worden
doorzocht met name notariële en kerkelijke archieven. Zelf wilde ik
evenwel volstaan met een oriënterend onderzoek, waarvan de
resultaten hier zijn neergelegd. Blokzijl als Hollandse kolonie op
de vreemde oostwal. Het bestaan van een kleine voorstedelijke
nederzetting op de plaats van het latere stadje ligt voor de hand -
steden ontstonden doorgaans niet uit niets - en wordt ook door
enkele oude berichten gesuggereerd. De oudst bekende kaart van de
Zuiderzee, nl. die van Jasper Adriaansz uit 1556, geeft de naam
'Blockzijl' zonder een bijgetekende nederzetting. Een grote zijl bij
'Blockes Huis' wordt, naar het schijnt, reeds vermeld in 1438;
'tollenaars' aan 'de zijl' worden genoemd in 1518. De opbrengst van
de turftol van Blokzijl moet, eerst in 1563, en dan nogmaals in
1580, dienen om de muren van Kampen te versterken.

Het
Mattenjachtje van Klaas Buisman voor de wal van Diemen 1895.
De voormalige oude sluis,
d.w.z. de later gedempte 'zijl' waaraan de stad zijn naam dus
ontleent (nu het Verlaat; de huidige schutsluis is zoals we zullen
zien van jonger datum) is aangelegd op kosten van het schoutambt
Steenwijk en van de kerspels Kuinderdijk (noordwaarts) en Leeuwte
(zuidwaarts). Deze 'zijl' diende als afsluiting van de reeds vóór
1556 naar het zuiden verlegde monding van de Steenwijker Aa, die
aanvankelijk dichter bij Blankenham, nl. bij het zgn.
'Kuipersluisje' in zee uitmondde. Het stadskwartier ten noorden van
het Verlaat heet vanouds Steenwijkerkolk. De kolk zelf is op de
kaart van Bleau van 1630 duidelijk aangegeven. Misschien is het in
de volksmond tevens de oudste naam van de minuscule voorstedelijke
nederzetting geweest, die in wezen niet anders was dan een kleine
rede met vluchthaven voor scheepjes varende op Steenwijk. Van een
turftol kan in feite pas sprake zijn nadat de grote ontwikkelaar van
de Noordwesthoek, de Spaanse stadhouder Aremberg ten tonele
verschijnt. Zijn dood bij Heiligerlee in 1568 maakt een vroeg einde
aan zijn nog maar pas begonnen werk. Het graven van de
Arembergergracht, aangevat in 1564, en bedoeld als ontsluiting van
het veenland achter Vollenhove, verruimde tevens het achterland van
Blokzijl. Was Blokzijl aanvankelijk een voorhaventje van Steenwijk,
nu werd het vooral doorvoersluis voor turfschepen en tevens, met het
uitbreken van de oorlog, invalspoort naar Drente en
Noord-Overijssel. Deze strategische ligging is aanleiding tot de
snelle ontwikkeling van een ligplaats bij een kleine sluis tot een
Hollands vestingstadje aan de Zuiderzee. Want, is de
vóórgeschiedenis al Overijssels, de geschiedenis zélf is, zeker in
de eerste honderd jaar, een Hollandse aangelegenheid, volgend op een
Hollands initiatief. Had Aremberg in 1564 het zaad gestrooid, Sonoy,
de stadhouder van Prins Willem in Hollands Noorderkwartier, plukte
nauwelijks twintig jaar later de vruchten. Steenwijk had in de
eerste jaren van de opstand de zijde van de Prins gekozen. Het
'verraad van Rennenberg', gevolgd door het verlies van Groningen
bracht dit sterke stadje in onmiddellijk gevaar. Bij een Hollandse
poging tot ontzet van de belegerde vesting werd Blokzijl als Staatse
aanvoerbasis in 1581 dan ook versterkt: het werd 'vanwege de steden
van Westfriesland en Noorderkwartier door de overste Sonoy tot een
schans gemaakt en met soldaten van deze kwartieren bezet en
verzekerd'. Steenwijk viel weliswaar in Spaanse handen, maar
Blokzijl bleef Staats. In een brief van Enkhuizen uit 1594 wordt dan
ook gesproken van de schans van Blokzijl als 'voorpost van
West-Vrieslandt en het Noorderquartier'. De schippers van Blokzijl
worden nadien van tijd tot tijd vermeld in verband met de logistieke
ondersteuning van Prins Maurits' troepenverplaatsing. De bevolking
bestaat vrijwel uitsluitend uit aanhangers van de nieuwe leer,
Hervormden en Doopsgezinden uit Westfriesland en Waterland, uit
Vlaanderen en Danzig, naast Friezen, Fransen, Schotten en Engelsen.
Bij de ordonnantie van 1589 krijgt de schans (in vele stukken de
'Vesting' of 'Forteresse' Blokzijl genoemd; stadsrechten worden pas
in 1672 verworven) vanwege Zijne Excellentie (i.c. Prins Maurits)
eigen jurisdictie, in 1590 een waag, wapen en zegel.

Plattegrond van Blokzijl, Joannes Blaeu, ± 1650.
Het wordt uitdrukkelijk losgemaakt uit het rechtsgebied van de Drost
van Vollenhove en afgescheiden van het staatsgebied van Ridderschap
en Steden van Overijssel. Tot 1615 hebben de Staten van Holland de
soevereiniteit. Daarna is de vesting twistappel en de factor
tweehorig tot 1675, wanneer de jurisdictie aan Vollenhove terugvalt.
De tweehorigheid blijkt hieruit, dat Holland de soevereiniteit en de
rechtspraak, maar Overijssel de inkomsten had uit de 'imposten en
heffingen'. Kerkelijk werd dit als het ware weerspiegeld; Holland
betaalde de traktementen van de Hervormde predikanten, maar
afvaardiging van de Kerkenraad was naar de synode van Overijssel. In
sociologisch opzicht is het stadje Hollands gebleven, en het
antagonisme tegenover Overijssel en met name de vijandschap
tegenover Volenhove is blijven bestaan. Zo moet men ook de
uitdagende spreuk zien, die tot 1828 op de toen afgebroken Beurs
prijkte:
„Blokzijl heeft meer schepen in getal"
„Dan Overijssel heel en al,"
Een spreuk die vooral die van Kampen wel een doorn in het oog zal
zijn geweest. Met 'schepen' worden zeegaande schepen bedoeld, geen
'schuyten'. Hoeveel het er waren in het jaar waarop de zinspreuk
gebeiteld werd, is niet bekend, maar in 1658, één van die
incidentele jaren, waarover een gegeven bekend is, waren het er 160,
wat naar mijn mening evenwel aan de hoge kant lijkt, zelfs als het
uitsluitend smakschepen betreft. Het is duidelijk, dat Blokzijl geen
middeleeuws stadje is en dat een vergelijking met kleine Hanzesteden
zoals Elburg mank gaat. Zoals het er nu ligt is het een Hollands
waterstadje uit de 17e eeuw, waarvan de ruimtelijke ontwikkeling
duidelijk kan worden afgelezen. Die ontwikkeling is begonnen met
Prins Maurits en is onder de stadhouder-koning afgesloten. Sinsdien
is er niet veel veranderd, ook al dateren de meeste huizen die er nu
staan uit later tijd. De bekende plattegrond van Pauw van 1823 is
tevens de plattegrond van Blaeu van 1650, maar ook nog die van nu.
De beide oude kwartieren liggen binnendijks van de oude Steenwijker
zeedijk, d.w.z. de route die nog door het doorgaand verkeer gevolgd
wordt (Kuinderstraat, Bierkaai, Zeedijk, Brouwerstraat,
Zuiderstraat) en wel aan weerszijden van het Oude Verlaat aan de
mond van de Steenwijker Aa, waar ook de in 1589 genoemde en door
Blaeu weergegeven 'oude kolk' en 'rede' gezocht moeten worden.
Oud-Zuid, begrensd door de Domineeswal, is het oude 'Hollandse'
stadscentrum met de kolossale Hervormde Kerk uit 1609 en, naast de
toren, het nu gerestaureerde 'oude stadhuis'. De plattegrond van dit
stadsdeel verraadt nog de vorm van de schans van Sonoy. Oud-Noord,
achter de Bierkaai en bezijden de 'Oude Kolk', was de andere,
kennelijk wat inferieure stadshelft, misschien vooral door
Overijssels volk en door 'vreemden' bewoond.

PLATTEGROND VAN BLOKZIJL, naar A. H. J. Prins
Prestedelijke kernschans van Sonoy -1 2 3 Successieve
mondingen van de Aa - 4 Doorgraving van de Rietvink - Omvang van de
vesting van 1621 - (streepjes)Zeedijk - 5 Verlaat 6 (Nieuwe) Sluis -
7 Sas - 8 Kolk - 9 Huidige Sluisingang
Hier stond de Doopsgezinde Kerk der 'Danzigers' en 'oude Vlamingen'.
Was er al ruimtelijk apartheid, van onverdraagzaamheid was geen
sprake: de Doopsgezinden begroeven in de Hervormde Kerk en in
diezelfde Kerk is een gedenksteen van een Doperse predikant. Deze
beperkte omvang van de schans Blokzijl, binnen de wallen van Sonoy,
met daar tegenover de wijk rond de 'oude kolk' duurde tot 1621, toen
Noord-Holland besloot Blokzijl tot een moderne vesting 'uit te
leggen' en een diepe zeehaven 'uit te palen'. Kennelijk gingen hier
de eisen van wateren van vestingbouwkunde hand in hand. De
riviermond werd opnieuw zuidwaarts verlegd door het doorgraven van
de Rietvink pal achter de stad, waardoor deze landtong tot eiland
werd. Het Verlaat raakte buiten gebruik en werd later gedempt. Een
nieuwe schutsluis groef men bezuiden Oud- Zuid, ± 100 meter meer
landinwaarts dan de tegenwoordige sluis. Uiteraard moest de nieuwe
monding binnen de vestingwal komen te liggen, zodat Nieuw-Zuid
binnendijks wel uit deze jaren moet stammen. In ieder geval kwam de
uitleg buitendijks op aangeslibd land in deze tijd tot stand,
opgehoogd met grond, gebaggerd uit de nu ontstane havenkom, die de
argeloze bezoeker van vandaag zou doen denken dat het stadje rondom
de kom ontworpen zou zijn in plaats van binnendijks gegroeid. Nieuw-
Noord, geheel buitendijks gelegen, noch Nieuw-Zuid achter de
Zuiderkaai hebben ooit echtsteedse allure gekregen. De beide hier
gebouwde Doopsgezinde Kerken („Het Lam" van de Nieuwe Vlamingen in
Nieuw Zuidbinnendijks in de Breestraat en „De Zon" van de Verenigde
Vlamingers en Waterlanders aan de Noorderkaai) zijn nauwelijks
opvallend en het tegenwoordige stadhuis dicht bij „De Zon" was
aanvankelijk een eenvoudig kantoor van de Directeuren van het
Scheepsdiep. Sommige gegevens betreffende de uitleg zijn bewaard
gebleven: de nieuwsontstane havenkom mat 88 tot 92 roeden in de
lengte, terwijl de ravelijnen buitendijks een totale lengte hadden
van 448 roeden. Het scheepsdiep strekte zich aanvankelijk een
kwartier gaans zeewaarts uit, gemeten vanaf de vloeddeuren (het
„sas" en niet te verwarren met de sluis) aan de haveningang, maar
moest in 1661 verder worden uitgepaald. Op de Noorderwal aan de
vestinggracht lag de lijnbaan; buiten de wallen aan de overzij van
het Noorderdiep de kalkoven. Iets verder oostwaarts aan de z.g.
Valsche Trog lagen de traankokerijen op een stuk land, dat nog
'traannest' heet. De zoutziederij lag in Nieuw-Zuid, aan het eind
van de Zuiderkaai. De houtzaagmolen lag buiten de Zuidergracht, niet
ver van de Rietvink, waar ook het houtstek lag en de scheepswerf.
Drie andere molens stonden op Plan No. 17 drie van de punten van de
zespuntige ster der ravelijnen.

Lijnentekening van een „Blokzijlder Yacht" van W. K.
Versteeg.
Een groot aantal ambachtelijke takken van nijverheid lagen over de
stad verspreid. Blokzijl is altijd een kleine gemeenschap geweest:
het hoogste inwonertal (voorzover geregistreerd; dit is een ernstig
voorbehoud) is 1821 zielen (in 1853), van wie 1700 protestant (1300
Hervormd, 400 Doopsgezind) en 9 Rooms Katholiek, terwijl er ruim 100
joden waren. De getalsverhoudingen voor 1815 liggen, op 1618
inwoners, nog duidelijker in het voordeel van de Hervormden. In het
bestuur van de stad wordt het onderscheid weerspiegeld, dat
stilzwijgend bekend werd verondersteld. Bij de bestuurshervorming
van 1686 wordt gesteld, dat de stad geregeerd zal worden door
'negenmannen', t.w. 3 burgemeesters, 3 scheepsgildenmeesters en 3
menisten, alle gekozen uit een college van 21 electorabele
'meentsluyden', dit laatste trouwens al sinds de ordonnantie van
1589. Hoewel de 'menisten' dus wel tot ambten verkiesbaar waren,
konden zij blijkbaar niet tot gildenmeester van de schippers
opklimmen; in 1692 beklagen zij zich over de achterstelling, terwijl
zij toch, zo zeggen ze, „de meeste zijn, die het veer met schepen
onderhouden" en velen van hen als geldschieter bijsprongen. Namen
van oude menistenfamilies die in de archieven telkens opnieuw
voorkomen zijn bij de Waterlanders: Mastenbroek, Visser, Stuurman,
Jonge- jans; bij de Vlamingen: Loos, de Liefde, Spijker, Ragger en
Buys. Inderdaad vindt men hun namen niet in de 'verschanste
posities', die kennelijk aan Hervormden werden voorbehouden. Namen
van 17e eeuwse scheepsgildenmeesters zijn Vos en Bastiaans, Boer,
Benjamins en Kuyper, Schuurink en Wakker, alle namen, die in de 19e
eeuw trouwens verdwenen zijn. Wel was sinds 1675 één der directeuren
van het Scheepsdiep een Mennoniet. Schijnt verdraagzaamheid één
kenmerk te zijn van deze kleine maritieme maatschappij, een andere
die ermee verband houdt is de openheid tegenover vreemden. Niet
alleen het groot aantal Joden wijst op een open gemeenschap,
hetzelfde doet het voortdurend opdoemen van nieuwe familienamen in
de archiefstukken, namen die gewoonlijk wijzen op immigratie van
overzee, hoewel soms Saksische namen uit het Overijsselse achterland
voorkomen. De trouwboeken (behouden van 1767 tot 1795) schijnen deze
openheid te bevestigen. Van de vijftig huwelijken uit die periode
betreffen er slechts 29 verbintenissen tussen Blokzijlers onderling;
bij de 21 andere zijn partners 'uit den vreemde' betrokken. Case
studies leveren eenzelfde beeld, waarbij als enige endogaam
criterium optreedt, dat de connubia niet uitsluitend het stadje (16
van de 24 wèl, 8 niet locaal endogaam), maar wèl de stand
(negotieschippers en neringdoenden als 'één soort volk') optreedt
(binnen Blokzijl huwt de schippersfamilie Poorter met zeevarende
geslachten als Nekeman, Schuurman, Pees, Spijker, Buisman,
Engelsman, de Liefde, de Jonge, Fhaner, Noback en Snoek). Herkomst
in de zin van Vlaams, Fries of Hollands was daarbij geen
huwelijksbeletsel, evenmin als Hervormd of niet-hervormd (i.c.
Doopsgezind). Er is geen bepaalde reden om aan te nemen, dat voor de
andere maritieme geslachten deze regels anders zouden hebben
gelegen.

De
Zoutkeet.
Blokzijl als maritieme
maatschappij. De maritieme inslag van Blokzijl vindt al vroeg
uitdrukking in geschreven bronnen, waarvan de acte van 1589, waarbij
Johan Sloet Drost van het Land van Vollenhove en Kastelein van de
Heerlijkheid Kuinre het Oude Schippersgilde instelt, een van de
oudste is. Dit was enkele maanden vóór de soevereiniteit overdracht
aan Holland, en het stuk is vermoedelijk één van de laatste
Vollenhovense stukken betreffende 'den Blocksijll'. Het is des te
merkwaardiger, dat Prins Maurits als stadhouder van Holland pas in
1609 het octrooi in kwestie bevestigt.1) Uit de bewoordingen blijkt,
dat het hier om vrachtschippers gaat, die op een schippersbeurs en
volgens vaste regels dingen naar het vervoer van koopmansgoederen.
Het gaat hier dus om vrachtschippers, in functie wèl te
onderscheiden van de negotieschippers op hun 'schepen met eigen
handel' van de 19e eeuw. De bloeitijd van dit 'grootschippers gilde'
ligt in de Gouden Eeuw. Het verval in de 18e eeuw blijkt uit het
verschil in aantallen grote schepen met Blokzijl als thuishaven (160
in 1658 tegen 39 in 1720). Het kramers- of winkeliers gilde van 1644
regardeerde daarentegen de (toen nog weinige?) negotieschippers,
wier opkomst, als zg. mattenschippers evenwel pas van de 18e eeuw
dateert. De mattenexport wordt in 1701 voor het eerst genoemd en het
(nieuwe) schippersgilde telt bij de oprichting in 1775 bijna vijftig
leden. Van het Grootschippers gilde was de Prins beschermheer; een
door hem in 1609 of 1610(?) geschonken drinkhoorn is helaas verloren
gegaan. Van een zilveren votiefscheepje dat het gilde terzelfder
tijd in de Kerk had doen ophangen moet hetzelfde worden
geconstateerd: de Munstersen roofden het in 1672 en hingen het op,
naar men zegt, in één van hun eigen kerken. Twee andere oude stukken
dateren van 1593; het ene is een octrooi van Prins Maurits over
turfschepen; het andere") betreft de kleuren van de scheepsvleugels
van top, die krachtens eerder decreet uitsluitend 'blauwwitgeel en
zwart' mochten zijn en niet 'door moedwil en dartelheid, vermetelijk
en tot verachting van haarzelfs wapen' van oranje, rood of groen.

Het
Mattenjachtje van Pieter Poorter voor de Zuiderkaai te Blokzijl.
Naast de 'grootschippers' en de turfschippers waren er in de Gouden
Eeuw nog de walvisvaarders. Dit blijkt althans uit een resolutie van
Steden en Ridderschap d.d. 6 april 1660, waarin de Groenlandsche
Compagnie te Blokzijl exceptie van tolgeld wordt verleend. Of deze
bedrijvigheid veel heeft betekend waag ik trouwens te betwijfelen:
het stadje hoorde zeker niet tot de bekende havens en wordt in
Hollandse stukken niet genoemd. Is het aldus geschetste beeld van de
eerste eeuwen van maritimiteit al wel heel summier, anders wordt het
voor de jaren na 1775, het jaar waarin het nieuwe schippersgilde
werd opgericht. Vooral na de vestiging van het Koninkrijk worden de
gegevens allengs ruimer en wordt het mogelijk een gedegener beeld
van het schippersstadje te krijgen. De staatsregeling van 1798 had
alle gilden afgeschaft, maar een door Lodewijk Napoleon in 1807
gegeven wet stond wederoprichting toe; de economische werkzaamheid
verbleekte echter snel. De 'grote geschiedenis' is trouwens aan het
stadje voorbijgegaan. De rekeningen lopen tussen 1798 en 1807 door,
alsof er niets gebeurd is. dadelijk maakt, namelijk één van
achteruitgang en nauwelijks te keren verval.

Het
beurtschip "Koophandel II" 1904.
Men hoede zich hierbij evenwel voor vergelijkingen met andere,
grotere koopsteden of -stadjes zoals Veere of Zierikzee, Harlingen,
Harderwijk of Enkhuizen, óók niet in kwantitatieve zin, want, mocht
Blokzijl ooit méér dan 2000 inwoners hebben gehad, dan zou mij dat
zeer verbazen.
Mocht het al waar zijn, dat het stadje een echte bloeitijd gehad
heeft, zoals sommige bronnen suggereren, dan nog zal het welvaart op
kleine schaal geweest moeten zijn. Hoe het ook zij, een dergelijke
bescheiden welvaart schijnt nog in 1879 geheerst te hebben wanneer
de gemeenteverslagen, in karige bewoordingen en vol met lacunes,
beginnen te vertellen.'1) De bevolking bestaat dan uit 1630 zielen.
Er varen zeilbeurtschepen op Amsterdam, Zwolle, Kampen, Steenwijk en
Meppel, terwijl een stoomboot een dagelijkse dienst onderhoudt op
Steenwijk, Meppel en Zwolle. Hoewel er in het gemeenteverslag
niets(!) gezegd wordt over de mattenschippers, is er toch ook en
vooral hun maritieme bedrijvigheid geweest. Dit blijkt nl. uit de
gilde stukken en bijvoorbeeld ook uit de kohieren van de personele
belasting over 1876: van de 238 belastingplichtigen (op 1634 zielen)
wonen 36 gezinshoofden (of ruwweg 159? ') „aan scheepsboord". Enkele
jaren tevoren, in 1868, toen de bevolking nog 1769 zielen bedroeg,
waren dit er op de 215 belastingschuldigen 34 geweest, een vrijwel
gelijk percentage (169?). Helaas wordt na 1880 de vermelding „aan
scheepsboord" maar éénmaal aangetroffen, nl. in 1902. In het jaar
1880 wonen evenwel van de 244 aangeslagene (op 1635 zielen) liefst
56 gezinshoofden (229r) niet aan de wal, maar aan boord van het
schip! Dit is een hoogtepunt. Twee-en-twintig jaar later, in 1902,
is het inwonertal sterk achteruitgegaan: Blokzijl telt dan nog
slechts 1398 inwoners, van wie er 206 belastingplichtig zijn. Niet
meer dan 16 van hen, of nauwelijks 89f, verblijven dan evenwel nog
„aan scheepsboord". Dit hoeft niet automatisch een achteruitgang in
de eigen steedse scheepvaart te betekenen, want een mogelijk wat
gestegen welvaart onder de schippers (en een daling van prijzen van
onroerend goed in een ontvolkende stad!) kan velen ertoe gebracht
hebben een huisje te kopen en aan de wal te gaan wonen; iets wat
vele schippers op latere leeftijd trouwens deden. Maar toch geeft
het te denken. Laten wij daarom eens zien, of er voor het verloop en
de mate van maritimiteit ook andere gegevens zijn. De
gemeenteverslagen zijn ongetwijfeld geen zeer accurate bronnen; veel
van wat te vermelden zou zijn geweest is weggelaten. De wet op de
gemeenteverslagen is van 1851, maar in Blokzijl zelf zijn geen
oudere verslagen te vinden dan 1879.
Er zijn evenwel jaren, waarin een klerk zich blijkbaar moeite heeft
gegeven wat details te vermelden. Behalve een monotoon-herhaald
„visscherij is van weinig betekenis; wordt met punters bedreven"
(vanaf 1886) of: „visscherij: niet van toepassing" (in de voorgaande
jaren) en een volledig ontbreken van enige vermelding van de oude
scheepswerf vóór 't jaar 1917(1), is er om de zoveel jaar een opgave
van het aantal schepen boven de 10 ton (de grens voor de
zeepunters), dat ter stede thuishoort. Zo telt Blokzijl in 1881
liefst 76 schepen; in 1886 zijn dit er zelfs 78. Maar in 1891 is hun
aantal geslonken tot 61 en in 1895 tot 32. De neergang is blijkbaar
plotseling versneld: in vier jaar is de vloot bijkans gehalveerd. In
1901 is het aantal nog verder gedaald, en wel tot 26. In 1906 zijn
er nog 24 over; in 1909 zijn het er niet meer dan 13 . Daarna zwijgt
het jaarlijks verslag. Het laatste, dat over 1917, vermeldt nog
slechts twaalf punters ter visserij; ook de stoomboten zijn
verdwenen.
Het laatste beurtschip heeft de klerk over het hoofd gezien.

De
"oude Waterleeuw" Frans I Poorter, 1833 - 1903
Het mattenland van Frans I lag - we hebben het al gezien - in Urk,
Wieringen, Schagen en Anna Paulowna. Hij had in zijn jongere jaren,
evenals zijn vader als zoutschipper gevaren en daarbij de Zuidwal
als afzetgebied gehad. Geen wonder dus, dat in de volgende generatie
Pieter IV, die eerst (vanaf 1872) als knechtje bij mattenschipper
Klaas Buisman had gevaren, voor de opbouw van een eigen mattenland
in dezelfde richting keek als het voorgeslacht. Hij vond een markt
voor zijn in 1888 gekochte jachtje, de „Op Hoop van Zegen", in
Nijkerk, Harderwijk en in Kolhorn, de plaats waar zijn
overgrootvader was geboren. Tien jaar later vestigde hij zich in
Harderwijk aan de wal en in 1900 werd het jachtje aan Zandbergen
verkocht. Aanvankelijk had hij zijn broer Lourens als knecht, later
het jongere broertje Hendrik, terwijl zijn broer Teunis hem opvolgde
als knecht bij Buisman. Frans II, tenslotte, die een dochter van
Buisman trouwde, was inmiddels beurtschipper geworden. Teunis, zelf
ouder geworden, kocht ook een mattenjachtje, de „Dankbaarheid" van
33 ton, later, rond 1900, vervangen door een iets groter ijzeren
tjalkje. Zijn mattenland lag in Schagen en Alkmaar. Hij was één van
de laatste mattenschippers, die zijn tjalkje verkocht (in 1916; naar
Harderwijk - het voer nog jaren als houtscheepje bij Teunis den
Herder), om zich metterwoon te Alkmaar te vestigen. Voor de "Op Hoop
van Zegen" begon de vaart op het mattenland altijd met de oversteek
naar Harderwijk, waar ligplaats werd gekozen van medio maart tot de
week na Pasen. De omvang van het afzetgebied werd beperkt door de
afstand die schipper of knechtje met de kruiwagen per dag heen en
terug kon afleggen, al nering doende. Hier lagen de grenzen dan ook
bij Nunspeet en Putten (resp. 14 en 10 km. van Harderwijk). Na
Pasen, dus meestal in april, stak men dan weer in zee, op weg naar
Kolhorn, waar een mattenland van gelijke omvang lag. Met Pinksteren
moest de voorraad verkocht zijn en de mattenhandel kwam dan tot
stilstand. Op Hemelvaartsdag, tien dagen tevoren, eindigde het
krediet dat de schippers vanaf het nieuwe jaar bij de groothandel
hadden gehad, en op die vaste donderdag togen vele schippers met
welgevulde buidel naar Amsterdam of elders om hun rekeningen in baar
geld te voldoen. ("Ik herinner me nog hoe vader met een zak vol
gouden tientjes naar Amsterdam ging" - dat moet omstreeks 1900 zijn
geweest.)
Een neringschipper zou geen koopman zijn geweest, wanneer hij nu met
een leeg scheepje naar de oostwal zou zijn teruggekeerd.
Het verbaast ons dus niet te vernemen hoe schipper Poorter kaas en
boter kocht en met deze koopwaar terugzeilde naar Blokzijl. Zijn
vader, Frans I, placht op gelijke wijze met Noord-Hollandse kaas
vanuit Edam naar Urk en naar Harderwijk te zeilen. Eind mei, begin
juni lag zijn jachtje dus weer in de thuishaven, na bijna drie
maanden afwezig te zijn geweest, met gezin en al - ook al bleven
schoolgaande kinderen vaak te Blokzijl aan de wal, en al hadden
sommige oudere vrouwen een voorkeur om thuis te blijven of om
desnoods hun man over land te volgen. In deze zelfde tijd kwamen ook
de snikschippers (Toby met gezin en hondenkar als retourvracht met
de beurtman; Zandbergen met het hooischip) naar het stadje terug,
zodat de levendigheid van de winter scheen weeromgekeerd. De verkoop
van kaas en boter ging vlug in zijn werk, evenals het innemen van
nieuwe lading, voor Poorter altijd bestaande uit 24 m3 (i.c. een
volle lading) gezaagd hout van de molen van Loos. Dit verkocht hij
te Harderwijk, steeds op een zaterdag, op een publieke verkoping.
Deze houtvaart op Harderwijk in juni vond meestal tweemaal plaats,
maar de tweede maal was het geen retourvaart, weerkerend naar
Blokzijl. Nu werd op een veiling van de domeinen een lading oud hout
gekocht (meestal van de kazernes en barakken afkomstig; Harderwijk
had een groot garnizoen) met bestemming de kleine dorpen aan de
IJssel, met name Welsum. Hier lag het jachtje dus in de eerste helft
van juli. Wanneer de vroege appels en peren rond het dorp rijpten,
kocht de schipper een volle lading (d.w.z. 150 mud) hard fruit,
waarvoor hij gewoonlijk afzet had in Sneek. In sommige zomers maakte
hij twee van zulke reisjes, maar globaal genomen lag hij de maand
augustus toch in Friesland voor de wal. In Sneek kocht hij in
september tabak 'bij Jacob Fortuin' en in Menaldum wortelen,
aardappels en koolrapen, die aan vaste klanten - hier drie, daar
vijf mud - in Harderwijk en Elburg werden verkocht. Daar ging de
maand oktober mee heen en ook vaak november, althans wanneer de
handel goed was en een tweede scheepslading uit Friesland kon worden
gehaald. De laatste reis, zo rond St. Nicolaas was dan de thuisreis:
van de Zuidwal eerst Friesland weer in, vervolgens weer om de Zuid,
opnieuw volgeladen met aardappels bestemd voor Blokzijl, om ten
leste af te meren in de Kolk na vijf maanden 'kleine handelsvaart'.

Schippers van Blokzijl. V.r.n.l. Frans 1 en Frans II Poorter, Piet
Buisman, Pieter IV Poorter, „Meester" de Man, Jan Schaap. (± 1895)
In de onderstaande kaart is
een en ander aangegeven. Tegen Kerstmis was het ruim leeg en werd
het schoongemaakt. Het gezin, al die maanden eng behuisd in het
roefje, betrok nu het ruim. Hier woonde men de veertig dagen van
Christus' Geboren tot Maria-zuivering.
Dit waren de gezellige weken, alle scheepjes weer thuis in
winterlaag en ieder ruim behuisd, met ruimte voor vele bezoeken over
en weer - tot dat met Vrouwendag het nieuwe schippersjaar begon, het
schip gehellingd en uitgerust, en, in de loop van de februarimaand,
gestouwd met nieuwe lading voor het nieuwe mattenseizoen. Wanneer
wij tenslotte nog stilstaan bij het verdwijnen van deze, in onze
ogen haast knusse, maritieme maatschappij, dan ligt het voor de hand
in de eerste plaats verband te zien met conjunctuurveranderingen en
technologische ontwikkelingen. Het laatste zal, naast incidentele
omstandigheden, het einde van de zoutziederij, en daarmee van het
waterschip zijn geweest.
Ook de beurtschepen moesten één voor één verdwijnen. Eerst op de
korte, dan ten leste ook op de lange afstand ruimden zij het veld
voor de stoomtram (die zelf maar een kort leven was beschoren), de
spoorweg- en de wegverbindingen. De mattenschippers verdwenen één
voor één en in een snel tempo rond de eeuwwisseling - niet om in
andere takken van vervoer, en met name de zeevaart of de binnenvaart
een bestaan te zoeken, maar om zich te vestigen als walbewonende
middenstanders in groot- of kleinhandel ver weg in hun mattenland,
waar de meeste van hen tot grotere welvaart kwamen dan in Blokzijl
het geval zou zijn geweest. Het einde van de negotieschipperij kan
ons, gezien tegen de algemene achtergrond, niet verbazen: deze vorm
van bestaan had zijn tijd gehad. Wat ons veeleer verbaast is het
plotselinge einde van de maritimiteit van het stadje, of juister
gezegd, van de maritieme activiteit van de vele schippersgeslachten.
Van sommige onder hen staat de zeevarendheid op zijn minst voor vier
of vijf generaties vast: vijf voor Poorter, Nekeman, Engelsman,
Pieter Buis, en Visser, ten minste vier voor Snoek, Buisman,
Keur en Keuter, en voor Mastebroek, Spits, van der Velde en de
Jonge. Waarom verdwijnen zij stuk voor stuk van het water? Het
antwoord hierop houdt mijns inziens verband met de aard van hun
maritiem bestaan. Hoewel zij mattenschippers worden genoemd,
schippers dus gekenmerkt door een bepaald soort handel, zijn ze toch
vooral en in de eerste plaats varende kooplieden, weliswaar wonend
aan boord van hun schepen en ligplaats kiezend in eigen of vreemde
haven, eerder dan zwalkers op het woelige water. Hun scheepjes waren
daarvoor ook te veel „maar spanen doosjes". Hoezeer zij verschilden
van beurt- of waterschipper toont ons een eenvoudige vergelijking.
De beurtschipper maakte in het algemeen de lange oversteek tweemaal
per week, zodat hij ruwweg twee zevende deel van het jaar, dat is
honderd dagen, op het wijde water was. In die tijd zal hij in totaal
tien a twaalfduizend km. buitengaats gevaren hebben. Zo ook de
waterschipper. Aannemende dat hij eens per week zout water laadde en
eens per maand naar de Zuidwal voer, valt hij in dezelfde orde van
bevarenheid. De mattenschipper daarentegen is een veel minder
bevaren man. Zelfs wanneer wij de (uit hoofde van de ligging van het
mattenland) meest bevarende onder hen in ogenschouw nemen, is hij
eerder amfibisch te noemen dan maritiem. Bezien we immers het
schippersjaar van Pieter IV Poorter, dan legt hij niet meer dan de
volgende zeetrajecten af:
4 x Blokzijl - Harderwijk (of omgekeerd)
4 x Lemmer - Harderwijk (of omgekeerd)
1 x Harderwijk - Kolhorn
1 x Kolhorn - Blokzijl
2 x Elburg - Harderwijk
1 x Ketelmond - Lemmer
1 x Lemmer - Blokzijl
Al met al zijn dit hooguit veertien oversteken met een gezamenlijke
vaarlengte op open water van nauwelijks meer, dan duizend a
twaalfhonderd km. Veertien dagen op zee in een heel jaar is niet
veel, noch in absolute zin, noch ook in vergelijking tot de honderd
dagen van broer, neef of verre verwant die op de beurtman voer. De
waardering van de beurtschipper voor de balkenjager ten Napel („hij
wou nooit liggen") is zo naast die van de mattenschipper („een
woeste zeiler") zeer wel te begrijpen, evenzeer als de bijnaam van
„Oude Waterleeuw", die door de mattenschippers aan Frans I, de
vroegere waterschipper, nog op zijn oude dag in het gilde werd
gegeven. En ook de wat denigrerende constatering dat de
mattenjachtjes maar „spanen doosjes" waren, komt ons nu uit de mond
van bevarende schippers niet zo vreemd meer voor.
Geen wonder dan ook dat de beurtschipper aan het gilde het
tienvoudige betaalde van de contributie van de mattenschipper.
Onze aanvankelijke verbazing was dus niet zeer terecht. Blokzijl was
inderdaad een schippersstadje, maar het werd tegelijk gekenmerkt
door wat in meer dan één zin kan worden verstaan als: maritimiteit
in miniatuur. Het schippersgilde, dat in de eerste plaats
reddingsmaatschappij was geweest uit ijs en storm, had in deze
gemeenschap dan ook op de duur geen plaats meer. Op één der
allereerste vergaderingen in de uitgaande eeuw wordt dit mede als
argument voor de opheffing aangevoerd, met de woorden: „ . . . dat
de meeste der thans bestaande leden zeer waarschijnlijk nimmer in
het ijs zouden komen, daar een gedeelte in de binnenwateren voer
(waar het ijs dus geen ramp kon betekenen) en een ander deel in het
geheel in het najaar niet in de vaart kwam ..." Aldus werd, op de
eerste Vrouwendag van de nieuwe eeuw, het gilde opgeheven. Alleen de
Poorters hadden tegengestemd.


Genealogie van een Schippersgeslacht.
1) KORNELIS PIETERSZ
JONCKINT, gehuwd met Jantje Claes Poorter. Jantje Claes
Poorter was een dochter van Claes Pietersz Poorter geboren 10
april 1652 te Dircxshorn en overleden te Oude Sluis 17 september 1721
gehuwd met Anna Pieters, overleden te Oude Sluis in 1744. Deze Claes
was een zoon van Pieter Sijmonsz Poorter geboren te Calverdijck in
1610 overleden 1680, juiste datering ontbreekt in grafboek, gehuwd
met Maertje Willems (2de huwelijk) Claes was de 2de zoon. Pieter is
de zoon van Sijmon Pietersz Poorter, gehuwd met Maertgen Claes.
Sijmon Pietersz gaat na het aangaan van een weddenschap in 1614 naar
het Heilige Land en bezoekt daar de heilige plaatsen. Hij verblijft
daar in het Salvatorklooster en hij brengt een bezoek aan de
Geborenkerk in Bethlehem.
I. SIJMON PIETERSZ POORTER GAAT
NAAR HET HEILIGE LAND
II. POORTERS IN HARINGKARSPEL
III. POORTERS IN DE ZIJPERPOLDER
Uit dit huwelijk:
1. Claes, gedoopt op
4 juli 1723 te Barsingerhorn.
2. Klaas Kornelisz
Poorter. Zie 2
2) Klaas Cornelis Poorter,
gedoopt op 9 juli 1724 te Barsingerhorn, zoon van Kornelis Pietersz
Jonckint en Jantje Claes, gehuwd met Trijntje Pieters Smit,
gedoopt op 3 juni 1734 te Barsingerhorn. Dochter van Pieter Gerritsz
Smit en Neel Cornelis Vertelders.
Uit dit huwelijk:
1. Aaltje Klaas Jongkint,
gedoopt op 8 februari 1761 te Barsingerhorn.
2. Pieter Poorter.
Zie 3
3. Kornelis Klaasz
Poorter, geboren te Kolhorn, gedoopt op 8 maart 1767 te
Barsingerhorn, overleden voor 1827 te Wieringerwaard, ondertrouwd op
10 februari 1798 te Wieringerwaard met Maartje Kortnelis Visser,
geboren te Winkel, overleden voor 1827 te Wieringerwaard
Uit dit huwelijk:
1. Trijntje Poorter,
gedoopt op 15 junli 1798 te Wieringerwaard
2. Trijntje Poorter,
gedoopt op 27 april 1800 te Wieringerwaard, overleden op
21januari 1842 te Kolhorn, gehuwd op 28 januari 1827 te
Barsingerhorn met Jan de Wit, geboren ca. 1790, boerenknecht,
watermolenaar, zoon van Jan de Wit en Trijntje de Vos
3. Dieuwer Poorter,
gedoopt op 14 februari 1802 te Wieringerwaard
4. Jan Klaas Jongkint,
gedoopt op 14 februari 1773 te Barsingerhorn.
3)
Pieter I Poorter, gedoopt op 31 juli 1763 te Kolhorn,
Noord-Holland, NLD. Overleden 15 januari 1827 (Leeftijd 64) Huwelijk
ongeveer 1795 (Leeftijd ongeveer 32) met Trijntje
Boot (Bood) 'de keetvrouw',
dochter van Louris Jansz Bood en Aafje Klaas Pool. Zij is gedoopt op
zondag 5 september 1773 in Barsingerhorn. Trijntje is overleden op
maandag 6 mei 1839 in Blokzijl, 65 jaar oud. (Kijk voor Trijntje
Boot)
Familie Boot
Kinderen uit dit huwelijk:
1: Trijntje Poorter,
geboren op zaterdag 14 januari 1797 in Blokzijl. Zij is gedoopt op
zondag 15 januari 1797 in Blokzijl. Bij de doop van Trijntje was de
volgende getuige aanwezig: Lisabeth Klaas Valk. Trijntje trouwde, 21
jaar oud, op zondag 17 mei 1818 in Blokzijl met Hendrik van der
Schoot, 25 jaar oud. Hendrik is geboren in 1793 in Blokzijl,
zoon van Ebel van der Schoot en Jantje Oosten
2: Lourens I
Poorter. Zie 4
3 Klaas Poorter,
geboren op 11 maart 1800 te Blokzijl, overleden op 24 november 1800
4: Klaas I Poorter,
geboren op 3 juni 1802 te Blokzijl, overleden op 12 oktober 1877 te
Blokzijl. Klaas was gehuwd met Trijntje Tip.
Uit dit huwelijk
1 Pieter III Poorter,
koopman, geboren op 9 november 1837 te Blokzijl. Pieter huwde op
13 november 1863 te Blokzijl met Jacobje Jans de Ruiter,
geboren op 16 oktober 1839 te Kalenberg.
5: Aafje (n) Poorter,
geboren op 20 juli 1805 te Blokzijl. Van Aafjen heeft Evelien
Wolterink de volgende aanvullingen: Aafjen was gehuwd met Jochem
Gerrits Glastra.
Uit dit
huwelijk is bekend: Jan Glastra, Jan huwde met Aaltje Pees.
Uit dit
huwelijk is bekend: Jacob Glastra, Jacob huwde met Trijntje Agter.
Uit dit
huwelijk is bekend: Anna Glastra, Anna huwde met Jan Kooy.
Uit dit
huwelijk is Bekend: Klaas Kooy, Klaas huwde met Grietje Schipper.
Uit dit
huwelijk is bekend: Evelien Kooy, Evelien huwde met Wim Wolterink.
6: Jantje Poorter,
geboren op 7 augustus 1808 te Blokzijl.
4)
Lourens I Poorter, geboren op maandag 7 mei 1798 in Blokzijl.
Hij is gedoopt op zondag 13 mei 1798 in Blokzijl. Bij de doop van
Lourens was de volgende getuige aanwezig: Lisabeth Klaas Valk.
Lourens is overleden op vrijdag 26 december 1879 in Blokzijl, 81
jaar oud. Lourens trouwde met Geertje Vos.
Uit dit huwelijk.
1: Pieter II Poorter,
geboren 2 oktober 1821 te Blokzijl overleden te Amsterdam 5 augustus
1893. Hij is de 2de keer gehuwd met Alida Voet, geboren 21
oktober 1846 te Amsterdam overleden 13 maart 1920 te Amsterdam.
Uit dit huwelijk
1: Pieter Lourens,
geboren 19 juli 1887 te Amsterdam, overleden te Amsterdam 6
maart 1968 gehuwd met Johanna Hendrika Mik, geboren te
Gorichem 5 oktober 1888 overleden te Amsterdam 19 juni 1975.
Uit dit huwelijk
1: Hendrik
Poorter, geboren te Amsterdam 21agustus 1921 overleden
te Amsterdam 20 juli 1998 gehuwd met Maria Wilhelmina van
der Lichte, geboren te Amsterdam.
2: Jan I Poorter,
geboren in 1824, overleden in 1887.
3: Lourens II
Poorter, ( schippersknecht) geboren in 1826 te Blokzijl. Hij
trouwde op 8 juli 1850 met Klaasje Schuurman, geboren op 3
november 1825 in Blokzijl, Overijssel.
Uit dit huwelijk
1: Geertje Poorter,
(1851) Zij trouwde op 12 februari 1874 te Blokzijl met Pieter
Buisman, geboren 30 maart 1847 te Blokzijl, schipper.
Uit dit huwelijk
1: Klaasje
Buisman, geboren 13 januari 1880 te Blokzijl, overleden
op 4 februari 1881.
4: Frans I Poorter.
Zie 5
5: Trijntje Poorter,
geboren in 1832. Trijntje huwde op 4 april 1850 te Blokzijl,
Teunis Snoek. Zoon van Adriaan Snoek en Lumpje Engelsman.
Uit dit huwelijk,
1: Lourens Snoek.
Lourens huwde Hendrikje Bos._ Uit dit huwelijk, Lumkje Snoek.
Lumkje huwde Bastiaan Kerstens._ Uit dit huwelijk, Hendrikje
Kerstens._ Hendrikje huwde Eric Lawrence._ Uit dit huwelijk,
Margaret Lawrence._ Margaret huwde Hendrik Vogelzang.
2: Lumpje Snoek,
geboren 1850/1851 Ambt Vollenhove, dochter van Teunis Snoek en
Trijntje Poorter.
Gehuwd 1874 met Klaas Buis. _Uit dit huwelijk: 2 kinderen.
3: Hiltjen Snoek,
geboren 1855/1856 Blokzijl, dochter van Teunis Snoek en Trijntje
Poorter.
Gehuwd 1880 met Anne Fahner. _Uit dit huwelijk: 1 kind.
4:
Koop Snoek, geboren op 26
maart 1872 te Ambt Vollenhove. Getrouwd met
Clasina Arnolda Wiedeman
op 5 mei 1897 te Amsterdam. Uit dit huwelijk: Teunis
Snoek, 1898-. _
Franciscus Snoek, 1899-. _
Arjan Snoek, 1900-.
_Petronella Wilhelmina Snoek,
1901-.
5) Frans I Poorter,
geboren in 1833 en overleden in 1903. Frans was gehuwd met Anke
Looijenga.
Uit dit huwelijk
1: Lourens III Poorter,
geboren in 1859 en overleden in 1951.
2: Pieter IV Poorter,
geboren. ± 1861 te Blokzijl, beroep(en): schipper, winkelier,
woonplaats(en): Blokzijl, gehuwd op 4 maart 1887 te Blokzijl met:
Pietertje de Jonge, geboren. ± 1864 te Maassluis, overleden op
23 juni 1919 te Harderwijk, dochter van Hendrik de Jonge en Naatje
Zwart.
Uit dit huwelijk.
1: Frans Poorter,
geboren. ± 1888 te Blokzijl. Frans is op 7 februari 1912 te
Harderwijk gehuwd met Maasje Visch. Dochter van Geerling Visch
en Jannetjen Bruinink
2: Naatje Hendrika
Poorter, geboren op 2 juni 1889 te Barsingerhorn, geboren
op het schip "Hoop van Zegen" liggende in de Kolhornerhaven bij
de polderbrug onder deze gemeente. Naatje is in 1914 gehuwd
met Karel Marinus Braun.
3: Hendrik Poorter,
geboren. ± 1891 te Blokzijl. Hendrik huwde op 8 augustus 1917 te
Harderwijk met Johanna de Vroom, geboren in 1895 in
Nijkerk, dochter van
Pieter Hendrik de Vroom en Anna Catharina Hieter.
Uit dit
huwelijk.
1: Levenloos
geboren dochter, geboren op 7 april 1918 in
Harderwijk.
2: Levenloos
geboren dochter, geboren op 14 mei 1927 in
Harderwijk.
3:
Pietertje Anna Catharina (Ita Prins-Poorter)
4: Anke Poorter,
geboren. ± 1896 te Blokzijl. Anke is in 1921 gehuwd.
5:
Pieter Poorter,
geboren op 4 juni 1902 te Harderwijk.
Pieter werd
geboren in Harderwijk, op 4 juni 1902, als jongste in een gezin
van vijf kinderen. Iets meer dan een eeuw daarvoor, in 1795, was
de eerste Poorter vanuit Kolhorn naar Blokzijl gekomen, als
zetschipper op een zoutschip. Deze Poorter werd de stamvader van
alle Poorters in Blokzijl, een heel schippersgeslacht, waarvan
Pieter Poortes vader, eveneens Pieter Poorter geheten, een der
laatste was. Poorters moeder, Pietertje de Jonge, was een
schippersdochter. Zelf is Poorter zijn hele leven in het
onderwijs werkzaam geweest, hij was onderwijzer te Nijkerk
(1923-1926) en Den Haag (1926-1938) en leraar Nederlands en
Frans te Zwolle (1938-1946). Van 1947 tot 1967 was hij hoofd van
een lagere school te Baarn. In de avonduren doceerde hij aan de
Middelbare Handels-avondschool te Amersfoort en aan de hervormde
Kweekschool te Utrecht.
Pieter heeft
enkele artikelen geschreven in het Blokzijlse dialect, zoals
zijn ouders dat omstreeks de eeuwwisseling meenamen naar
Harderwijk en bleven spreken. Pieter meende hiermee de sfeer van
het verhaalde beter te benaderen. Het is een postume hulde aan
het een vissersgeslacht dat voorbij ging.
Verhalen van Pieter.
3: Hendrik Poorter,
geboren in 1869 en overleden in 1926.
4: Frans II
Poorter. Zie 6
5: Teunis Poorter,
geboren in 1874 en overleden in 1961.
6) Frans II Poorter,
geboren in 1871 en overleden in 1942.
Kinderen van Frans II
1: Klaas II Poorter,
geboren in 1899 en overleden in 1960. (Nakomelingen zie onderstaande
schets).
2: Frans III Poorter,
geboren in 1905.
Paul
Poorter (Harderwijk) is in het bezit van hét originele familie wapen van
de familie Poorter!
die hij mij gemaild heeft, waarvoor dank.
Leuk is ook dat Paul in het bezit is, van een oude gouden zegelring met
initialen P.P. van Pieter IV poorter.
|
1 |
2 |
3 |
Home
|
Niets
uit deze
website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
samensteller.
|
|