DE ZUIDERZEE ALS SCHAKEL EN SCHEIDING TUSSEN DE GEWESTEN. S.F. Bouma en A. Schaper.
Veel later, ca. 50 na Chr.,
beschrijft Plinius een armzalig terpenvolk, dat der Chauken, in het
Waddengebied, in het tegenwoordige Oost-Friesland. Landschap:
duinkust-schoorwal, daarachter veen vol poelen en meren, enige
openingen in de kust: Bordine (Middelzee), Vlie, Rijnmond bij
Katwijk etc. Ca. 300 v. C. zet de afslag van veen achter de duinen
in, de terpbouw, steeds hoger, naarmate de zee hoger komt. Omvang meer Flevo en Almere: wat kleiner dan de kom van de Zuiderzee; zoet water, afvoer naar het Vlie. Het Marsdiep was in Rom. tijd nog niet aanwezig. Wordt eind 8e eeuw genoemd als stroom, dus in de Ie eeuwen ontstaan. Kreeg verbinding met Vlie en werd verwoestende stroom, die het veenland afbrokkelde. Zo ontstond geleidelijk de N. helft van de Zuiderzee en werd de doorgang Enkhuizen Staveren verwijd. Ook trad afslag op aan de O. kust van de kom en het water werd brak of zout. Veel groter landverlies werd voorkomen, doordat de mens ingreep met dijkbouw (ca. 1000) en het afdammen van open binnen wateren (Amstel, Zaan, Purmer Ee, Spaarne etc.) In die dammen werden sluizen gelegd en dit waren de aangewezen plekken voor een handelsnederzetting. Nog later, vooral in de 17e eeuw, gaat men in de aanval en verovert door inpoldering grote meren, die tot de vruchtbaarste streken gaan behoren.
Reeds in de Romeinse tijd werd eerst met de vloot, later met handelsschepen, en toen verbinding gemaakt tussen de Rijndelta met vlootbasis Fectio (Fectio was deel van de noordgrens van het Romeinse Rijk, van oost naar west langs de Rijn bestaand uit Carvo (Kesteren), Mannaricium (Maurik), Levefanum (Rijswijk), Fectio (Vechten), Trajectum (Utrecht) en Laurum (Woerden). De Romeinen roeiden in galeien vanuit Fectio via de Utrechtse Vecht, het Flevomeer en de Friese meren naar de monding van de Eems) bij Utrecht (De Romeinen, die deze plek blijkbaar verkozen vanwege de in de Rijn uitmondende Vecht, bouwden hun castellum (was een legerplaats voor hulptroepen van het Romeinse Rijk) in het jaar 4, en noemden het waarschijnlijk naar die rivier, de Fectio. Het fort was van tijd tot tijd redelijk van belang als logistieke basis voor de operaties in Germania. Mede om deze reden was het ook aantrekkingspunt voor de lokale bevolking, die aan beide zijden van het fort een kampdorp (vicus) bouwde. Het castellum werd mogelijk verlaten in de laat-3de eeuw, toen het Romeinse Rijk crisis na crisis te verduren kreeg. Toch lijkt de roerige periode minder een reden voor vertrek als het opdrogen van de dode rivierarm die als haven fungeerde, terwijl ook de monding van de Vecht zich westwaarts verplaatste. Het naburige castellum bij Trajectum/Utrecht nam waarschijnlijk de rol van Fectio over.) en Denemarken, via Vecht, Flevomeer, Middelzee (die met het Vlie in verbinding stond) en de waddenzee. De Friezen, die al in de 3e eeuw met vee naar de Keulse markt voeren, namen wapens, aardewerk en andere gebruiksvoorwerpen uit het hoger beschaafde Zuiden mee. Deze handelsweg nam steeds in betekenis toe, vooral toen in Radbod's Friese rijk „van de Weser tot het Zwin" de koopstad Dorestad bloeide. (7e-8e eeuw). In de 8e eeuw verstopte de mond van de Middelzee naar het Vlie, zodat men de gevaarlijker route buitenom moest kiezen. (Karel Martel 734 zeeslag tegen Poppo). Aan die Friese zeevaart kwam een abrupt einde door de invallen der Noormannen. Zij verwoestten Dorestad en Staveren en werden in de 9e eeuw de voornaamste koopvaarders van NW-Europa.
![]() The Vikings waren erg geïnteresseerd in het zilver van Dorestad.
Bezien we nog even de ontwikkeling in andere delen van het land, dan zien we in de 10e eeuw opkomst van Deventer en Tiel als marktplaatsen, maar vooral van Utrecht, dat de eigenlijke opvolgster van Dorestad was. De 11e en 12e eeuw door kwamen Friese, Hamburgse en Deense kooplieden er ter markt. De basis was zeevis en zout uit Zeeland en Westfriesland, door verbranden van veen gewonnen (darinc). De Utrechts: bisschop bouwde plm. 1200 het Muiderslot ter bescherming van de belangrijke handelsweg de Vecht. Eind 13e eeuw wijzigden zich de omstandigheden, waardoor Utrecht als marktplaats verviel:
.
Oostzee 1586.
De positie van Kampen, de grootste
handelsstad der Noordelijke Nederlanden, die „uit Schonen gebouwd"
heette, werd in de 15e eeuw aangetast door nieuwe concurrenten, de
Noord-Hollanders. Na de vestiging van de gravenmacht, die geordende
bewoning mogelijk maakte, op grote schaal beschermende dijken liet
bouwen en gevaarlijke open wateren afdammen, begonnen de Westfriezen
zich zelfstandig op zee te vertonen. Medemblik was de oudste stad,
kwamen Hoorn en Enkhuizen op, na 1350 ook Amsterdam. Van de aanvang
af traden zij op als concurrenten van de Hanze; voeren zelfstandig
naar het Oostzeegebied, waar zij steun vonden bij de Pruisen, die
het monopolie van de Hanze ongaarne zagen. Eind 14e eeuw hadden
Amsterdam, Enkhuizen en Wieringen „vitten" op Schonen, een soort
handelsfactorijen. Deze ontwikkeling ging verre van ongestoord. De
mislukte expeditie van Willem IV ( Willem begeleidde zijn vader op
diens kruistocht naar het Heilige Land. Daar waar zijn vader
overleed, keerde Willem met roem terug. Bij de twisten met zijn
broer Dirk koos hij de zijde van de Westfriezen. Uiteindelijk werd
deze ruzie bijgelegd en mocht Willem zich onder andere als graaf van
Friesland manifesteren. In die hoedanigheid kwam hij in conflict met
Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, leenman van de Bisschop van
Utrecht, die plundertochten ondernam in het Friese gebied. Willem
trok ten strijde en vernietigde de burgt van Kuinre. Zijn broer
Dirk, voogd over het bisdom, liet Willem op kasteel Horst bij Rhenen
door Hendrik van Kuinre gevangen nemen. Willem ontsnapte echter en
vluchtte naar Gelre. Daar verloofde hij zich met de dochter van
graaf Otto I van Gelre, Aleid en in 1198 huwde hij met haar te
Stavoren.) bracht Friese kapers op de Zuiderzee, die het Vlie
onveilig maakten. Ook Hendric de Kraan. Heer van Kuinre zag de kans
schoon om koopvaarders te plunderen. Het was een tijd van chaos: in
Friesland streden Schieringers en Vetkopers om de macht, in Holland
laaide de partijstrijd tijdens Jacoba van Beieren hoog op, in
Utrecht werd de bisschopszetel betwist. Als gevolg hiervan waren
roof en kaperij op de "Zuiderzee regel.
Grote Pier De Hollanders bezetten Lemmer
en Dokkum en maakten er zeeroversnesten van; Staveren werd in puin
gelegd, waarvan het zich nimmer herstelde. Toch groeiden de
Hollandse steden in macht en rijkdom. Zij kregen steeds meer aandeel
in de Oostzeevaart, waar zij het tegen de Hanze opnamen. Een
openlijke strijd met de Hanze onder Lübeck's leiding werd beslecht,
doordat een Amsterdamse vloot in 1440 wapenstilstand afdwong. Eind
15e eeuw werd de zeevaart weer gestoord door de Bourgondisch-
Habsburgse oorlogen. Grote Pier hield huis op zee en vooral Kampen
had veel te lijden van de kapers. In deze tijd gaat het met Kampen
bergafwaarts. Het oude privilege der betonning van de zeegaten,
waarvoor de stad een heffing, het paalgeld, mocht innen van alle
binnenvallende schepen, moest in 1527 aan Amsterdam worden verkocht.
De scheepsbouw boekte ook vooruitgang, toen in 1460 het van de
Bretons afgekeken karveel voor het eerst in Hoorn werd gebouwd.
Alleen Zierikzee schijnt het nog eerder te hebben gehad. Dit type
had een gladde huid in plaats van overnaadse beplanking. Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|