|
"DE SPERWER" IN ZIJN
ELEMENT.
K. Norel.

Een nobel schip. De oude Eeltsje-baas uit Joure, die het heeft
gebouwd, was, behalve een voortreffelijk scheepsmaker, ook een
artiest. De ronding van de boeg, de vloeiing van het dek, de zeeg,
het hek, ze moesten alle zó, ze mochten niet anders zijn. Het
snijwerk van de kajuitsdeur is een lust voor het oog. En dan de
gouden sperwer op het roer! In de Oosterhaven is „De Sperwer" al het
pronkje van de vloot van het Zuiderzeemuseum. Maar op zijn best ziet
men het schip daar niet. Het ligt te slapen aan zijn trossen. Ik heb
„De Sperwer" levend mogen zien. Het was zomer '50. Het jacht, kort
tevoren door de „Vrienden' geschonken aan het Zuiderzeemuseum, was
ontdaan van alles wat moderne knoeiers eraan geknutseld hadden en
hersteld in de oude luister, waarmee het zeventig jaar tevoren de
werf van Eeltsje-baas verlaten had. Nu ging het zeilen in de Friese
wateren. Dank zij een vriendelijke invitatie van de „Vrienden" was
ik gast aan boord. De eerste dag zat het weer niet mee. Een gure
wind uit het Westen was pal tegen. „De Sperwer" moest zich laten
slepen van Leeuwarden naar Harlingen. De tweede dag was de dag van
schipper De Jonge en zijn maat De Bolswarder vaart is kronkelig en
nauw en het aantal bruggen legio. Daarbij was ook de wind bijna
voortdurend tegen. Al het zeilende gerei, dat meedeed aan de
Elfstedentocht te water, liet zich ook nu weer slepen. „De Sperwer"
zeilde, 't Was strijk en zet in letterlijke zin, maar het zeilde. En
het zeilde hard toen, juist tijdens een ogenblik van goede wind, er
wat loos raakte aan een toptakel, zodat dicht voor een brug het
strijken faalde. De gast aan boord zat in zijn rikketik. Schipper De
Jonge kauwde alleen wat harder op zijn pruim. Hij gaf bedaard het
roer aan zijn maat over, klom bedaard de mast in, ontwarde de lijn,
die het blok beklemde, en klom even rustig weer omlaag. Tien meter
vóór de brug waren mast en zeil gestreken en schoot „De Sperwer"
onder het brugdek door. Dit was de dag van De Jonge en zijn maat,
twee Friese schippers, die aan de Zondagszeilers om hen heen een
lesje gaven, hoe je zeilen moet. De derde dag was de dag van „De
Sperwer". We kwamen na de nauwe waterwegen van de kleihoek op de
meren. De Fluessen,wijd water tussen riet en lage landen, met om de
Zuid de bossen van het hoge Gaasterland. Dit was het water, waarvoor
„De Sperwer" was gebouwd, en die dag was er ook de wind, die een
goed jacht behoeft: een bries uit het Westen, niet te dik en af en
toe wat vlagerig.
„De Sperwer" begon rustig aan. Als je over de zeventig bent dan pas
je op dat je niet achter adem komt. Het jonge goed, de draken en de
regenbogen, schoten hem voorbij. Maar toen al het doek wat hij kon
dragen bijstond - en schipper De Jonge zorgde ervoor dat het goed
bijstond (geen baantje hing er flauw) - zette de oude baas de sokken
erin. Het ging schuimen bij de boeg; de mast zwiepte een beetje
door; het lage boord dook soms eens onder; het kolkte bij het hek.
En het was of de gouden sperwer op het hek zijn vleugels uitsloeg.
„Hij houdt 'm goed, die ouwe!" zei ik tegen schipper De Jonge toen
ik na een kop thee in de kajuit weer boven kwam. De schipper kauwde
op zijn pruim en zei niets. Hij keek scherp naar zijn zeilen en af
en toe eens naar de jachten links en rechts. Ik keek ook. Waar kwam
die draak, twee streken over stuurboord, toch vandaan? Had die ons
ingelopen? En had ik die regenboog dwars over bakboord straks niet
gezien ? Hé ? wij verloren
niet. Wij wonnen op die schepen! Ik keek vooruit. Straks lagen wij
achter in de vloot. Nu waren er heel weinig schepen
voor de boeg. Ik keek achterom: een zwerm witte driehoeken wijd
verspreid op het water. Het ging niet enkel goed, het ging prachtig!
De oude „Sperwer" versloeg de nieuwe jachten. Hij kwam als eerste
van de zeilers bij Galamadammen aan!
Ik maakte me een beetje ongerust. Een Hollander had de loef
afgestoken aan een zwerm Friezen. Hoe zou dat gaan?
Het ging zeldzaam goed. We kregen alleen maar complimenten en daar
zat geen droppel alsem in. Hadden de Friezen zichzelf overwonnen?
Misschien, misschien Maar Eeltsje-baas woonde in Joure, en schipper
De Jonge komt van Sneek, en directeur Bouma, wat hij mag zijn, hij
heeft in elk geval een Friese naam. Dat er Enkhuizen in de vlag
stond werd over het hoofd gezien. „De Sperwer" in zijn element, in
't „Heitelan". Hij heeft zich er geweerd en hij is geëerd geworden!

Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|