|
BALLADE VAN DE ZUIDERZEE HAVEN (1954) G. R.
KRUISS1NK. BALLADE OP HOLLANDS WATER.
Wie eenmaal in den vreemde was
En tot de reis gereed,
Hij weet hoe nooit de wond genas,
De wond, die Holland heet;
En zit hij 's avonds op een plein
Bij staf en ransel neer,
Dan staart hij in zijn beker wijn,
Dan ziet hij Holland weer.
Dan tuurt hij door dien droom bezocht
Achter een groene ruit,
Op een der grachten in de bocht
Van Hollands hoofdstad uit;
Hij nipt aan zijn jeneverglas
En zet het stil weerom:
De maan drijft in den waterplas
Als in een glazen kom.
Dan ziet hij plotseling de zee,
De kleine Zuiderzee;
De botter op den horizon
Verdwijnt van lieverlee;
De golven worden grauw als asch,
Het waterveld vergrijst:
Antiek gelijk een spiegelglas,
Dat niemand meer polijst.
Dan vriest het eensklaps dat het kraakt,
Op Frieslands helder meer;
De schaats, die nauw den ijsvloer raakt,
Grift een verwaaide veer;
De schaduw met den ronden rug
Ijlt langs het dorre riet
En van de ijsschol zingt terug
Een onverstaanbaar lied.
En komt de lente in het land,
Dan fonkelt de rivier,
De visch springt naar den overkant
En zedig wuift het wier.
En nergens is natuur zo frisch,
Waar twee verzameld zijn,
Als tusschen madelief en lisch
In Hollands springfontein.
Wie eenmaal in den vreemde was
En tot de reis gereed,
Hij weet hoe nooit de wond genas,
De wond, die Holland heet;
En zit hij 's avonds op een plein
Bij staf en ransel neer,
Dan staart hij in zijn beker wijn
En ziet zóó Holland weer.
BERTUS AAFJES, (Geb. 1914) DE ZUIDERZEE.
De golven graven eindeloos op zee
Elkanders graf, bloeien op en vervagen,
gelijk ook de kleine botters opdagen
Om weer te verdwijnen, van lieverlee.
Water en lucht bouwen grootsch een allee
Waarin de rukwinden de meeuwen schragen,
Achteloos gelijk de golftoppen dragen
Hun makkers op de wateren beneê.
Maar bij windstilte lijkt het waterveld
Soms een antiek spiegelglas dat, vergrijsd,
Al sinds eeuwen niet meer werd gepolijst;
En de meeuwen krijten eens zo ontsteld,
Ijlend als verschietende sterren voort,
Elk naar hun eigen rampzalig oord.
BERTUS AAFJES, LOFDICHT VAN ENKHUISEN.
Van Enkel' huisen is groot Romen opgegroeit,
En ik van enkele: groot Romen heeft gegloeit,
En ik ben plat gebrandt: groot Romen is herboren,
En ik van nieuws herbouwt, bey beter dan te vooren:
Groot Romen heeft sijn jok den Spanjaerdt opgedrukt,
En ik mijn' vrijen hals het Spaensche jok ontrukt.
Noordthollandt, hebt uw' deel in d'eere van uw' vrijheit:
Maer weet dat d'eerste steen van 't groote werk in mij leit,
En, quam de heele buirt te deinsen tot den val,
Weet dat ik daer toe nooit den laetsten leggen sal.
CONSTANTIJN HUYGENS (1596-1687)
Sou ook mijn Lofgedicht van uwen lof niet singen
Gij kloek ENKHUISEN, die de woeste see kont dwingen,
Die magtig sijt door stael, door helden sonder tal,
Door schepen wijds en sijds? die in uw ruime wal
Uw groote stadt besluit, bekent in vremde landen,
Daer Indiaen en Moor de sterke son voelt branden,
Ja 't heele aerdtrijk door, soo ver het open staet,
Soo ver uw visscherij, soo ver uw handel gaet?
In uwe ketels werdt het graeu tot wit gesoden,
Die sieden nacht en dagh.
GEERAERDT BRANDT (1626-1685) naar het Latijn van Doctor Dirk Velius
(1572-1630) NA-GEDACHTENISSE VAN DEN XXI. MAY DES JAARS MD LXXII.
Wanneer de stad Enkhuizen zich verklaarde voor Willem den
Iste
Prins van Oranje roemruchtiger gedachtenisse
tegens den Hertog van Alva.
Op of kort na welken Dach de Eerste Leerreden der Hervormden
in het Openbaar is gedaan, over de Lening van het Stads
Excys-Huis op de Vismarkt aldaar.
Aanschouwer! zie de Plaats, t daar God der Heyërscharen.
In Vryheid wierd gedient voor twemaal hondert Jaren:
Hier is die held're Zon voor Ziön opgegaan,
Hier zaagt ge o Burgers! 't eerst uw vryën Leeraar staan.
O BUISKES! O SEMEINS! O BROUWERS!O ENKHUIZEN!
Kan ooit uw Mannenmoedt uit iemands Ziel verhuizen.
Gy hebt den eersten Steen aan 't vry Gebouw gelegt,
Waar aan gantsch Neêrlands Heil bestendig blyft gehegt.
Wanneer tot Alva's spyt, ten trots van 't fiere Spanjen,
Het Vaandel wiert geplant voor WILLEM VAN ORANJEN,
Wiens KROOST, waar van 't volk de zoeten vrugten smaakt,
Ook nog met tedre zorg voor Kerk en Vryheit waakt.
Komt BURGERS! zet een toon vol Blydschap op uw snaren.
Viert plechtig dezen Dach! na viermaal vyftig Jaren.
Verheugt n in den Heer, die door geduchte macht,
Gewetensdwang verdreef, us Stad in Vryheid bracht.
Dankt met een nedrig hart, in Jezus Tempelkooren,
Den grooten God voor 't goed, door hem uit u geboren,
Toen hy in 't Burgerhart een heldenvuur ontstak,
En 't Onverdraaglyk Juk van Dwinglandy verbrak.
Bidt dat het Nageslagt van hen, door wien de Vryheit,
En Godsdienst wierd herstelt, lang leve in Gods nabyheit.
Wie Roemt naar eisch en plicht ENKHUIZENS WIJZEN RAAD,
Wien d-eez' Gebeurtenis zo zeer ter harten gaat,
Dat hy van u begeert in Dankbaarheit te denken,
Aan deez' Hervormingsdach, befaamt door twee Geschenken.
Een Dach waar op de Kerk noch heden Zegenpraalt,
Zelvs nu de ENKHUIZER MAAGD een ruimen adem haalt.
1732 CLAAS BRUIN, ENKHUIZEN.
Het carillon zingt helder door den regen,
den bleeken regen van mijn vaderland,
de kleine grijze golven breken tegen
de leege schepen aan den waterkant,
en als het stil wordt nemen allerwegen
de oude dagen weder overhand:
hier hebben schepen uit den Oost gelegen,
het regent en de haven is verzand,
de lichte jaren zijn voorbij gevlogen,
nog wachten huizen in een smalle rij,
zij staren over zee met moede oogen:
de hoop laat niets, geen mensch, geen ding, meer vrij,
zij wachten en wat zingt de hoop? Een logen,
want 't regent zacht en 't is voorgoed voorbij.
ERIC VAN DER STEEN, (Pseud.; geb. 1907)
Ze zijn geboren in Enkhuizen,
in 't stadje aan de Zuiderzee,
daar speelden zij hun kinderspelen
met zon en wind en water mee.
Haar wieg stond aan 't Handvastwater,
de zijne op de oude Dijk,
en 't is of dat op beider leven
zijn stempel zette als levend ijk.
Hêm trokken lucht en wind en water,
de haven en de botters aan,
dat wat het hart is van Enkhuizen:
de vissers en hun zilt bestaan.
Maar ook de oude klokketorens
en de huisjes uit die gouden tijd
toen 't land vol was van grote schilders
en schepen uitzond, wijd en zijd.
Haar trokken weiden en landouwen, .
het vruchtb're land, met sloot en schuit,
de groene Vest met 't wijde uitzicht,
die als een moeder 't stadje omsluit.
Maar over beider jonge jaren
klonk uur aan uur eenzelfde lied:
het klokkespel der Drommedaris
zij hoorden 't, maar beseften 't niet.
Toch hebben zij dat ongeweten
verborgen in hun hart bewaard:
dat reine klink-klank van de klokken als hemelboodschap naar de aard.
In 't stadje zijn ze niet gebleven,
zij trokken saam de wereld in....
maar soms, in al te bittere uren,
grijpt hen de hunkering naar 't begin.
Dan gaan zij naar de Drommedaris
en luis'tren naar dat zuiver lied,
dat nog, als in hun kinderjaren,
van uur tot uur zijn zegen giet.
Want wat ook in dit schrik'lijk heden
het hart verbijstert en verwondt,
't wordt door die reine, oude klokken
getroost, geheeld en weer gezond.
Want 't is een lied uit alle tijden,
ja, niet gebonden aan De Tijd:
die klokketonen zijn een boodschap
van Oods serene Eeuwigheid.
JOOST VAN VONDEL, (1587-1679) HOORN.
Ben ick de Moeder Stadt van soo veel moedigh bloed,
Dat soo veel' wond'ren dé, en so veel wond'ren doet,
Van Mannen die, vermant, voor mannen noyt en weken,
Van Zeilers, die verzeilt, voor Zeilers noyt en streken;
Heb ick van allen eerst 't groot Haringh-net gebreidt,
Van allen eerst gespreidt, van allen eerst verbreidt;
Ben ick de Zuyvel-mouw van voor en achter Stav'ren,
Ben ick, soo verr ick sie, de Vrouwe van de Klav'ren,
En vraeght men hoe ick Hoorn van ouds herr heeten moet?
En heet ick anders recht als Hoorn van overvloed?

De Haringvisscherij van M.de Sallieth
1749-1791.
CONSTANTIJN HUYGENS, HOORN.
De Stadr, wier aangenaame lucht
Men schept, is wegens d'ouden zeegen
Des Albestierders noch berucht,
En op West-vrieslandts grondt geleegen:
d'Aloudtheidt schonk aan haar den naam
Van HOORN, zinspeelende geheeten
Op de Overvloedt, die hier te zaam'
Met heuren schat was neer gezeeten:
Een Stadt in 's weereldts rol en boek
Bekent voor Hollandts Zuivelhoek.
Dus roldt haar' naam langs bergh en zee:
Wie zoude niet heur' landtstreek pryzen?
Die daaglyks met haar melkryk Vee,
En akkers Neederlandt kan spyzen:
Wilje ons met vruchten Kastiljaan
Tweemaal des jaars geteelt verbaazen?
Zeer wel, myn Zangster toont U aan
Tweemaal des daags heur' vette kaazen,
Heur room en melk, als teek'nen van
Een overvloejend Kanaan.
Zy was maar eerst een groote Sluis,
En Overtoom tot dienst der Schuiten,
Of Scheepen ver van landt of huis
Hier koomende om te ruilebuiten:
Daar liep een Kil langs lis en riedt
Versiert met kreupelbosch en boomen,
Die hunnen kristallynen vliedt
Quam storten in de zoute stroomen:
Een KIL, doch Hoorenswys gekromt,
Waar door misschien haar' titul bromt.
Men trok van rondtom hier naer toe
(Gelyk een drom van nyv're mieren)
Met zuivel, dat ooit Schaap of Koe
Hen schonk: hier was een markt van bieren
Door drie Hamburgers vast gesteldt,
Die, wen zy hunne winst beschouden,
Hier elk één huys in 't ruime veldt
Tot hun verblyf en neering bouden,
Alwaar een ieder t' allen stondt
Voor zich en goed'ren herberg vondt.
Hoe dikwils heeft Zy haaren kring
Tot dienst der noeste Handelaaren,
Wien ook de drift en lust beving,
Om boukonst met de winst te paaren,
Vergroot! dus wierdtze een handelsplaats,
Een Stadt, daar vreemde en steedelingen,
Zoo wel bejaarde, als jongemaats
Met hunne Waer ter markte gingen;
't Welk noch tot heden toe geschiet,
Waar van men daaglyks vruchten ziet.
Als de Eendracht nu haar' zitplaats hadd'
In 't midden van dit volk genoomen;
Zoo koos Westvrieslandt deeze Stadt
Ten Hooft aan zyne Pekelstroomen:
Hier was een wakk're Burgery,
De Zuivelwaagh, en 't Hof der Staaten,
Een Raadthuys zonder vlek, daar by
De Trou, 't sieraadt der Onderzaaten:
Rechtvaardigheidt deê grooten stap;
Dus bloeide Konst en Wetenschap.
De welgesteltheidt van de Lucht,
Die Lent- en Zoomer Oogst verzelde,
Bekroonde Boom- en Akkervrucht:
Men roemde op Mannen, Oorlogshelden,
En Vloten, die den Oceaan
Doorsneeden met hunn' scherpe kielen,
Zoo ver de heldre Zon en Maan
Bescheen des Aardtkloors As, en Wielen:
Dus droeg dat oude Volk door een
Den roem op 't Hooft van hunne steen.
Dat Volk uyt zulk een strydtbaar bloedt
Van Batavieren voort gekoomen,
Wier onverschrokte Heldemoedt
Ontzachlyk was by 't oude Romen,
Bragt dach by dach noch Helden voort.
Die voor geen Spaansche koegels bukten,
Maar klampten Graaf Bossu aan boordt,
Wiens Vlag Ze in 't Hop van steng afrukten,
En vlug des Amstels Ammiraal
Veroverden door vuur, en staal.
ö Drietal broeders! die alhier
Den waaterkant wel eerst bewoonde
In huyzen zonder steen of swier,
En U zoo vergenoegt betoonde;
Staakt Gy eens Uw' Hamburger kop
Ter grafsteede uir, hoe zoud' Gy schrikken!
Wen Gy daar gevels hoog in top
Zaagt praalen voor uw' flaauwe blikken,
Gy riept in een' verbaasden schyn,
Dit moet een and're Weereldt zyn.
Waar eertyds stonde een Hut van riet,
Daar staan nu huizen als kasteelen,
Die men aan een getimmert ziet
Tot daar de brakke golven speelen:
Zoo prykt nu onze aloude Stadt
In grootheidt en in bousieraaden,
Daar ik myn eerste leeven hadd',
En myne jonkheidt zich verzaadê
In heuren fraaien standt en staat
Bestiert door wyzen burgerraadt.
Dat geen uitheemsch gewaadt en praal
Uw' oude defrigheidt vertreeden,
Noch dat een vreemde bastardtaal
U ooit ontaarde in deugt en zeeden;
Dat trots gezach noch ledigheidt
Den drempel van uw' huyzen naad'ren;
Maar dat de Godtsvrucht u geleidd'
En brenge op 't voetspoor van uw' Vaad'ren,
Wier kloeke geest, wier deugtzaame aart
Ging met de needrigheidt gepaart.
R. WESTEROP. Fragment uit „Hoorns Buitensingel in Rym beschreven"
(1728). OCHTEND IN HOORN.
Geluiden waar de wereld mee ontwaakt,
Maken mij stiller nog dan ik al ben,
Een hond die blaft, een kind op klompen en
Een man die fluitende een schuit losmaakt.
Dat is het leven, simpel en volmaakt,
Waar 't rhythme der oneindigheid in fluistert,
Waaraan dit hart zoo hevig is verkluisterd,
Dat het verzaakt maar nooit geheel verzaakt.
Geluiden waar de wereld mee ontwaakt,
Waar ik zoo grensloos graag naar lig te luist'ren,
Laat mij ze hooren tot het laatste duist'ren,
Wanneer dit hart zijn stillen maatgang staakt.

't Slot te Medemblik, van de Noordzijde, 1726''
HAN G. HOEKSTRA, (Geb. 1906)
't Sterke Medenblicker Slot,
Wierd eens van 't Oorlogs-rot
Ingenomen, niet door kragt
Van de Wap'nen, maar men bragt
Vrouw en Kind'ren voor en aan,
Van, die men te keer woud' gaan,
Met dees voortogt drong men voort,
Tot de Gragten, tot de Poort,
Van dees sterkte. Al 't geschut,
Quam de Burgers niet te nut,
Want zoo iemand schieten wouw,
Hy ontsag zyn Kind of Vrouw,
En dewyl hy die ontzag,
Most hy komen tot verdrag,
Met zyn Vyand, 't welk zoo niet,
Buyten d'Egt zou zyn geschiet.
PETRUS EGGES, EDAM
Het oud-eeuwsch stadje met zijn reine keitjes,
waartusschen schamel gras omhoog komt sprieten,
droomt in de zomer-zon zijn droomerijtjes
van macht en praal, die het sinds lang verlieten.
Zijn vreed'ge grachtjes, vol van hoovardijtjes
op trotsch verleen, en knusjes in 't genieten
van luwte en loover-schaüw der boomen-rijtjes,
zijn thans niet meer dan spiegel-leêge vlieten.
Hoor 't carillon klingelt zijn klare tonen,
die sidd'ren door de heete middaglucht...
En 't stadje luistert, luistert als in droomen
een grijsaard doet, die (op vervallen koonen
een stille lach van onbewust genucht)
zijn doode liefste in jeugd-schoon weer ziet komen.
HENDRIK MULDER, ELBURG IN MDCCCXXXIX
'k Bewoon een kleine stad, maar 't puikjen van het
land:
Men leeft er, zoo 't betaamt, op nieuwerwetschen trant;
Ze is vierkant, of ze met een passer waar gemeten,
En (dat dees zaal getuig'!) vol reednaars en poëten.
Er heerscht verscheidenheid van levenswijs en taal:
Dees s p r e e k t als r o y a l i s t , en die als l i b e r a a l ,
En, door den walm omhuld van pijpen en sigaren,
Zweert dees bij d'Avondbö, en die bij Thiemes blaren.
Men wikt er Bulwers, Scotts, en prijst Van Lenneps werk,
Heeft meestal rust in huis, soms tweespalt in de kerk;
En als, bij 't dwarlend licht der winteravondlampen,
In de opgevulde Club de punskom staat te dampen,
En 't viertal Matadors begroet wort met geschal,
Of Maingaud's ranke staf den elpenbeenen bal
Doet langs den groenen disch in 't hangend netwerk glijen,
Dan heeft het schoon geslacht zijn koffijfeestpartijen,
Die van de zesde klok, tot dat men tien hoort slaan,
De schoonste mondjens als een ratel rond doen gaan.
Want nooit ontbreekt er stof aan die bespraakte lippen:
Wat zou het Argus-oog der vrouwen ooit ontglippen?
Al 't nieuw, dat in de buurt, in huis of op de straat,
Of in de fantazie der schoonen slechts bestaat,
Wat de oogen hier of daar slechts zagen of niet zagen,
't Wordt al met waarheidsliefde en kieschheid voorgedragen;
Terwijl het geurig vocht van Mokka's bruine boon,
Door 't stovenrijk vertrek, zijn geuren spreidt ten toon;
Terwijl. .. maar, Zangster, zwijg! wat zoudt gij u vermeten?
Hier schiet de kracht te kort van Hellas puikpoëten.
't Is vruchtloos wat ge poogt, en Huigens zingt te recht:
„Wie schiklijkst van mij zwijgt heeft allerbest gezegd."
En wat r e s s o u r c e s ook van wintersche vermaken
Het scheeprijk Y verleen', van al die fraaye zaken
Heeft in geen kleene maat mijn stadjen ook zijn deel.
Vaak treedt hier Melpomeen op 't statig schouwtooneel,
En zwaait met dolk en kroon, gelijk in vroeger jaren
Haar evenbeeld Wattier, aan Y- en Amstelbaren.
Vaak stort Thalia hier haar geestigheden uit,
Of Polyhymnia verrukt ons door haar luit,
En niemand, die zich ooit verstouten zal te geeuwen,
Wanneer de Othello's hier met bulderstemmen schreeuwen,
Of 't Attisch keukenzout van Duitschlands hoofdpoëet
(Niet ik, o Kotsebue, wie immer u vergeet!)
De lever keer op keer der saamgevloeide kudden
(Vergeeft dit woord om 't rijm) doet van verrukking schudden.
Maar dit's nog alles niet: men heeft concert en bal,
Het dichterlijke Nut, en 't Nanut bovenal.

„De Stad Muyden en baer Slot, van de
Zee-dyk af te slen" Gravure van A. van der Laan, naar A. de Lairesse.
Uit: „De Zegepraalende Vecht", Amsterdam, 1719
MR. A. W. ENGELEN Uit: „Dichterlijke Nutsvoorlezing" (1839) (De
dichter was, na zijn studie in de rechten en de letteren te Groningen,
o.a. rector van het Instituut Van Kinsbergen te Elburg. In 1843 werd hij
kantonrechter te Tiel. Van 1848 tot 1853 was hij lid van de Tweede
Kamer). MUIDEN.
Verschooven, kleene en arme Stad,
Moet gy den mond der Vecht bewaaren!
Die, van de Zuiderzee bespat,
Steeds bloot staat voor haar woeste baaren!
Doch, schoon de Dichter van het Y
Dus zingt: „Een ander mag beklyven,
(Door een Meerminne profecy)
„Maar MUIDEN zal wel MUIDEN blyven,
Zinspeelende op uw nedrigheid,
Een deugd die zelden word verbreid:
'k Heb echter reeden om te boogen
Op uw aloud en aad'lyk Slot,
Gebouwt door Floris groot vermoogen,
't Geen namaals zyn gevangenkot
Versterkte, om Velsens haat te koelen,
Niet blusbaar dan door zyne dood.
O Vorsten! dien 't hoogmoedig woelen
Behaagt, die eer en deugd verstoot
Door eedbreuk, moord, en vrouwenschenden,
Leert hier, hoe 't rad van Staat kan wenden.
't Is waar, uw held're glans verdooft,
Wanneer men 't oog slaat op uw muuren;
Maar, om uw nooitvolpreezen' HOOFD,
Zal uw vermaardheid eeuwig duuren:
Dat dierbaar Hoofd, Geleerdheids Licht,
Doet Oosten, Westen, Noorden, Zuiden,
Door kracht van taal en maatgedicht,
Reikhalzen naar 't Kasteel van Muider,
Daar 's Drossarts Letterschat, geacht
Van 't ryp vernuft, is voortgebragt.
CLAAS BRUIN. Fragment van het gedicht „Speelreis langs de Vechtstroom op
de uitgegeevene gezichten van de Zeegepraalende Vecht". (1719). HARNS
(Harlingen)
Me f oer hjir by aids al nei fierlizzende oarden,
Om walfisk gyng me ut nei 't iiskalde noarden,
Ek de oanfier fen hout is hjir lang al yn swang;
Sa wier Harns al ringen in stêd fen bilang.
Hwet seach ik as bern hjir wol faek nei it skrippen
By 't lossen fen balken ut houtene skippen;
Ho'n ein stieken se ut boppe it heechste gebou,
Dy bosken fen mesten, fen stingen en tou!
Gjin houtene barken mear sjugge myn eagen,
De leste, de „Laura" forgyng yn 'e weagen.
En for 't alde houtene séskippersfak
Kaem geandewei hjir ek de stoomfeart yn 't plak.
Mar binn' se ek oan kant, dy aldmoadrige klompen,
Hwerby me güds seach mei in mounle for 't pompen,
Aid Harns hat syn rom fen in séstêd yet wol;
Fen drokte en fortier binn' syn havens yet fol.
't Gemaek fen üs lan, yn 'e pükbêste soarten,
Giet wykliks hjir 't lan ut mei Ingelske boaten;
Dêrfor stjürr John Buil, hy is net sa dom,
Syn stienkoal en bokkens en potsmoar werom.
En as we de stéd fen 'e lanskant biskógje,
Den sjucht me, ho'n grêften fol hout hjir omtögje,
Den sjucht me febriken for hout en for stien,
For kalk en for pannen, ja hündert is ien.
De skipfeart, it nije kanael lans, haw 'k mirken,
Hat frijhwet mear wille as alear troch de „Wirken".
De Fryske lokael fen Tsjommearum en Stiens
Sa faek nije beweging en fleur hjir mei-iens.
De ald' stiennen man hat yet krekt as alearen
Syn oanwenst en brükme, dy't net is to kearen;
Hy draeit mei de holle en swaeit mei de pet
„Sa faek er it slaen fen 'e toerklok mar heart."
Yn 'e ald Harnser tsjerke, sa lies ik langlêsten,
Dêr leit fen Tsjerk Hiddes it oerskot to resten;
Oer 't grêf hie me dellein in flier for 't gemak
Mei banken, dat wier de dyakens hjar plak.
Ik ha 'r gjin forstan fen, mar woe dochs wol witte:
Ho kin dochs üs lan sa syn séhelt forjitte?
Hwent sjuch, like goed as safollen, woe 'k ha,
Kaem ek üs Tsjerk Hiddes in earestien ta.
1906. TJIPKE POSTMA, (1956) STAD AAN DE WADDEN.
Drie eilanden staan aan den horizon,
Als 't niet zeer nevelt. Jongens komen kijken,
Wanneer de postboot keert, die langs de dijk een
Rookpluim doet strijken, licht-bruin voor de zon.
De winter duurt hier lang; het spaarzaam groen
Bevat een stillen winter in zijn takken.
En in de binnentuintjes, kalme vakken,
Zou zelfs geen moordenaar een moord gaan doen.
Het drievuldig plaveisel, gele klinkers,
Gekleurde keien, blauwe, bolle steenen:
Zij dragen jaren reeds dezelfde beenen,
Want 's avonds, in hun pas van stille drinkers,
Slenteren mannen rookend naar het dok
De haven langs en weer terug naar 't dok.
SIMON VESTDIJK, (Geb. 1898)
Wie vanuit zee het stadje ziet,
verliest op slag zijn hart.
Hij ruilt het nooit, voor Makkum niet
voor Koudum noch Bolsward.
't Is of een schilder van 't palet
op 't doek voor zijne neus
een kostlijk plaatje heeft gezet
als speelgoed voor een reus.
De daken rood, de wolken wit
in 't wijde hemelblauw,
't Is of er Neerlands vlag in zit,
de vlag van mij en jou.
Maar is die vlag dan wel compleet?
Daar moet een wimpel bij.
Maak 'm Oranje, lang en breed.
De zon, die moet er bij.
Die zon moet boven Hielpen staan,
het Friese land, de zee,
dan is 't of er de vrijheid aan
't geheel haar plichten dee.
Hoor, in de verte holleblokt
de jeugd over de straat,
't Is of een tamboer hokkeplokt
en forse roffels slaat.
En van de scheve toren klinkt
de slag ons tegemoet.
O, toren waar een lied in zingt,
o, baken, vast en goed.
De huisjes kijken over dijk
en ka' nieuwsgierig naar
dat onbesuisde golvenrijk
waarop ik huiswaarts vaar.
En wat ze denken, weet ik dra.
't Is dit, of die meneer,
met kale kop, die Sikkema
wel echt is in de leer.
Wat doet die vent hier in de buurt?
Wat doet ie op een schuit?
En heel het stadje kijkt en gluurt,
wat of dat al beduidt.
Het is een dichter uit de stad,
het grote Amsterdam,
die van de hele wereld zat
hierheen gezworven kwam.
En opgelucht van steedse stank, met open oog en oor,
aan Hielpen bij de leugenbank
voorgoed zijn hart verloor.
HAJE SIKKEMA, HET VROUWEZAND.
„Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat nietig graan!"
Zoo sprak een weduwe, in sameet,
Met paarlen overstikt, gekleed,
Vergramd een zeeman aan.
Niet één in 't schatrijk Staveren,
Zoo maatloos rijk als zij;
Haar schepen ploegden elke zee,
En voerden van de verste reê
Steeds nieuwe schatten bij.
„Nu breng" beval ze eens grillig, trotsch
„Nu breng, van 't Noordsche strand,
Mij 't edelst wat uw oog aanschouw'!
Geen dure prijs, die 't mij onthoü
Ga, dien mij met verstand!"
Toen had de scheepsvoogd lang gewikt
Bij onbeslist besluit;
In 't end „wat zou er boven 't graan,
De glorie van 't Noordoosten, gaan?"
Zijn weifelen had uit.
Hij keert; zij komt; hij toont den schat,
Die proef geeft van zijn trouw;
Maar zij, ontkleurd van woede en waan:
„Wat scheepszij hebt ge 't ingelaan?"
„Aan bakboord, eedle vrouw!"
„Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat kaf, in zee! . ..
Is dat het uitverkoren deel,
Mij toegedacht? 't is mij te veel!
Weg met dat kaf, in zee!"
„Neen!" roept al 't scheepsvolk, „neen, mevrouw!
Dat wierp te zwart een blaam,
Alsof gij, in vermeetlen spot,
De giften smaaddet van uw God,
Voor eeuwig op uw naam!"
En trillend: „wie betaalde 't goed,
Waarover ik beschik?
Wie ben ik? uwe meesteres?
Wie vraagt, wie duldt uw zedeles? . ..
In zee! 'k gebied het, ik!"
„Ach, vrouwe, een deel... aan ons een deel!"
Krijt 's armen luide toon;
„Wie de armoe bijstaat in haar nood,
Wint zich, voor 't mild geschonken brood,
Des Heeren gunst ten loon!"
„Des Heeren gunst? ... 'k behoef ze niet;
'k Ben met het mijn te vree
En 'k deel, wie mij een aalmoes vraagt,
wanneer en zóó als 't mij behaagt,
Maar nooit om gunsten meê!"
„Boet, vrouwe!" • klinkt een achtbre stem •
„Boet af die schrikbre schuld!
Uw trotschheid raakt ten wissen val
Vrees, dat de dag eens dagen zal,
waarop gij beedlen zult!"
„Ik beedlen? Priester! als dees ring,
Die in mijn vingren blinkt,
Weer uit de golven opgedoemd,
Uw leugentaal mij waarheid noemt!
Niet eer! "... 't juweel verzinkt.
En nauw verving ten tweeden maal
Weer 't licht de duisternis,
Daar toont, bestorven als de dood,
De kok haar 't vonkelend kleinood,
Gevonden in een visch.
De roede trof èn zee èn vuur
En rampen zonder tal,
Bewezen aan de snoode vrouw,
Die 's Heeren gunsten derven wou,
Hoe hoogmoed komt ten val.
Nu was in 't schatrijk Staveren
Niet één zoo arm als zij;
Nu smeekte zij, in bittren nood,
In 't snakken naar een stukjen brood:
„Erbarm u over mij!"
't Was of de vloek haars euvelmoeds
Zich stortte op heel de stad;
Het blinkend Staveren verviel
Het wrekend zand weerde elke kiel,
Die eens heur waatren mat.
Nog ziet men, tot op dezen dag,
Aan 't woest en eenzaam strand,
Een veld van looze halmen staan,
Zij spreken van 't verworpen graan,
Den vloek van 't Vrouwezand.

Marker vrouwen.
PETRUS JOHANNES KOETS, (R.k. geestelijke, geb. 1818 te Groningen,
overl. 1868 te Katwijk). MONOLOOG VAN EDWARDA UIT „DE VLIEGENDE
HOLLANDER"
Windomwaaid vaderland, van alle zijden rept zich Genade naar uw veld, en gij wordt overstrooid Met weelde, o land, geen klein land meer, sinds gij uw bodem Vrij opent voor het goud van 't overstelpend zonlicht En ge uw verzadigdheid breed in het zilver baadt Der moeiteloos u binnenstroomende rivieren. Zoo, dierbaar volk, daalt op uw onverflauwden ijver, Uw goede trouw, uw gelijkmoedigheid, uw eenvoud, De zegen overvloedig neer, waar gij met minder Nederigheid geen deel aan hebben zoudt: want ziet; De holle hand kan meer bevatten dan de vuist. Is zoo niet uw vorstin? Mijn doorzicht is deemoedig, Mijn trots is arm te zijn; gelooft niet het gerucht, Dat ik mijn hand warm in den gloed die uit het goud stijgt. Want, schoon ik recht had op al 't nieuwgerooide land En 't aan mijn kroondomeinen toe kon voegen, heb ik Der vaderen gebruik gevolgd, en het als meent U toevertrouwd, slechts plukkend uit gezamenlijk Beploegden grond, één tiende als pacht. Maar ik ging verder, En met die penningen schonk ik aan u uw vloot. Schip na schip liep van stapel, dank zij d'admiraal, Dien ik betaalde; en Lothar hier, den steun mijns harten,
Heb ik van mij vandaan gestuurd naar verre steden, Om handelsboodschap aan te binden. Hoort, Ik geef die vloot weer in gemeenzaam eigendom. 't Zij Frieslands tweede meent; de wijdvertwijgde vriendschap Worde aller winst; mij kome slechts als wettig tolrecht Een tiende toe. Maar ik ga verder. Luistert, volk, Mijn laatsten stap. Thans heb ik heel mijn havenvoordeel, Al de onbeknepen opbrengst mijner landerijen Bijeengebracht met wat in Stavorens kasteel Aan Keizerlijke munt, aan Byzantijnsche steenen, Ivoor, goud, paarlemoer, aanwezig was; kortom Ik nam mijn gansche schat ziet hier en scheep het in. Straks streeft de vloot, met Lothar's brieven, de overzeesche Besremming tegemoet. De leuze dezer brieven Zij tevens topstander van lading en bemanning: Groet men u, groet terug. Maar twintig maal zijn waarde Brenge het goud weerom, waarom gij welkom waart. Laadt in! Nooit werd een vloot zoo zwaar bevracht. Laadt in! Ginds volk, staat Stavo's Staf, de stut der stad, de stok Waar, Friso, treurende bij Troje's vuur, op steunde; Waar hij mee reisde in zijn ruw bootje, en mee aan land sprong, Toen hij hier schipbreuk leed, om Stavoren te stichten; Vroom volk, bid, dat die Staf ons sterke, en zijner zonen Schepen bescherme, die van zilver zwaar, en trotsch, Thans tienmaal verder dan tot Troje's puinhoop varen;
Bidt, bidt, dat zij, schoon goudbevracht, straks
onvertraagd De Zeven Frieslanden behouden weer bereiken. Laadt voort! Er is nog meer. Mijn tijd is niet ten einde. Ik ga de volle winst die binnenvloeit besteden Aan een groot werk, waarvan het nageslacht zal roepen: Het heeft Friesland gered. Maar geld, geld eerst is noodig, Geld, geld. Ik ben voornemens merkt toch, hoe mijn hart Openligt als uw land om ons bezit met muren Veilig te stellen. Bij het Flie, bij Ameland, Bij Texel, Alkmaar, Witla, slaat zee door het duin heen, Daar moet de vloed geweerd, versterking aangebracht. Langs Rijn en IJssel zal ik dijken laten leggen Die 't wassen binnenklemmen. Geen woest water zal Uw akkers voortaan deren, en geen weerloos volk Tuurt 's winters, op de terpen, in het blazend schuim, Naar de vernielzucht van den grauwen vijand; neen, Ik droom een droog, diep land, waar het warm is en groen, Omgeven door begroeide hooge randen; land, Gevrijwaard tegen goden en hun wangunst; tuin, Met zon binnen zijn muur, met water blauw doorspoeld. O land, o droom. O volk, daar is uw voorspoed veilig, Uw schat beschermd, uw arbeid onbedreigd. Laadt sneller!
MARTINUS NIJHOFF, (1894-1953) De dichter heeft in dit „water
feest spel", dat hij in 1930 voltooide ter viering van het 71ste
Lustrum der Leidse Universiteit, de legenden van de Vliegende
Hollander en van het Vrouwtje van Stavoren dooreen geweven. Hij
dateerde de gebeurtenissen op Paas morgen 754 en stelde de figuur
van de Hollander voor als schipper in dienst van Edwarda, vorstin te
Stavoren en nicht van de grote Friezenkoning Radbod. MOLKWAR
(Molkwerum)
Doe, boppe't lan, noch yn't Südwestep It jongfolk naem de sé foar kar, Seach men oeral in Swantsje waeijen: Ir wapen fan it doarp Molkwar. Mar meastal gong it om'e Noard, Om rogge, hout of tar, Dan wien' hja, foei de winter yn, By honk wer to Molkwar. Om Krysttiid lein' dy skippers op, Wee dan in oar noch farre, Hja bleauwen thüs by wiif en bern, Hwant soks mocht har wol barre. Om't bernefeest dan mei to fieren Wien' hja om Krysttiid noch op tiid, Krekt as to Warns, der't jamk by inklen Noch aldjiersjoun de Skimmel ried. By't winter wie 't oars stille doarp Fol fleur, fol tier en libben, Dan helle elts syn skea wer yn
By freonen en by sibben. Mar ringen fleach dy tiid foarby, Men makk' de skippen ré En alles hwat mar farre koe, Gong foarjiers wer nei sé. Dan bleauwen inkeld froulju, bern En wrakke manlju oer. En foei wer 't doarp yn simmersliep Om d'alde knobske toer. Joech sa de sé yn 't doarp alear Oan folie in bistean, Lyk oare plakken seach Molkwar Syn woltier tel forgean. En fluit en koffe en galjoat Binne al sünt lang forgien En nearne sjocht men Swantsje-yn-'t-wyt As yn in gevelstien. Net ien, dy't nou noch bütefart, Gjin jonges, dy't it weagen. Oft op de sé, dy wolfeart joech,
Hja nou de divel seagen.
SJOERD MEINESZ, (1850-1938) IT URKER FJÜR (Het Urker vuur)
Dat bernlik fanke mei dy blauwe eagen, Hwat wie hja lokkich mei har séofsier; Syn han, dy't skippen stjürde oer fiere weagen, Dy wie nou sêft en streakjend op har hier. En 't hie gjin noed, al waerd it let en letter, 't Wie hjir sa goed oan 't stille en dünk're wetter Fan fierren twink'le myld it Urker fjür: Hja joech oan't frjemde lok har herte oer. Dat bernlik fanke mei dy blauwe eagen, Hja stie alline op 't utein fan'e daem. Hoe lang al sünt de skippen wer forteagen Sünt hy har trou ünthiet en öfskie naem? Hy folge de alde rop fan wyn en wetter
Wie 't oan'e wal by har net folie better? Fan fierren twink'le earnstich 't Urker fjür: Hoe is dat fiskersfanke sa oerstjür? Dat bernlik fanke mei dy 'blauwe eagen, Hja doarme rêstleas troch de jountiid om; Har blide hope en trouwe moed forfleagen: To ninter kaem har séofsier werom. Né, dizze wrede woun wurdt nea wer better; Yn dünk're joun stiet hja oan't stille wetter
Fan fierren twink'let stil it Urker fjür:
Soks komt oan bern mei blauwe eagen oer.
(Lemmer) FEDDE SCHURER, ( Geb. 1898) TUSKEN DYK EN PEALLEN.
Tusken dyk en peallen fynt eltsenien fortier, Lytse berntsjes boartsje, krite fan plezier; Hearen stappe steatlik efter har segaer, Alde grize mantsjes prate oer it waer. As de sé oerstjür is, 't waerglês stoarm oanwiist En in gülwyn twjirjend oer de weagen bliest, Swalkje, hwant oan houtsjes is dan gjin gebrek, Tusken dyk en peallen jutters mei de sek. Tusken dyk en peallen eltse simmersnein Rinne memkes laitsjend mei de bernewein, 't Jongfolk tref inoarren en yn skimerjoun Wurde namkes lustre, wurde tütsjes jown. Beppe breidet sokken ut grau wollen jern, Mem yn bünte skerldoek kuijert mei de bern, Pake krom' en wilich, sobjend op'e piip Kuijert troch de blomkes, praet hwat tsjin de skiep. Der is altyd frede, wille en fortier Tusken krab en kikkert, tusken kroas en wier, 't Is in park foar minsken, 't paradys foar fé Tusken dyk en peallen, tusken lan en sé.
(Maklcum) WIBREN ALTENA, (Geb. 1917) DE DYKHÜSKES.
De hüskes stean sa hjir en dêr As delstruid oan'e dyk; Hja haww'it dêr sa rom en f rij, Elts op himsels in ryk. En as men by it paedtsje op rint, By dyk op, nest it hüs. Dan leit dêr d'alde wide sé Mei it trouwe weachgebrüs. De sé jowt mannichien it brea, Dy't méi syn krêft bitwong, Dy't wrotte oan'e hege dyk, Hwerop't gewelt forgong. De sé jowt wille yn wintertiid, As dükers komm' oan't haed. As 't wetter oerfljocht, büt oandriuwt, Dan libbet wer 't ald-fryske aerd. Dan mei heak of gewear d'r op ut, O, 't moaije rouwe bistean! In man is noch allinne hwat wur'ch
Der't heech de weagen gean! Ik sjoch sa'n hüske, it stiet der sa lij, Sa nochlik op't eigen sté; De keamer hwat swart birikke, mar smout, It efterhüs rukt nei de sé. En lit it nou wêze in nije tiid, Dy't fan frijheit en rjochten praet,
Dy't hjir wennet wol syn rjocht ek ha, Mar net fan syn dykhüske skaet!
(Wünseradiel - 1915) DR. OBE POSTMA, (Geb. VENHUIZEN) Waarmond:
Hier ziet gy Hem, Hoogkarspel en daar ginder Venhuizen, door den tyd dien alverslinder Byna gesloopt door 't breidelloos geweld Van 't oorlog, 't geen het all' ter neder velt, En niemand, hoe onschuldig, zal verschoonen. Sta stil: hier moet ik u wat nieuws vertoonen In deeze laan, hetgeen ge nooit misschien, Weetlust! in uw reizen hebt gezien. Wat wilt ge my, Waarmond! toch doen weeten? Zie daar een rei van vrouwen, neergezeten In de avondlucht, een vreemde snoepery Gebruiken; elk heeft eene doos op zy' Van zilver, met tabak gevult, zy dampen Met vrolykheid, en weeten van geen rampen; Daar staan zy op en springen heen en weer. Is 't mogelyk? Zulks zag ik nimmermeer Van vrouwen, die 't zich billyk moesten schaamen. Zeg, Waarmond, zyn dit dingen, die betaamen? Zacht, zacht: geeft toch aan 's lands gewoonte en zeen Wat toe, eer gy door uw voorbaarigheên Een oordeel velt, 't geen u wel mogt berouwen: Waarom toch dit niet toegestaan aan vrouwen,
Daar gy het duld in 't mannelyk geslagt. Is ooit een wet daar tegen ingebracht? Welvoeglykheid moest haar een voorschrift weezen, Die zou haar haast van dat gebrek geneezen. Welvoeglykheid moest dan die kunne ook raên, Om zich van pracht en ydele eer' te ontslaan, En alles wat de waereld steekt in de oogen, Wanneer ze zich verrykt ziet met vermogen, Dit zien wy aan met onverschilligheid, Ja dikwils word' er noch wel voor gepleit, Waarom? om dat in 't land dat wy bewoonen Die mode haar voor opspraak kan verschoonen: Veroordeel dan hier dees gewoonte niet Om dat ge die nooit in uw woonplaats ziet: Want elk Gewest heeft zyn byzondre zeden, 't Geen hier misstaat, word elders aangebeden.
CLAAS BRUIN. Fragment uit:
„Noordhollandsche Arkadia" (1732) HUIZER VROUWEKES.
Als zwijgt zijn bellestemmetje
dan stappen Huizer vrouwekes
van 't hijgend Gooische tremmetje. De schortjes net in vouwekes
geplooid op het japonnetje,
met op de mouwtjes poffekes,
gaan ze voorbij 't stationnetje
heur voetjes vast in sloffekes.
BERT VAN REEST. ZAANSCH LIEDEKEN.
Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bevaren? De meisjes zijn er net gekleed Zooals voor honderd jaren; Haar oogen blauw en blank haar vel: Ik mag de Zaansche meisjes wel. Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bevaren? Men vindt er molens bij de vleet, En rijke molenaren; Maar wie de slanke dochters ziet, Denkt aan de dikke molens niet. Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bezoeken? Czaar Peter droeg er 't ambachtskleed En at er pannekoeken; Maar 't heeft hem levenslang berouwd, Dat hij geen Zaansche had getrouwd.
NICOLAAS BEETS, (1814-1903) UIT: AAN DE ZAAN
Czaar Peter kwam hier aan de Zaan, Dat is wel lang geleden; Maar als hij kwam op heden, Of hij bevredigd heen zou gaan? Waar vond hij, als hij deed weleer, Die kloeke handelaren, Wier schepen, jaar op jaren, De driekleur vierden heinde en veer? Waar vond hij, als hij vroeger vond, De Oostinje- en Groenlandvaarders, Dat tal van schattengaarders, Dat eens op Zaansche werven stond? Uw scheepvaart zonk, uw handel slonk, O, Zaan! Wat welvaartbronnen Door andren afgewonnen! Wie die voor de oude u nieuwe schonk? Toch schoon er hier een bron verliep En daar een moest verdrogen, Zou oopning iets vermogen, Zoo de oude geest nog rustte en sliep? Zoo wie dan op 't verleden staar, 't Doe hem niet werkloos klagen;
Het moet, het zal weer dagen, Toont maar de wil in 't werk zich klaar. Elke ader klopp', elke ader trill', De spoorfluit, in onze ooren, Doe 't elk verneembaar hooren: „Word wakker, wie er voorwaarts wil!" Welop dan, mannen van de Zaan! De handen uit de mouwen, Coeragie en vertrouwen!
Zij onze en aller leus voortaan!
1732 CLAAS BRUIN. BOTTERWENSEN.
Visschers, vischt steeds ongestoord Hopend op Gods zegen voort Laat uw vangst 't zij groot of klein Steeds voor U Gods Zegen zijn, Geeft voor al uw vangst den Heer, Altijd dank, geef Hem de eer! (op de Marker Botter 134). U, sterre der zee, mijn botter gewijd Wees onze geleidster, bestralend altijd Den weg op de zee en den weg in het leven, Wil ons in den arbeid God's zegening geven.
VOLENDAMMER VOLKSRIJMPJE, (op de Volendammer botter 162).
Op den hoogen dijk, Daar binne ze rijk, Daar eten ze broeder met krenten. En waarom zouden ze dat niet doen? Ze leven er van hun renten!
KAMPER VOLKSRIJMPJE.
Schokker, Schokker, ga naar boord, Je hebt je vaar en moer vermoord!
URKER VOLKSRIJMPJES.
De dominee van Urk,
die moest op Schokland preeken,
maar door het razen van de zee
was hij zijn preek vergeten. Skokker beer,
wat waeit 'et weer,
wat vliegen de kraeien,
wat zal 'et nog waeien. Toatse komt teus
van de Sleus, (van Zwartsluis)
brengt dan koekjes en krakertjes teus. Gooi ze maar over het ekkien
vlak in onze Kloasien zijn bekkien. Gooi het niet mis,
gooi het niet mis
dat het in Kloasien z'n boezeltjen is.
(Schoolliedje)
Entrez, entrez,
wie gaat er mee
naar 't end jen van de Zuiderzee? Wie zal 'et wezen,
ik of jij,
jij of ik? Juffrouw jantje loopt over de dijk. Zie daar gaat ze strijken,
strikkies op d'r mouwen,
gouwen ringen trouwen. Dat doet ze maar om d'r lieven man
die ze vanavond zoenen kan.
WIERINGER VOLKSRIJMPJE.
Oosterklief en Westerklief Daar eten ze kool met krenten. En waarom zouden ze dat niet doen, Daar leven ze van d'r rente.
(Sint Pieter 22 februari was vroeger in het sociale leven van
Wieringen een belangrijke dag. Dan werden namelijk de landerijen
opnieuw verhuurd en de pacht betaald. Op Wester- en Oosterklief was
dit aanleiding tot het vieren van de Kliever kermis).
ER ZOU EEN SKUITJE NAAR WIERINGEN VAREN...
Er zou een skuitje naar Wieringen varen, 's Morgens vroeg al door de dauw, Met een mooi meisje van achttien jaren, Dat er zo garen naar Wieringen wou. Vader, ik hoor de haan al kraaien; Moeder, ik hoor de klok al slaan; Stuurman, laat je vlagje maar waaien, Wij zullen welhaast an Wieringen staan. Als wij dan straks op Wieringen komen. Zien wij zoveel boeren daar staan, Die er het spek bij lepels vol eten, Je zou er wel om naar Wieringen gaan. Vader, ik hoor de haan al kraaien; Moeder, ik hoor de klok al slaan; Stuurman, laat je vlagje maar waaien, Wij zullen welhaast an Wieringen staan. Straks in de herberg „'t Vergulde Poortje". Daar verkopen ze brandewijn; Één potje vol al om één oortje, Suiker en kaneel erbij. Vader, ik hoor de haan al kraaien;
Moeder, ik hoor de klok al slaan; Stuurman, laat je vlagje maar waaien, Wij zullen welhaast an Wieringen staan.
WIERINGER VOLKSRIJMPJE.
Strude, met jouw teerde schuren, Met je lage, witgekalkte muren, Met je schepen an 't zeletouw, Oude, grijze Strude, ik hou van jou. (Strude is de oude Middeleeuwse naam van het dorp Stroe)
V. B. THOLEN, (1860-1931)
's Namiddags zwervende in drukke pret,
schooljongens die liefst rond de haven dolen
ontdekten wij hem soms, ietwat verscholen
gedoken op zijn lage taboeret. Wij waagden stappen op getipte zolen,
als door een stilte tijdens het gebed. Zacht bevend om de kleuren van 't palet
waren de vingeren de droom bevolen ... Gestorven. In de middagstille zalen,
oplichtend even in wat voorjaarszon, heurt wat hij van mijn stadje heeft gedicht. o Weemoed dezer scheemrende verhalen. Het leven herbegint waar het begon:
binnen de klaarte van het Havenlicht.
AQUATINTA.
Ik zie de stad weer in het voorjaarslicht,
het water ribbelt door de havenmond,
de zee is, om het goed te zeggen: blak,
van kleur en glans gelijk de leien daken,
de rode nokken rimp'lend als het water. Ik zoek al weer niet naarstig naar de reden
waarom drie botters aan de kade bleven;
zij liggen juist zo prachtig uit elkander
alsof zij louter dienden ter versiering,
en daaraan had mijn lust altijd genoeg. En bovendien, zo blijft er open ruimte
om zonder hinder over de beschoeiïng
en langs het randje van de muur te lopen, Om in een halve meter zicht in 't water
uit te kijken naar een griez'lig zeedier.
PIET PAALTJENS, (Ds.
Francois Haverschmidt; 1835-1894). DE FRIESCHE POËET
De Harlinger stoomboot schommelt Al over de Zuiderzee Van Stavoren naar Enkhuizen. Een dichter schommelt mee. Kwijnend rust op de verschansing De zangerige elleboog. Glazig staart naar Friesland Het bleekblauw poëtenoog. Soms ook is 't, of een klaaglied De schampere lippen ontstijgt. De hofmeester denkt, dat mijnheer dan Een aanval van zeeziekte krijgt. Och, de hofmeester is niet onmooglijk Een mensch met een edel hart, Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen Verstand van dichterssmart. En ik denk, dat is maar goed ook; Want kende de man die pijn, Hoe zou hij nog voor zijn betrekking Van hofmeester bruikbaar zijn? „Vaarwel!", ruischt het van de verschansing,
Naar het langzaam wegblauwend strand, „Vaarwel!", mijn diepverbasterd, En toch mijn vaderland!. Wat al waatren rolden grimmig Uw vernederde terpen voorbij. Sinds in eigen taal uw kindren Konden zeggen: „wij, Friezen, zijn vrij! Naar ploeg en koestal vluchtte Uw taal, eenmaal Hollands schrik. Om uw steden te zien verzinken In allerlei vreemde kwik. Uw adel ligt op sterven; Dat prachtige, koppige ras, Dat, om voor een koning te buigen, Te stijf eens van knieën was. En begraven zijn ze op een paar na Uw dochters van edel bloed Met het oorijzer om den schedel En de schaatsen onder den voet.
Friesche jonkers solliciteeren Om een postjen als ambtenaar En nemen zich tot vrouwen Friezinnen met los haar!" Een ontzaglijk-hoonende tandknars Bezegelt het slotaccoord, En „help!" gilt de man aan het stuurrad, „Een passagier overboord!" Te laat! De poëet is verdwenen In de diepte van 't dansende meer. Slechts zijn pet vindt men acht dagen later Op de kust van Wieringen weer.

SCHIPBREUK EN REDDING, voor Enkhuizen van zeven
personen bij de ontzettende storm van de achtste Maart 1878.
PIET PAALTJENS, (Ds.
Francois Haverschmidt; 1835-1894) EEREPENNING. Tot erkentenis voor
de edelmoedige redding.
Komt burgers, juicht nu, want uw doel, Uw heldenmoed doet zich thans horen, Daar gij hadt menselijk gevoel, Anders was schipper Mud verloren. Met knecht en vrouw en dierbaar kroost, Een zevental mensen was verdronken, Wijl men aan wal veel zuchten loost, En stond in diep gepeins verzonken. Twee schepen waren in 't zicht, Naar Amsterdam bestemd voor beide, De zware storm maakt het tot plicht, Zich tot een schuilplaats te bereiden. De eerste kwam bijtijds aan wal, Want Dokkums beurtman licht en slanker, Het tjalkschip dat ook komen zal, Moest in het Krabbersgat ten anker. De storm verhief zich meer en meer, De vloed brak in, het water waste, Men bad tot God zo menig keer, Wijl 't vaartuig op en neder plaste, Het vaartuig hield zich blijkbaar goed,
De storm verdubbelde zijn krachten, Wijl schipper Mud met mannenmoed, Bleef hulp van God en wal verwachten. De ketting brak, het schip dreef af, Een noodkreet klonk in ieders oren, De schipper dacht: Hier is ons graf, Nu zijn wij reddeloos verloren. Wijl men aan boord een noodvlag hees, Ging schipper Blom uit met gevaren, Daar men zijn koene daad steeds prees, Doorkliefde hij de woeste baren. Hij komt bij 't schip met vissersschuit, Ofschoon de storm vreeslijk woedde, Een noodkreet breekt op 't strand thans uit, O God, neem hen toch in uw hoede. De kabel breekt, de botter drijft, wordt over 't Leidam heen geslagen, Wie is er die de angs: beschrijft, Van allen die dit schouwspel zagen? Daar steekt de schuit van Lub in zee, Ook hij tracht mensen te behouden.
Maar Blom met schuit gaat koen ook mee, Wijl men aan wal hun daad beschouwde. God dank! Hun moed was niet vergeefs. Zij redden zeven thans het leven, Wijl men hun heldendaad steeds prees, Daar zij op 't werk van God steeds wezen. Enkhuizen, neen, er kleeft geen smet Meer op uw fiere stadgenoten, Was Anne Pot hier niet gered Door uwe ranke vissersboten? Aan moed ontbrak het u toch niet, Dat hebt ge duidlijk thans bewezen, Wijl Nederland u hulde biedt, Wordt uwe daad geroemd, geprezen!
(Muziek van Laurens de Rook,
uit Lemmer). FEDDE SCHURER. Een nauwkeurig
verhaal, ofte een rymgedigt over de skrikkelyke ende de
veelverslindende brant die is voorgevallen op het dorp genaamt
Colhorn. Gelegen in Noord-Holland, onder de vrije heerlijkheid van
Schagen, gepasseert in het jaar 1788 op den 15 September, naar door
en in den tijd van 5 a 6 uren 24 huizen, een Geriffemeerde kerk,
alsmede een Menoniete kerk zijn in de asse gelegd.
Jesaja, 64,
vers 11
Ons heiligh en ons heerlijk huis, daar onse vaderen
u loofden is met viere verbrandt en als onse gewenste
dingen sijn tot woestheid geworden. Hoort aan al wie gij sijt, gij jong of oud van dage Tot dichten heb ik lust, een wonder groot behage. Ik vat de penne op en vang mijn reden aan Maar dit is van geen man van veel vernuft gedaan. Maat 't geen ik dichten sal, dat is geen blijde mare Geen aangenaam verhaal, 't geen ik u sal verklare, Maar jammer, ach en wee, een droevig treurgeval, 't Is van een felle brand, daar ik van melden sal. Colhorn hiet het dorp, het legt beoosten Schagen, Daar is de brand geschied, wat wij met droefheid sagen Al in Septembermaand op den vijftienden dag De klok had nog geen vijf, maar even op het slag Doe sat ik bij mijn haart in stilheid en gedagte Ik hoord' een naar geween, een droef en jammerklagte.
Ik hoord' een geroep met ijselijk geschreij, Daar's brand, een felle brand, al in de bakkerij. Ik heb op dit geroep mij gans niet lang berade Ik quam daarbij om mee te dempen dese schade. Wij quame met de spuijt o wonder klein verstant En hebben hem geplaatst beneden wind en brand. Daar waren wij confues en stonden haast verlegen Wij hadden wind en brand en rook en alles tegen: Wij moesten achterwaarts en wijke voor de brant, De brant die had in kort, een verre overhant. De brand liep heftig voort, het brande aan bijde seije 't Liep in de windwaarts op, o ijselijke teije, Tot aan het derde huijs, dit huijs stond op de hoek Doe had de brand sijn loop, o eijselijk besoeck. Het brand' van huijs tot huijs, van woning tot aan woning So Oud als Nieuwe streek, maar laceij geen verschoning. Een eijder was bedroeft en in sijn hert verbaast, Hij wist niet wat hij deed, van droevigheijt en haast. Daar kwam tot ons hulp nog drie a vier, vijf spuijte, Sij plaatsten haar soo daar, om mee de brand te stuijte, Maar 't was alsof men spoot met olij in het vier.
Het kraakte en rammelde met eijselijk geghier Godt sta ons bij, mij mens, waar sal het nog belanden, De vlokke van dat hooij, die waaide wonder sterck En viele ijselijck, als woedend op de kerk. Doe sag men dat de kerk met brand was aangestoken Ons droef heijt scheen vers waart, ons hart dat scheen te breken Een eijder was confues, 't was niet als vuur en vlam Het was schier of de brand als uit de afgrond quam. Men most dit treurtoneel met droevig oog aanschouwe, Daar was voor ons geen kans, om dit gebouw te houwe. 't Was rondom vlam op vlam, een ijselijcke zaak, De kerk stond in een vlam, als in een winkelhaak Het dak viel van de kerk en maakte groot geklater, De glasen vielen uijt, het loot droop neer als water. De balken van 't gebouw, die viele op de gront, Het brandde alles weg, wat in de kerk stont. De kerk stont in brant, beneffens ook de toren, De klok liet ons voor 't laatst nog seven slaghen horen.
't Was of hij tot ons riep, adieu o burgerij, Gij hoort na dese nooijt een enkle slag van mij. Een nieuw metalen klok, uijt burgers kas geboren Die viel tot in de puijn, van boven uit de toren. En verder viel hij mee, aan broeken in de as, Soo dat ter van de klok niet veel te vinden was. Doe 't op zijn elfde stont, was 't akelig te aanschouwe, De kleijne kinderen, die sullen dit onthouwe, Die 't lang na dese tijd, soo hier en daar vertelt, Hoe dat ons ganse dorp met droefheid was verselt, Wat wierd er toen getorst aan huijsraad en boelasije Men bragt het hier so daar, daar men maar had ockaseije Men wierp het in de gragt, een ander op de dijk Een derde lantwaarts in of naar een and're wijk. De sloot wierd opgevult met huijsraad menigvuldig, De brand, die daar so woedt, die was zeer ongeduldig Hij nam het alles weg, het seij wat of het was Als hij 't kreeg in sijn macht, hij maakte het tot as.
Het brande Westwaarts voort, getal van negen
huijsen Dit huijs dat is van ons, door 's Heeren hand geret Wanneer daar brand op viel, het wierde haast belet. De Heere sij gedankt, gelooft en seer gepresen, Dat hier op dese buurt, een uitkomst mogte wesen En dat sij door de brand niet alle sijn vergaan, Maar datter op het end nog vijf sijn blijven staan. Een kraamvrouw op die buurt die moest met droevheijt vlugte Tot in het derde huijs, want het stond er te dughte Als dat de ganse buurt ellendig sou vergaan, Maart 't was Gods wille niet, haar huijs is blijve staan. Een andre jonge vrouw, die moest met smerte baare Wier huijs, fabriek en goed almee verbrandet waare Soo dat het op ons dorp ellendig was gestelt, Veel erger als ik schreef of heden u vermeit. Nu keer ik mij en sal de Nieuwe streek ontvouwe Wat daar al is verbrand en wat daar is benouwe. Dit was ons beste buurt, dit was ons proncsieraat, Het allerslegtste huijs, dat was een huijs in staat. Hier sijn dan mee verbrand tot elv toe gerekent, Maar 't hoekhuijs telt niet mee, dat staat al aangetekent.
Op 't laatst komt hier nog bij de Menonietekerk Een Godshuijs niet heel groot, maar tof en hegt en sterk. Daar is de brand gestuijt, Gode sij lof en ere Dat wij door Sijn goetheijt nog weer eens triumfere. Mij dagt toe dat de wind al op dat selve pas, Een weinig uijt het Oost en na het Suijden was. Daar sijnder dan na 't ent tot vijftien te behouwen. Ik wens dan dat de Here en bidde met vertrouwen Dat God het wederom aan ons nog sal versien Maar sulks of diergelijks aan ons nooit sal geschien. Hierbij dient meer geseijt, dat mocht ik niet vergete, Ons naburen rondom, die hebb' haar fraai gequete. Sij quame met haar spuijts en wonder schoon bemant Sij hadde boven ons seer ver de overhant. Van Schagen quam een spuijt, ook mee Barsingerhorn, Omdat de felle brand de mense aan doet porren. Van Winkel quam er twee, van Niedorp quam er één En veel volk mee, seer veerdigh op de been. Het Slik gaf mee syn volk, maar daar waren geen spuijte Sij quame trouwlijk op, om mee de brand te stuijte Soo dat het op het laatst aan geen bijstant ontbrak, Wij ware veel te swak om desgelijks te spuijte, Om datter doe van ons veel volk was op see
En die niet is present die kan niet helpe mee. Veel manschap haddet druk, de goedere te solveren. Een ander stont verbaast, hij kon hem niet verweren Hij wist niet wat hij doet, of wat hij doene most Hij keek rondom en liep en quam niet op sijn post. 't Is naar, 't is dubbel naar, men siet sijn goed verbrande. Een ander schaamt hem niet, hij rept gestaag sijn hande, Hij schijnt me tot behulp, hij torst gelijk de rest, Maar 't is om eigen baat, hij sleept het in sijn nest. Sie daar nu burgers, ai wat sal ik meer ontvouwe Ik kon het altemaal naukeurig niet beschouwe, Omdat ik mee mijn post getrouw moest nemen waar, Omdat er na dit al nog veel stont in gevaar. Daar leijt nu eijders huijs, sijn schuilpaats en zijn woning Nu leijt het al in puijn, o bettere vertoning. Als men het eens beschouwt, men is er van verbaast, 't Is of de vijand hier geweldig heeft geraast. Gij burgers wie gij sijt, gij die dit heeft verloren 't Is jammer om te sien, 't is droevig om te horen Komt dient u God getrouw in waarheid en in geest
Wie weet hoe dra de Heer u breuke weer geneest. Het spreekwoord seijt wel eens, na leijde komt verbleijde Indien de Heer heeft lief, die sal hij doen kastijden Gij burgers sijt getroost, dient God en hebt gedult Wie weet hoe haast u schaa zal worden ingevult. 't Is jammer, die sijn huijs en goet so moet verlate, Maar wat sal 't u o mens in 't sterfuurtje bate. Als men een korte tijd op aard in wellust leeft 't Is alles ijdelheijt, al wat de wereld geeft. 't Is hier een korte tijd, dat wij dit rijk bewone, Gods rijkdom en ons goed, dat sal ons niet verschoone. Wat baat het ons o mens, indien 't also geviel, Men won al 's werelds goed tot nadeel van sijn siel. Daarom, so late wij den Heere diene en vreesen In tijd die hier voor ons nog overig sal wesen, En bidden voor dat goet, dat God heeft weggeleit Voor 't uitverkoren volk, tot in der Eeuwigheijt. Adieu dan voor het laatst, het is genoeg geschreve Ik wens de Heere sal sijn segen hier aan geve. Ik wens een eijder mens veel segen t' aller tijt Om Christus wil en eer een salige Eeuwigheijt.
MERKWAARDIGE EN WONDERBARE REDDING VAN EEN VADER MET ZIJN TWEE
ZONEN, UIT EEN VERSCHRIKKELIJK DOODSGEVAAR OP HET IJS, in de maand
Januari 1849
Wijze: Hij die als man zijn plicht betracht. Schoon ook de hoop uw hart begeeft, Laar, vrienden, laat ze nimmer varen, Vertrouwt op Hem, die boven leeft, Wat ramp u angst of schrik moog baren! Te midden van de woeste zee, Ja op een ijsschots voortgedreven, Brengt Hij u nog op veilige ree, Wilt dus voor geen gevaren beven. Getuig het, visser, pas gered, Getuig het, Bort, met beide uw zonen, Heeft niet Gods hand uw dood belet, Bleef Hij zijn hulpe u niet tonen? Daar drijft gij heen, in woeste vaart, Een ijsschots moet een drietal dragen,
En waar uw oog ook somber staart, Geen licht van troost schijnt op te dagen. Zo gaat het veertien dagen lang, Nu hier dan daar weer heengesmeten, De doodskleur ligt reeds op uw wang, Gij schijnt van God en mens vergeten, Enkhuizen ziet uw jammeren niet, Al staart gij op de grijze toren, De wind, die uit 't Noordwesten schiet, Zal ras u in de golven smoren. De koude krimpt uw leden in, De honger knaagt en zal niet mindren, Nog denkt gij aan uw huisgezin, Uw lieve vrouw en viertal kindren; Gij ziet uw zonen wenend aan, En meerder nog dan eigen smarte, Knaagt 't leed dat zij thans ondergaan,
U aan het minnend vaderhane. Geen redding daagt, de zee staat hol, De wind giert rond en stuwt de schotsen, De sneeuwjacht stuift de ogen vol, Terwijl de golven driftig klotsen. O, zie daar ginder, ja 't is land! Maar ach, helaas, wat zal 't hen baten, 't Is Vollenhovens oeverstrand, Maar 't strand is eenzaam en verlaten. En toch daar dringt er één vooruit, O God, hij springt in 't zeenat neder, 'k Wil mensen redden, gilt hij uit, Hij zinkt en rijst en zinkt al weder; Toch naakt hij telkens meer en meer, Bereikt het ijs, beklimt het wakker, Herkent den visser van weleer, En in diens zoon een ouden makker. Een boot, met wakker volk bemand, Komt door de schotsen langzaam nader,
En voert het drietal naar het strand, Zowel de zonen als den vader; Daar pogen liefde en mensenmin Hun vreeslijk lijden te vermindren. Men draagt hun 't deftig raadhuis in, En zorgt voor hun als eigen kindren. Wij juichen u, o redders, toe, Uw daad zegt meer dan krijgsvictorie, Wij brengen vrolijk, blij te moe, Aan u, Tabois, de hoogste glorie! Maar boven alles, lof zij God! Die ook opnieuw hier heeft bewezen, Dat Hij wil waken voor ons lot, En aller Vader steeds wil wezen.

De Drommedaris.
1849 (Anoniem) DE HAERING-VISSCHERIJ.
Wat wil ik in mijn Dicht van al de kielen spreken, Die als de son den Kreeft genaekt, van strandt afsteken, Uit lust der haeringvangst, en vaeren diep in see? Wanneer men 't gaeren werpt, en vischt van stee tot stee, Als 't net den gantschen grondt der see kan overtasten. Wanneer ENKHUISEN, soo grootmagtig door haer masten, Haer Buissen, die se tot den haering uit liet reen, (Want dese sorg betreft haer boven d' andre steen) Eerst in dat groote nat heeft ledig uitgelaten, Dan krijgt se die weer t' huis met meenigte van vaten Vol visch in 't sout gepakt, en sendt s' in 't endt weer voort Op hoop van winst, naer Oost, naer West, naer Suidt en Noordt.
GEERAERDT BRANDT, naar het
Latijn van Doctor Dirk Velius. VISVANGST.
Werp nu het net in zee en gij zult vangsten
vangen, zodat de sterkste mazen scheuren in de trek. Dit noodgetij vol angsten, wonden en gebrek, Doet zelfs de grofste rovers naar het net verlangen. Wij joegen op elkaar met felle blik en bek, met onomwonden haat en weggetrokken wangen. O visser, blijf met macht aan lijn en takel hangen. Grijp snoekbaars bij de kieuw en paling in de nek. De kuipen lopen vol, de bun en ieder vat puilt van de vangst. Hoor, hoe de meeuwen krijsen. En overal licht wit de zilverende vis. Maar nu de luwe zee de veil'ge boeg omspat, laat U de ongetelde plaatsen wijzen. Hij noodt U aan de dis, die Vis en Visser is.
(Muziek van Laurens de Rook,
uit Lemmer). FEDDE SCHURER. MATTEN VLECHTEN.
Het kleine vrouwtje, rond gebukt, Het mannetje, in stoel gedrukt
Ze grijzen in het kotje; Hij rukt de biezen uit de schoof En reikt ze vrouwtje, staand' op stoof,
Zij reikt naar het schavotje. Schavotje is een hoog toestel, Daar schuift men biezen aan, op tel.
De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden. Uit geel 'en bruine biezen kan Een oude vrouw en kleine man Saamvlechten een karpetje; Hij dekt den ketting, zij den slag,
En als de avond haalt den dag,
Dan gaan zij naar hun bedje. Het bedje staat van biezen vol, Het bedje is een biezenhol.
De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden. Het bedje ligt in diepe scheur Van grijzig muurtje, bij de deur, Behangen met gordijntjes. Daarin te slapen, zijn gekromd, Totdat de nieuwe morgen komt, Twee oude menschenlijntjes. Op hunne handen, klein en teer, De biezen staan in rijpe zweer.
De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden. Van biezen stram, van biezen moe, De beide zieltjes vallen toe En worden dan begraven; Voorbij de kreek, daar wacht de hof, Waarin geborgen wordt de stof Der beide biezenslaven. Zij liggen achter biesgeruisch, Gevouwen, in hun doodenhuis.
De biezen groeien aan de kreek, In 't binnenland, de heidestreek, Nabij ons Genemuiden; Zij waaien, ongeteld en steil, Zoo maar den grond uit, tot het heil, Het heil van Genemuiden.
ABRAHAM ELIAZER VAN COLLEM, (1858-1933). DE HULLEPLOOISTER.
„Och, Kloasien ei je men ulletje kloar? „Ik moet et een Zuundag op ... „Nou is et al Pienster Zoaterdag ... „In ik brocht al een neie kop! „Doar eeuw ik et kintjen al an ezet! „Het zit al in de wiend ... „Kiek effen, of et droog'is, moat, „Dan ei je een „steëkien" verdiend! „Hoe 'n fijne gevlamde strook er an! „Kwam die nou eut Zwitserlaand? „Ja, keënd, in iel eut België „Die mooie, gele kaant! „Wij zullen um eerst nog strikken, Kee, „Dat mag jie nou eressies zien „Dan, aans, verzichtig dreien an „Je bessies plooimesien! „Wacht, éérst een stukkien kraant-papier „Want, is de bout te iet „Dan is joen hulletje verbraand „Woar ik vast omme kriet! „'t Is goed! Drei nou verzichcig roend: „Hiel langzaam-langzaam an ...
„Dan stat et as een „appeltjen", „As je et dragen, man!"
MARIAP VAN URK. DE MIST.
"Mist as roet", zo spreken vissers Klittend aan de havenkant; „As een pot" zegt blinde Jawek ... Want, hij „snijdt het" met de hand. ,,'k Zien er hielendal gien gat in", Tingeltangelt Lub van Kee... En Jan Bloemen anrwoordt daad'lijk: „Mist as Jaauwkies zwarte thee!" „'t Novert glad niet, 't blift maar dikke" „'t Is een eidoopsausien, Jan, Oppert nu het „Keukediefien" Tegen Kloas van Piet „Plak-an!" Mit een prumpien in de wange Mummelt Willem „Domenei" ... „Mistig, minsen, as de aarde In zo vast as bollenbrei". „Zou de boot nog arrevieren Eut et Keuzer Krabbersgat?" „Nou, ik oor et kissien toeten: „Oe dat dreijt al, oor je dat? Ieder raadt op eigen houtje Naar de dikte van de mist...
Dat de boot allang gemeerd ligt... Is te danken... aan... de „kist"!
MARIAP VAN URK. DE DIJK.
De dijk ligt tusschen 't land en 't water
met palen en bazalt. Hier ligt hij nu, hier ligt hij later,
totdat de aarde valt. Hij heeft de zee het land ontstolen:
haal op, haal op die hei!,
gespoten tongen, vette zooien, gewasschen in de klei. Hij is gestegen uit de vloeden
met norsche langzaamheid,
hij is tot schutten en tot hoeden,
tot worstelen bereid. Vooraan, waar d'elementen woelen,
de schelle noodhoorn schalt,
schijnt hij voorwereldlijk te stoelen
en 't water, dat vervalt
van stortzee tot de drift van kolken,
maar nimmer overmocht,
moet waaiers vouwen naar de wolken
van zilt en glinsterend vocht. De golven mogen rijzen, dalen,
hij heeft ze steeds geveld.
De dijk zal nimmer, nimmer falen
bij water en geweld. Hij ligt er met zijn taaie wieren
gelijk een donker dier,
de wind kan langs zijn flanken gieren
of fluiten in een kier,
hij kan in grondzee onderduiken,
gekranst met lillend schuim,
geen kracht kan déze kracht verbruiken,
hij staat er groot en ruim! Hardnekkig is de mensch geschapen,
hoe zwak zijn lichaam schijnt. Onsterfelijkheid gaf hem tot wapen
den geest, die niet verdwijnt. Die geest is nimmer te beperken,
die geest zal, recht en slecht,
in menschen gansch opnieuw gaan werken
als men hem heeft geknecht. De dijk, die rijzend uit ons leven,
de zee het land ontsteelt,
is van dat onophoudlijk streven
het eeuwig zinnebeeld. Want wat ons altijd wil verslinden
bedwingt hij vroom en vroed,
gevaar en chaos kan hij binden
als dieren voor zijn voet.
JAN ENGELMAN, (Geb. 1900). AFSLUITDIJK.
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht. Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen. Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken Zo drijft folklore, op wieken van de winden
Naar Elburg, Harderwijk en Durgerdam: Zo zullen wij te Hindeloopen
vinden. Wat eerder ons, in Schokland tegenkwam. Daar is een schoon en sierlijk snoer geweven Van goud doorvlochten en zo rijk aan kleur, Dat het ons samenbindt in eender leven: 't Juweel omvattend, naar gemerkte keur. Dus treden w'aan, de kind'ren met de ouders En zullen onze klompenroffel slaan! Wij willen niet, nog vierkant in de schouders,
Gelijk een vis, geruisloos ondergaan! Al voelen w'ons, 'lijk een gevilde paling Die, ij'vrig nog, in d'eigen bloedplas zwemt, Rondwent'lend in steeds driester, doller maling, Zo droef onttroond, zó naakt en onbestemd, Of als een vis, al spart'lend op het droge, Krimpbekkend zich nog voedt met ijle lucht, Zè staan ook wij, ontmanteld en onttogen Ons voedend met belofte en gerucht!!! Zal men, zo vragen wij, aan onze eisen Gehorig zijn in 't nieuwe jaarseizoen? Of zal men vissers slechts den polder wijzen?? Hun fiere zonen straks op sluizen doen?? Wij weten niet!! Doch ziet gij, op een bankje, Een Afgevloeide, als Wrakhout aangespoeld, Breng hem een éérsaluut, en prevel zacht ik dank je!! Hij heeft Gods Adem op de Zee doorvoeld.
MARIAP VAN URK. DONDERDAG 17 OKTOBER 1957.
Burgers van ons dierbaar eiland, Die deez' dag nog medemaakt, Grote dag van vreugd en weemoed, Wat ons allen zeker raakt, Dit eiland van weleer, Dat eiland is geen eiland meer. 'k Geef toe het doet ietwat weemoedig aan Dit einde van ons eilandbestaan. Dit eiland van Gijsbrechts en Marieëngaarders, Dit eiland van Groenlands en buisevaarders, Dit eiland van waterschepen en botters, Dit eiland van loggers, jollen en kotters, Dit eiland van hooi en het eiland van gras, Dat duizend jaren een eiland was, Dat eeuwenoud eiland van weleer, Dat eiland is nu geen eiland meer, Het „gij op" en „'t gij neer" is nu verdwenen, Het „hale me zale" is ook henen, We varen en zeilen niet langer naar zee, 't Is alles veranderd en wij verand'ren mee. We varen en zeilen nimmer weer Doordat Zuiderzee werd IJsselmeer. Eeuwenlang gold voor Marken de leuze:
„Noorden uit, Zuiden thuis, Dat is de weg van botter en buis". Voor ons, van vandaag af, een andere keuze, Want botter en buis, zij zijn verdwenen; Maar Markers blijven en gaan niet henen, We zoeken niet balorig een andere roete, Al wilden we 't niet, we zullen 't wel moete. We zoeken ons brood aan 't vaste land, Langs een stevigen dijk naar de overkant. Dus vrienden van Marken, 't klinkt misschien ongehoord, Maar we gooien die oude leus overboord. We verand'ren van koers: Noorden worde nu Zuid, en Zuiden wordt Noord wat onze klok luidt. Het oude is voorbij, we gaan Zuiden over 't Kruis, Koers Noorden terug naar ons veilig tehuis. En na jaar en dag moge 't altoos dan wezen, Een andere koers als het was voor deze, We blijven Marken trouw wat toekomst ook geve, Wij blijven het trouw opdat „Marken leve".
C. KES (Fragment van de Rede in dichtvorm, gehouden door wethouder
C. Kes, tijdens de lunch, aangeboden door het gemeentebestuur van
Marken, ter gelegenheid van de definitieve sluiting van de
verbindingsweg Marken-de Nes, op donderdag 17 oktober 1957).
NOORD-OOSTPOLDER.
Toen d'aarde bloot kwam, druipend van het water,
was het een scheppingsdag, waarop Gods hand
de stromen scheidde van het slijm'rig land,
dat rilde van verwachting. Verlatener
dan ooit ligt Schokland, walvis op het strand;
de lip lubt om 't gebit der palissade,
harpoenen in de rug (bomen ter kade),
de flanken aangevreten en ontmand. En uitgeloerde boeren, strak de monden,
trekken met paard en ploegschaar in de stand,
de voren als een waaier door de gronden,
delvend het wrak uit zavel en uit zand,
waar eens de golven tegen 't leven stonden
van ploegers met de helmstok in de hand. |