Molkwerum.
Het eeuwenoude dorp Molkwerum ligt aan het IJsselmeer, tussen de Friese Elfsteden Hindeloopen en Stavoren in. Zo heeft het een ruime geschiedenis, waarvan het accent ligt in de zestiende en zeventiende eeuw. MOLKWERUM, Molquerum of Molkeren, volgens sommigen eigenlijk Munnikenwierum en van ouds ook Moqueëren geheeten, vl., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindelopen. Naar men wil, zoude de naam eigenlijk zijn: Molkwerren, dat zooveel gezegd is, als Melkweren, of waterachtige streken lands, geschikt om melkvee op te weiden. Het was voorheen het grootste d. der geheele griet., doch in de laatste jaren zijn er vele huizen afgebroken. Thans telt men er nog ongeveer 300 inw. Wat dit vlek zonderling maakt, is de wonderlijke plaatsing der huizen, die niet in regt doorgaande rijen naast elkander staan, maar zeer verward, het een achter het ander, zoodat de tusschen loopende straten of stegen veel overeenkomst met eenen doolhof hebben, gelijk het ook, om die reden, de Friesche doolhof genoemd wordt. Deze verwarring wordt aanmerkelijk vermeerderd, ter oorzake der doorloopende wateren, waardoor dit vlek in zeven kleine eilanden afgedeeld is. Deze eilandjes zijn bekend bij de zonderlinge namen van Kerkpolle, Aestrik, Westrik, Hindepolle, Kattepolle, Achthuizer-polle en Grinzerpolle. Ook is het van buiten met een gracht omgeven, over welke onderscheidene bruggen liggen, die den toegang daartoe open stellen. Aangezien, uit hoofd van deze verwarde plaatsing, iemand, die te Molkwerum gelogeerd is, wanneer hij buiten het vlek gaat, het huis, waarin hij zijn intrek heeft, bezwaarlijk weder vinden kan, noch het hem, door benoeming van eenige straat, kan worden aangewezen, zoo zag men vroeger, aan de ingangen doorgaans jongens, die zig aanboden, om zich voor wegwijzers te laten gebruiken. Van daar heeft dit Molkwerum gelegenheid gegeven, om van zekere zaken, die verward gesteld zijn of verward en zonder orde worden uitgevoerd, te zeggen: dit is of dat gaat op zijn Molkwerums; gelijk ook eene manier van dammen, waarin de schijven, niet alleen in eene schuinsche rigting, maar ook regts en links, alsmede naar boven en naar beneden slaan, hetgeen het aanzien van een verward dammen geeft, Molkwerums-dammen genoemd wordt. Had dit vlek vroeger veel bijzonders in de schikking zijner huizen, de bewoners verschillen ruim zoo zeer van de overige Friezen in kleeding en taal, beide nog zoodanig naar de oude Friesche zweemen, dat zij door hunne kleeding aanstonds kenbaar, en door hunne taal onverstaanbaar zijn voor allen, die zich niet bijzonder op de kennis daarvan hebben toegelegd. met die van Hindeloopen komen zij in beide opzigten wel het meest overeen, ofschoon er ook nog al merkbaar onderscheid tusschen beide plaats heeft. Toen de scheepvaart hier nog bloeide, kon men somtijds huis aan huis gaan, zonder mannen, tenzij grijsaards, aan te treffen. Thans is Molkwerum eene zeer vervallene armoedige buurtschap, waarvan de smalle stegen tusschen heggen en onbehuisde heemsteden groen, met gras en ruigte zijn begroeid, waar tusschen scherphoekige en onregelmatige steenbrokken en puin opschieten. De inwoners bestaan meerendeels uit daglooners, en vinden hun bestaan voornamelijk in de koemelkerij. Het vlek ligt binnendijks en als op een schiereiland, dat door de Zuiderzee, een bedijkt en twee onbedijkte meren gevormd wordt. Van den zeedijk loopt, over gevaarlijke bruggetjes, zonder leuningen, een slecht onderhouden weg door het weiland. De Hervormden, die er 220 in getal zijn, onder welke 50 Ledematen, maken eene gemeente uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort. Molkwerum is tot in 1600 bediend door Gerhard Vocking, Predikant te Hindelopen. In 1601 is het gevoegd bij Warns-en-Scharl, waarvan het afgescheiden is in 1610, en heeft daarom voor het eerst een eigen Predikant bekomen in Julius Atzonis. Men had hier vroeger kerk en toren, doch daarover is naderhand groot verschil gerezen, en de kerk wegens schulden verkocht geworden, zoodat thans alleen de kleine stompe toren op het kerkhof staat, waarom de Hervormden alhier hunne godsdienstoefeningen houden in een daartoe ingerigt gebouw, aan de gemeente afgestaan door zeker voornaam inwoner, met name Albert Heijes, en den 1 September 1799 plegtig ingewijd door den Predikant Hans Willem Cornelis Anne Visser, toen te Warns, daarna te Ysbrechtum. De Doopsgezinden, van welke men er ongeveer 70 telt, maken met die van eenige uit den omtrek eene gemeente uit, welke 150 zielen, telt. Deze gemeente heeft eene kleine, doch nette kerk, zonder toren of orgel, doch geen eigen Predikant, wordende de dienst daarin waargenomen door den Predikant van Hindeloopen. De 2 Evangelisch-Lutherschen, welke er wonen, behooren tot de gemeente van Workum. - De 11 Roomsch-Katholijken, welke men er aantreft, worden tot de stat van Bakhuizen gerekend. De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht. De kermis valt in op Paasch-Dinsdag. Toen Stavoren, in het jaar 1400, in de magt der Hollanders was, hadden de Friezen hier eene schans, welke van eene sterke bezetting voorzien was, Walraven van Brederode, die in Stavoren bevel voerde, maakte eenen aanslag om die versterking te verrassen. Hij bestormde de werken met groote dapperheid, waartegen de Friezen zich met geene mindere kloekmoedigheid verweerden. De aanvallers verloren veel volk. Brederode, zwaar gewond, werd door de Friezen gevangen genomen, maar ontsnapte eerlang zijne wachters, en kwam weder binnen Stavoren. Molkwerum had een omvangrijke vissersvloot, een eigen zee-haven in de Zuiderzee en Molkwerum had een eigen sluis om in het veilge binnenwater te kunnen komen. In de hoogtijdagen had Molkwerum zelfs een eigen kantoor in Amsterdam om Molkwerum te vertegenwoordigen. MOLKWERUMER-VAART of Molquerumer-Vaart, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat te Molkwerum een begin neemt, en met eene kronkelende, noordwestelijke rigting, naar Stavoren loopt. MOLKWERUMER-ZIJL (DE) of de Molquerumer-Zijl, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 1/4 u. N. van Molkwerum. Deze sluis kan niet door groote schepen gebruikt worden, maar heeft veel toevloed van binnenwater uit de menigvuldige meren en waterplassen van de grietenij Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Het vlek Molkwerum heeft echter den last van de zijl voor zich in het bijzonder, waarover de ingezetenen, niet zonder reden, meermalen hebben geklaagd, van meening zijnde, dat de belasting zich even ver behoorde uit te strekken, als de uitwatering, welke door deze zijl in het bijzonder geschiedt. In het begin der vorgie eeuw was de zijl toegedamd; maar Gedeputeerde Staten der provincie Friesland, beseffende het nadeel, hetwelk hierdoor veroorzaakt werd, gaven bevel aan de zijlpligtigen van deze plaats, om dien weder open en gangbaar te maken. Die van Molkwerum gaven daarop een verzoekschrift over aan de Staten des Lands, begeerende van dien last bevrijd te wezen, doch daarop volgde niets anders, dan dat de Heeren van het mindergetal, door de Staten gelast werden, om met die van het collegie nader aangaande dit stuk in overweging te treden, wordende den verzoekers inmiddels bevolen, waarop zij hun verzoek grondden. De zijl is sedert op kosten van de ingezetenen geopend, en zij zijn naderhand verpligt geworden, eene som van 2200 guld., door het land daartoe verschoten, terug te geven, doch konden volstaan met de betaling in drie jaarlijksche termijnen in 1718, 1719 en 1720, en, in plaats van geld, met Landschaps obligatien volgens staatsbesluit van 30 April 1718. Wordende vervolgens het onderhoud van de zijl, bij besluit van 31 Mei 1721, als van ouds, ten laste van de gezamenlijke ingezetenen van Molkwerum gelaten. Proeve van den tongval van het dorp Molkwerum, achttiende eeuw.Onder de oude zuidhoeksche friesche tongvallen was vooral ook, nevens het Hindeloopersch, de tongval van het dorp Molkwerum (friesch: Molkwarren) zeer bijzonder, even als ook dit dorp, wat de kleeding en de zeden der bewoners aangaat, oudtijds en nog in de vorige eeuw zich scherp van het overige Friesland afzonderde en onderscheidde. En even als de Molkwerummer kleederdracht en de Molkwerummer zeden de meeste overeenkomst hadden met de Hindelooper kleeding en gebruiken, zoo was ook de Molkwerummer tongval het naaste verwant aan het Hindelooper dialect. Beide plaatsen genoten in den zelfden tijd een hoogen trap van bloei en welvaart door zeevaart en handel. In het laatst van de zeventiende eeuw lagen er soms veertig of vijftig Molkwerummer schepen, die allen een zwaantje (het wapen van Molkwerum) in de witte baan van hun vlaggen voerden, te Amsterdam in het Damrak. Deze schepen voerden granen uit de Oostzee naar Holland. Als een bewijs van den bloei van Molkwerum in die dagen kan ook nog dienen dat er toen ook een boekdrukkerij was. Maar beide plaatsen zijn heden ten dage deerlijk vervallen en bijna al het eigenaardige dat aan den goeden ouden tijd, aan de dagen van voorspoed en weelde zou kunnen herinneren, is er verdwenen. Te Hindeloopen is ten minste nog de eigene tongval in wezen gebleven; maar te Molkwerum is ook de eigenaardige tongval verdwenen. Tegenwoordig spreekt men te Molkwerum de gewone friesche landtaal, maar nog sterk met den zuidhoekschen tongslag (accent); echte oude Molkwerummer woorden komen er evenwel uiterst schaars en hoe langer hoe minder in voor. Het oude Molkwerumsch was zeer zuiver friesch en stond, even als het Hindeloopersch, nader aan de oorspronkelijke friesche stamtaal dan het gewone friesch. Het dorp Molkwerum, oudtijds het friesche doolhof bijgenoemd, was op zeven verschillende kleine eilandjes of pollen gebouwd, die ten deele nog bestaan. Volgens Dr. J.H. Halbertsma.
De Kerk te Molkwerum in 1373.
Het heksenhol Molkwerum. Bij Molkwerum woonde een boer die geen zin kon zeggen zonder minstens één keer te vloeken. Nou ja, één keer: vaak vloog de ene verwensing na de andere over zijn lippen. Dat was niet altijd zo geweest. De man was als jonge, levenslustige knaap met een even mooie als vrome meid getrouwd. Het ging het stel voor de wind en ze kregen vijf knappe dochters. Toen sloeg het noodlot toe. Een ziekte trof het vee; de veearts stond machteloos en in een mum van tijd waren alle dieren dood. Daarop volgde misoogst na misoogst. De eens zo vrolijke knaap versomberde snel. Zijn vrouw zocht haar toevlucht in het geloof en bad als nooit tevoren. Regelmatig smeekte ze haar man dan ook om zijn verwensingen en vloeken achterwege te laten. Zonder resultaat, de boer ging steeds meer tekeer.
Zijn vrouw was niet bestand tegen zoveel
godslasterlijke taal. Op een dag verdween ze. De boer liet de hele
omgeving afzoeken, maar ze werd niet gevonden. Men vond wel haar kleren
aan de voet van de Zuiderzeedijk. Voor de dorpelingen stond vast dat de
vrouw zich had verdronken om zo verlost te zijn van het gevloek van haar
man.
De jaren verstreken en de boer zag met
lede ogen aan hoe zijn dochters het gedrag van hun moeder overnamen.
Geld had voor hen geen waarde, aan werken wilden ze hun tijd niet
verdoen en hun grootste lust was het jongens te verleiden om ze
vervolgens in de steek te laten. Als hij daar met zijn vrouw over sprak,
zei ze lachend dat hij zich om niets druk maakte. En als het gesprek
haar te lang duurde, kroop ze op zijn schoot om hem met liefkozingen het
zwijgen op te leggen.
Het was de inwoners van Molkwerum al snel
duidelijk hoe het in elkaar zat. Jarenlang had de boer samengeleefd met
de duivel, die zich vermomd had als zijn vrouw. De echte vrouw had zich
natuurlijk destijds verdronken en de duivel had daarvan geprofiteerd.
Hij had er alles aan gedaan om het hele gezin mee te sleuren in het
kwaad, en dat was hem aardig gelukt. De vijf dochters groeiden op als
echte heksen die veel leed over Molkwerum brachten. En alsof dat nog
niet genoeg was, baarde elk van hen ook weer vijf dochters, die allemaal
heksen werden. Hans Petermeijer.
70-jarig jubileum IJsclub Molkwerum. LC-1941-01-10. Men schrijft ons uit Molkwerum.
Dezer dagen herdacht de ijsclub Molkwerum haar
zeventigjarig bestaan. Lag het eerst in de bedoeling om aan dit feit een
meer feestelijke herdenking te verbinden in verband met de
tijdsomstandigheden besloot men dit achterwege te laten blijven tot het
vijf en zeventigjarig bestaan. Toen wij dezer
dagen de notulen eens ter inzage kregen hebben wij deze met aandacht
gelezen. Bijna geen club zouden wij haast durven beweren die zoo goed
alles tot in de puntjes bewaarde al ontbreken de noteeringen der eerste
hardrijderijen. In den winter Ging het de club in de eerste jaren aardig goed ook heeft zij haar jaren van terugslag en weinig belangstelling gekend. Zoo vonden wij vermeld dat in de jaren 1882 ’85 er slechts een ledental was van 37 doch bovendien dar er slechts zeven personen ter vergadering verschenen. Toch hield het bestuur den moed er in en ging steeds op den ingeslagen weg voort. Wat het gemeentebestuur aangaat ook dit werkte bijna steeds mee. Zelfs vonden wij vermeld dat in 1882 bij een hardrijderij de gemeente ter opluistering een trom ter beschikking stelde. In den winter van 1890 werden voor de club nogal belangrijke besluiten genomen. Besloten werd n.l. dat de baan in het vervolg door de leden in orde zou worden gebracht doch bovendien dat in het vervolg de rijderijen naast bekendmaking door aanplakken ook in de krant bekend zouden worden gemaakt iets wat voor dien tijd zeker niet onbelangrijk was. Wij zien dus dat Molkwerum wel met den tijd mee wilde. Ook wat de banen aangaat kan Molkwerum meestal goed meekomen. Trouwens hiervoor is de baancommissaris de heer G. T. Franckena wel de rechte man op de rechte plaats. Wat het uitloven van prijzen aangaat ook op dit stuk van zaken kan men in deze omgeving met Molkwerum rekening houden. De club ziet er heusch geen bezwaar in om eens flink uit den hoek te komen waardoor er dan ook dikwijls het puikje van de rijders of rijdsters aan den start verschijnt en de banen dan ook meestal goed met publiek bezet zijn.
Het bestuur der jubileerende ijsclub v.l.n.r. Tj. Sonsma, M. de Jong, A. Polma, voorzitter P. vd. Ploeg, penningmeester G. Tj. Franckena, baancommissaris J. van der Meer en F. Visser secretaris.
LC-1951-09-29. Zeldenrust de laatste visser van Molkwerum.
Wanneer de zestigjarige visser Auke "Zeldenrust
in de verzande haven van Molkwerum naar zijn punter kijkt dan wellen bij
hem onwillekeurig gedachten op aan de tijd toen hij nog niet de enige
overgebleven visser van dit Friese havenplaatsje tussen Hindeloopen
Van de tientallen Molkwerumer vissers is de heer Auke Zeldenrust sedert 1936 de enige overgeblevene Waar hij nu staat deinden voor jaren de kielen van vele schepen nu groeit er in de vergane haven een braamstruik.
LC-1953-05-20. Het oude Molkwerum is een cartografische puzzle. Iedere 'pôlle' had een eigen dialect.
Het Friesche Doolhof het beruchte Dorp
Molk -warren in Friesland in de Griettenije van Heemelumer Olde- Ferd
tusschen Staveren en Hindeloopen. Gemeeten en Geteekend 1718 door Joh
Hilarides Rector Scholar te Bolsward, staat op de bekende kaart die
Johannes Hilarides van 1671 tot 1682 rector aan de Latijnse school te
Hindeloopen op koper graveerde. ?'Indomita tentat' staat er nog bij en
met dit opschrift is het Molkwerum van enkele eeuwen geleden ten voeten
uit getekend. Het grootste dorp van Friesland gebouwd op zeven door
sloten van elkaar gescheiden pollen zonder wegen of straten en
bestaande uit tientallen kris-kras door elkaar gebouwde huizen. Een waar
doolhof dat door z’n vorm in de Zuidwesthoek sterk uit de toon viel. Het
is te begrijpen dat Hilarides Indomita tentat op de kaart schreef
want niemand voor hem zal de moed hebben kunnen verzamelen deze
cartografische puzzle op te lossen. Eal-lylle-bortlyck.
Niet alleen de bouw ook de taal van
Molkwerum trok al vroeg de aandacht. Johannes Hilarides (Johannes
Hilarides (1649-1725) was een onderwijsman,
een classicus en pedagoog, die zich interesseerde voor de geschiedenis,
voor dialecten)
'dien Molquerens gast' wilde eens
uitvissen of ze hem voor een vreemdeling zouden houden. Naar men zegt
bleek slechts uit één woord dat hij een Hindelooper was. Ynn’ tuwl wraegselje selje yn ’t snaep-snobjen in yn it eallyllebortlyck lyllebortlyck stoeijen hyeneje har formeits in hjar noalk. Dit is in gewoon Fries; Yn liddich rinnen hjir en dêr to snobjen en sa’n bytsje om to stoeijen hiene hja har formeits en nocht. Wel een verschil. Ook het 'Onze Vader' van de predikant Johannes Noordbeek (1730) is een uitstekend voorbeeld. Volgens dr. J. H. Halbertsma sprak men op iedere pôlle ’n eigen dialect. De verschillen waren wel niet zo groot maar toch kon men aan de spraak merken uit welk gedeelte van Molkwerum eenbepaalde persoon kwam. Swantsje yn swart.
Op dezelfde kaart van Hilarides staat ook
het dorpswapen van Molkwerum. Een witte zwaan op een zwart schild. In
een oude steen in een splinternieuwe gevel van een huis aan de rand van
het dorp is hetzelfde wapen gebeiteld "Die Godt vertrowt Had wol gebowt
1591" staat erbij. Dit klinkt heel anders dan het bekende rijmpje "Flokken
en swarren dat is it wapen fan Molkwarren"
Kaart van Hilarides.
De oude gevelsteen met het wapen van Molkwerum.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|