Hindelopen.

 

| 1 | 2 |

 

 

De oudste kern van Hindeloopen.

S. J. v.d. Molen.

Op grond van het feit dat het Hindeloper boeren synoniem is met het Friese buorren wat in het algemeen de kern of kom van een dorp dus het oudste gedeelte aanduidt moet de dus geheten straat het begin zijn geweest van het dorp Hintinloufa. Deze buurt lag ingesloten tussen twee parallel lopende grachten waarvan de Zuidelijke de tegenwoordige Houswiken was en de Noordelijke met het aan de zeezijde gelegen terrein in de golven is verdwenen. Een stuk van deze gracht was in 1664 en ook in 1718 (atlas van Schotanus) nog aanwezig. De aan het water gelegen kade heet op de kaart van 1664 Oor-ig. Als dit betekent de andere oever of wal moet de naam van de Boeren uit zijn gegeven. Het Aardrijkskundig Woordenboek boek van Van der Aa spreekt evenwel van Noord-Eg welke naam zich zeer goed laat verbinden met het tegenwoordige Aest en het voormalige West (in de buurt van de Serkstrete). De naam Toenen (Tuinen voor de Zuidelijk) van de Houswiken lopende straat wijst op open terrein zonder huizen. Inderdaad geeft de kaart van 1558 hier slecht twee rijtjes huizen aan terwijl het genoemde werk van Van der Aa weet te vertellen dat deze Toenen (tuinen) eertijds gebruikt werden om er Keukenvruchten te zaaien en te planten. Zo beschouwd was het begin van Hindeloopen een typisch streekdorp bestaande uit een dubbele rii huizen langs een straat of weg aan het einde waarvan de kerk verrees. Van dit type zijn op de Friese zandgrond meer parallellen uit ongetwijfeld oude tijd te vinden dan op de klei en in het waterland, waar streekdorpen als Follega eerst uit de middeleeuwen dateren verband houden met kolonisatie van de klei uit die tijd.
Dat het type als zodanig van zeer oude datum is bewijzen de Jutse streekdorpen te Mariesminde Vestervig Tolscrup Ginderup en österbölle die blijkens opgravingen uit de tijd van 800 tot 500 v Chr dateren. Ook de in Sutton Courtenay (Engeland) opgegraven hutkommen van Angelsaksische immigranten waren in een rechte streek naast elkaar gebouwd

Afslag en aanwinst.

Onze conclusie dat een belangrijk deel van de stad na 1718 in de golven verdwenen moet zijn is nogal sensationeel en niet zo gemakkelijk te aanvaarden. Toch zijn er voldoende gegevens te vinden die wijzen op ernstig grondverlies aan Noord- en Westkant. De belangrijkste getuige vormt de Tegenwoordige Staat (1787) welke vertelt dat in het begin van de 18de eeuw het aantal huizen 531 bedroeg doch dat dit aantal inmiddels met 78 verminderd is  omdat sedert eenige jaaren en wel inzonderheid aan den Zeekant veele zijn weggebroken die door ’t oversmijten der Zeegolven zo veel te lijden hadden dat de eigenaren genoodzaakt wierden dezelve te verlaaten.
De reden hiervan is te vinden in het hooger rijzen van het Zeewater dewyl de tijen nu hooger loopen dan wel voorheen gelyk ten jaere 1774 duidelijk is ontdekt, dewyl men toen den Zeedijk op ’t West der Stad meer binnenwaards leggende heeft bevonden dat de huizen tegen de Zee niet alleen hebben aangestaan, maar ook dat de vloeren bijna zo laag in den grond lagen als tegenwoordig de grond der Zee is, zijnde er onder anderen twee huizen voor den dag gekomen het eene van roode en het andere van witte steen gebouwd welker haardsteden of dobben nog met zuivere asch en de kamers met vloeren voorzien waren, doch welke huizen naar de tegenwoordige hoogte der Dijken wel 12 voet beneden den kruin der Zeedijken hebben gestaan.
Dat de zee ook aan de Oostkant de stad bedreigde bewijst de mededeling in hetzelfde werk dat in 1775 en 1776 de ..vloeden der Zee zo hoog liepen dat molen en molenaarshuisje op het Oost zozeer gevaar liepen dat men beide moest verplaatsen.
In deze jaren moet de bedreiging van de stad bijzonder ernstig zijn geweest.
Roosjen en Kroese berichten dat voor 1788 de ganse Weverstraat bewesten de kerk was afgebroken. Deze Weverstraat komt op de kaart van 1558 al voor en telde op de kaart van 1665 ongeveer dertig huizen. Zij ligt nu al bijna twee eeuwen met de toenmaals  vooruitspringende  landpunt in zee.
Tegenover dit landverlies staat de uitbreiding van de stad in de bloeitijd. De Litse Krunnyk in 1678 te Leeuwarden uitgegeven bericht; 1614 waard Hynlenpen uitleid en de huizsteen op de Aaldweide ferkaaipe. En: 1642 waard de stee weer uit leid er do huissteen oppe Nyjestee en Nyje waarden forkaaipe. Dit is de uitbreiding die goeddeels buiten de Svlroede plaatsvond.
Tussen 1558 en 1665 moet er aan de Oostkant een stuk grond aan de zee zijn ontwoekerd. In die tijd zijn ook de LikjWiken en de Aesterfae(r)t gegraven die in 1558 bij wijze van spreken nog in zee lagen. Zo is de nederzettingsgeschiedenis van Hindeloopen zeer bewogen geweest waarmede de rustige rust der 19de en 20ste eeuw wel sterk contracteert.
 

In 1950, tussen Boeren en Toenen loopt de Houswiken tussen Toenen en Niiste de Sijlroede, langs de Westerdijk de Westerfaert en van de Sijlroede voorbij de Meenskerwiken de Aesterfae(r)t. De straat tussen de Boeren en Toenen is de Sierke steager, die tussen Toenen en Niiste de Skoelesteager. het kruisje geeft de plaats van de Grate Serke aan. Van de kerk naar het Zuiden loopt parallel met de Westerdijk de Nije Wie.

 

Zo zagen de oude Hindelooper schippers die uit Noorwegen of de Oostzeelanden huiswaarts voeren hun stad uit zee oprijzen. Deze plaat uit Schotanus atlas (1664) toont duidelijk dat Hindeloopen z’n gezicht naar zee gekeerd had. Dat karakter ging in de loop der eeuwen verloren maar nog kan men constateren dat de landzijde eigenlijk maar de achterkant van het stadje is.

 

Plattegrond van Hindelopen uit de atlas van Schotanus 1664.

 

Hindelopen in de 18e eeuw (zeezijde)

 

Hindelopen in de 18e eeuw (landzijde)

 

Met dergelijke schepen fluiten noemde men ze bevoeren de Hindeloopers de zeeën in vroeger eeuwen.
Dit is het laatste Hindelooper fluitschip uit de achttiende eeuw de "Vrede en Vrijheid".

 

De aanblik van de eerste Friesche stad is niet uitlokkend, men kan zich nauwelijks voorstellen, dat dit weleer een bloeiende zeehaven is geweest die reeds in 1368 tot het Hanzeverbond behoorde, waar in 1615 over de honderd grootschippers woonden, die handel dreven op Noorwegen. Indië en elders en daar een veilige reê vonden en kostelijke haven; dat de kerk die nu daar zoo eenzaam ligt aan 't einde van 't stadje, vroeger op een plein lag, terwijl gansche straten zich uitstrekten naar de zeezijde, waar nu langs de breede dijkhelling niets dan weide te zien is. Werkelijk is Hindeloopen eene stad van beteekenis geweest die in de zeventiende en achttiende eeuw haar hoogste toppunt van bloei heeft bereikt, doch na 1780 is door den oorlog met Engeland èn door de omwenteling in ons eigen land de handel gaan kwijnen en eindelijk geheel vervallen. Wel komen uit Hindeloopen nog altijd onderscheiden koene zeelieden voor de groote vaart, doch in het stadje zelf is geen handel meer en leven velen slechts van vischvangst, waarvan de opbrengst in den omtrek gretige koopers vindt. Bovenal echter belangrijk is het eigenaardige dat de Hindeloopere gekenmerkt heeft in kleederdracht en huisraad, in zeden en gewoonten. Eene merkwaardige proeve van de inrichting hunner huizen is te zien in eene kamer in ouden stijl die nog aanwezig is, terwijl ook nog menige gevel op den vroegeren bouwstijl wijst. Vooral aan de kleederdracht en wel bij uitnemendheid der vrouwen, werd door deze veel zorg besteed.
Reeds spoedig na de geboorte werd het kind grootendeels als ingemuurd met overvloedig stiksel bezet wit en bont goed.
Voor het meisje, de bruid, de getrouwde vrouw bestond een afzonderlijke tooi. Van den zwaren tot den lichten rouw waren verschillende graden. Vooral het Oost-Indisch bont was geliefd, waarvan men in het Friesche kabinet van oudheden te Leeuwarden een staalboek vindt met 82 soorten. Ook bij de meubels, klaptafels, lessenaars enz. was het veelverwige geliefd.
Van dit alles zijn in Hindeloopen nog eenige overblijfselen aanwezig, doch het meeste is verspreid in de provincie en elders. Nergens is een bepaalde type zoo uitgewerkt en zoolang bewaard als hier.

 

Het priksledefeest, Hindeloopen.

 

Koning Albert van Zweden heeft 25 juli 1368 aan de inwoners van Staveren en Hindelopen zeer belangrijke handelsvoorrechten verleend. Zij mochten varen in 't Eijk van Denemarken en Schoonen en daar koopmansschap doen zonder hinder. Zij kregen de zeestraat vrij, om zelf alle zeevondsten te bergen en waar nodig werkvolk te winnen. Ook individueel wisten Hindeloper grootschippers aanzienlijke handelsvoorrechten van vreemde vorsten te krijgen. Bekend is het verhaal van Auke Wijbes (Wybes), die als eerste buitenlander, in het najaar van 1703 met zijn fluitschip de Newa opvoer naar het toen nog in aanbouw zijnde Sint-Petersburg. Czaar Peter in eigen persoon loodste zijn schip over de zandbanken en noode hem aan zijn dis, zonder dat de schipper aanvankelijk vermoede wie zijn hoge gastheer was. De vorst overlaadde hem geschenken en verleende hem belangrijke privilegiën voor zijn schip, dat nadien de naam Sint-Petersburg zou dragen. Verder kreeg hij bij elk volgend bezoek geschenken én voorrang om in de haven het eerst geholpen te worden, wat een hoop tijdwinst opleverde. Een recht overigens, dat daarna zijn zoon en vervolgens zijn kleinzoon Peter - die naar de Tsaar vernoemd was - erfden. Toen de laatste genoeg meende verdiend te hebben en het varen er aan gaf heeft hij het schip waarvoor dit privilege gold, de ''St. Petersburg'', niet verkocht, maar laten slopen, omdat hij het niet netjes vond om ook anderen in de aan de familie geschonken privilegiën te doen delen.

Het grootste deel van het jaar bracht bijna geheel de mannelijke bevolking op zee door. Zelfs de burgemeesters waren in de regel tevens zeelieden, zodat herhaaldelijk de moeilijkheid dreigde dat in het naderende voorjaar de stad tijdelijk burgemeesterloos zou zijn. Tegen het einde van februari begon de uittocht naar Amsterdam waar de contracten afgesloten en de schepen reisklaar werden gemaakt. Bij het uitvaren werd eerst weer Hindelopen aangedaan van waar met kagen en tjalken de scheepsvictualiën aan boord werden gebracht. Na hun mannen op deze mee of overbrengers een eind weegs te hebben begeleid, keerden de vrouwen naar de stad terug. Zij hadden intussen van haar echtegenoten  en zoons de zorg overgenomen voor de paar stuks vee die bijna iedere Hindeloper bezat en het lits of likshuis betrokken. Deze een of twee kamers en een zolder bevattende, zomerhuisjes waren achter de eigenlijke woning gebouwd, aan een der vele smalle waterwegen die dit Friese Venetië doorsneden en waarover het verkeer per boot of op witte dagen per prikslede grotendeels plaatsvond. De woningen zelf bleven in de zomermaanden gesloten, zodat de propere vrouwen haar pronkkamers gemakkelijk rein kon houden.


Over een Hindeloper visser.

Over een Hindeloper visser, die in 1701 een gedicht maakte over de najaarsstormen op de Zuiderzee. De geschiedschrijver Andreas Tiara vertelt in zijn beschrijving van katholiek Friesland, dat de katholieken van Hindelopen, die in 1700 nog 10% van de bevolking uitmaakten, welgesteld waren en temidden van de protestanten in vrijheid leefden. Achter het huis van de pastoor in de Burren hadden zij een eigen kerkje ingericht en ofschoon volgens de wet dit niet zichtbaar mocht zijn vanaf de straat, hadden zij op het dak een houten klokkentorentje gezet. Voorspoed en rust kunnen nu heel gemakkelijk voor bepaalde mensen nadelig worden. Dit was het geval met de katholieken van Hindelopen, die zich geen opofferingen behoefden te getroosten om hun geloof te beleven maar ook in zekere zin met de gehele burgerij van het kleine handelstadje, dat in de 18e eeuw tot grote bloei was gekomen. Van verschillende zijden werd men gewaarschuwd om op zijn hoede te zijn en in de trant van die tijd voorspelde men, dat Gods toorn zou komen over een volk, dat niet meer ijverig was. Deze ernstige woorden, door dominees en priesters uitgesproken, maakten speciale indruk op de vissers. Men bracht allerlei gebeurtenissen in verband met de straffende hand Gods en bij de haven werd er lang over gepraat. Vooral de sterke najaarsstormen van 1701, die de Friese kust teisterden, werden beschouwd als een geesel van God.

Een visser heeft dit opgetekend in een lied, een primitief stukje volkskunst dat in de huizen aan de haard werd voorgedragen. De beschrijving begon met het verhaal van de brand in het katholieke kerkje. Reeds een week lang was het stormweer geweest: de dijken hadden het hard te verantwoorden en hier en daar sloegen de golven over de dijkrug heen het land in. De katholieken waren op zondag 16 oktober naar de kerk gegaan om voor beter weer te bidden maar ze waren nog niet genoeg onder de indruk gekomen van het geweld van de elementen. Onder de hoogmis ontlaste zich boven het stadje een hevig onweer en de bliksem sloeg in in het torentje. Maar de schout, die toevallig in de Burren was, kon de mensen nog tijdig waarschuwen en zo werd een grote ramp voorkomen. Maar laten wede dichter zelf aan het woord: Juist op des Heeren dag, zoodat onze pastoor was bezig in de kerk, te stellen Gods woord voor, zoo komt daar in de kerk, een man zeer hard geloopen, het was onze majoor, en deed de kerkdeur open. Hij riep: „Kom volk, kom uit! de toren is in brand!" voorwaar een groote schrik men in de menschen vand.

Omdat men er zo gauw bij was, kon men een grote brand voorkomen door het klokkentorentje naar beneden te halen en daar gauw uit te maken. Maar het was nu eenmaal een zwarte zondag. God wilde de stad waarschuwen! In de nacht liep een schip vlak voor de haven vast. Aan de wal konden de mensen door het geweld van de golven de noodseinen niet horen. Toen in de vroege maandagmorgen velen op de dijk naar de zee kwamen kijken, zagen ze dit schip in nood. Ze konden echter niets beginnen omdat de zee te woelig was en de branding te gevaarlijk. Voor hun ogen zagen zij het schip jammerlijk vergaan. Aldus beschrijft onze dichter deze gebeurtenis:

 

Zoodat wij zagen daar matroosjes in de nood en klommen daar omhoog,

daar kon geen schuit of boot bij haar daar komen niet, om haar daaruit te halen en velen door den dood,

die moesten het duur betalen, wel veertig zielen dan, in deze groote nood die op het water daar,

 wegbleven in de dood de anderen, die er nog, toen in het leven waren zijn met een stuk van het wrak,

gekomen door de baren.


Dit was een tweede teken van God. De zee, waarop Hindelopen betrouwde, kon zich ook tegen de stad keren en daarom moest men de stem van God beluisteren in de woelige baren. Voor zijn stadgenoten deed de visser dit in de volgende verzen: Daar hebben wij gezien, Gods wonderbare werken, hoe machtig dat God is, ach laat ons toch opmerken wat middelen dat God ons kan en ook zal om ons te straffen heeft, daarvoor zoo laat ons al van zonden ook opstaan, en ons alzoo bekeeren gelijk ons pastoor het ook, des Zondags ons ging leeren ziet Nahum den profeet, het was kapittel een al in het zesde vers, de tekst was zoo ik meen. Dit gedicht, dat in het begin van de 18e eeuw in Hindelopen herhaaldelijk werd gedeclameerd en gezongen, toont ons van een andere kant de culturele belangstelling van het nijvere volk uit het oude Zuiderzeestadje. In de tentoonstelling in ons museum werd gesuggereerd dat de grootste bloei van de eigen volkskunst moet gezocht worden in het begin van de 18e eeuw. Daar sluit dit merkwaardige vers zich bij aan en leert ons dat ook Hindelopen niet is achter gebleven bij de eigen dichtkunst rond de Zuiderzee.

 

| 1 | 2 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.