|
In het archief der gemeente Kampen bevindt zich een
geschreven „Publicatie", ondertekend door de laatste burgemeester
der gemeente Schokland, G. J. Gillot, die door middel van dit stuk
„aan de opgezetenen der gemeente bekend (maakt) dat op heden den 1
Maart 1859 bij hem is ontvangen eene missive van Z.E. den
Commissaris des konings in de Provincie Overijssel inhoudende dat
door de Minister van Binnelandsche zaken de ontvolking van het
eiland Schokland is goedgekeurd met bepaling dat binnen vier maanden
na de dagteekening dezes alle eigendommen moeten zijn afgebroken en
weggevoerd." Het is een op het eerste gezicht weinig opmerkelijk
document, typerend voor de eenvoud van dit armoedige eiland,
weliswaar met een keurige hand geschreven maar besmeurd met enige
inktvlekken en met slordige rekensommetjes bekrabbeld.
Toch vormt
dit ietwat verfomfaaide stukje papier een stuk van historische
waarde, moeten wij het zien als een symbolische streep, waarmede de
eeuwenoude geschiedenis van een allermerkwaardigst eiland werd
afgesloten. Een dikke en definitieve streep werd hier nog aan
toegevoegd door Koning Willem III, toen Z.M. op 4 juli van hetzelfde
jaar zijn handtekening zette onder het Koninklijk Besluit, waarbij
aan burgemeester Gillot eervol ontslag werd verleend „met den 10
Julij aanstaande, als wanneer de gemeente Schokland zal ophouden te
bestaan". „The rest is silence" zouden wij ook hier kunnen zeggen,
ook al kreeg het eiland weldra nieuwe bewoners, in de vorm van een
drietal gezinnen van kantonniers en een lichtwachter, die daar van
waterstaatswege heen werden gezonden. De feitelijke Schokkers
echter leefden sedertdien in de verstrooiing, voornamelijk in
Kampen, Vollenhove en Volendam, waar het Rijk hen in hun
levensonderhoud tegemoet kwam door het z.g. „Schokkergeld".Schokland
— tot in het begin der 18de eeuw slechts onder de namen Ens en
Emmeloord bekend was honderd jaar geleden een langgerekt, uiterst
smal eiland.
Bij een lengte van circa 4 kilometer varieerde
de breedte van 200 tot 600 meter. De 1 tot 2 meter dikke bovenlaag
van klei bedekte een veenlaag van ruim 3 tot bijna 6 meter dikte,
zodat het armzalige strookje grond bijkans vogelvrij was voor de
saamgebalde krachten van wind en water, die er dan ook in de loop
der eeuwen duchtig hun klauwen in hadden geslagen.
Bij het begin onzer jaartelling moet Schokland deel hebben
uitgemaakt van een veel groter eiland, dat mede Urk en het
legendarische Nagele zou hebben omvat en zich, ver bezuiden Ens, tot
in het tegenwoordige Oostelijk-Flevoland zou hebben uitgestrekt. Het
werd omspoeld door het zoete water van het Flevo-meer, waarvan de
Romeinse geschiedschrijvers gewagen.
Vermoedelijk is dit eiland
tussen de 4de en 10de eeuw in drie kleinere uiteengevallen: Urk, Nagele en Emmeloord met Ens. Van het dorp Nagele, dat in elk geval
nog tot in de 13de eeuw moet hebben bestaan, vinden wij in latere
eeuwen geen gewag meer gemaakt, tenzij dan als een stenige ondiepte,
de „Nagel" of ook het „(Urker) Kerkhof" genoemd, waar de vissers hun
netten op scheurden en waarvan zij, in de tweede helft der 18de
eeuw, een kerkkandelaar en een doopvont van Bentheimer steen mee
naar Schokland brachten. Dit laatste heeft aanvankelijk op de
begraafplaats van Emmeloord gelegen en later in het r.k. kerkje
aldaar een bestemming gevonden. Het bevindt zich thans nog in de
r.k. kerk te Ommen, waar in 1861 de, wegens de ontruiming
afgebroken,kerk van Emmeloord, was herbouwd, maar in 1939 door een
modern kerkgebouw is vervangen.
Het eiland Ens en Emmeloord is na de 13de eeuw voortdurend kleiner
geworden om in onze eeuw, in een merkwaardige speling van het lot,
niet door het water der Zuiderzee maar door het nieuwe land van de
Noord-Oost-Polder te worden verzwolgen. Tot in de Napoleontische
tijd hebben de beide helften van het eiland bij voortduring
verschillende heren gediend. Wat Ens betreft tasten wij eeuwenlang
in het duister, tot wij het in 1407 voor het eerst op een
Overijsselse schattinglijst aantreffen. Vermoedelijk is het hierna
voorgoed tot Overijssel blijven behoren, ook al wekt Geeraerdt
Brandt in 1666 enige twijfel door een vermelding in zijn „Historie
der vermaerde Zee- en Koopstadt Enkhuisen". Volgens hem zou n.l.
omtrent 1470 Hertog Karel de Stoute „de Eylanden van Urk, en Ens met
Emeloort" aan Doopvont van bentheimer zandsteen, door Schokker
vissers op „de Nagel" opgehaald, thans in de r.k. kerk te Ommen zijn
gunsteling, de Enkhuizer burgemeester Gerrit Entszoon, hebben
geschonken.
Eerst meer dan een eeuw later komen wij de naam van Ens
weer in de stukken tegen; in 1585 blijkt dat Ens tot Overijssel
behoort, doordat de staten van dat gewest in genoemd jaar de
schattingen zijner inwoners verlichten. Gemakkelijker vallen de vele
bezitsveranderingen van Emmeloord na te gaan, al vertoont ook hier
de historie enige vervaagde bladzijden en moeten wij beginnen met
als waarschijnlijk aan te nemen dat het, tezamen met Urk, in 968 in
het bezit der abdij van Elten kwam. In dat jaar schonk Keizer Otto
I, de Grote, aan dit Benedictijner nonnenklooster in volle eigendom
al hetgeen Wichman, graaf van Hamelant van hem in leen had bezeten
„in territorio Urck inpago Salo". In 1280 zouden dan Urk en
Emmeloord welke namen men na omstreeks 1200 enige eeuwen lang
steeds als die der Dioskuren tezamen genoemd ziet door de
toenmalige abdis aan Graaf Floris V van Holland zijn afgestaan.
Aanvankelijk treden dan, als leenmannen der graven van Holland,
afwisselend de heren van Kuinre en die van Voorst op, in 1475
opgevolgd door het Utrechtse geslacht Zoudenbalch.
In 1660 verkocht de toenmalige baljuw, Jonker van der Werve, Urk en
Emmeloord aan de stad Amsterdam, die voor haar scheepvaart veel
belang had bij het behoud der eilanden. De scheiding tussen een
Hollands noordelijk en een Overijssels zuidelijk deel van Schokland
bleef voortduren tot, tijdens de Bataafse Republiek, in 1798 het
gehele eiland werd ingedeeld in het Departement van de Oude IJssel.
Wel werd in 1801, met de terugkeer der oude provincienamen en
-grenzen voor de departementen, de Schokker eenheid opnieuw
verbroken, echter slechts voor enige jaren. Het Koninkrijk Holland
herenigde in 1806 en nu voorgoed de beide delen van het eiland, dat
voortaan in zijn geheel tot Overijssel zou blijven behoren.
Schokland werd nu ook tot gemeente verheven; „maire" werd de
opzichter van de waterstaat E. P. Seidel, dezelfde die in 1789 voor
het eerst het eiland in kaart had gebracht. Schoklands verdeeldheid
gedurende zoveel eeuwen heeft ook haar stempel gedrukt op het
dialect zijner bewoners. Volgens Prof. G. Mees Azn., die in de
Overijsselsche Almanak van 1847 een even uitgebreide als gedegen
studie aan Schokland wijdde, zou de Emmeloorder taal vrij veel van
die van Ens verschild hebben en de eerste meer van de
plat-Hollandse, de laatste meer van de Overijsselse uitspraak hebben
gehad.
Op godsdienstig gebied was er al evenmin eenheid tussen de beide
delen. Was het noorden altijd rooms-katholiek gebleven, in het
zuiden had de hervormde religie de overhand. In een bijlage bij
zijn, reeds genoemd, artikel geeft Prof. Mees interessant
cijfermateriaal over de bevolking van Schokland in haar
samenstelling van 1840. Hieruit blijkt, dat de totale bevolking in
dat jaar 695 zielen telde, waarvan 506 het r.k., 189 het hervormde
(gereformeerde) geloof aanhingen. Van de 415 bewoners van Emmeloord
behoorden 404 tot de r.k., 11 tot de hervormde kerk. Het zuidelijk
deel had toen twee buurten: de Middelbuurt (Ens) telde 203 bewoners
(waarvan 85 r.k. en 118 herv.), de (in 1855 ontruimde) Zuiderbuurt
77 bewoners (waarvan 17 r.k. en 60 herv.). Onjuist acht ik de, een
enkele maal aan de dag tredende, veronderstelling, dat Emmeloord en
Ens zich ook in de klederdracht hunner bewoners van elkaar zouden
hebben onderscheiden. Wel zijn na 1800 twee vrij uiteenlopende
klederdrachten waargenomen, In die jaren maakte de kleurrijke
dracht, met de Markens aandoende blauwe cylindermuts der vrouwen,
geleidelijk plaats voor een eenvoudiger dracht, beïnvloed door die
van het vasteland en zowel denken doende aan de Noord-Veluwse
drachten als aan die van Volendam.
Het schijnt nu, dat deze
verandering zich in het zuiden sneller dan in het noorden heeft
voltrokken; men zou dit althans mogen opmaken uit een passage in het
dagboek van de pionier van de Haarlemmermeer, Mr. J. P. Amersfoordt
(thans in het bezit der gemeente Haarlemmermeer), die op 15 augustus
1851 het eiland per boeier bezocht. De bewuste passage luidt aldus:
„De dragt der inwoners in het midden van Schokland wordt gelijk aan
die der Geldersche kust, die van Emmeloord blijft gelijk aan de
dragt van Marken." Zo ooit een musicus er toe komen zou een Schokker
symfonie te componeren, dan zou hij hierbij onontkoombaar gebonden
zijn aan twee hoofdthema's: angst en verbetenheid.
Angst voor de najaars en winterstormen, die de waterwolven over het
bijkans onverdedigbare strookje land heen joegen en het tot vier
miniatuureilandjes reduceerden, die met name in de rampspoedige
februarimaand van 1825 hun slag sloegen, 26 woningen totaal
vernielden, 70 zwaar beschadigden en slechts 7 in bewoonbare staat
achterlieten, 5 volwassenen en 8 kinderen de dood in dreven, altaar
en banken uit de kerk van Emmeloord rukten en 1800 palen uit de
oostelijke zeewering wegsloegen om daarmede, bijna 20 KM.
oostwaarts, in het overstroomde Mastenbroek een aantal boerderijen
te vernietigen. Angst voor de winterse koude, die het water rondom
deed stollen en kruien, het enige bestaansmiddel van bijna de gehele
bevolking, de visserij, maanden achtereen lam legde en hongersnood
bracht in de, vaak geheel van brandstof verstoken, krotten. Maar ook
verbetenheid, een hardnekkig zich vastklampen aan dat smalle reepje
geboortegrond, dat hen die de kans geboden werd het te ontkomen van
een knagend heimwee vervulde en onweerstaanbaar naar zich terug
trok.
De Kamper Courant, die in mei 1836, aanvankelijk als Kamper
Weekblad, ging verschijnen, vermeldde reeds in zijn eerste jaargang
de vernieling van een viertal woningen door een Oosterstorm, om
daarna jaar in jaar uit aan beden om hulp in de nood ruimte te
bieden. Hulpcommissies, soms door particulier initiatief tot stand
gekomen, een andermaal uitgaande van de gemeentelijke overheid van
Schokland of van het provinciaal bestuur, volgen elkaar op en in een
brief van 10 december 1839, gepubliceerd in de Kamper Courant,
schrijft burgemeester Gillot de beklemmende woorden neer: „Men groet
elkander des morgens met de vraag: zouden er ook dooden wezen?" Het
verblijf van drie en later vier gezinnen op het verlaten eiland, dat
van 1859 tot 1941 heeft geduurd, en dat van de Schokker
bannelingen" in Kampen (Brunnepe), Vollenhove en elders, het zijn
geschiedenissen apart.

De kerk van Ens op
Schokland, 1729.

Kleding van de burgerij
van Emmeloord, 1787.

Schokker met druilmast
en sprietzijl van C. Groenewegen.

Schokker voor de
haveningang van Enkhuizen van G.J. Vis.

Voormalige hervormde
kerk en pastorie van de Middelbuurt Ens 1924
Schokland 1807.
De belangrijkste
bron van inkomsten voor Schokland was de visserij. De Schokker
vissers leverden een voortdurende strijd tegen het water. Velen
verdronken op de Zuiderzee. Zo schreef de pastoor op 19 februari
1807 in het begraafboek van de kerk: Geachte lezer! In
de kou en temidden van zware stormen, die gisteren waren
ontstaan, zijn zeven mannen met bootjes weggevaren naar de
oostelijke oever van het Flevomeer. Zij zijn, uitgeput door de
vermoeienissen of verstikt door het water, jammerlijk omgekomen.
En dat, terwijl zij sinds Pasen van het afgelopen jaar niet meer
hadden gebiecht! Het betreft Bruno Piets Zul, die bij ons
begraven ligt; Joannes Pieters van der Molen, die in Ens is
begraven; Jacob Jansen Coridon, een oude man van meer dan 70
jaar, die met zijn zoon Everhardus en Jacobus Jansen Kok is
begraven in Doornspijk bij Elburg; en tenslotte Jacob Gerrits,
bijna 70 jaar oud, en zijn zoon Joannes, 40 jaar oud, die als
kind van een niet-katholieke moeder zijn hele leven nog nooit
heeft gebiecht. De lichamen van deze twee mannen zijn tot op
heden niet geborgen.
  
Hier is goed op te zien dat
Schokland in der loop der jaren steeds kleiner werd.


Links boven: Schokland toen en
Rechts onder: Schokland nu.

Tekening van Schokland met de
loopplank. 1845.
●●●
Invasie van schuldeisers.
OVER één ding waren Louwe en Kobus
het zo even op die loopplank van harte eens, ondanks alle
narigheid willen ze niet weg. Trouwens waar halen ze het geld
voor een verhuizing voor een ander huis in een andere woonplaats
vandaan. Zelfs de herinnering aan winters als die van 1830 en
1838 weegt niet op tegen de liefde voor hun geboortegrond. De
winter van 1838, toen heerste er grote nood op het eiland.
Evenals in 1830 werd een dringend beroep om hulp op de inwoners
van Kampen gedaan. En burgemeester G.J. Gillot, schreef;
Niet alleen zitten de mensen in
bitterste nood, 100 haarden zonder brandstof, 500 mensen zonder
een bete broods. Men vraagt elkander ’s morgens zouden er ook
doden wezen.
Inderdaad de ellende schreide ten
hemel. De schepen waren reeds lang geen eigendom van de vissers
meer. Die hadden zij te gelde moeten maken om er voedsel voor te
kunnen kopen. Hun eigen schepen huurden ze nu van de nieuwe
eigenaren die eenmaal per jaar hun
geld kwamen halen. Dan was er een invasie van schuldeisers op
het kleine eiland en maar al te dikwijls konden die schulden
niet worden betaald.
In de zomer van 1838 werd het nog erger. De visserij leverde
niets op. De vissersgezinnen verkochten hun huisraad tot potten
en pannen en bedden toe. Tenslotte werd zelfs het
vissersgereedschap verkocht zodat de commissie voor de
noodlijdenden op Schokland melden moest: "Wanneer het de
Voorzienigheid mocht behagen dat er nog visch in de zee mocht
komen zij ook buiten staat zijn hun brood te verdienen"
De uittocht begint.
Zo naderde het einde van Schokland
met grote schreden. En eigenlijk ziet Louwe Harms Sul de
noodzaak van de ontruiming ook wel in. Daarom sputtert hij wel
tegen, maar hij en zijn medevissers veroorzaken geen relletjes,
wanneer enkele maanden later voor ieder
van hen de fatale dag is aangebroken. De uittocht begint en in
de loop der komende maanden rapporteert burgemeester Glllot:
"Klaas Koridon is vertrokken
met zijn gezin naar Kampen, Willem Zalm met vrouw is vertrokken
naar Vollenhove. Alle de afkomende materialen zijn Deels verkogt
naar de vaste wal vervoerd en Rest verbrand. Zoo staat naar
mijne wijze van zien dat Klaas Koridon en Willem Zalm aanspraak
hebben op enige gelden"
Alie Veldhuizen, berichte dat
haar familie 'De Familie Heinen, naar Spankenburg vertrokken
zijn. Alie verteld: "We worden nog steeds ‘nageslacht van
sjokker-Heinen’ genoemd. (dwarse moppen)"
De burgemeester krijgt zijn zin.
De Commissaris des Konings stelt een schadevergoeding vast die
kan variëren van 20 tot 100 gulden ... En burgemeester Gillot
verantwoordt de uitbetaalde gelden. f 56- Jan Stroeve, f 100,-
om te verhuizen en een schuitje dat hij a contant gekogt heeft
te betalen. f 62- Maria Toeter, Weduwe Gerrit Kluzien f 50,- om af te breken en te verhuizen."
De een na de ander vertrekt. Het
eiland wordt steeds leger. Telkens liggen er schepen voor de wal
telkens vindt er afscheid plaats wordt het vertrekkende scheepje
door napratenden van het eiland nagestaard aldus de heer G. van
der Heide hoofd van de archeologische afdeling van de
Wieringermeer-directie in een artikel in de Kamper Almanak voor
1958/1959. "Zij varen af naar Kampen, Vollenhove, Urk naar
Volendam en Marken. Er gaat een gezin naar Nijverdal een naar
Goor. De inwoners van Kampen kennen nog wel de Schokkerbuurt
waar huisjes stonden die ten dele uit afbraak van het ontruimde
de Schokland waren opgetrokken".
De r.k. kerk van Emmeloord (de
noordelijke helft van Schokland) was rooms de zuidelijke
protestant, werd al in 1858 afgebroken en vertimmerd in de kerk
van Ommen. Ze was pas in 1842 gebouwd. Trouwens ook de
hervormden kregen nog in 1834 een nieuwe kerk het
is het gebouwtje op de Middelbuurt, waarin thans het museum is
ondergebracht. Deze kerkbouw is te merkwaardiger omdat het na de
ramp van 1825 al duidelijk was dat het eiland niet meer tegen de
zee te verdedigen was, terwijl ook de economische omstandigheden
zodanig waren dat herhaaldelijk oproepen in de bladen verschenen
tot steun aan de arme vissersbevolking. Maar het lot wilde dat
juist in het jaar van de evacuatie een officieel rapport
berichtte: 'De visscherslieden hebben zo een gezegend voorjaar
van verdiensten als in geen twintig jaar bekend is'. Ja dan
wordt het scheiden wel dubbel zwaar . .
Leeg eiland.
In juli 1859 is de ontruiming
geheel voltooid. Burgemeester Gillot is de laatste die vertrekt.
Op 10 juli wordt hij eervol ontslagen als burgemeester van
Schokland. Op diezelfde dag houdt de gemeente Schokland op te
bestaan. Een dag later draagt ex-burgemeester Gerrit
Jan Gillot per proces-verbaal allerlei gemeentelijke stukken
papieren bescheiden en roerende goederen over aan de gemeente
Kampen. Daaronder bevinden zich twee handbrandspuiten met 13
emmers een vlag met vlaggestok, f 272,51½
aan contanten, een sabel
met schede en het onderscheidingsteken van de burgemeester ...
Maar het eiland Schokland blijft bestaan als vluchthaven voor
schippers en vissers. Als nieuwe bewoners komen er zich de
gezinnen vestigen van de havenmeester de lichtwachter en de
kantonnier. Op het lege eiland waar bijna alle bebouwing is
afgebroken en verbrand
staan nog slechts de kerk en pastorie op de Middelbuurt, enkele
huizen en een paar schuurtjes op Emmeloord, en een woning op de
Zuidpunt. Later komen schippers en vissers er fourageren in
kleine winkeltjes. De kerk dient van tijd tot tijd als onderdak
voor dakwerkers, maaiers en rietsnijders. Ze slapen in kribben
langs de wanden. Onder een grote bakstenen schouw kunnen ze zich
warmen en hun potje koken. Soms slaan bij zware storm dan nog de
golven van de opgezweepte Zuiderzee, hoog over kerk en huizen
heen, maar in 1933 wordt de zee een meer en zeven jaar later
wordt de dijk van de Noordoostpolder gesloten. Dan wordt
Schokland een eiland midden in het nieuwe land, een eiland
waarvan de laatste grenzen thans nog worden aangegeven door een
beplanting van wilgjes meidoorn en vogelkers.
Men kent de verdere gang van
zaken, dijkaanleg droogmaking van de NOP, toevoeging van het
eiland aan de Noordoostelijke Polder restauratie van de
gebouwen, beplanting van het eiland opening van een museum,
conservering van herinneringen aan de tijd toen er in 1840 148
huizen stonden waarin 695 Schokkers woonden, van wie er 141 als
vissers met ongeveer 50 schepen hun brood probeerden te
verdienen, op de Zuiderzee. Die zee had duizend jaar aaneen,
zoals uit de onderzoekingen blijkt steeds meer van het broze
eiland opgeslokt, totdat tenslotte een loopplank(!) de buurten
verbond waar de Vissers, de Suis, de Klappes, Butert, Botters,
Bapes, Konters, Dienders en Kluisjens, in hun typische houten
huisjes woonden. En waar nu de trekkers brommen over de immense
kavels, deinden toen
de golven die de vissersschuiten van Schokland droegen.

|
Vissersman en vrouw van Schokland. Zo
was de klederdracht van de Schokkers toen zij hun eiland moesten
verlaten. |
|
Menig welvarend dorp vertelde Dr.
Meylink die het eiland -op een zondagsreisje- vóór de opheffing
der burgerlijke en kerkelijke gemeenten van Schokland bezocht,
had niet zulk een zindelijk onderhouden en doelmatig ingericht
kerkgebouw als Ens.
En ook de bezoekers ongeveer 120 personen met wie hij de
godsdienstoefening bijwoonde, maakten op hem een gunstige
indruk. Wat hun uiterlijk betrof waren ze breed en gedrongen van
gestalte, met blond vaak gelig hoofdhaar, zedige gelaatstrekken
sober doch net gekleed meest in visserskostuum.
De vrouwen droegen ten dele nog de ouderwetse kleding van het
eiland, een zilveren of blikken oorijzer en een ketting van
echte of valse
bloedkralen, met het slot niet van voren maar in de nek, terwijl
een kroplap bij sommige van zeer gebloemd meubelsits de borst
bedekte.
Het verdere deel van dit vrouwelijk costuum bestond uit een
blauwe rok, blauwe kousen een rood-baaien muts, met een tweede
blauw met geel gestreepte platte bodem daarover, een vest van
damast (hier middel genaamd) een rood baaien borstrok met
losse mouwen van roodlaken en met gele zijden geborduurde streep
op de naad.
|
|
LC-1958-12-13. HET NOODLOT VAN
EEN EILAND.
Eeuw geleden (1858) werd tot
ontruiming van Schokland besloten.
Zevenhonderd mensen verloren de
strijd tegen de Zuiderzee.
WEEMOEDIG staart Louwe Harms Sul
uit over de zee. Gramstorig draait hij zich plotseling om. Met
grote stappen beent hij dwars over het eiland heen. Tweehonderd
flinke stappen van west naar oost en weer ziet hij uit over het
traag klotsende water van de Zuiderzee dat eens zijn
broodwinning was, maar nu zijn overwinnaar is. De zee heeft het
uiteindelijk gewonnen. Vandaag 16 december 1858 tekent Koning
Willem III in Den Haag, de wet tot ontruiming van Schokland.
Eeuwen lang hebben Schokkers gevochten om hun eiland
bewoonbaar te houden. Die strijd is nu beslecht het eiland zal
nog wel blijven bestaan maar bewoonbaar is het niet meer. Alle
bewoners moeten weg. En daarom staart Louwe Harms Sul zo
weemoedig uit over zee.
MAAR waarachtig de toestand is
onhoudbaar. Heel vroeger zo omstreeks het begin van onze
jaartelling moet hier een mooi groot eiland zijn geweest dat Urk,
Schokland en het middeleeuwse Nagele omvatte en dat zich
vermoedelijk ver ten zuiden van Schokland over het tegenwoordige
Keteldiep heen tot diep in de nieuwe polder Oost-Flevoland
uitstrekte. Maar reeds in de vroege middeleeuwen moet de
aftakeling zijn begonnen. Het grote eiland in het Flevomeer viel
in drie kleinere eilandjes uiteen Nagele, Schokland, Urk. Op een
van die eilandjes hebben de voorvaderen van Louwe Harms Sul
waarschijnlijk in de negende of tiende eeuw terpen gebouwd. Ook
werden er
dijken of kaden aangelegd, maar deze kleinmenselijke
voorzieningen waren niet in staat het hoofd te bieden aan de
steeds sterker opdringende stormvloeden van de twaalfde en
dertiende eeuw.
Telkens opnieuw gingen grote stukken van het eiland aan de zee
verloren. Steeds kleiner werd het latere stukje geboortegrond
van Louwe Harms Sul. De Schokkers gaven de strijd niet zo
gemakkelijk op. Herhaaldelijk werden de terpen opgehoogd met
kleizand schelpen en zeegras. Van buiten het eiland werden
stenen aangevoerd voor de dijkbouw. Paalschermen vormden een
nieuwe zeewering. Maar de zee was niet te stuiten Schokland
slonk en kromp tot het nog slechts een 4½
kilometer lang strookje grond was van 200 tot 400 meter breed
Dertien doden.
TWEEHONDERD meter met evenveel
forse stappen beent Louwe Harms Sul terug naar de andere kant de
ondergaande zon tegemoet. Tot ver naar het zuiden strekt zich
zijn eiland uit, Of eiland? Eigenlijk lijkt het meer op drie
minuscuul kleine eilandjes die door smalle loopbruggen verbonden
zijn. De watervloeden van 1824 en 1825 hebben grote stukken dijk
en reeksen palen weggeslagen. De vuurtoren werd vernield, in
Emmeloord spoelde het altaar uit de kerk. Zeventig huizen werden
zwaar beschadigd 26 geheel vernield. Dertien Schokkers, Louwe
herinnert het zich nog als de dag van gisteren vonden de dood in
de golven. Toen werd aan de oostkant van het eiland een
zeewering van ingeheide palen gebouwd. De palen werden verankerd
met trekstangen en op deze trekstangen werden loopplanken
gelegd. Die loopplanken 35 centimeter breed vormen de enige
verbinding tussen de drie buurtschappen Zuiderbuurt, Moolenbuurt
en Emmeloord, waarvan overigens de Zuiderbuurt in 1855 moest
worden ontruimd en afgebroken.
In trieste gedachten verzonken
slentert Louwe Harms Sul, de loopplank op in de richting van de
Protestantse kerk op de Molenbuurt. Halverwege komt Kobus Ernst
Mossel, hem tegen. Zij praten wat over het droeve lot dat hun
wacht en dan passeren is niet mogelijk op de smalle plank, pakt
Louwe de tengere Kobus om het middel en zet hem met een forse
zwaai achter zich op de loopplank neer. Zo wil het goed 'Schoklands'
gebruik, wie groot zwaar en sterk is, helpt zijn kleinere
lichtere eilandgenoot op traditionele wijze langs zich heen.
Ware het niet Kobus Ernst, maar een vreemdeling geweest, Louwe
zou zich met een vriendelijke groet beleefd terzijde op de
trekstangen hebben
gewaagd om daar balancerend op de dunne ijzers te wachten tot de
bezoeker hem zou zijn gepasseerd. Ook dat Is traditie en in
traditie zijn de Schokkers groot.
|

Na de ontruiming van Schokland
in 1859 werden op de Middel- of Molenbuurt (ook wel Ens genaamd)
iepen geplant. Onder hun lommer gaat de vroegere kerk schuil die
thans als Oudheidkundig Museum voor de Noordoostpolder is
ingericht. Aan de voet van de terp staat nog een restant van de
houten zeewering, die eens dit deel van Schokland beveiligen
moest tegen de zee. Thans lijken de palen een verdediging van
het Schoklandse verleden tegen het omringende nieuwe land.

LC-1941 07 04. De laatste
eilandbewoners maaien het gras op Schokland. Rondom vallen de
gronden droog zoodat men het oude gebied reeds moeilijk bereiken
kan.

De
linkerwoning is van Havenmeester Spits.
|
LC-1941-02-19. Havenmeester
Spits.
Spits is de
havenmeester van Emmeloord. Maar bijzonder druk heeft hij het
niet tegenwoordig De visschersschepen komen er niet geregeld
meer en in plaats daarvan ligt er nu het materiaal van de
Zuiderzeewerken. Veel is dat niet een enkel sleepbootje de
stellage die het haventje sloopt en een paar woonschepen. Van de
remming is ook niet veel meer over. We waren met z’n tweeën en
als de één er op wilde klauteren om vandaar het haventje te
overzien en wat kiekjes van Emmeloord te maken, moest de ander
de plank vasthouden waarlangs de onzekere weg voerde.
En zoo heb
ik daar op de remming gestaan, de oude verweerde remming waaraan
zoovele
malen de visschersschepen zich meerden om een veilige ligplaats
te hebben tegen dreigend ontij. Er zijn stormen en geeselende
buien over
die remming gegaan en de driftige golven hebben de schuiten er
bonkend tegen aan gestooten. Langs deze remming hebben de
visschers
geloopen als in die barre nachten de beklemming in hun kajuitje
te groot werd en ze behoefte hadden even aan te loopen bij hun
goeden vriend Harmen Smit.
Zoo fantaseer ik daar zoo’n beetje als ik op de oude remming van
Emmeloord sta. Ik heb hier nimmer visschersschepen zien liggen
en Harmen Smit heb ik nog nooit gesproken. Maar ik kan me wel
zoon beetje voorstellen hoe het geweest moet zijn toen Spits en
Harmen Smit
hier nog ongestoord in de eenzaamheid woonden.
Havenmeester Spits is een man van weinig woorden.
Hij heeft
zeventien jaar op Schokland gewoond en daar wordt men nu eenmaal
niet
zoo spraakzaam van. Doch het bezwaar der men zou haast zeggen
isolatie geldt niet zoozeer voor z’n echtgenoote die te
Emmeloord een winkeltje drijft. Men zou er eigenlijk wat vreemd
van ophooren als men verneemt dat zoowel op Ens als op Emmeloord
door het éénige aldaar wonende gezin een winkeltje wordt
gedreven maar bij nadere beschouwing komt al gauw aan het licht
dat die winkeltjes eerst door de klandizie der visschers en
schippers en later ook nog door die Zuiderzeewerkers nog lang
niet zoo'n gek bestaan moeten hebben (gehad).
Als men het mij niet verteld had dat hier zoo'n zaakje gedreven
werd zou ik het nooit ontdekt hebben hoewel ik Emmeloord toch
zoo nauwkeurig mogelijk heb opgenomen. Er zijn dan ook geen
uithangborden of etalages die de aanwezigheid van het eenvoudige
bedrijfje verkondigen. De opzichter zei echter op een gegeven
oogenblik "Zullen we Schokker moppen gaan koopen" en toen vroeg
hij meteen aan
den havenmeester "Verkoopt je vrouw nog Schokker moppen" Spits
lachte zei "Ja" en ging ons voor naar het kleine erfje achter
z’n woonhuis vanwaar we door de gewone huisgang in een vierkant
kamertje kwamen. En achter een toonbank in dat kamertje stond de
glundere koopvrouw die ons ontving met de woorden. "Moeten het
moppen wezen? Ze zijn nog niet op den bon"
En mede om het
uitzonderlijke van het laatste hebben we toen maar flink wat van
die echte Schokker moppen
(zandkoekje
bereid met
roggebloem, boter, suiker, en specerijen)
gekocht om ze later aan vrienden en kennissen te presenteeren
met de voldoening ze zélf van Schokland te hebben gehaald.
Bovendien bleek juffrouw Spits in haar uitstalkasten ook
nog te beschikken over die rookartikelen die op minder eenzame
oorden alleen voor vaste klanten beschikbaar zijn, maar ze was
met den verkoop daarvan niet zóó royaal als met haar Schokker
moppen. Maar toch was
het later een aardig idee tegen een vriend te kunnen zeggen "Ik
heb nog een fijn pakie cigaretten op den kop kunnen tikken" en
hem
als hij vroeg "Waar?" dan te kunnen antwoorden "Op Schokland".
Ja want eerlijk gezegd ben ik ook nog wel een beetje trotsch op
mijn bezoek aan Schokland.
Schokland’s vischafslag is ook al onteerd. Nu weet ik van het
verleden van dien vischafslag weinig af en ik heb me naderhand
wel eens afgevraagd of die vischafslag het wel druk zal hebben
gehad. Maar dat schijnt nogal mee te vallen vooral vroeger moet
het er nog al bedrijvig zijn geweest. Harmen Smit was naast
beheerder van het Postkantoor ook beheerder van dezen
vischafslag. Maar de 'Grand Old
Man' van de Zuiderzee zooals Fred Thomas hem noemde heeft het
eiland verlaten en in den vischafslag is het een geweldige
rommel,
behalve dan in het gedeelte dat is afgeschut om dienst te doen
als hulpkantoortje van een aannemersfirma.
Harmen Smit is vertrokken. Harmen Smit die sedert z’n jeugd op
het eiland heeft gewoond. Harmen Smit de raads-en en
vertrouwensman van zoovele visschers en andere varenslieden uit
den Noordoosthoek van de oude Zuiderzee, die maar al te graag
eens het eiland aandeden om een avond met Smit te kunnen praten
over Schokland over de Zuiderzee over het bedrijf en andere
dingen.
Ik heb Harmen Smit nooit gesproken En toch kén ik hem. Want ik
ken Schokland en het slag volk waaruit deze Harmen Smit is
voortgekomen. Bovendien heeft Fred Thomas hem ten voeten uit
geteekend in 'Wijkend water' het boek dat me dat vreemde
verlangen bracht om Schokland nog eens te leeren kennen.
Nu ben ik op Schokland. Maar het huisje van
Harmen Smit is gesloten en de luiken zijn voor
de ramen. Ik wandel om het huisje heen. Het
ademt verlatenheid en de afgesloten vensters
geven een gevoel van leegte. Er is rondom dit
alles een sfeer die zoo wonderwel bij stervend
Schokland past.
Als ik aan dat huisje terugdenk dan kan ik
Harmen Smit er vóór zien staan op een zoelen
zomeravond als schemering zich zacht om het
eiland hult. De zachte wind doet de golfjes er klotsen tegen het
paalwerk van Emmeloord ’s haventje en in de volle groene boomen
ruischt het gebladerte nauw hoorbaar. Rond het kleine eiland
strekt de onmetelijke zee zich uit.
Zoo zal Harmen Smit daar ook
gestaan hebben als er zwaar weer op til was en de visschers in
het haventje een goed heenkomen hadden gezocht. Ze naderden
vanaf de remming zich buigend tegen den aanwakkerenden wind om
met Smit over het weer en over het bedrijf te praten. De
zeevogels zwermden onrustig rond en plots plaste regen neer. In
zijn huisje heeft Harmen Smit bij de tafel gezeten waarover
gezellige gele schijn viel wijl zweepten tegen Schokland’s nauw'
beschermde kust en het gebogen riet werd platgeslagen door de
striemende regenbuien. In een stonde van de eeuwige wisseling
der jaargetijden heeft Harmen Smit hier geleefd en zijn
eenvoudigen plicht gedaan.
In het voorjaar als de natuur zich
hier in haar bescheiden schoonheid op het eiland zélf, maar in
haar grootschheid der machtige stilte rondom ontplooide en de
gouden zon aan klare, blauwe luchten stond - in den zomer die de
bedrijvigheid van het hoog-seizoen der visscherij bracht en de
lange zoele avonden voor het huisje met het uitzicht over de
wijde Zuiderzee, maar ook in den vaak zoo ruwen herfst die
vooraf ging aan den somberen winter, die vaak al het water
rondom in ijsvelden veranderde en het verblijf op Schokland
weinig aangenaam maakte is Smit op z’n eenzamen post gebleven.
En nu is hij vertrokken. Bij z’n zoon aan boord vertelde Spits,
"Ik kan het me voorstellen, Het sterven van Schokland moet Smit
hebben
aangegrepen. Daarom heeft hij afscheid genomen van het plekje
grond waarop z’n post was".
En dat is alles wat ik u vertellen
kan van den 'Grand Old Man' der Zuiderzee Harmen Smit dien ik
niet gekend heb.
Ik neem afscheid van Schokland. Ik weet niet of ik er ooit weer
zal komen. Maar ik heb het gezien. Ik heb Schokland gezien. Nu
laat ik dat kleine eilandje achter me. Het sterft.. Het water
loopt terug van zijn kusten. Spoedig zal het eenzamer verlatener
dan ooit in het nieuwe
land liggen. En dan zal de techniek zijn graf delven.
Misschien
dat men in een opwelling van weemoed het oude kerkje van Ens zal
bewaren
waren als een kostbaar relikwie. Maar ik zal niet één van de
eersten zijn die er naar gaat kijken. Ik wil deze laatste
herinnering zoo lang mogelijk behouden. Langer dan die aan de
Schokker moppen, die ik straks thuis bij de thee krijg en die
wellicht de eenige stoffelijke echt Schokker herinnering met
zich meevoeren naar den vasten wal.
Ik sta achter op de boot om het eiland nog zoo lang mogelijk te
kunnen zien. Als ik hier ooit weerkom zal Schokland wellicht
gestorven zijn.
De boot dan op de dartele golven en een kille wind strijkt langs
me heen. Een aarzelende winterzon werpt haar schijn op het
eenzame
eiland en glinstert flauwtjes op de dakpannen van Harmen Smit’s
leege huisje.
We zetten koers naar Blokzijl.
|


De voormalige vischafslag.
Duidelijk toont deze foto welke veranderingen Schokland
ondergaat.
|
LC-1941-03-06.
DE ONTRUIMING VAN SCHOKLAND.
Nog
geen tijdstip bekend.
Men
schrijft ons;
Het zal niet zoo lang meer duren en dan zullen ook de
allerlaatste bewoners het eiland Schokland moeten verlaten. Nu het
electrisch gemaal bij Lemmer in werking is, daalt het water langzaam
en over eenigen tijd zal het zoover zijn dat Schokland dat in het
toekomstig
Noordoostpoldergebied ligt ingesloten per boot, moeilijk nog te
bereiken zal zijn.
Toen we in December jl. een bezoek aan het eiland brachten werd ons
verteld dat de laatste gezinnen waarschijnlijk in Maart zouden
vertrekken. Er woonden toen nog twee gezinnen namelijk dat van den
kantonnier Schuurmans te Ens en van den havenmeester Spits te
Emmeloord.
De bekende PTT -kantoorhouder en voormalige beheerder van
den vischafslag Harmen Smit, had het eiland toen reeds verlaten
en was bij zijn zoon Lammert aan boord gegaan. We hebben ons
Woensdagmorgen telefonisch met havenmeester Spits te Emmeloord, in
verbinding gesteld om te informeeren naar het
tijdstip waarop Schokland geheel zal worden ontruimd. De heer Spits
vertelde ons dat het
inderdaad eerst in de bedoeling lag dit in Maart te doen geschieden,
doch dat hem thans verder nog niets bekend is hieromtrent. Het zal
dus nog wel eenigen tijd duren. Schokland heeft een lange
winterperiode tusschen de uitgestrekte ijsvlakten doorgebracht, maar
naar de havenmeester van Emmeloord ons mededeeelde is rondom het
eiland het meeste ijs thans verdwenen en kan men van Blokzijl af
Schokland weer bereiken.
DE
SCHOKKERVERENIGING - Nazaten Jan en
Jans Schuurman bezoeken
...
|
|
LC-1942-05-23. SCHOKLANDS GEHEIMEN
WORDEN ONTSLUIERD.
Men schrijft ons uit Lemmer.
Men heeft zich wel eens afgevraagd hoe
het eilandje Schokland met zijn veenachtigen grond ten slotte tóch
is blijven bestaan, hoé vaak de stormen dan ook de schamele kusten
hebben gebeukt. De oplossing van dit vraagstuk is thans gekomen. Men
heeft namelijk ontdekt dat de plaats welke men altijd aanduidde met
den naam 'Het Zand' bestaat uit een flinken keileembult waaraan het
veen zich, ondanks de stormen ten slotte heeft kunnen vasthouden. Nu
de gronden aan alle kanten van het eiland droogvallen en Schokland
als een vreemde hoogte te midden van de barre vlakte ligt, heeft men
ook een onderzoek kunnen instellen naar het land dat vroeger tot
Schokland heeft behoord, maar later door de stormvloeden is
weggespoeld. In dit onderzoek speelt de heer P. J. R. Modderman, van
het Bodemkundig
laboratorium te Kampen welke is belast met de onderzoekingen naar en
de studie van de in den Noordoostpolder gedane vondsten een
belangrijke rol. Men heeft reeds ontdekt dat er nog iets is te
bespeuren van de kavelslooten van voormalige Schokker grond. Voorts
worden er palenrijen gevonden welke eenmaal het toen nog grootere
Schokland tegen destormen trachtten te beschermen Interessant is ook
de vondst van een nog geheel gaaf middeleeuwsch kogelpotje.
|



Natuur Historisch Museum.
Schokland.

Zuidpunt van Schokland.
Home
|