Volendam.

Door de Hr. Jaap Smit, te Volendam.

 

Geredigeerd door, Roelie Spanjaard Visser. www.spanvis.nl

Dhr. Jaap Smit, uit Volendam, heeft prachtige foto's ter beschikking gesteld van Oud-Volendam en zijn belangrijke inkomstenbron de visserij. Vele foto’s zijn van voor 1932, dat is te zien aan de beun van de haven, die nog berekend was voor het tij van eb en vloed.

Herkend U personen op de foto? of heeft U aanvullende tekst? wilt U dit dan a.u.b. doorgeven? dit kan via Jaap Smit of via deze site

 

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |

 

 

Historie.

Volendam heette oorspronkelijk Vollendam. Oorspronkelijk kwam hier de E of IJe, waaraan de plaats Edam lag, in de Zuiderzee. In 1357 groeven de Edammers een kortere verbinding tussen het Purmermeer en de Zuiderzee. Daarna werd voor de oude haven van Edam een dam aangelegd en de oude haven werd dichtgemaakt; vandaar Vollendam. Al snel vestigden zich hier boeren en vissers.

Tegenwoordig is Volendam een plaats met zo'n 22.000 inwoners die nog steeds fors groeit. De toeristen komen van heinde en ver op zoek naar lang vergeten klederdracht en vissersboten. Daarnaast vinden ze ook souvenirwinkeltjes aan de haven en een boot die hen naar Marken kan brengen. En een bevolking die zich qua gebruiken en modebeeld onderscheidt van de rest van Nederland middels onder andere een kenmerkend dialect, het Volendams. Daarnaast is Volendam historisch gezien altijd een zeer Rooms-katholiek dorp geweest in een verder veelal protestantse omgeving. In vroeger tijden was het dorp bekend omdat het het hoogste aantal Nederlandse missionarissen en priesterroepingen per vierkante kilometer kende. Door de secularisatie en ontkerkelijking loopt echter ook in Volendam het kerkbezoek terug. In de laatste jaren kwam echter wel een revival, zo berichtte De Groene Amsterdammer over de oplevende Maria-devotie rond de kapel van het beeld Onze Lieve Vrouw van het Water van de Rooms Katholieke Hille Kok.

Feesten.

Kermis: Het beroemdste feest in Volendam is de Kermis (4 dagen), dat elk 1ste weekend van september plaatsvindt. Op de dijk wordt veel gefeest en in het centrum van het dorp staat een groot aantal attracties.

Volendammer weekend: Elk jaar in juni. Het gezelligste weekend van Volendam met vele bezienswaardigheden. Vele Volendammers dragen dit weekend originele klederdracht en overal worden oude ambachten getoond. Ook zijn er vele optredens van lokale band's in de vele kroegen die Volendam rijk is. Palingrook wedstrijden, zeilwedstrijden, braderie, markt, turn demonstraties en een prachtige kunstroute door het Doolhof (oude gedeelte van Volendam)

Klederdracht.

De Volendamse klederdracht is zeer bekend en vervult in reclame en Holland-promotie vaak de rol van "nationale" klederdracht. Het meisje in Volendammer klederdracht is het herkenningsbeeld, het symbool van Nederland, en is zelfs uitgegroeid tot een clichébeeld. Met de molen, de klompen en de kaas is het beeld compleet.

Volendam Kunstenaarsdorp.

In de decennia aan het einde van de 19e, en het begin van de 20e eeuw heeft Volendam zich ontwikkeld als een echt Kunstenaarsdorp. In die periode bestond in het dorp een gemeenschap van Kunstenaars met als kern Hotel Spaander. Het vissersleven langs de kust van de Noordzee en langs de Zuiderzee leverde een rijkdom aan inspiratie op. De havens, de schepen, de huizen, de vissers hun vrouwen en hun kinderen in traditionele dracht, de gebruiken – dit alles betekende een ontdekkingstocht voor kunstenaars afkomstig uit Engeland, België, Duitsland, Italië, Frankrijk, Spanje en de Verenigde Staten. Hun schilderijen, hun tekeningen en hun reisnotities namen ze veelal weer met zich naar hun vaderland, maar er was één plaats waar hun werk met nadruk werd verzameld; het hotel Spaander in Volendam.

 

Eén van de schilderijen die in Hotel Spaander hangt.

 

Hotel Spaander.

Al ruim 125 jaar geleden begon de toenmalige eigenaar Leendert Spaander met het aanleggen van een verzameling van werken van zijn prominente gasten – een verzameling die nog steeds een groot deel van het hotel en het restaurant siert. Ook wanneer de schilderijen buiten de gebruikelijke context van het hotel en de gelagkamers worden gedacht blijft het een uitzonderlijk verzameling, niet alleen als een historisch fenomeen, maar ook om de kwaliteit van de kunst en de diversiteit aan kunstenaars. Het moet gezegd; Leendert Spaander en zijn vrouw deden er dan ook alles voor om het de kunstenaars naar de zin te maken. Het gastvrije uithangbord met de tekst: "Artist kom binne" hing er niet voor niets. Spaander zorgde voor een goed onderkomen, met degelijke maaltijden, maar bovendien was er een Volendams interieur in het hotel ingericht waar kunstenaars hun modellen in klederdracht konden laten poseren. Er was een goede verbinding met Amsterdam, zodat de reis met Volendam een niet al te zware onderneming was. In een tijd waarin het reclamevak nog in zijn kinderschoenen stond, maakte Spaander met zijn dochters gehuld in Volendammer klederdracht promotiereizen naar het buitenland om aandacht op zijn etablissement en op Volendam te vestigen. Volendam werd een onderdeel van de droom van Holland – een land waar het leven goed was, te midden van een Europa dat zienderogen veranderde in een aantal geïndustrialiseerde landen met moderne metropolen.

Het gezin Spaander.

Leendert Spaander is in 1855 geboren als zoon van Janbaas Spaander de zeilmaker. Hij bleek al vroeg een "talenknobbel" te hebben. Na de lagere school bezocht hij een aantal jaren de Franse school en hij kwam regelmatig in Engeland. Hierdoor sprak hij Frans en Engels. Maar hij sprak ook Duits. Dit, met zijn commerciële inzicht en belangstelling voor de schilderskunst, heeft hem in staat gesteld zijn Hotel Spaander tot het centrum van de Volendamse schilderskolonie te maken.

Leendert trouwde in 1876 met Aaltje Kout, een boerendochter uit Warder. Hij is dan 20 en zij 19 jaar oud. Het paar krijgt 10 kinderen waarvan er 9 volwassen worden. Zeven dochters en 2 zonen. De dochters zullen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van Hotel Spaander. Hoe belangrijk kunst is binnen het gezin blijkt uit onderstaande lijst. Drie kinderen zijn genoemd naar kunstenaars die bevriend waren met het gezin. Drie dochters trouwen met kunstenaars. Een Duitser, een Fransman en een Nederlander.

De tien kinderen van het gezin Spaander waren:

1. BETTY (Elisabeth) 1876-1972,

2. WILLEMIEN (Willempje) 1879-1959,.

3. ALIDA (Aaltje) 1881-1952,

4. TRINETTE (Trijntje Margaretha) 1883-1974, gehuwd met de Franse kunstschilder Augustin HANICOTTE.

5. JAN SPAANDER 1885-1958,.

6. PAULINE (Klazine Pauline) 1887-1918 (genoemd naar Paul Rieth), gehuwd met de Duitse kunstschilder Richard Wilhelm Georg HERING. Uit dit huwelijk: Dorothea HERING, geboren op 12-1-1915, overleden te Volendam op 10-10-1920. Dorothea is door haar stiefmoeder vermoord, die later in de gevangenis zelfmoord pleegde.

7. HERMIEN (Johanna Hermina Carolina) 1889-1972

8. CONNY (Constance Mary) 1892-1921 (genoemd naar mevrouw Constance Mary Hunter, de vrouw van de kunstschilder George Hunter), gehuwd op 8-1-1919 met de Nederlandse kunstschilder Wilm WOUTERS.

9. RUDOLF (Leendert Rudolf) 1894-1950 (genoemd naar de kunstschilder Rudolf Gudden),

10. PETRONELLA (Pietertje Hille) 1896-189

De "kunstenaar-schoonzonen"

Hotel Spaander was het centrum van de ‘kunstenaarskolonie" Volendam. De zeven dochters van Spaander die in Hotel werkten, en ook regelmatig model stonden, waren hiervan onderdeel. Het is daarom niet verwonderlijk dat drie dochters met een kunstenaar zijn getrouwd. Drie kunstenaars van naam uit drie verschillende landen. Een Fransman, een Nederlander en een Duitser hebben, met succes, de hand van een dochter van Spaander gevraagd. Hieronder de drie kunstenaars wier werk nog steeds ruim is vertegenwoordigd in de collectie Spaander.

Augustin Hanicotte (1870-1957), echtgenoot van Trinette.

Augustin Hanicotte is in 1870 geboren te Béthune in Noord-Frankrijk, Hij was het 13e van 17 kinderen. Omdat hij op zijn 13e jaar wees werd, is hij opgevoed door zijn oom die hem aanmoedigde zijn artistieke gaven te ontwikkelen. In Parijs werkte hij samen met Toulouse Lautrec, Theophile Alexandre Steinlen en studeerde hij bij Fernand Cormon.

Op 21-jarige leeftijd gaat hij naar Parijs om zich aan te sluiten bij een groep kunstenaars die de Nabis worden genoemd. Gauguin was één van hen. Kenmerkend voor de Nabis was hun kleurbehandeling: ze werkten in grotere kleurvakken, veelal duidelijk door lijnen gescheiden. Perspectief was ondergeschikt aan het effect van de kleuren ten opzichte van elkaar. In 1899 komt Hanicotte naar Holland en ontdekt daar Volendam. Hij neemt zijn intrek in Hotel Spaander om daar in één van de ateliers achter het hotel te gaan schilderen. Een aantal vrienden uit Frankrijk, onder wie Lucien Lièvre, Emile Wery, en Jules Adler, volgen hem en bezoeken ook Volendam om er te werken. Augustin Hanicotte trouwt in 1914 met Trinette Spaander. In 1916 tijdens de watersnood gaan veel van zijn schilderijen verloren. Dit heeft een grote invloed op hem. Hij verlaat samen met zijn Trinette, vooral vanwege zijn gezondheid, Volendam nar zuiden van Frankrijk. Hanicotte overlijdt in 1957 te Narbonne. Hanicotte’s werk is tijdens zijn leven geëxposeerd in heel Europa, Amerika, Canada en Japan. Na zijn dood is het minder bekend geworden, maar de laatste jaren ontstaat weer meer belangstelling voor zijn werk.

Georg Hering (1884-1936), echtgenoot van Pauline.

Georg Hering, geboren in Aurich in Noord-Duitsland, woonde en werkte in Hamburg. In Volendam vinden we de eerste sporen van hem in het gastenboek van Hotel Spaander. Hij werd verliefd op Alida, die niet op zijn avances is ingegaan. Haar jongere zuster was wel in hem geïnteresseerd. Pauline Spaander vond het portret van haar, geschilderd door Georg Hering, prachtig en het duurde niet lang of Georg en Pauline gingen samen wandelen. Georg schilderde een heel klein schilderijtje van een haarspeld, die dwars door zijn visitekaartje van Georg Hering was geprikt. Een haarspeld was destijds een bewijs dat je met een meisje was uitgeweest. Het schilderijtje is nog steeds te zien in het hotel. Hun huwelijk werd in de trouwzaal van Edam gesloten in 1912. Ze kregen in 1915 een dochtertje, Dorothea. Hun huwelijk duurde helaas slechts zes jaar; Pauline stierf in 1918 aan de Spaanse griep. Georg maakte kort na haar dood twee van de meest ontroerende meesterwerken uit de collectie van Spaander: in 1918 schilderde hij zijn dochtertje Dorothea met pop en in 1919 schilderde hij het grote schilderij ‘Happy Family’ (beide schilderijen zijn te zien in Hotel Spaander).

Hering ging in 1919 terug naar zijn geboorteland, waar hij na korte tijd hertrouwde. Daarna keerde terug naar het vissersdorp, waar hij een groot huis met atelier recht tegenover de haven kocht. Echter veel geluk was hem niet beschoren. Net terug in Volendam voltrok zich in zijn nieuwe gezin een drama. In 1921 stond hierover in ‘Het Nieuws van de Dag’ het volgende verslag te lezen: "Begin februari 1921 gonsde het in Volendam en Edam van verhalen over de op 3 februari door de Haarlemse rechtbank te behandelen zaak tegen Elisabeth Antonia Lasalle. Zij was geboren te Hauthem in Duitsland op 3 juni 1890 en was nu gedetineerd in het huis van bewaring, beschuldigd van moord op haar stiefkind. Volgens de dagvaarding stond zij terecht voor het feit dat zij te Volendam op of omstreeks 10 oktober 1920 opzettelijk en na in kalm overleg en in rustig beraad het besluit genomen te hebben, de vijfjarige Dorothea Hering te vermoorden. De verdachte heeft het kind krachtig aangegrepen en daarna in een waterput geduwd, gestoten of geworpen, waarin tot op een hoogte van ongeveer twee meter van de bodem af water stond. Ten gevolge van deze handeling is Dorothea Hering in het water gevallen en door verdrinking om het leven gekomen. In deze vreselijke zaak waren dertig getuigen gedagvaard. In de tweede plaats werd haar ten laste gelegd, dat zij opzettelijk het meisje met een scherp voorwerp tegen het hoofd had geslagen, waardoor zij tot bloedens toe werd verwond."

De tweede vrouw van Hering, de stiefmoeder van Spaanders kleindochter, is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Ze pleegde in de gevangenis zelfmoord.

Wilm Wouters (1887-1957), echtgenoot van Conny

Wilm Wouters, geboren in Den Haag, woonde en werkte in Amsterdam en van 1918 tot 1925 in Volendam. Hij studeerde aan de rijksacademie te Amsterdam (1909-1914), waar hij gedurende vijf jaar les nam bij Nicolaas van der Waay en Anton Derkinderen. Vooral zijn werk van Volendammers in kerkbanken is illustrerend voor het grote talent dat hij was.

Wilm Wouters wordt verliefd op Conny Spaander kort na zijn aankomst in Volendam. Al snel op 8 januari 1919, de Eerste Wereldoorlog is net beëindigd, trouwen ze en in datzelfde jaar wordt hun eerste zoon geboren: Wilm Wouters, junior.

 

Zuiderzeevisserij.

Aanvankelijk diende de visserij op de Zuiderzee om de omwonende bevolking te voeden. Vanaf 1800 werd het afzetgebied groter en werd de Zuiderzeevisserij economisch belangrijk voor Nederland. In dezelfde periode begonnen ook de Zuiderzeevissers op de Noordzee te vissen vanuit Urk, Volendam en Huizen. Al snel veroverden de Zuiderzeevissers de bevoorrading van Amsterdam van de kustdorpen, zoals Egmond aan Zee. Een belangrijke stimulans was de opening van het Noordzeekanaal. Al snel lagen de botters uit Urk, Volendam en Huizen voor de sluizen. Vanwege deze grote belangstelling werd er in IJmuiden een visserijhaven aangelegd. Deze haven was ook bereikbaar voor de loggers en de bommen van Vlaardingen, Scheveningen, Katwijk en Noordwijk. Rond 1900 waren er circa 2000 vissersschepen op de Zuiderzee. Het betrof meestal kleine vissersbedrijfjes met één schip per gezin. De vissers gebruikten schepen die nogal in grootte varieerden, van punters tot grote botters. Volendam had qua tonnage de grootste vloot op de Zuiderzee, daarna volgden de vissersvloten van Huizen en Urk.

In de Noordzeevisserij kwamen rond 1900 kapitaalkrachtige bedrijfsvormen op, die die van de vissers van de Zuiderzee dreigden te overvleugelen. Vooral de nieuwbouw van stalen (stoom)loggers maakte het mogelijk voor een constante aanvoer van verse vis te zorgen. Hierdoor daalden de besommingen van de Zuiderzeevissers en werden ze verdreven van de Noordzee. Alleen Urk heeft zich met geweldig veel moeite en opofferingen staande kunnen houden op de Noordzee. De steeds serieuzere plannen voor afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee weerhielden de vissers er echter van om investeringen te doen en hun schepen te vernieuwen. Toen in 1920 de Zuiderzeewerken begonnen, was het met de Zuiderzeevisserij zo goed als gedaan. De Tweede Wereldoorlog bracht nog een kleine opleving, doordat wegens de voedseltekorten vele oud-vissers met hun opgekalefaterde schepen met een noodvergunning weer gingen vissen.

Er waren veel soorten vissersschepen. De wijze van vissen, de omstandigheden in het vaargebied en de traditie in de plaatselijke scheepsbouw bepaalden het uiterlijk van de schuiten. Het bekendste type is de botter, andere types waren de bons, blazer, kwak, aak, punter, haringschuit, schouw, pluut en schokker.

Bron: Wikipedia.

 

Dhr. Jaap Smit verteld in aanvulling op het begeleidend artikel van Wikipedia het volgende:

"In het begeleidend artikel van Wikipedia is de familie Spaander prominent aanwezig, het is waar dat oude Leendert veel heeft betekent voor Volendam. Hij liet de kunstenaars hun verblijf betalen met schilderijen.

Vandaar dat het hele Hotel Spaander vol hangt met schitterende schilderijen van en over Volendam. (Op de volgende fotopagina zijn dat de gekleurde foto's)

Zijn dochters zijn toen ook getrouwd geraakt met nu beroemde namen als George Hering, Augustin Hanicotte en Willem Wouters.

Ook in mijn familie van moeders kant hebben we wat te danken aan de fam. Spaander, mijn overgrootvader en overgrootmoeder (de bap en bes van mijn moeder), waren zetbaas in het oude café aan de haven, recht voor het havengat, te zien op één van de foto’s waarop ook de oude (achterzijde) visafslag staat. Het was in die tijd nog zo dat er zand op de vloer werd gestrooid. Boven in het dak waren grote ramen voor lichtinval voor het atelier van de kunstenaars. Mijn grootouders mochten de zaak kopen en in 1955 heeft mijn opa (bab) daar een nieuw café laten zetten, want het oude hing echt aan elkaar. Mijn opa en oma waren ouders van een gezin van 18 kinderen, 17 + 1 thuishaler. De ouders van de jongen (in burgerkleding – zie gezinsfoto familie Schilder (de Bok) waren beide jong gestorven en het gezin werd verdeeld onder de broers en zusters. Ome Evert werd opgenomen door mijn bap en bes, maar was van geboorte af doof en mocht - heel uitzonderlijk – van mijn grootouders buiten Volendam in Brabant naar het doveninstituut om daar een vak als kleermaker te leren, vandaar de burgerkleding.  Op de foto de eerste negen van 18 stuks, waarvan mijn moeder de oudste is (in het midden bovenaan). Op Volendam zoals wij zeggen, hebben we allemaal een bijnaam om de families uit elkaar te kunnen houden, we zeggen dan ook als we iemand niet direct kennen “van wie bin je er ientje?”".

 

Gezinsfoto familie Schilder (de Bok)

 

Volendam Historie.

 

1219

Hoe Edam en Volendam aan hun wapens kwamen

 

 

Hoe oud Edam en Volendam precies zijn weten we niet en hun ontstaan is met de nodige mysteries omgeven. Zoveel is zeker: de naam van beide nederzettingen is ontleend aan het riviertje de IJe dat bij het latere Volendam in de Zuiderzee stroomde. Over de wapens van beide plaatsen kan het volgende worden verteld.

Het is een legende, maar toch: burgers van het middeleeuwse Edam zouden in 1219 op een kruistocht de Haarlemmers te hulp zijn gekomen bij de belegering van Damiate in Egypte. Als beloning voor hun dappere optreden mochten de Edammers van de Duitse keizer drie sterren in hun wapen opnemen.

Aan de oorsprong van het Volendamse wapen – een veulen met een botje aan de linker voorpoot – is eveneens een mythe verbonden. Iedere avond kwam er bij het dorp een veulen uit de Zuiderzee aan land dat een botje meenam. Het visje werd door enkele meisjes steeds afgepakt, in ruil voor een mandje met gras en kruiden. Op een gegeven moment nam het veulen één van de meisjes mee in zee, en het verhaal wil dat er nooit meer iets van haar is vernomen.

 

1462

Volendam op de kaart

In dit jaar wordt Volendam voor het eerst genoemd. Niet meer dan een paar huizen aan de dijk. De gezinnen leven van de visserij en de veeteelt. De Volendammers van het eerste uur zijn vooral boeren; de vis komt op de tweede plaats.

1570

Allerheiligenvloed

 

Edam 1560: de Purmer is nog een meer.

 

De beruchte Allerheiligenvloed van 1 november. De dijk bij Volendam breekt door en een groot stuk land met enkele woningen verdwijnt in zee. Bijna alle zeedijken lopen over of breken door.

1631

Volendammer Meer droog

Volendam ontvangt octrooi voor het bedijken en droogmalen van de Voor IJe of Volendammer Meer. De Volendammer vissers zijn hierdoor hun binnenwater en binnenhaven kwijt. Vanaf die tijd strijden de Volendammers om een goede haven, waarin zij hun vissersschepen veilig kunnen meren.

1657

Gereformeerde kerk in Volendam

Volendam is in deze tijd nog overwegend katholiek. Van de nog slechts tussen de twintig en dertig huisgezinnen is een aantal echter gereformeerd en deze mensen willen graag een eigen kerkgebouw en een school. Een jaar later al mogen zij met de bouw in het westeinde van Volendam beginnen.

 

Gereformeerde kerk in Volendam (Cornelis Pronk 1728)

 

1661

Nieuwe buitenhaven Volendam

De eerste buitenhaven te Volendam wordt aangelegd. Tussen het voorland bij het Noordeinde en het ‘Slobbeland’ bij het Zuideinde plaatst men twee rijen houten palen met daartussen in het midden een opening naar de Zuiderzee. Hier hebben de Volendammer visschuiten een veilige ligplaats.

1700

Volendam onder water

 

Edam 1743.

 

Overstromingen in Volendam, zes woningen verdwijnen in zee.

1710

Haven Volendam vergroot

De haven van Volendam wordt voor de tweede maal vergroot.

1750

Visserij Volendam floreert

Door de verzilting van de Zuiderzee, bloeit de visserij van Volendam op. In die tijd telt het dorp ruim vijfhonderd inwoners. Op de Zuiderzee wordt zo veel schol en bot gevangen, dat de vissers nauwelijks hun netten boven water kunnen halen

1783

Volendamse haven weer groter

De haven van Volendam wordt voor de derde maal vergroot en wordt nu omringd door een aarden wal die met keien en puin verstevigd is. Deze buitenhaven is dan groot genoeg voor de honderd Volendammer .

1796

Volendam onder water

 

1825

Waterland onder water

Als gevolg van een hevige februaristorm bezwijkt de zeedijk bij Durgerdam waardoor Waterland onder water loopt. Ook Edam en Volendam lopen onder, hoewel de mensen in Middelie en Akswijk nog veel slechter af zijn. Zij vluchten naar Edam en brengen hun vee in de kerken in veiligheid.

1848

Ziekenkapel Volendam

 

Edam-Volendam 1866: alleen de "oude kommen" (Detail van kaart Hugo Suringar)

 

Op 28 juli 1848 krijgt Volendam een kapel op de dijk, waar de zieken en bejaarden naar toe kunnen gaan. De overige katholieken gaan nog steeds lopend naar Edam ter kerke.

1858

Schokkers naar Volendam

Op 16 december 1858 besluit de regering tot ontruiming van het eiland Schokland, waarna in de loop van het jaar 1859 verscheidene Schokkers zich vestigen in Volendam, in totaal circa 100 personen.

1860

Eerste Katholieke kerk Volendam

Volendam wordt een zelfstandige parochie. Op 1 december 1860 wordt de eerste Katholieke kerk te Volendam ingezegend door pastoor Heuvels.

1868

Noorderhaven Volendam gedempt

Vanwege voortdurende dichtslibbing wordt dit havendeel afgedamd met het Havendijkje en gedempt. Daarbovenop worden o.a. gebouwd een slagerij en de latere hotels Spaander en Van Diepen.

 

Volendam 1916: dijkdoorbraken zorgen voor een watersnoodramp, in Volendam, in Edam, en ver daarbuiten.

 

1906

Spoorlijn Kwadijk - Volendam

 

Volendam 1925: een grote visserijvloot en spoorlijn.

 

Een nieuwe spoorlijn verbindt vanaf 1 mei Volendam via Edam met NS-station Kwadijk, en dus met de treinverbinding Hoorn - Amsterdam. Zo kon de Volendamse vis in korte tijd naar Amsterdam en andere steden toe.

1916

Watersnoodramp in heel Waterland

Verschillende doorbraken van de Zuiderzeedijk op 14 januari. Ook de Volendammermeer staat blank, net als grote delen van Waterland.
De plannen voor de Zuiderzeewerken van ir. Lely worden hierna metterdaad uitgevoerd, zoals de aanleg van de Afsluitdijk.

1932

Zuiderzee wordt IJsselmeer

De Afsluitdijk is op 28 mei een feit. De visserij rond het IJsselmeer is ten dode opgeschreven. In Edam wordt een Ambachtschool gebouwd voor (om)scholing van de jeugd uit Volendam, Marken en Monnickendam.

1965

Zeddeweg klaar

Dankzij de nieuwe Zeddeweg hoeven de Volendamse automobilisten niet meer via de kronkelige dijkwegen naar Edam of Katwoude, en verder.

1975

Edam-Volendam

Al rond 1920 had Volendam Edam ingehaald waar het betreft de bevolkingsaantallen. Ruim vijftig jaar later resulteert dat in een naamsverandering van de gemeente. Edam werd Edam-Volendam.

1987

Stadskantoor in Volendam

Het splinternieuwe stadskantoor in Volendam wordt in gebruik genomen. Het oude stadhuis in Edam krijgt een meer ceremoniële functie.

 

V.l.n.r. Tames Sier, Hein Plat en Jan Stok.

 

Nationale Klederdrachten: Volendam.

 

Bladerend in de fotoalbums van Oud-Volendam van de oprichter van de Nivo, Bruin Schilder, kwamen we een boekje tegen dat begin vorige eeuw is uitgegeven waarin de Nationale Klederdrachten behandeld worden. Het boekje is indertijd geschreven door R.W.P. de Vries jr. en het is gelardeerd met vele foto's van Volendam. In de oude spelling is het geschreven. De tekst wordt wat aangepast geplaatst, zodat het beter leesbaar is. Niet alleen de Volendamse klederdracht wordt beschreven, ook het ontstaan van het wapen van Volendam (het veulen met het botje) en gebruiken. Het artikel is geschreven in de tijd dat heel Volendam nog in klederdracht gestoken was.

"Lieve kinderen,
legt nooit uwe
schoone
kostuumpjes af
schoonere kleederen
kunt ge nooit dragen
want ze staan uw zoo
schoon, en ze
teekenen uw land,
uwe natie. Houdt
uwe nationale
kleeding in eere".

Zo sprak Mr. Jan van Rijswijck, de sympathieke burgemeester van Antwerpen, tot de Zeeuwse meisjes, bij de herdenking van de 300-ste sterfdag van Marnix van St. Aldegonde te West-Souburgh. En wat in het bijzonder van toepassing is op de kleding die we in Zeeland aantreffen, geldt gelukkig nog van meerdere streken in ons land: uw kostuumpjes, "ze staan u zo schoon en ze tekenen uw land en uw natie". Waar de mode uit Frankrijk of Engeland of Engeland alle mensen, in welke verschillende omstandigheden zij ook leven, aan welk klimaat, aan welke zeden en gewoonten zij ook gebonden zijn, toch naar één snit tracht te vervormen, daar blijven er gelukkig nog delen van ons land over waar haar heerschappij niet zegeviert, en die door tradities getrouw, hun kleding behielden zoals hun vaders en voorvaderen die droegen, zonder zich te storen aan de wisselingen van "coupe" of "snit", zonder zich te moeten voegen naar wat zeer "gewild" is of zeer "in de smaak" valt.

En als we onze eigen kleding eens aanzien, waarvan de vorm, kleur en stof door mannen van het vak wordt aangegeven, hoe gaarne zouden wij het dan niet anders wensen en ons terugdenken in de zwierige kledij van de zeventiende eeuw en afleggen de lange jassen, waarvan de panden u bij het zitten slechts hinderlijk zijn, de stijve boorden en overhemden, de onmogelijke hoofddeksels...Al bent u nu nog niet direct overtuigd van de ondoelmatigheid van de hedendaagse kostuums, wat trouwens volstrekt mijn plan niet is te betogen, toch is de sierlijkheid, schoonheid en deugdelijkheid van vroegere kleding onmogelijk weg te cijferen. De wijde pofbroeken, de ruime wambuizen, de zwierige hoeden, de schoenen met zilveren gespen en wat al niet meer.

Maar helaas, deze tijden, we zouden haast zeggen "goede tijden", zijn verdwenen. Al sprak Vondel al van "een nieuwe snof met elcke nieuwe mane", toch kan dit niet in vergelijking komen met de zucht naar verandering en telkens wat nieuws, die ons dwingt tot minder degelijke stof, tot kleding die men een volgend jaar niet weer dragen kan omdat ze dan reeds weer "uit de tijd is".

En daarom heeft onze kleding geen eigen karakter meer, is geen gevolg meer van onze zeden en gewoonten, gaat niet samen met de verschillende ambachten en beroepen, is geen uitvloeisel van onze nationaliteit. Gelukkig dat hiet tegenover nog in enkele afgezonderde delen van het land, meest ver van de grote steden verwijderd en soms haast ongeloofelijk dichtbij, maar dankzij de geïsoleerde ligging van vreemde smetten vrij gebleven, de bewoners hun nationale kleding, zeer nauw verwant aan de geaardheid van het volk, aan hun levenswijze en beroepen, bewaard hebben. Als om ons te laten zien hoe met de schoonheid van onze gebouwen, meubelen en huisraad, ook de schoonheid van onze kledij verloren is gegaan, om plaats te maken voor de uniformjas der mode.

Vorm en kleurenpracht.

Want ze zijn niet alleen typisch of eigenaardig, de kleding van ons landvolk, de kostuumpjes van de Zeeuwse meisjes, de rijlijven van de Markers, de blempies en hullen van de Volendammers; ze zijn beslist schoon, in hun vorm en kleurenpracht. En vele dames weten wel, hoe hun het fluwelen jakje, de kleurige beuk en de geplooide kap, der Zuid-Bevelandse flatteert, en zij tooien er zich bij voorkeur mee als ze ter maskerade en bals-masqué gaan; maar waarschijnlijk zullen zij er nooit aan denken hoe vroeger deze drachten zeer algemeen waren en hoe evenals thans nog, voor een groot deel, die zucht om anders te schijnen dan men is, de mensen er toe gebracht heeft hun eigen kleding vaarwel te zeggen en zich te steken in het pak dat een ieder draagt. Dat men uit Parijs laat komen om het allernieuwste te bezitten en dat men zich daarom dan ook dwingt mooi te vinden. Omdat ook hierin een zuiver gevoel voor schoon is verloren gegaan en plaats heeft gemaakt voor tentoonspreiding van een begrip van rijkdom door veelheid aan strikken en lintjes.

 

Ouwe Klepper, de Klepperse en de kleine Kleppertjes.

 

Op deze foto staat als klein meisje Grietje Plat (van de Ruiter) geb. 1888. De baby die Oude Kleppertje vasthoudt is Aaltje Koning, later getrouwd met Cor van Keisie . Grietje was daar een thuishaler, omdat haar moeder toen net was gestorven. Later, toen haar vader Kake Plat hertrouwd was, mocht ze weer thuis komen wonen. Op 11 jarige leeftijd werd ze al als kindermeisje bij een familie in IJmuiden verhuurd, ze moest dus heel jong de deur uit. De "kinderen" waar ze op moest passen waren  ouder dan zijzelf.

 

Vele klederdrachten.

Ook de kleding van de Markers bijvoorbeeld heeft haar rijkdom in kleur en garnering. Maar deze is niet een vinding van een of andere costumière, ze is aan vaste wetten verbonden en alleen een bijzonder teken voor feestelijke stemmingen. Daar draagt men het rijglijf met de zeven sterretjes, het bijzonder geplooide voorschoot, "het witje", en meer dergelijke zaken, die samengaan met bepaalde gebeurtenissen en ook slechts nog aan enkele oude families toebehoren, die ze bij dergelijke gelegenheden aan elkaar uitlenen. Hier is het kostuum vereenzelvigd met de tradities en ieder verandering hierin heeft haar bepaalde betekenis, zoals in Japan de kleur der kimono afhankelijk is van rang en stand, en in Indië de patronen van de sarongs voor ingewijden hun bepaalde symboliek hebben, in verband met degene die ze draagt of de gelegenheid waarbij men ze aanbiedt. Op die wijze vormt de kleding een deel van het leven wat men van het hedendaagse gewaad niet zeggen kan. De rok van de dienaar en van hem die zich op zijn fijnst ter avondpartij heeft uitgedost, verschillen weinig.

En waar men thans met de reformkostuums in de eerste plaats de gezondheid beoogt, daar zou men zich eveneens wel mogen verenigen om te trachten eens meerdere schoonheid in kleding terug te krijgen. Want al zijn de volksdrachten dan ook niet altijd uit een sanitair oogpunt bepaald aanbevelenswaardig en zijn ze niet steeds zoals de Duitse esthetiker Visscher het uitdrukte "de echo der gestalte" toch gaat er een zeer bijzondere bekoring van uit, die landgenoot en vreemdeling frapperen moet. Als wij over onze nationale klederdracht schrijven, dan kan het slechts een greep zijn uit de talrijke variaties die men in ons kleine landje nog aantreft.

Want als men alleen nagaat dat bijv. in Zeeland bijna iedere gemeente door haar kleding, meest in kleinere wijzigingen van de muts van haar nabuur verschilt, dat bijv. in Friesland behalve het gewone kostuum, enkele plaatsen als Hindeloopen er nog een speciale kleding op na hielden, dan begrijpt men allicht dat een uitvoerige beschrijving van al deze varianten en hun verschillende onderdelen, teveel plaatsruimte en van u wellicht wat veel geduld zou eisen.

Volendam een eigenaardige klederdracht.

Laten we dan beginnen met wat het dichtst in de buurt van Amsterdam uitgerekend wel te verstaan, te bereiken is en dat toch voor velen geloof ik nog een onbekend oord vertegenwoordigt. Ik bedoel namelijk Volendam, dat evenals Marken, hoewel dichtbij Amsterdam gelegen, nog zijn eigenaardige klederdracht bijna geheel bewaard heeft. Marken, of liever de Markers, kunnen op meer bekendheid zich verheugen, zijn zelfs als "Trien en Bram" de hoofdpersonen in bruiloftsgedichten. Maar hoewel betrekkelijk nog meer in de bewoonde wereld, is Volendam bij velen niet meer dan een naam waaraan men een gedachte van visvangst verbindt, maar van welke ligging en nog minder van welke bevolking men geloof ik niet veel notie heeft.

Hoe te bereiken.

Laat ik u dus eerst even inlichten, zo dit nog nodig is, hoe men het bereikt om u daarna aan zijn bewoners en hun kleding voor te stellen. Evenals er vele wegen naar Rome voeren, zo leiden er vanuit Edam, dat men per stoomtram verreweg het gemakkelijkst bereikt, een drietal wegen naar dit schilderachtigste vissersdorp, naar Volendam of eigenlijk volgens de meest gebruikelijke naamsafleiding Vollendam.

De meest gewone weg, het Vollendammer pad, brengt er u in ongeveer een half uur, terwijl men zich er ook bovendien per schuitje heen kan bewegen, dat o gruwel der beschaving, door uw medemens getrokken wordt.

 

Het moet echter gezegd, dat men in de roef van een dergelijk vaartuigje, wel vast in de vereiste stemming komt voor wat u te wachten staat. Behalve deze rechtstreekse verbinding met Edam, bestaat er tussen de weilanden door, een pad, dat hoewel het echter niet spoediger tot het doel geleidt, de veelzeggende naam van "Het Gouwtje" draagt, terwijl men tenslotte zowel van Monnickendam als van Edam langs de Zeedijk het dorp kan bereiken.

 

Bruin van Poe Jentje.

 

Het ontstaan van Volendam.

Hoe dit dorp langzamerhand ontstond, de sage zal het u vertellen, al hechten de geschiedkundigen  hier geen geloof aan. Al zullen ze U zeggen dat 'Volendam' eenvoudig haar naam en ontstaan dankt aan  het handvest van 20 november 1357, waarbij Graaf Willem V met andere voorrechten ook de Edammers recht gaf tot het graven van een nieuwe haven, die meer direct een verbinding vormde van de stad met de Purmer en hoe deze 'volle dam' aan de zee, in tegenstelling met de oorspronkelijke 'IJe-dam'  de oorsprong en tevens haar naam aan deze nederzetting heeft gegeven.

De sage van het Veulen van Volendam.

Hoe geloofwaardig en haast wiskunstig juist deze verklaring ook is, toch zit er voor mij zoveel moois in dat eenvoudige en zinrijke verhaal van het veulentje, dat thans ook nog het Volendammer wapen siert, dat ik niet na kan laten, het hier even te laten volgen, zoals de bekende wethouder van Edam, de heer W.J. Tuyn dit in een van zijn publicaties over Edam en Volendam aantekende: "Op het buitendijks gelegen land in de onmiddellijke nabijheid van het dorp, dat slechts weinige bewoners telde", aldus luidt de sage, "waren enige Volendamse boerinnetjes op een schone zomernamiddag druk bezig met hooien. De avond begon reeds te vallen, en de opeengehoopte wolken voorspelden dat spoedig op de warmte, die de gehele dag drukkend was geweest, een zware donderbui was te wachten, zodat de deernen met de meeste ijver ingespannen bezig waren het gedroogde gras tot hopen te verzamelen, toen zich onverwacht een zeer zonderling schouwspel aan hun ogen vertoonde.

Op korte afstand toch van de oever der zee, die in het laatste uur min of meer woelig was geworden, zagen zij tot hun verbazing een veulen zwemmen, dat weldra het strand bereikte en huppelend naar hen toesprong. Door schrik gedreven vlogen de meisjes gillend naar de dijk, doch weldra had een van hen zoveel moed verzameld dat zij terugkeerde en het veulen onbevreesd tegemoet liep. Bij elkaar gekomen vlijde zich het dier, terwijl het meisje zich neerzette, aan haar voeten en schopte een levend botje, dat het met zich meevoerde in haar schoot. het meisje aanvaarde dankbaar het geschenk, dat haar op zo zonderlinge wijze werd gebracht en liefkoosde het veulen dat zeer rustig was geworden en zich dit gaarne liet welgevallen. Toen stond zij weer op en zocht was fris  en lekker gras bij elkaar waarmee zij het veulen, dat steeds in haar nabijheid bleef, voederde, terwijl zij het al strelende vriendelijk toesprak.

Intussen waren de andere meisjes, die met verwondering dit idyllisch toneeltje hadden gadegeslagen, geheel van hun schrik bekomen, en hadden zich langzamerhand allen rondom haar en het zonderlinge doch aanvallige dier verzameld. het veulen liet zich echter weinig met hen in, weerde hun liefkozingen vriendelijk af en bemoeide zich voortdurend met het moedige meisje, dat het boven alles scheen te verkiezen.

Het was en bleef steeds aan haar zijde. De wolken hadden zich onderwijl al meer samengepakt en terwijl een felle bliksemstraal de lucht kliefde, spitste het veulen eensklaps de oren, wierp onder luid gehinnik nog enige vriendelijke blikken op zijn vriendin, rende toen in allerijl naar de oever en verdween weldra in zee, op even zonderlinge wijze als het gekomen was.

Thuis gekomen, vertelden de meisjes het gebeuren en voordat de weinige bewoners zich ter ruste hadden begeven was het vreemdsoortige voorval het onderwerp van alle gesprekken. De meesten wisten niet wat er van te denken, maar plaagden het meisje met de voorkeur, die het op zo geheimzinnige  wijze verschenen veulen voor haar aan de dag had gelegd.

Enkele oude vrouwen echter schudden met veelbetekenend gebaar het hoofd en voorspelden niets dan onheil uit deze zonderlinge gebeurtenis. Lijstje, zo heette de deerne, hechtte aan deze profetieën weinig waarde, maar kon op haar legerstede gekomen, aanvankelijk de rust niet vinden en toen zij eindelijk insliep, zag zij in haar verwarde dromen telkens weer het veulen dat haar op verschillende wijze en onder allerlei vreemde omstandigheden het hof maakte.

Eens verbeeldde zij zich dat het veulen op de zolder, waar zij sliep, aanwezig was en haar vriendelijk beduidde hem te volgen, wat zij onwillekeurig deed. Aan het strand gekomen zag zij een menigte andere veulens, die haar tegemoet liepen, omringden en zachtjes in de onstuimige zee drongen. Zij schreeuwde luid, doch het haar zo goed bekende dier dat steeds aan haar zijde was gebleven, zag haar bemoedigend aan...Toen veranderde plots het toneel en zij zag een menigte schuiten met rappe varensgezellen bemand allen druk bezig met grote netten, bot en andere vissen uit zee te halen en in de schepen te bergen die weldra geheel gevuld waren.

Toen werd zij wakker en verliet haastig haar sponde om de koeien, die haar wachten te gaan melken. Enige dagen later, als zij zich weer op het 'Buitenland' in gezelschap van de andere meisjes zich bevond, verscheen het veulen nogmaals en bracht haar dit keer een grote schelvis. Ze voorzag het in dank daarvoor opnieuw van geurig gras, waarna het vriendelijke dier net als de vorige keer in zee verdween. Meermalen herhaalde zich dit voorval totdat haar gezellinnen, die reeds aan de verschijning gewoon waren geraakt, op zekere dag, nadat ze haar lange tijd in zijn gezelschap hadden gezien, tot hun ontsteltenis bemerkten dat het veulentje Lijstje op zijn rug mee had genomen, zich naar de oever spoedde en met zijn vriendin in zee verdween".

Hiermee eindigt deze sage, die er ongetwijfeld op doelt, hoe de oorspronkelijke bevolking, die zich met landbouw bezig hield, al spoedig op de zee haar geluk ging beproeven en met de visvangst, die thans haar voornaamste middel van bestaan uitmaakt, mede in haar onderhoud trachtte te voorzien.

(Jaap Smit verteld: "Het wapen is terug te vinden in gemeentelijke briefhoofden en vlaggen. Ook op de dijk bij Hotel Spaander, hangt het boven een entree".

De mannenkleding.

De Volendamse mannen dragen wijde broeken met grote zakken. We zien bij Jan Stok en zijn makkers bergplaatsen van de ongelijksoortige zaken. Niet zelden vindt men hier messsen, touw een klein leren geldzakje, een bokkum en gedroogde schar, eendrachtig vereend met appels of ander fruit of een half onsje tabak. Waar het benedendeel van een 'ruime' opvatting getuigt, daar wordt het bovenlichaam voor zover dat mogelijk is nauw ontsloten door een 'pollekebaaitje', een toegeknoopt jasje met dubbele rij knopen en dat soms blauw, soms rood is, maar steeds een mooie gedempte kleur heeft, waarover heen men in artistieke nonchalance, zoals Jan Stok en zijn kornuiten, de boven of blauwe baai draagt.

Een variatie hierop en eigenlijk nog wel zo mooi, vertoont de zomerdracht zoals Jan Tol, meer bekend onder de naam Jan van Gatje ons dit laat zien. Hier is in de plaats van het 'pollekebaaitje' de 'streepte baai' gekomen, waarboven de gouden knopen op het halsbandje van een rode borstrok net uit komen kijken. Als overjasje draagt onze Volendammer zijn 'blempie' meestal open, maar van boven voorzien van een zilveren knoop en ketting, die hoewel voor een groot deel als sieraad, eveneens voor sluiting gebruikt kan worden. Hoewel hij op zijn zomers is, draagt hij toch zijn onafscheidelijke 'ruigie', model van onze huzarenmutsen, terzijde met groen lintjes dicht gestrikt, terwijl een 'karwats', op zijn Hollands cache-nez genaamd, zijn hals en keel tegen de invloed van weer en wind moet beschermen.

Soms, maar dan zijn ze weer min of meer op zijn burgers, is het 'ruigie' door een pet vervangen, terwijl de klompen in het dagelijkse leven wel eens bij de vrouwen haast altijd voor muilen plaats maken. Bijzondere rijkdom zit hier niet aan, maar alles draagt een degelijk, solide karakter en slechts in de broek- en halsknopen, om niet de oorringetjes die zij als haast alle visserslui dragen, te vergeten kan men hun meerdere of mindere weelde zien.

 

 

Vrouwendracht maakt een schilderachtige indruk.

Draagt de mannenkleding een bijzonder zwaar en massief karakter, die van de vrouwen en meisjes, vooral als ze op hun mooist zijn, maakt een zeer schilderachtige indruk met de halsdoekjes en mutsen. Hetgeen hun direct van anderen onderscheidt is de hul, of zoals zij het met weglating van de h steeds noemden de 'ul'. Dit is bepaald een artikel van coquetterie, om het naar boven enigszins puntig toelopende kanten mutsje met zijn wijd uistaande zijvleugels, glad en strak over de zwarte ondermuts te trekken, zodat er niets van de haren uitkomt als van achteren wat kortgeknipte eindjes, terwijl ook de oren geheel bedekt zijn. De punten moeten mooi stijf, ietwat naar boven gekruld uitstaan, waartussen het meestal ronde gezicht met de mooie grote donkere ogen dan zo goed uitkomt. Ge behoeft er Woltje Smit maar op aan te zien om tot de overtuiging te komen dat dit waarlijk schoon is. Maar evenals de boerinnetjes met hun mooie kappen, zo zijn de Volendammers ook met hun hullen nog niet tevreden, want bij feestelijke gelegenheden wordt over de hul, ja helaas het is zo, nog een los hoedje gedragen dat min of meer de vorm van het Scheveningse heeft en wat, zoals licht te begrijpen is, alles behalve tot verfraaiing van het geheel bijdraagt.

Behalve deze toevoeging ziet men nog wel hier en daar de ouden van jaren, bij wie waarschijnlijk de zeewind wat al te veel door de hul heen blaast, er een kleurige slaapmuts over heen trekken, waar dan van te voren de brede rij kant en de vleugelstukken al zeer zonderling uit te voorschijn komen. Dat ook de hul verschillende fasen doorlopen heeft, blijkt nog uit het bestaan van een zeer oud model, de zogenaamde 'boomhul', die als ik mij niet vergis nog slechts bij een drietal oudjes voorkomt, en met hen ook wel zal verdwijnen en slechts in de herinnering blijven voortbestaan.

Zij is veel groter van omvang en heeft geen losse zijstukken, zij vormt als het ware een aureool van wittigheid rondom die perkamenten gezichten. Dat de stand van de hul van de weersgesteldheid afhangt laat zich licht begrijpen, daar de punten zeer gauw slap hangen en een Volendamse die dan ook 'te gast' gaat, neemt veelal de hul in een sigarenkist mee om netjes voor de dag te komen.

Kralap en kletje.

Na de hul is het 'kralap' en 'kletje' wel het voornaamste. Het kletje is een nauwsluitend jakje van zware donkere stof dat van voren dicht gaat en aan de hals over de borst vierkant is uitgesneden. Ik geloof dat de costumière dit bij baljaponnen en dergelijke een 'coeur' noemen, maar waar dan een fraaie hals uit moet schitteren, komt hier het 'kralap' (waarschijnlijk wel kraaglijf) te voorschijn en juist hierin spreiden zij hun smaak en weelde ten toon. Van zijde, met kleine bloemetjes en ruitjes met 'krek levendige rozen', het waren papavers, of wel met een schip in volle zeilen, dat de gedachte aan de vrijer levendig houdt, of van katoen als men het niet goed missen kan met 'een diewertje' erop, variëren deze naar de smaak van de eigenaresse en zijn daardoor zelfs van een zekere mode afhankelijk, daar de winkelier, als er niet veel vraag naar is, die patronen natuurlijk niet meer inslaat.

 

 

Het kletje en de kralen.

Eveneens aan een soort mode onderhevig is het lint 'legètje' waarmee het 'kletje' omboord is. Vertoonde dit vroeger 'uisies' en 'boompies', 'skeepies' ook wel (h)'ondjes', thans hebben die plaats gemaakt voor kroontjes en sterretjes en kleine geometrische patronen wat natuurlijk lang niet zo eigenaardig meer is. Om de hals dragen zij steeds de drie rijen grote zwarte of rode kralen, met een vierkant gouden slotje dichtgemaakt. Als zij nu zeer fijn uitgaan, wordt dit alles nog door een kanten puntdoekje, waarvan de uiteinden in sierlijke plooitjes tussen het kletje gestoken worden, verfraaid en ik verzeker u dat het witte mutsje en doekje, het donkere dikwijls van voren nog met een gekleurd zijden lintje afgezette jakje, het zijden borstje en het zware halssnoer een uitstekend geheel vormen.

De rokken, want zij dragen er meestal enige, waarschijnlijk om tegenover het 'mansvolk' ook een meer stabiele indruk te maken, zijn eveneens van zware wollen stof, meestal met fraaie en rode en groene strepen versierd, en alweer om deze te beschutten draagt men grote, genre huishoudschorten, niet van Katoen maar eveneens van stof, die tot onderaan doorlopen en van boven een zijden stuk van ongeveer een paar decimeters breedte hebben, dat weer een zeer grote kwestie van smaak vormt. De voeten in muilen gestoken, ziedaar de uitdossing van een Volendamse.

 

 

 

Kinderkleding.

De kinderen dragen tot de leeftijd dat ze bij ons naar de lange rokken overgaan, en ook de ouderen als zij niet 'gekleed' zijn, in plaats van het kletje een gewoon, tot bovenaan toe gesloten jakje van gebloemd katoen en om de hals een wollen bouffante, terwijl op zondag de stoffen aanneemjurk, die ook hier gebruikelijk is, aangetrokken wordt. De jongens hebben bij die gelegenheid en wanneer ze, zoals een klein Volendammertje me vertelde 'gevurmd' worden, onder hun baaitje dat dan van voren wijd opengeslagen is, en rode revers laat zien, een wit blempje, van voren met een gehel rij zilveren knopen dichtgemaakt en aan weerskanten met zwarte figuurtjes geborduurd, waardoor ze dan een indruk als kleine Hongaren maken.

 

             

 

De afbeeldingen laten het ons helaas niet duidelijk zien. Een dergelijk kledingstuk dat met de initialen van de eigenaar getekend is, gat meestal van grootvader op vader en van vader op zoon over. Maar heel dikwijls ontbreken als de tijd dáár is, de zilveren knopen, die voor de arme Volendammer een vrij grote waarde vertegenwoordigen en plaats moesten maken in tijdens 'als God een plank over het water heeft gemaakt' en het met de visvangst gedaan is, voor meer nodige levensbehoeften. Want rijkdom, zoals men die bij onze Hollandse boeren vaak vindt, behoeft men hier niet te zoeken.

Sint Maarten.

Zij vissen deels op de Zuiderzee en keren daarvan aan het einde der week terug of verhuren zich op de loggers die vanuit IJmuiden de Noordzee bevaren en het geld dat zij dan verdienen is meestal net toereikend voor vrouw en kinderen, huishuur en andere nodige uitgaven, zodat er voor extraatjes weinig overblijft. Slechts voor een bedevaart naar Kevelaer zonderen zij wat af en een feest is het, als zij tegen de avond hiervan terugkeren en in optocht met kleurige lampions langs het Volendammerpad lopen, om in het dorp, aan eigen haard van hun wedervaren te kunnen vertellen; dagen daarna zien we de kinderen dan nog met die lampions langs de dijk en worden ze tenslotte opgeborgen en bewaard als herinneringen, om met Sint Maarten weer voor de dag te komen en onder het zingen van:

Sinter Maarten's veugeltje
Heeft een rood, rood reugeltje.
Heeft een rood, rood rokje aan.
Daar komt Sinter Maarten aan.
 
Sinter Maarten heeft een koe,
Die komt allen Heiligen toe.
Aller Heiligen heeft geslagen.
Is-ie vet of is-ie mager.
Turf in de murref
In den Maneschijn
Hoog op klompen, laag op stompen.
Bessie me Griet, ken je me niet?
 
Wie heeft buurman dronken gemaakt?
Sterven van de klokken.
Meisjes dragen rokken,
Mannen dragen broeken,
Ouwe wijven schurtel doe-oe-ken.

Sintermartesveugeltje (Sint Maarten)

 

In vreugde door hen te worden rondgedragen. Zo leven ook hier de oude gebruiken nog voort. Hier ziet men tegen Vasteavond de kinderen nog met de 'rommelpot' langs de huizen trekken en hoort men hun Vasteavondzang:

Vastenavond die komt aan
Dan gaan wij voor de spiegel staan.
Kijken we hier, kijken we daar.
Kijken we rom dom dierie.
Vrouwtje zet je nachtkiepje op,
De vrijer zal niet komen.
Komt-ie dan van-avond niet,
Dan lig je in zijn armen niet.
Dan komt Floris Jansen,
Die zal op de rommelpot spelen,
En de gek zal leren dansen.
 
En tegen de tijd dat de rietpluimen rijp zijn, klinkt het:
 
Wie mot er skerreboozen koopen?
'k Heb met mijn voeten door 't water lopen.
Achter 't veld.
Tien voor een speld.
Onderd voor een duit.
'k Loop er de eele stad mee uit.

 

 

Doch helaas, ook nieuwe kermisdeunen vinden hier maar al te spoedig ingang en verdringen deze kinderversjes, evenals de stadskleding ook reeds voor de eigen kleding der Volendammers in de plaatst treedt, voornamelijk voor die van hen, die buiten het vissersbedrijf blijven en zich dan in burgertenue steken, terwijl ook de meisjes die zich elders als dienstboden verhuren kletje en kralap tegen een katoenen jurk die deze stand kenmerkt, verwisselen: alleen van de 'ul' kunnen ze zo maar geen afstand doen en die blijft als laatste herinnering hun hoofd tooien, als overblijfsel van vroegere schoonheid.

Evenals al de nog overgebleven nationale klederdrachten ons herinneren kunnen aan de tijden dat een ieder rondliep in gewaden en kleding, die waarlijk op schoonheid aanspraak konden maken.

Tekst, bron: www.nieuw-volendam.nl

 

Boven en onder: De meisjes dragen hier een zogenaamd 'kleedje'. De rokken en lijfjes waren van hetzelfde materiaal, de mouwen en hals waren met een kanten biesje afgezet. Het gestreepte gesteven schortje heet een 'bontje'.

 

 

(Jaap Smit verteld: "In bovenstaand artikel wordt de dracht beschreven zoals deze toen was. De Volendammer kledij met name die van de vrouw, was aan mode onderhevig. In het bijzonder de 'hul', de vrouwenkap. In de loop der tijd werden stofmaterialen beter en duurder van kwaliteit, bijvoorbeeld de hul, kreeg een beetje een ander model, de 'wieken' werden meer naar boven en naar voren gesteven en geplooid en er werd veel Brussels kant gebruikt. Op Volendam, zoals wij zeggen, hebben wij een hekel aan 'ouwe rommel'. Jammer, want zo is veel verloren gegaan. Alleen in het Volendammer museum is nog te zien van het weinige van wat bewaard is gebleven. Het museum is in de zomermaanden zeer de moeite waard om te bezoeken. Elk jaar is er weer een ander thema uitgelicht uit het Volendammer verleden".

 

 

Jan Snoek, visventer met de handkar op de dijk, hij woonde op het Doolhof, je hoorde hem al van verre “waarremuh gerookte skarre”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |

Home

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.