Een tocht over de Zuiderzee in de winter van 1844-1845.

 

Oudejaarsdag 1844. Dokter Heynsius wordt handenschuddend ontvangen door burgemeester P. Nentjes en ds. Ter Plegt (hervormd). Schilderij van Valetin Bing.

 

De jonge dokter begint met de bestrijding van de ziekte, maar dit valt nogal tegen. Hij krijgt te maken met de vooroordelen die onder de bevolking leven ten aanzien van het inenten. Vooral de afgescheidenen hebben bezwaren hiertegen.
Het gelukte Heynsius uiteindelijk toch om Jacob Nentjes en zijn oom, burgemeester Pieter Nentjes, die eveneens met de afgescheidenen sympathiseerde van de noodzaak van inenten te overtuigen. Op 27 januari schreef dokter Heynsius naar huis: 'Veel last heb ik tegen de inenting gehad doordien de afgescheidenen - die hier alleen nagenoeg zijn, en nagenoeg gene andere - er zeer tegen zijn, vooral ook de dominee der afgescheidenen en de burgemeester. Beiden zijn echter thans van het geoorloofde overtuigd'.

Naar verluidt zou het in de vorige eeuw meermalen zijn voorgekomen dat Amsterdam hulp bood aan het Zuiderzee eiland Urk, wanneer daar op het een en ander gebied hulp nodig was. Een feit is het, dat in de barre winter van 1844 1845 een deputatie uit de Urker Gemeenteraad de verre tocht naar de hoofdstad ondernam, om Burgemeester en Wethouders van Amsterdam om medische assistentie te verzoeken. Er heerste namelijk op Urk sinds geruime tijd een ernstige pokken epidemie en de gevolgen waren des te noodlottiger, daar er geen dokter op dit eiland gevestigd was.

Het verzoek van de Urker Gemeente werd ingewilligd en als gevolg van een oproep in de bladen bood de jonge Cornelis Everhardus Heynsius, die juist op 17 oktober 1844 tot med. dokter gepromoveerd was, zijn diensten aan. En zo vertrok hij tezamen met de Urker afgevaardigden enkele dagen later naar het hem onbekende eiland, waar hij vervolgens anderhalf jaar zou verblijven. Dat een reis in die tijd en in dat jaargetijde niet van romantiek was ontbloot, bewijst een nog steeds bewaard gebleven brief, die mijn  oudoom en naamgenoot enige dagen na zijn aankomst op Urk aan zijn moeder schreef. Hieronder een fragment van genoemde brief.

"Ik zal U nu maar eens kortelijk verhalen, hoe ik hier gekomen ben en wat ik tegenwoordig zooal doe. Van alles zoude ik wel een roman kunnen schrijfen! Zaterdagavond elf uur was ik te kampen, ik heb dien dag met de Urker Gemeenteraden, mijne reisgezellen op Urksche wijze geliefd, over Godsdienst gesproken, want alle mensen behooren hier nagenoeg tot de Afgescheidenen. Ik heb toen in Kampen met hen gelogeerd en ben Zondagmorgen half één met hen naar Schokland gegaan, in eene slee en de Urkers op schaatsen vooruit. Anderhalf uur later waren wij te Schokland, terwijl het aanhoudend stortregende. Ik heb toen eenen visite gemaakt bij den Schokker geneesheer Mijer. Na lange deliberatiën, of wij de reis naar Urk zouden ondernemen, daar het zoo erg mistte, dat wij slechts enkele voetstappen vooruit konden zien, besloten wij het te wagen en telkens een strootje neder te leggen, om wanneer wij op het kompas Urk niet konden vinden, op Klein Duimpje af de weg langs de strootjes terug te vinden. Anderhalf á twee uur hebben wij over ijsbergen en hobbelig ijs afgelegd, maar wij konden Urk niet vinden, daar het kompas op de slede steeds in de rondte draaide en in het geheel niet stil wilde staan.

Ons stroo was toen op en wij zouden nog tabak gestrooid hebben, maar na rijp beraad kwam het ons toen verstandiger voor, om maar langs de strootjes terug te keeren. Ik werd in die slee ook bijzonder koud. Ongelukkig waren onze voorrijders wat zuinig geweest in het leggen van strootjes, en de wind en het op het ijs staande water hadden er veele geroofd, zoodat wij dikwijls een half uur moesten zoeken eer wij weder een strootje vonden, daar de mist zeer toenam en wij van het eene tot het andere strootje niet konden zien. Eindelijk kwamen wij toch behouden aan Schokland terug, nadat wij dikwijls in verlegenheid hadden gezeten, hoe wij aan den kost zouden komen, indien wij op Zee hadden moeten overnachten want onze voorraad was toen op. Toen wij in de herberg zaten, kwam de geneesheer van Schokland mij inviteeren om bij hem te logeeren. Ik had niet gedacht noch zulke menschen als deze en zijne vrouw op zoo een armoedig eiland te zullen vinden. Ik heb mij daar zeer goed geamuseerd en reeds eenige inlichtingen omtrent Urk ingewonnen. Maandag mistte het weder en mijne reisgezellen durfden geen nieuwe onderneming te doen en eerst Dinsdagmorgen konden wij Urk zien liggen, de lucht was toen helder en wij vertokken 's morgens vroeg, zoodat ik ten elf uren op Urk arriveerde. Ik zat weder in eene slee, wij hadden fourage medegenomen, een toethoorn om, wanneer de mist terugkwam en wij Urk niet meer konden zien liggen te blazen, opdat de Urkers dit geluid verneemde de mistklok zouden luiden en wij op dit geluid zouden en wij op dit geluid zouden kunnen afgaan. Kort voordat wij te Urk kwamen ( wij hadden twee Schokkers medegenomen, die mij in de slede reden ) stak een mijner Urker reisgezellen zijn zakdoek op een stok, als ten bewijs dat de commisie van Heeren Gemeenraden die om een Doctor uitgegaan waren arriveerde. Een menigte Urker boeren kwamen ons toen op scaatsen tegemoet en met de vleugelen van de wind reden wij naar Urk, waar de halve bevolking met open mond in haar eigenaardig costuum op ons opwachte. Onder geleide van deze menigte en eene menigte vragen, waar die Doctor vandaan was enz, kwamen wij bij den Burgemeester van Urk. De ziekte was eenigzins aan het afnemen, daar nagenoeg alle menschen pokken gehad hadden, hoewel er nog zes waren overleden, sedert dat de Commissie van Urk geggan was. Na een poosje bij den Burgemeester te hebben gezeten en het bepaald was, ik maar bij den chirurgijn zoude logeren, ging ik met den Burgemeester naar den chirugijn en na deze onderzocht te hebben, ging ik met den veldwachter die mij de weg wees, rond.

Vooraf had de Burgemeester laten omroepen dat er een doctor op Urk was, dat al die geneeskunde nodig hadden, zich moesten aanmelde bij Meester Musch, hetgeen mij eigenlijk allergekst in de ooren klonk. Velen leden er aan de ziekte, maar meer dezer aan de gevolgen, nog dagelijks komen er enkele bij. Eene ongehoorde verwaarloozing der vaccine is oorzaak, de ziekte zich zoo heeft uitgebreid. Ik ga trouw met vaccineeren en revaccineeren voort, hoewel ik zeer veel te kampen heb met de eenzijdige geloofs begrippen der meesten, die de vaccine als ongeoorloofd beschouwen.

C. E. Heijnsius.

Op 2 februari 1845 volgde:

Eens ben ik ook bij de afgescheidenen te kerk geweest; en dagelijks heb ik met de Urker heren en dames gesproken over het geloof, waarmede men echter niet veel vordert; zij vinden wel, dat ik goed praten kan, maar houden zich halsstarrig bij hun gekke geloof; er zijn machtig veel domme mensen bijeen; een groot deel gelooft aan toveren en spoken. Eindelijk ben ik toch zover gekomen, dat het vooroordeel tegen de inenting als nagenoeg geheel geweken kan worden beschouwd; eene grooten invloed heb ik gekregen, doordien ik de leraar der afgescheidenen, die zich openlijk van de predikstoel tegen vacine verzet heeft, van zijne verkeerde wijze van zien overtuigd heb; dit is een wonder bij eene afgescheidene; want zij beschouwen ons als mensen die niet zien kunnen, omdat de Heilige Geest onze ogen niet geopend heeft en zeggen daarom altijd maar, al zijn zij overtuigd, dat ze toch anders denken'.
Gelukkig nam de pokkenepidemie spoedig af en was er voor de dokter weinig meer te doen. De epidemie kostte 58 slachtoffers. De dokter rekende: zijn telling van 682 afgescheidenen en 489 hervormden leidde ondermeer tot de conclusie, dat bij de eerste groep de belangrijkste oorzaak van de epidemie lag. Dokter Heynsius keerde in april 1845 terug naar Amsterdam. Hij was tijdens de winter zeer bevriend geraakt met het gezin van de hervormde predikant Ter Plegt en deze bleef, zoals hij dat zelf omschreef 'op zijn Patmos achter' eenzamer dan ooit.


Jacob van Lennep, zoals hij in 1832 werd getekend door W. Grebner en P.Velijn.

 

Jacob van Lennep ontmoet oud Burgemeester Nentjes en zijn neef, dominee Nentjes, op Urk.

Uit het dagboek van Jacob van Lennep, 1823.

Woensdag 4 Juny.

De klok van 5 ure vond ons reeds aangekleed en reisvaardig. Met heerlijk weder en gunstigen wind plaatsten wij ons te zes ure in eene daartoe afgehuurde visschersschuit, welke wij voor tien gulden genomen hadden en die geheel ter onzer beschikking stond. In den haven zijnde joeg ons de Schipper in 't vooronder, waar het geweldig stootte, doch spoedig de haven uit zijnde plaatsten wij ons bij den Schipper, een gullen grijzaart van zeventig jaren. Ik teekende hem in mijn zakboek uit; toen ik dit gedaan had, vroeg hij mij 'of ik nu klaar was.' - Ja, zeide ik, hoedat? - 'Wel hervatte hij, als ik te Amsterdam an de kraem kom, dan zie ik main en main waif en men knecht in de printewinkel. Ik heb et wel emerkt. Nou jai mag het wel doen, jai bent vast een teikenaar.' - Intusschen werd mijn reisgenoot zeeziek, 't geen echter zeer ras bedaarde. Te negen ure kregen wij Urk in 't gezicht, dat zich bevallig uit de zee opdoet, wegens deszelfs hoogte, kerk, en groenen oever. Daar de haven te droog was, konden wij niet binnenloopen, maar seinden om een boot. Gelukkig waren de Urkenaars, die in menigte aan het strand gekomen waren, in den waan dat wij de inspecteurs der zee weeringen waren, en zond men ons eene visschersschuit toe, die ons met ongelooflijk veel moeite naderde, innam en aan wal bracht.

De visschers, ons ziende, vonden zich te leur gesteld en dropen af. Wij traden het dorp in dat niet onaartig is om te zien. Een oude visscher naderde ons, terwijl wij bij eene put van zoet water stonden, en verhaalde ons dat zijne eigene put veel dieper was, doch minder water gaf omdat zij zooveel lager op het eiland was: een ogenblik daarna verzocht hij ons op een kop koffie: zeer bevreemd over zijne gulheid, volgden wij hem en traden in eene onaanzienlijke wooning. Na twee ruime beestenstallen doorwandeld te hebben, kwamen wij in een goed en ruim vertrek en vervolgens in een tweede, waar de nichten van den grijsaard, twee groote schoone vrouwen met hare kinderen zaten. Nu volgden wij hem in het derde vertrek, waar de fraaiste porceleinen schotels in de rondte stonden en het koper ons van alle kanten tegenblonk: doch het vierde overtrof al de vorige schoon groote boerenvertrekken. Lekkere koffi en heerlijke beschuiten met roggenbrood en kaas werden ons voorgezet. - Dan wie was die grijzaart zoo kloek en rank van gestalte, zoo edel van gelaat, zoo schoon door zijne zilveren lokken? Neem Uw' hoed af, lezer! Het was de bijna tachtigjarige oud-burgemeester van het eiland die veertig jaren lang dien post waargenomen had en eerst het vorige jaar voor den zelven bedankt om zijne hooge jaren.

Nu herinnerde zich Van Hogendorp hem bij zijn' vader gezien te hebben, naar wien de man ook vroeg, even als naar de HH Elias, Van Boetselaer en anderen. Veel en zeer verstandig sprak de man met ons, vooral over het misbruik dat de aannemers van de goedwilligheid van Z. M. jegens het eiland maakten. Toen bracht hij ons naar zijn' neef den predikant, dien hij op zijne kosten had laten studeeren te Utrecht, en die hem f 8000 gekost had. Deze jongeling had den vorigen winter zijne vrouw verloren, 't welk al de Urkenaars bedroefd had, omdat zij, eene uitheemsche, en zelfs eene Amsterdamsche zoo goed zich op het eiland gewend had, dat zij haar' man voor twee beroepen had laten bedanken en aan Professor Heringa verklaard had liever op Urk dan te Amsterdam te willen woonen. Om de kosten van reparatie voor de pastorie goed te maken had de Koning drie jaren geleden f 2300 gegeven, welke de aannemers zoo wel gebruikt hadden, dat het in al de kamers lekte en rookte: zoodat de muren doorregend en de schoorstenen gebarsten waren. Anders was het een net gebouw, dat wij geheel bezagen, en waar vele fraaie meubelen stonden, als chiffonnières, bureaux, fraaie servicen en theegoed. - De Predikant toonde ons de Kerk die op den bovensten spits der rots gebouwd, zeer net en ruim is en die trouw door de inwooners bezocht wordt.

Van den toren heeft men een fraai zeegezicht op de Friesche kust. De Urkenaars zijn zulke liefhebbers van hun huizen te laten zien dat de Predikant, die ons zijn geheel huis tot de vliering en het varkenshok getoond had, nu zelfs in de goten van de kerk klom dat wij niets missen zouden.
Achter de kerk is de grond een bruine brokkelachtige rots. De zeeweering aldaar (weder aangenomen werk) is in twee jaren bedorven, terwijl de oude weering reeds sints veertig jaren zeer goed blijft bestaan. Na een glas bitter en Vriesche koek bij den Predikant gebruikt te hebben, gingen wij de school zien, welke mede bedorven is door de aannemers en waar tachtig kinderen het onderwijs genoten, waarvan zij, vooral 's winters als er geen vischvangst is, zeer goed gebruik maken. Elk inwoner heeft eene koe en een kalf, 't welk veroorzaakt dat er te veel runddieren naar de grootte van het eiland zijn. Nadat de oude man ons des chirurgyns, des zeilenmakers en andere wooningen getoond had, verliet hij ons, waarop wij het lager en onbebouwd gedeelte van het eiland doorliepen en er vele gewassen vonden welke de zeeduinen opleveren, onder anderen de harde distels die bij Zandvoort groeien. Op een smalle landtong zaten honderden van zeehonden zich in de zon te bakeren. Aan de andere zijde van het eiland gekomen vonden wij een roeischuitje dat ons aan het schip bracht waar wij karbenaden aten en wijn dronken. Van verre Schokland en den toren van Kampen gezien hebbende kwamen wij te vier ure aan de Lemmer aan, waar wij in de herberg de Wildeman onzen intrek namen.

Home


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.